Valstrik in Aikiriane – Brad Winning

0
189

Brad Winning is de schrijversnaam van Alex de Jong, de eerste Nederlandse winnaar van de Elf Fantasy Award voor het beste fantasyboek van het jaar (2003). Zijn voorgangers waren Terry Goodkind en Robin Hobb. Van 2005 tot en met 2012 was Alex initiator en uitgever van Pure Fantasy, het korte verhalenmagazine voor fantasy, SF en horror (hij maakte zelfs een klein uitstapje en gaf twee nummers van Pure Thrillers, een magazine met korte thrillerverhalen, uit), zodat van zelf schrijven weinig kwam. Na acht jaar was het ‘over en uit’, doekte hij Pure Fantasy en haar zusje op en besloot hij van schrijven zijn broodwinning te maken. Als Brad Winning publiceerde hij inmiddels vijf boeken: Kwade Geesten (korte, zieke thrillerachtige verhaaltjes), Bloed & Eer (fantasydetective), Schelmen & Schatten (korte fantasy en SF), Godendoder (Sword & Sorcery, waarin o.a. Valstrik in Aikiriane is gepubliceerd en waarmee Alex ooit, in een grijs verleden, de Unleash Award voor het beste korte verhaal won) en Heksenjacht (fantasy). De laatste roman is inmiddels naar het Engels vertaald en ligt ter beoordeling bij Engelse, Amerikaanse, Canadese, Spaanse, Franse en Poolse uitgevers en/of agenten.

Brad werkt ondertussen aan een steampunkroman (Ondergang), Urban fantasy (Verloren zielen), een thriller (Zwanenzang), aan een vervolg op Heksenjacht (Dromen en Demonen) en aan een vervolg op zijn fantasydetective Bloed & Eer (Bloed & (on)schuld). ‘Een zeer divers scala,’ aldus de auteur. ‘Tenslotte houd ik er niet van om in een bepaald hokje gedrukt te worden. Wat dat betreft ben ik net zo eigenwijs als mijn karakters!’

 

Valstrik in Aikiriane
Brad Winning

 

1

‘Laat me raden…’ De in rafelig leer gehulde man had zich iets naar voren gebogen en zijn hand op de enorme hand van Sirkhan gelegd. ‘Jij zoekt een hoertje.’ Hij grijnsde zijn zwarte tanden bloot. ‘Ja, hoe weet ik dat, hè?’

Sirkhan trok een borstelige wenkbrauw op en keek de man minzaam aan. Vervolgens keek hij van diens hand naar zijn eten en weer terug naar de man. ‘Je ziet toch dat ik aan het eten ben? Heeft je moeder je niet verteld dat je een beer nooit moet storen als hij eet?’

Enigszins geschrokken trok de man zijn hand terug. Bijna onverstaanbaar mompelde hij een verontschuldiging. Zijn ogen flitsten onderwijl zenuwachtig door het luidruchtige etablissement. Iemand die niet beter wist, zou denken dat hij een plekje zocht om zich te verschuilen.

Sirkhan grijnsde, nam enkele happen van zijn resterende stoofpot en wees terloops naar de stoel tegenover hem. ‘Ga zitten en vertel me wat je op je lever hebt.’

De vreemdeling frunnikte aan de zoom van zijn tuniek. Nog steeds schoten zijn ogen van Sirkhan naar de volgepakte ruimte en weer terug. ‘Ik wilde je niet storen, maat’, sprak hij schuchter.

Om de angst te vergroten, legde Sirkhan even demonstratief zijn hand op het heft van zijn dolk. De barbaar knikte ongeduldig naar de stoel en zei nu beslist: ‘Ga zitten, zei ik. Maar doe me één plezier en kijk naar opzij als je praat.’

‘Waarom?’ wilde de man weten, terwijl hij houterig de stoel aan de kant trok om te gaan zitten. Hij keek opzij en zag hoe een paar danseresjes zich klaarmaakten voor een optreden op het krakkemikkige houten podium dat eerder inderhaast door enkele welwillende lieden in elkaar was getimmerd. ‘Ah, zodat ik de danseresjes ook kan zien.’

Sirkhan schudde zijn hoofd. ‘Nee, zodat je stinkende bek niet boven mijn eten hangt.’

De Tarkausiër lachte om zijn eigen grap en doopte zijn laatste stukje brood in de resten van zijn stoofpot. Kauwend nam hij de vreemde snuiter in zich op. Het vettige, zwarte haar zat vol klitten en stond deels rechtop. Waar het haar aan de zijkanten was afgesneden, staken zijn flaporen naar buiten. Zijn regelmatig gebroken en nimmer goed gezette, dunne neus werd geflankeerd door geniepige kraaloogjes die nog steeds probeerden contact met de barbaar te vermijden. Het getaande gezicht, vol putten en een enkel litteken, was omgeven door een witrode baard.

Hij verft zijn haar. Vreemde snuiter.

‘Wat moet jij voorstellen?’ bromde Sirkhan met onverhuld leedvermaak. ‘De plaatselijke vogelverschrikker?’

