BoekenKorte verhalenIk mag jou nooit verliezen - Dennis van den Broek

Ik mag jou nooit verliezen – Dennis van den Broek

-

Het is tijd voor het laatste verhaal die we gaan doorplaatsen van de afgelopen editie van Waterloper! Wil je meer weten over deze schrijfwedstrijd, of andere wedstrijden in ons genre, lees dan het overzichtsartikel van gisteren! Het verhaal van vandaag is van Dennis van den Broek en behaalde de 24e plek.

Dennis is in het dagelijks leven jurist, maar zijn grote passie is verhalen vertellen. Sinds 2024 is hij actief bezig met het schrijven van onder andere een fantasyreeks en een kinderboek met zijn vrouw. Ook neemt hij graag deel aan schrijfwedstrijden om zo andere schrijfstijlen en invalshoeken te verkennen. In zijn verhalen creëert hij graag uitgebreide werelden waarin de lezer volledig kan opgaan en verwerkt hij zijn eigen humor. Zijn inspiratie haalt hij uit de wereld en de mensen om hem heen.


Ik mag jou nooit verliezen
Dennis van den Broek

1

‘Meisje, kom eens hier! Dan laat ik je zien wat een echte vent is!’

Karl beet op zijn wang en balde zijn vuist. Heimir — de jongste zoon van de keizer en grootste klootzak die ooit op de wereld had rondgelopen — viel weer heel de avond de dames in de kroeg lastig en had het inmiddels op zijn verloofde, Lora, voorzien. Ze kon perfect haar vrouwtje staan en had geen hulp nodig, maar toch haatte hij het dat hij niets kon uitrichten. Zodra hij ook maar iets zou zeggen wat die zuiplap niet aanstond, zouden zijn wachters hem oppakken … of nog erger.

Heimir sloeg hard met zijn pul op tafel waardoor het bier over de rand klotste. ‘Hallo, ben je doof? Kom hier!’ Hij praatte met dubbele tong en stond wankelend op.

Het geroezemoes verstomde. Het zweet brak Karl uit toen hij zag dat Heimirs wachters hun handen naar de knoppen van hun zwaarden bewogen en dat de adviseur van de keizerszoon iets rechter ging zitten. Zou het hele gezelschap zich tegen hen keren?

Lora zat met haar rug naar haar belager en draaide zich langzaam om. ‘Het spijt me, ik wist niet dat je het tegen mij had. Ik ben namelijk al verloofd met een echte vent.’ Ze legde haar hand demonstratief op Karls arm wat hem een warm gevoel gaf. ‘Dus als je het niet erg vindt, kom ik niet naar je toe.’

Heimir staarde haar glazig aan, zijn mond viel open. Karl beet opnieuw op zijn wang. Dit keer om zijn lach in te houden. De jongste keizerszoon was niet de snuggerste. Als hij geboren was in een minderbedeelde familie, was hij waarschijnlijk alleen geschikt geweest om stallen uit te mesten. Dit in tegenstelling tot zijn oudere broer Goentar. Karl had veel verhalen gehoord over de nagenoeg perfecte andere zoon van de keizer. Hij was slim, sterk, knap en een bewezen krijger. Het was een publiek geheim dat de keizer zich schaamde voor zijn jongste. Karl vermoedde dat Heimir daarom uit wraak het zijn vader zo moeilijk mogelijk wilde maken met zijn opstandige gedrag.

‘Fijn dat je het snapt. Prettige avond nog,’ zei Lora en ze draaide zich demonstratief om.

‘Jij wicht,’ siste Heimir, ‘weet je niet wie ik ben?’ In een onhandig gebaar trok hij zijn zwaard uit zijn schede. Veel kroeggasten hapten naar adem bij de aanblik van het machtige wapen, Lora´s vingertoppen boorden zich nog dieper in Karls arm. De kling was pikzwart, doorregen met gouden nerven die in ingewikkelde patronen van de vlijmscherpe punt naar het massief gouden gevest liepen. ‘Zie je dit hier? Dit is het Zwaard van de Dag. Dit machtige wapen heeft meer jaren gezien dan dat jij haren op je armzalige hoofd hebt! Wanneer het samen met het Zwaard van de Nacht van mijn broeder Goentar ten strijde trekt, zijn ze onoverwinnelijk en is het onmogelijk om een strijd te verliezen! Alleen al het aanraken van dit wapen is meer waard dan jouw miezerige leventje, dus bied nú je excuses aan.’