Een zenuwachtig knikje was het enige wat de man ten antwoord durfde te geven.

‘Is dat een “ja” of een “nee”?’

Op het podium verkrachtte een onverlaat een jammerdoos. Sirkhan bracht met veel gevoel voor theater zijn handen naar zijn oren. Meteen daarop vertoonde zijn krachtige gezicht een brede glimlach toen hij de drie danseresjes het podium op zag klimmen. Hun verschijning bracht bij alle bezoekers de handen opeen. Er werd gejoeld en geschreeuwd. Zelfs de van talent gespeende muzikant staakte zijn pogingen om iets van muziek uit de jammerdoos te halen en stond nu enthousiast naast het podium te juichen.

‘U zoekt een hoertje, toch?’

Sirkhan schudde geërgerd zijn hoofd en maakte tegelijkertijd een gebaar dat de vreemde snuiter het zwijgen moest opleggen. ‘Ik heb nu even geen trek. Misschien later op de avond!’ Hij nam met veel oog voor detail een van de schaars geklede blondines op.

De vogelverschrikker schraapte zijn keel. Op het moment dat Sirkhan zich gepikeerd naar hem omdraaide, leek de man even achteruit te deinzen. Toen prevelde hij: ‘U hebt toch de hele dag gezocht naar een hoertje dat u heeft bestolen?’

De barbaar blikte even opzij en knikte. Zijn grote hand duwde het lege etensbord weg en griste aansluitend de aardewerken kroes van de tafel. ‘Ja, en?’ Hij had de hele dag al geluisterd naar mannen die meenden hem van dienst te kunnen zijn, maar geen van hen had echt geweten waar hij Elliselle had kunnen vinden. Niemand die haar zelfs maar leek te kennen. Het bevreemdde Sirkhan. Vele decepties later verwachtte hij ook nu niets anders.

‘Ik ben Braghar van Hastyr,’ bracht zijn gast aan tafel uit.

‘En ik ben Sirkhan di Momo y Avaya van Tarkausië.’ Hij grinnikte en klapte enthousiast in zijn handen toen het danseresje een zijden omslagdoek loshaakte en achter zich aan liet wapperen tijdens een sierlijke, sensuele dans.

‘Wat ben je? De plaatselijke hoerenmadam?’ Sirkhan lachte luid. Veel van de bezoekers keken even verbaasd zijn kant uit. ‘Vertel me wat je weet, wat je kwijt wilt, en laat me dan snel genieten van de voorstelling.’

‘De vrouw die je amuletten heeft gestolen. Ik weet waar ze is.’

Even leek het alsof de barbaar de man niet had gehoord.

‘Hoor je me?’

‘Ik hoor je en ik luister. Tot nu toe heb je mij niets verteld wat twintig andere mannen me niet ook al probeerden wijs te maken. Hadden die mannen wel geweten waar ze was, dan zat niet jij nu bij mij aan tafel, maar dat lekkere ding van gisteravond.’

‘Dat lekkere ding gaat op weg naar verre oorden.’

‘Verre oorden?’

Sirkhan zag vanuit zijn ooghoek dat de man, met tot streepjes dichtgeknepen ogen, naar hem knikte. ‘Ze heeft passage geboekt op een schip.’

‘Ook dat verhaal heb ik eerder gehoord.’ Aan zijn houding was duidelijk te zien dat Sirkhan alle interesse in het verhaal van de man, als hij dat al had gehad, nu volledig kwijt was.

‘Dus je wilt de amuletten van de Ouden niet terug?’

Ineens was Sirkhan een en al oor.

Hij merkte zelfs niet dat de blonde danseres haar topje had uitgetrokken en de verlokkingen van haar borstpartij toonde. Terwijl de hele meute begon te brullen als een kudde bronstige stieren, greep de barbaar de Hastyri bij zijn kraag. Resoluut trok hij de man naar zich toe. ‘Dus je weet wél waar je het over hebt?’ Hij had immers niemand verteld over de oorsprong van de amuletten…

De man grijnsde. Een akelige walm, die een ander dan deze Tarkausische barbaar zou hebben doen kokhalzen, dreef Sirkhans kant op.

‘Ik kan je helpen, maar dan zul je mij eerst moeten helpen.’

De barbaar duwde de man van Hastyr terug in zijn stoel en nam hem aandachtig op. ‘Wat wil je, gluiperd?’

‘Jij gaat iemand voor mij doden.’

Met doden, wanneer noodzakelijk, had hij geen moeite. Iemand vermoorden om er uitsluitend persoonlijk beter van te worden, was daarentegen heel iets anders. Hij wilde de man dit zeggen en hem tegelijkertijd een klap op zijn smoel geven, maar wist zich in te houden. Op het tafelblad had de man met trillende hand een amulet neergelegd. Vreemd genoeg kreeg Sirkhan het gevoel dat hier meer gaande was. Geïntrigeerd boog hij zich naar voren, zijn ogen vastgekleefd aan de amulet; de danseres nu compleet vergeten. ‘Vertel!’

 

 

 

2

 

‘Zeg me, Braghar van Hastyr, waar gaan we heen?’ Hoewel hij zich niet echt druk maakte over eventuele problemen gedurende de nacht, zat het Sirkhan niet lekker dat hij in het ongewisse werd gelaten over hun bestemming. ‘Je hebt me verteld dat “later alles duidelijk wordt” maar als je nu niet snel met je kennis op de proppen komt, dan verzet ik geen stap meer.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, bleef hij staan en kruiste demonstratief zijn armen voor zijn omvangrijke borstkas. ‘Ik ken je niet, makker. Wat als je maten ons daarginds opwachten voor een overval? Weet dan dat ik al mijn poen heb verbrast en dat de rest is gestolen door dat hoertje… Ik ga niet verder totdat je…’

Braghar keek slechts even om, maakte een obsceen gebaar, lachte, riep ‘Moet jij weten!’ en verdween in de wirwar van steegjes.

‘Bij Yg!’ Sirkhan had nog maar weinig Hastyri getroffen gedurende zijn omzwervingen, maar als ze allemaal waren zoals zijn “gids”, dan had hij geen zin ooit dat barbaarse land te bezoeken. Geïrriteerd riep hij: ‘Wacht…’

In eerste instantie schoorvoetend omdat hij zijn ergernis wilde verbergen, en later rennend, volgde hij de haveloos geklede man. Dat de man hem had achtergelaten kon hij nog verkroppen, maar dat Sirkhan blijkbaar geen overwicht kon laten gelden waardoor de man terug zou komen, stak hem steeds meer.

Om een hoek botste hij bijna tegen Braghar op. Sirkhan rook hem nog voordat hij hem in het oog kreeg.

‘We zijn er,’ verkondigde de man en liet een roffel neerdalen op de deur pal naast hen. Het duurde nauwelijks meer dan een tel of er weerklonken voetstappen van achter de deur. Een klein luik op ooghoogte werd opengeschoven en gelig licht stroomde naar buiten.

‘Wie gaat daar?’ klonk het theatraal.

‘Ik ga nergens heen. Ik ben er net,’ mompelde de Hastyri, duidelijk niet in voor vreemde fratsen. ‘Zeg Hyunar dat we er zijn.’

‘Geen namen,’ siste de stem van achter de lantaarn. Het luikje klapte dicht en de deur werd geopend. Pas nu zag Sirkhan dat het stemgeluid niet van een man, maar van een zwaargebouwde vrouw afkomstig was. Hoewel ze zich tegen de muur aan drukte, konden Braghar en Sirkhan nauwelijks passeren.

Kalk bladderde van de muren en hier en daar meende Sirkhan ongedierte langs de gelige wanden te zien lopen. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat het hoertje dat me bestolen heeft, zich hier ophoudt?’ vroeg Sirkhan.

Braghar bromde iets en de vrouw achter hen riep dat ze moesten doorlopen en hun mond moesten houden. Het leek Sirkhan op de een of andere manier niet het meest geschikte moment om commentaar te geven.

‘Kijk aan, daar zijn ze!’ riep iemand quasivrolijk.

In een schaars gemeubileerde kamer, duidelijk een bouwval, stond een viertal mannen. Drie van hen leken, gezien de opzichtige manier waarop ze hun zwaard droegen, wachters of iets van die strekking. De vierde man, degene die het welkomstwoord had gesproken, was gekleed als een lid van de plaatselijke middenstand. Hij droeg een zijden tuniek versierd met leren veters, een groene zijden blouse en een zwarte leren broek.

‘Ik zie het hoertje nergens,’ baste Sirkhan en draaide zich verongelijkt om naar de Hastyri die hem had meegevoerd. ‘Wat is dit? Je had gezegd dat je me naar het hoertje zou brengen.’

‘En dat heeft hij ook gedaan,’ verzekerde de handelaar hem. ‘Met een kleine omweg, maar dat was geheel op mijn verzoek.’

Sirkhan snoof. ‘En wie bent u?’

‘Sta mij toe mij allereerst te verontschuldigen…’

De Tarkausiër schudde zijn hoofd, zodat zijn lange zwarte staart wild heen en weer zwiepte. ‘Ik ben niet gediend van praatjes, beste man.’ Om zijn ongenoegen te tonen legde hij zijn hand op de knop van zijn zwaard. ‘En ik hou ook niet van omwegen. Op wiens verzoek dan ook.’

De drie andere mannen hadden allen nauwelijks bewogen. Toch was het de barbaar opgevallen dat ook zij hun hand naar hun wapen hadden gebracht. Ook de handelaar had het gezien. Hij riep zijn mannen met een woest gebaar tot de orde, duidelijk in zijn wiek geschoten.

‘Ik kom u niet bedreigen, vreemdeling.’

‘Mijn naam is Sirkhan,’ sprak de barbaar. ‘En als je me niet binnen tien hartslagen hebt verteld waar ik die kleine dievegge kan vinden, dan vertrek ik.’ Ondanks deze resolute woorden, voelde Sirkhan zijn nieuwsgierigheid groeien. Wat wilde deze man van hem? Kon het echt kwaad hier te blijven en de man aan te horen?