Lora zei niets, maar de druk op Karls arm nam toe. Hij probeerde met zijn ogen duidelijk te maken dat ze de prins moest gehoorzamen. Ergens in de hoek van de kroeg steeg een zacht gefluister en gegrinnik op.

Heimir draaide zich resoluut om en liep zwalkend in de richting van het geluid. ‘Wat is daar zo grappig?!’

De twee mannen die hadden gelachen verstijfden. Alle kleur trok uit hun gezicht. ‘Niets, heer,’ zei de kleinste zacht.

Twee wachters volgden de keizerszoon op de voet. ‘Jawel. Jij zei iets en jij lachte.’ Hij wees zwalkend naar het tweetal. ‘Ik wil dat je herhaalt wat je zei.’

‘Nee heer, echt, het was niets.’ De stem van de man trilde van angst.

‘Waarom moest hij dan lachen?’ Hij stond nu aan de tafel van de twee en blokkeerde Karls zicht op de mannen. Geen van beiden durfde kennelijk te reageren, want het bleef stil. Heimir borg het Zwaard van de Dag op en trok een dolk. ‘Als je niet herhaalt wat je zei, dan executeer ik jullie hier ter plekke. Binnen drie tellen wil ik het horen, begrepen?’

Karl kon niet zien hoe de mannen reageerden, maar als die gek zo’n toon tegen hem aan zou slaan, zou hij het zeker in zijn broek doen.

‘Eén … Twee … Drie.’ De keizerszoon hief zijn arm.

‘Stop!’ snikte één van de mannen. ‘Alstublieft, heb genade, edele heer.’

‘Wat. Zei. Je.’ Bij ieder woord werd hard met de dolk op tafel geslagen.

De man jammerde onverstaanbaar.

‘Spreek duidelijk!’

‘Ik zei dat de zwaarden al in geen eeuwen nodig waren om een strijd te winnen, dat ik me afvraag of de legendes waar zijn.’

Met een doffe dreun plantte Heimir de dolk in de tafel. ‘Was dat nou zo moeilijk? Je hebt net je eigen leven en dat van je sneue vriend gered.’ Hij trok het wapen los. ‘En de legendes zijn waar. Het is alleen aan de kracht van mijn familie te danken dat jullie ratten in vrede kunnen leven. Mocht een machtige vijand zich aandienen, dan zullen de Zwaarden van Dag en Nacht ons de overwinning opleveren!’ Hij draaide zich om en zette een paar stappen richting zijn tafel waardoor Karl de mannen weer zag. Hun lippen trilden, tranen biggelden over hun wangen. Ze waren de dans maar net ontsprongen.

Heimir stopte. Een koude rilling liep over Karls rug bij het zien van de vuile grijns die op het gezicht van de prins verscheen. ‘Oh, wachters. Ze hebben dan wel hun levens gered. Maar neem de tong van die linker. Dan zal hij nooit meer zulke leugens verspreiden.’

‘Nee!’ Gilde de man. ‘Alstublieft, heer, heb medelijden.’

De wachters stapten op hem af. De ene nam hem in een stevige houdgreep en trok zijn mond open. Karl wendde zijn ogen af, hij wilde dit niet zien. De kreten van de man werden gesmoord. De kenmerkende shing van een getrokken dolk klonk en de gesmoorde kreten gingen over in een gekrijs wat door merg en been ging. Hij kon het niet nalaten om te kijken en zag hoe het slachtoffer op de grond werd gegooid. De wachter veegde zijn dolk schoon aan de rafelige kleren van zijn slachtoffer.

‘Laat hem zijn mond houden, ik wil niet dat dit onze avond verpest.’ Een paar kerels snelden toe en sleepten de man naar buiten. ‘Zo, eindelijk,’ zei Heimir toen het gekrijs wegstierf. ‘Waar waren we? Ah, ja. Jij, schoonheid, had jij nog wat te zeggen?’ Hij legde zijn hand op Lora’s schouder.

Tranen brandden achter Karls ogen. Dit was het einde van zijn verloofde zoals hij haar kende. Hij hoopte vurig dat ze zou gehoorzamen.