‘Oh, ik weet waar die slet is, wees gerust. Ik weet ook dat zij enkele gouden amuletten in handen heeft die u graag weer terug wilt zien…’ Hij pauzeerde even alsof hij moedwillig de spanning wilde opvoeren. ‘En ik weet ook hoe u voldoende kunt verdienen om heel lang in luxe te leven.’

‘Ik ben niet geïnteresseerd.’ Sirkhan draaide zich om en wilde terugkeren naar de hal. Hij ontmoette de omvangrijke gestalte van de vrouw die hen eerder binnen had gelaten. Ze keek hem dreigend aan.

‘Waarde heer… is dat onze dank voor het feit dat we u bij uw zoektocht hebben geholpen?’ hoorde hij de man achter zich zeggen.

‘Geholpen?’ hoonde Sirkhan. ‘Jullie hebben niets gedaan, behalve een veelbelovende avond verknallen. Ik had naar een mooie danseres en haar voorstelling kunnen kijken.’

‘Natuurlijk, maar wilt u dan niet veel liever vanavond weer met de dievegge van uw amuletten herenigd worden? Ik kan u vertellen waar ze woont!’ zei de man.

Toen de barbaar zich omdraaide en boos iets wilde roepen, zag hij hoe de handelaar een amulet in zijn handen had. ‘Als blijk van mijn goede wil, geef ik u een tweede amulet. De andere drie zijn bij de jongedame.’

‘Die stinkerd daar’, de barbaar wees naar Braghar, ‘vertelde me dat ik iemand voor jullie zou moeten doden.’

‘Slechts een kleine wederdienst,’ klonk het luchthartig. ‘Kom, drink een glaasje met me en ik vertel u alles wat u wilt weten, zodat u vanavond al uw amuletten bij elkaar kunt rapen en deze stad kunt verlaten.’

‘Heb ik haast dan?’ Natuurlijk had de man gelijk. Hij bleef, zeker na het vinden van een amulet, nooit lang op dezelfde plaats. Maar Sirkhan hield er niet van wanneer anderen hem vertelden wat hij moest doen.

Hyunar lachte en maakte een uitnodigend gebaar naar een plek op de vloer waar een geïmproviseerd zithoekje van tapijten en kussens was gemaakt. ‘Ik weet zeker dat wij u een goed aanbod kunnen doen.’

‘Een goed aanbod?’

‘Jazeker. Wij verlangen geen beloning voor onze bewezen dienst – het terugvinden van de dievegge -, maar bieden u de kans op een opdracht en een beloning die u niet af kunt slaan.’

 

3

Het was ver na middernacht toen hij door Braghar bij het grote huis van de stadsvoogd werd afgezet. De Hastyri, die naar eigen zeggen slavenhandelaar was en binnenkort weer met een aanzienlijke hoeveelheid slaven zou vertrekken, zat grijnzend naast de koetsier op de bok van het kleine rijtuig. ‘Doe de jongedame de groeten van me,’ zei hij grinnikend.

Sirkhan haalde diep adem en stapte uit. Toen hij de kinderkopjes onder zijn voetzolen voelde, gaf de koetsier het paard een tik met de teugel. Met veel lawaai kletterde de koets voort. Daarna werd het muisstil op straat.

Het gesprek met de handelaar nog vers in het geheugen, staarde hij naar het huis dat zeker aan zes grote gezinnen onderdak had kunnen bieden. Volgens zijn informatie huisden hier echter alleen de stadsvoogd, zijn dochter en een viertal bedienden.

‘Alleen vanavond heb je de kans om ongezien binnen te komen,’ zo vertelde de handelaar. ‘We willen dat je de dochter van de stadsvoogd doodt. Alleen dan zul je je drie amuletten terugkrijgen.’

‘En wat belet me om jou niet nu te doden en de amuletten te laten voor wat ze zijn? Zo belangrijk zijn ze niet.’

De man had zijn bluf doorzien alsof het in grote leestekens op zijn voorhoofd stond gegrift. Hij was in een onbedaarlijk gebulder uitgebarsten. Toen hij, rood aangelopen, eindelijk stopte met lachen, keek hij de barbaar doordringend aan en verkondigde zonder blikken of blozen: ‘Je hebt niets aan je bravoure, barbaar. Ik weet wel beter.’

Sirkhan overwoog de man aan te vliegen, toen hij ineens vanuit een duistere hoek van de kamer iets zag bewegen. De vijf andere aanwezigen zagen het ook en slaakten kreten van schrik. Alleen de handelaar grijnsde voldaan. ‘Je dacht dat je aan Azour een lelijke tegenstander had… ik kan je verzekeren dat ik, zijn neef, vele malen erger kwaad kan oproepen. Vergeleken bij mijn machten is Azour maar een stomme beginneling.’

Een akelige stank van zwavel en salpeter drong in Sirkhans neusgaten. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. ‘Ik heb vaker demonen gedood.’ Vanuit een duistere hoek van de kamer gromde een hellegedrocht dat alleen met een vage omtrek en helgele ogen zichtbaar was.

Hyunar schreeuwde een bevel. De andere vijf aanwezigen gilden ontzet en Sirkhan uitte een strijdkreet en sprong naar voren. Zijn zwaard doorkliefde de lucht. Het hellemonster verdween. Alleen zijn geur hing nog in de kamer. Hoestend en kokhalzend draaide de barbaar om zijn as en zocht het vertrek af.

‘Hij is weg!’ riep de magiër. ‘En hij zal, net als zijn soortgenoten, wegblijven wanneer je mij de gevraagde dienst bewijst.’

In antwoord zwaaide Sirkhans zwaard zingend door de lucht en liet het neerdalen boven het hoofd van de magiër. Vreemd genoeg was de man, nog steeds doodgemoedereerd genietend van zijn wijn, heerlijk weggedoken in de kussens blijven zitten. Het zwaard ketste af op een onzichtbare barrière.

Tijd om verbaasd te zijn had Sirkhan niet. Twee wachters stormden op hem af. Hij pareerde het zwaard van de ene en plantte zijn vuist in het gezicht van de andere. In een ongelooflijk snelle beweging draaide hij zich om en hieuw met zijn zwaard. Het hakte zonder enige moeite door het sleutelbeen van de eerste wachter. De man krijste van pijn en schrik en stortte neer. De ander, geplaagd door een bloedneus als gevolg van de geïncasseerde vuistslag, haalde naar Sirkhan uit. De barbaar had zich echter al weer omgedraaid en bukte. Het vijandelijke wapen zwaaide doelloos over zijn hoofd. Met een krachtige stoot boorde hij zijn zwaard in de buik van de man.

Er weerklonk een afgemeten applaus.

‘U bent snel. U bent goed.’

De overgebleven wachter bevroor in zijn poging om zijn twee makkers te helpen. Braghar stond jammerend van schrik tegen de muur en ook het manwijf leek ineens af te zien van een aanval. Ze had in iedere hand een dolk, maar leek vast te zitten in de beweging die ze aan het uitvoeren was.

Tovenarij.

‘Doe wat ik van u vraag en u bent vrij. Zo niet, vrees dan de toorn van de Drakenhonden!’

Sirkhan huiverde.

Hij was in de val gelopen.

Met open ogen.

Als de eerste de beste stommeling.

Hij had een kreet van woede geslaakt en besloten om, tegen zijn natuur in, gedwee te luisteren. Uiteindelijk wist hij als geen ander wanneer het tijd was om het vechten te staken en het juiste moment om een magiër te verrassen af te wachten.

Een pion in een handelsoorlog. Niets meer en niets minder, dat was hij, Sirkhan di Momo y Avaya. Tandenknarsend had hij het verhaal van de zwarte magiër Hyunar aangehoord. Over de stadsvoogd die moedwillig de belangen van het plaatselijke handelsgilde dwarsboomde. Die niet voor rede vatbaar was en ondanks dat de handelaren ten einde raad gedreigd hadden dat ze zijn dochter iets aan zouden doen, zich halsstarrig bleef opstellen. De zwarte magiër was uiteindelijk gevraagd het dreigement ten uitvoer te brengen maar hij had echter, zo vertelde hij Sirkhan, niet bijster veel zin om zijn handen aan een moord vuil te maken.

‘Met liefde laat ik de uitvoering aan een kundige barbaar over,’ grinnikte hij. ‘Jij moet zijn dochter in haar slaap overvallen en doden, Sirkhan. Dan, en dan alleen, zul je de dame treffen die in het bezit is van je andere drie amuletten.’

‘En wat als ik weiger?’ had hij weinig hoopvol gevraagd.

‘Dan laat ik je alleen met drie Drakenhonden. Eens kijken hoe goed je je leven dan nog weet te redden.’

Een moment had Sirkhan serieus overwogen om dit alternatief te omarmen. Het druiste tenslotte tegen al zijn principes in om een onschuldig iemand – en zeker een meisje dat niet eens de dood over zichzelf had uitgeroepen – zonder scrupules te vermoorden. Grote vraag was alleen: zou hij het wel echt tegen drie Drakenhonden kunnen opnemen? Tijdens zijn verblijf in Slydonië had hij er al eens één weten te doden, maar dat was puur geluk geweest. Hoe gelukkig zou hij zijn bij de confrontatie met drie van dergelijke gedrochten?

Moest hij dan doden om het eigen vege lijf te redden? Het leek er op. Maar toch… wanneer hij zich hier zou laten doden, dan was alles afgelopen. De opdracht aannemen gaf hem in ieder geval nog respijt én de mogelijkheid om een oplossing te bedenken om deze man van het duister in zijn plannen te dwarsbomen…

 

4

 

Het ging allemaal veel te gemakkelijk. De muur was totaal geen hindernis. De achterdeur, nota bene van het slot, had hem meteen al duidelijk moeten maken dat hier iets niet in de haak was. Natuurlijk dacht hij daar wel aan toen hij de trap naar de bovenverdieping op sloop, maar echt tijd om daar bij stil te staan had hij nu ook weer niet. Soms waren alle Goden hem gewoon goedgezind. De gangen waren leeg, er liep niemand rond. Nergens kuchte een bewoner achter een gesloten deur, zodat hij tenminste even het gevoel zou kunnen krijgen om betrapt te worden.

We hebben een medewerker in het huis. Die persoon zal er voor zorgen dat je onopgemerkt binnen kunt komen.

Haar slaapkamerdeur stond op een kier. Iemand had zijn uiterste best gedaan om het de insluiper zó gemakkelijk mogelijk te maken. Het enige wat hem nog een klein beetje tegengewerkte, was de duisternis van de benedenverdieping. Maar in de kamer van de dochter van de stadsvoogd brandde een eenzame vlam. Het gaf voldoende licht voor een vaag schijnsel dat door de openstaande deur schaars licht op de overloop wierp.

Vreemd. Is ze bang om in het donker te slapen?

Sirkhan bleef een moment bij de deur staan, luisterde en hoorde duidelijk aan de rustige ademhaling hoe in de kamer iemand lag te slapen. De dochter. Zijn doel. Hoewel hij het helemaal niet van plan was geweest, lag in zijn linkerhand nu wel zijn dolk. Met zijn rechterhand duwde hij de deur iets verder open, zodat hij zijn omvangrijke gestalte naar binnen kon wurmen. Meteen daarop sloot hij de deur achter zich. Methodisch schoof hij de grendel aan de binnenzijde voorzichtig op zijn plaats. Als er in deze slaapkamer dan toch iets moest gebeuren, dan kon hij maar beter niet gestoord worden.

Op zijn tenen liep hij naar het hemelbed. Dergelijke bedden deden hem altijd meteen denken aan de tent van Runiara, een onstuimige vrouw die hij in de Oase van Bakriet had ontmoet, nu meer dan twee jaar geleden. Hij glimlachte even bij de herinnering.

Het meisje mompelde in haar slaap en draaide zich kreunend om. In het vale schijnsel van het kaarslicht zag hij een fijn gesneden gezicht, omkranst door ravenzwart haar. In haar slaap had ze haar laken half van zich afgeschoven, zodat een kleine borst bloot was komen te liggen. Onwillekeurig vroeg Sirkhan zich af hoe volkomen zacht en fijn die in zijn hand zou liggen.

Met een laatste stap stond hij naast het bed, bukte zich snel en legde zijn hand op haar mond. Tegelijkertijd bracht hij zijn dolk omhoog en drukte deze tegen haar keel.

‘Wat, bij Yg…’ Verbaasd keek hij naar het meisje dat, ondanks zijn harde aanpak, niet wakker schrok. Hij schudde haar nu lichtjes heen en weer, de dolk naast haar ranke Aikiriaanse lijfje, zijn beide handen op haar blote schouders. Ze werd niet wakker. Ze kreunde slechts lichtjes, maar dat was het dan.

‘Dood haar!’ siste een vrouwenstem uit de tegenoverliggende hoek van de kamer.

Vliegensvlug sprong hij op, zijn dolk weer in zijn hand.

‘Wat had je anders met haar willen doen?’ klonk het. ‘Van het uitzicht genieten?’

Vaag meende Sirkhan de stem van de vrouw te herkennen.

‘Nou?’ De vrouw, gehuld in een doorschijnend en niets verhullend negligé, stapte vanuit de donkere hoek op hem toe. Haar krullende, ravenzwarte haar golfde rond haar engelengezichtje. Hij wist dat het tot ver onder haar schouderbladen haar rug raakte.

‘Jij?’

Ze knikte en glimlachte liefjes. ‘Ja, ik. Om u te dienen, spierbundel.’

Hij wist niet zeker of hij deze benaming als een compliment moest beschouwen. Verbaasd nam hij haar op en mompelde haar naam. ‘Elliselle.’

‘In hoogsteigen persoon.’ Ze was blijven staan en had haar handen in haar beide zijden gedrukt. Vreemd genoeg zag Sirkhan alleen maar haar vrouwelijke rondingen en haar harde tepels die door de flinterdunne stof dreigden te springen.

‘Had jij niet een opdracht uit te voeren?’

Boos schudde hij zijn hoofd. ‘Je hebt me bestolen!’

Met onverholen leedvermaak wees ze naar een kleine tafel verderop in de kamer. ‘Daar liggen je amuletten. Je kunt ze meenemen nadat je mijn… omdat je de dochter van de stadsvoogd hebt omgebracht.’

Met enkele stappen stond hij voor haar en greep haar arm stevig vast. Terwijl hij zich naar haar toe boog, hief hij zijn dolk. ‘En wat als ik geen zin heb om jullie spelletje mee te spelen?’

Uitdagend kruiste ze zijn blik en zweeg.

Haar donkere ogen deden zijn woede smelten. ‘Je…’

Ze vatte zijn aarzeling op als een aanmoediging. Verleidelijk sloeg ze haar vrije arm om zijn nek en kuste hem. Geschrokken, maar toch zeker ook aangenaam verrast, proefde hij haar zoete lippen en voelde hoe haar tong de zijne zocht en vond. Zijn dolk plofte op het tapijt. Haar arm werd verlost van zijn ijzeren greep. Verstrengeld in elkaar groeide de passie.

Ineens greep hij haar beide handen, bracht ze achter haar rug en duwde haar van zich af. ‘Jij heks… ik laat me niet opnieuw door jou betoveren! Ik neem mijn amuletten en ga.’

Ze hijgde. Hij voelde haar warme adem in zijn gezicht. Ze duwde haar hoofd naar voren, haar tanden ontbloot alsof ze hem had willen bijten. ‘Ik kan je helpen nog meer amuletten te verzamelen,’ zei ze en maakte kussende geluidjes terwijl hij haar vasthield en met zich mee torende naar het tafeltje. ‘Ik kan je ’s nachts warmen en…’

‘Wie ben je?’ baste hij. ‘Wát ben je?’

Ze leek even verrast door deze wending. Ondertussen griste hij zijn amuletten van de tafel.

‘Wat maakt het uit wie ik ben?’ repliceerde ze hooghartig. ‘Doe jij nu maar waar je voor gevraagd bent.’

Hij liet haar handen los en drukte haar iets van zich af. Een moment bekeek hij de amuletten. Toen stopte hij ze in een kleine buidel en gespte hem met de leren koord stevig aan zijn riem. ‘Je had dit allemaal al van tevoren gepland, niet?’ Hij probeerde haar blik te vangen, maar ze ontweek hem. ‘Onze ontmoeting, onze liefdesdaad…’ Hij zag dat ze nu grinnikte, maar liet zich er niet door weerhouden verder te gaan: ‘…de diefstal van mijn amuletten… Het was een vooropgezet plan. Allemaal om mij hier te krijgen.’

Ze grijnsde en probeerde haar armen weer om zijn nek te leggen. Hij weerde haar af en greep haar bij de polsen. ‘Laat dat. Vertel me wat ik wil weten!’

Even bleef ze hem hooghartig aankijken, toen verwaterde de grijns, werd een glimlach en ten slotte een verbeten streep. ‘Goed dan.’ Ze probeerde zich los te wurmen, maar hij stond het niet toe. ‘Ja, het was allemaal een plan. Een vreemdeling voor een moord. Ik had je nodig, sterke man.’

‘Dat zal wel,’ hoonde hij.

‘Het is waar. Ik had je nodig. Je moest me helpen.’

‘Jou helpen… Ik weet niet eens wie of wat je bent.’

‘Ik ben…’ Ze wendde zich even naar de slapende gestalte op het bed en zuchtte. ‘Goed dan… Ik ben Elliselle, de dienstmaagd van de dochter des huizes.’ Haar gezicht lichtte op door een glimlach. ‘Doe nu maar wat er van je gevraagd wordt, lekkertje.’

‘Hum.’ Ook hij had zijn aandacht even op de slapende gestalte gericht. ‘De dienstmaagd, hè?’

‘En jij bent hier om de dochter van de stadsvoogd te doden. Doe het!’

Hij lachte zacht, vatte de pols van haar rechterarm in zijn linkerhand en trok haar naar het bed. Ze slaakte een ingehouden kreet. Meteen daarop duwde hij met zijn andere hand haar hoofd naar beneden en siste vlak bij haar oor: ‘Je wilt me doen geloven dat de vrouw die hier in een verdovende slaap ligt, de dochter van de stadsvoogd is, maar ik geloof je niet.’ Ze rukte om los te komen, maar hij verstevigde zijn greep en drukte zijn hand nu ferm in haar nek.

Het was een gok geweest, maar de reactie van de jonge vrouw in zijn handen deed zijn zelfvertrouwen omtrent zijn vermoeden verder toenemen. ‘Of je naam Elliselle is, weet ik niet, maar je bent zeker niet de dienstmaagd.’ Hij trok haar overeind, zodat ze gedwongen werd hem aan te kijken. ‘Je bent te trots, te hooghartig. Jij bent misschien zelf wel de dochter van de stadsvoogd.’

Ze vloekte. Het was alle bevestiging die hij nodig had. Met een woest gebaar liet hij haar los, zodat ze half op het bed viel. Ze bleef echter niet liggen, maar sprong meteen op en haalde als een valse kat naar hem uit.

Honend weerde hij haar tot klauwen gebogen vingers af, probeerde haar vast te pakken en riep: ‘Wat voor idioot spelletje speel je, vrouwe?’

‘Geen!’ Ze probeerde hem in zijn ogen te krabben, maar hij wist haar hand te pakken en boog haar arm naar achteren. Ze siste hem als een boosaardig wezen toe. ‘Ik hoef aan jou geen verantwoording af te leggen!’ Ze probeerde hem te schoppen. Haar lange naakte benen zwaaiden heen en weer. Een van haar voeten trof hem tegen zijn dijbeen.

‘Laat dat!’ Even keerde hij zijn hoofd naar de deur, alsof hij een geluid meende te horen. ‘Straks wordt je vader wakker!’

Boos schudde ze haar hoofd. Haar haar wapperde als een nest kleine slangen heen en weer. ‘Papa hoort niets meer,’ riep ze. ‘We zijn alleen! Neem me!’

 ‘Je bent gek!’ In een paar stappen was hij bij de deur. ‘Ik ga niemand nemen en ook ga jij niemand doden. Ik ga nu naar je vader en vertel hem…’

Schreeuwend sprong ze van het bed en dook op hem af. ‘Nee!’

 Ze liep recht tegen zijn gebalde hand en stuiterde achterover. Haar ogen flitsten nu vol haat. ‘Stomme barbaar! Je had gewoon moeten doen wat je was opgedragen! Je moet niet nadenken. Laat dat aan mensen over die meer hersenen en minder spieren hebben.’ Ze spuugde naar hem.

‘Ik ga je vader waarschuwen,’ zei hij en zette zich schrap voor een nieuwe aanval van haar kant. Ze bleef echter rustig. Ze had haar hoofd opgeheven, maar kroop ondertussen langzaam naar de dolk die hij eerder had laten vallen.

Net toen hij de deur had ontgrendeld, voelde hij een stekende pijn in zijn arm. Meteen haalde hij uit en trof haar met zijn arm in het gezicht. Weer zwiepte ze achterover en kletterde op de vloer. ‘Je hebt veel uit te leggen,’ riep hij, niet langer bang dat iemand hem zou kunnen horen.

‘Oh ja?’ Ze likte zijn bloed van het lemmet van de dolk en grijnsde. ‘Denk je? Papa verdiende de dood. Hij dwarsboomde alles. Nu zal het gilde mij belonen en…’

Sirkhan was al de kamer uit en riep om de stadsvoogd. Achter hem sloeg de deur dicht en gilde een vrouw. De dochter. Eliselle.

Van beneden klonk nu ook rumoer. Er werden lampen ontstoken en laarzen dreunden op de vloer en in de hal. Diverse kelen riepen om de stadsvoogd en zijn dochter.

‘Hij is hier! De moordenaar van papa. Help!’

Te laat realiseerde Sirkhan zich de val.

Papa verdiende de dood, had ze gezegd.

Resoluut draaide hij zich om. Hij verwachtte dat de feeks hem aan zou vallen, maar in plaats daarvan opende ze de slaapkamerdeur, zodat hij zicht kreeg op het bed. Het hoofd van de eerder vredig slapende dienstmaagd lag er vreemd bij, geknikt en in een volslagen onnatuurlijke houding. De lakens waren van het naakte lichaam getrokken en rondom het prachtige lichaam vormde zich een grote donkere vlek. De dochter van de stadsvoogd grijnsde boosaardig en drukte hem zijn bebloede dolk tussen de handen.

‘Hij heeft papa en Ynto gedood!’ Volslagen onbewogen trotseerde ze hem. Vanaf de benedenverdieping werd nu geschreeuwd. Zwaarden werden getrokken en mannen stormden de trap op.

‘Vlucht!’ zei ze en wees naar het raam van haar slaapkamer. ‘Vlucht, vader van mijn kind!’ Ze legde haar handen op haar buik. ‘Vlucht, nu het nog kan!’

Besluiteloos stond hij daar, zijn dolk in de hand, de duidelijk krankzinnige vrouw op armlengte voor zich, de bediende met doorgesneden keel in het bed, de aanstormende mannen achter zich. Vluchten lag niet in zijn aard, maar dit was belachelijk.

‘Waarom heb je haar gedood?’ siste hij, ‘waarom?’

‘Ze betrapte me toen ik vanavond papa doodde,’ zei ze, alsof ze over het weer sprak. ‘Ze wist te veel. En of jij haar nu zou hebben gedood of niet, ze moest vanavond sterven.’

Drie mannen hadden de overloop bereikt. Ze riepen naar de moordenares, die ineens in haar rol van angstige jonge vrouw verviel en weerzinwekkend gilde. Vijf andere mannen waren bijna boven en nog meer volgden.

‘Ga naar beneden, naar het raam van de slaapkamer van de jonge vrouwe!’ riep één van de mannen tegen metgezellen beneden.

Sirkhan wist genoeg. Nog even en er was geen ontkomen meer aan.

‘Ga,’ fluisterde ze. ‘Ga nu! Ik heb je werk al gedaan, stomme vent.’ Ze grijnsde gemeen. ‘Maar ze zullen jou er voor aanzien! Ren. Vlucht. ‘Móórdenaar!’

Hij stormde op de glaspui af, sprong er doorheen en voelde de kilte van de nacht over zijn geschaafde en hier en daar licht opengereten huid trippelen.

Onder dekking van een maanloze, door sterren bespikkelde hemel, verliet hij de stad. Weliswaar verenigd met zijn vijf gouden amuletten, maar wederom met het stempel van moordenaar op zijn voorhoofd.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here