Net toen de prins zijn arm weer ophief, werd deze vastgegrepen.

Karl hapte naar adem, Heimirs adviseur mengde zich in de situatie.

Verbaasd schudde Heimir zijn arm los en draaide zich om. ‘Wat heeft dit te betekenen?’

De adviseur fluisterde net hard genoeg zodat Karl hem kon verstaan. ‘Heer, u kunt deze dame beter met rust laten. Uw reputatie is al enigszins … omstreden. Zeker na de demonstratie jegens dat leugenachtige heerschap van zojuist, is het niet verstandig om nogmaals uw macht te laten gelden.’

Karl kon zijn oren niet geloven. Hij blies de ademteug uit die hij onbewust had vastgehouden. Was dit hun redding? Toen hij Heimirs vernietigende blik zag, wilde hij in ieder geval voor geen goud met hun reddende engel ruilen.

‘Vooruit dan, Pasko,’ siste de prins. ‘Het is toch maar een lelijke trien.’ Hij draaide zich om en liep terug naar zijn tafel. ‘Meer bier! Schiet eens op verdorie!’

De druk op Karls arm verslapte. Hij merkte nu pas hoe hard zijn geliefde hem geknepen had. Hij pakte snel haar handen en kuste haar. ‘Kom, we gaan hier weg.’

‘Nee, ik laat me niet wegjagen.’ Ze staarde hem vurig aan.

Hij rolde met zijn ogen. Haar koppigheid zou haar nog eens de kop kosten.

2

De minuten kropen voorbij terwijl Karl van zijn bier nipte. Na de aanvaring was het voor hem de rest van de avond onmogelijk om te ontspannen. Het hielp ook niet dat Heimir steeds vuile blikken hun kant op wierp. Hij had het nare gevoel dat ze het op een ander moment moesten ontgelden. Hij had zich het liefst zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt, maar Lora bleef weigeren. De sfeer verbeterde in de hele kroeg toen de keizerszoon met een dame van plezier naar een kamer boven de kroeg vertrok. Gesprekken werden luidruchtiger en er werd meer gelachen. Een tijdje later excuseerde Lora zich en vertrok naar het toilet.

Karl rilde terwijl hij droevig naar zijn bierpul staarde. Was hij wel goed genoeg voor Lora? Zij was nergens bang voor, maar hij wel. Toen Heimir een bedreiging vormde, had zij zich verzet, maar hij bevroor. Als het er écht op aankwam, zou hij haar dan kunnen verdedigen? Hij dacht van wel … hoopte vooral van wel. Hij mocht haar niet verliezen.

Hij ontwaakte uit zijn trance van zelfmedelijden toen tot hem doordrong dat zijn verloofde wel erg lang wegbleef. Zou ze zijn opgewacht? Dat kon toch niet, die dronkaard was al ruim een uur naar boven, die lag waarschijnlijk inmiddels te slapen. Ongemakkelijk verschoof hij zijn stoel om zo beter de ruimte te overzien, maar hij zag haar nergens.

‘Wat zit jij gek te doen?’

Hij draaide zich met een ruk om en zag zijn geliefde achter hem staan. Hoe had hij haar kunnen missen? ‘Ik zocht jou, waar was je?’

Ze keek hem ondeugend aan en probeerde onhandig een bundel achter haar rug te verbergen. ‘Ik was een cadeautje halen.’ Een brede glimlach verspreidde zich over haar gezicht.

De blik in haar ogen stond hem niet aan. ‘Wat heb je gedaan?’ fluisterde hij. ‘Laat zien.’ Hij probeerde het pak achter haar rug te grijpen.

Ze ontweek hem handig en boog haar hoofd naar zijn oor. ‘Niet hier, kom, ik wil je wat laten zien.’ Zodra ze was uitgepraat, liep ze naar de achteruitgang van de kroeg. Karl kwam zo snel overeind dat hij zijn pul bier omstootte.

Karl sloot de achterdeur. ‘Wat is er aan de hand? Zit je in de problemen?’

Zijn verloofde keek snel om zich heen, ze stonden in een verlaten steegje. Hun enige gezelschap was een zwakke straal maanlicht. ‘Nog niet,’ zei ze. Ze haalde het pak tevoorschijn en wikkelde de doeken af.

Even dacht hij dat zijn hart het begaf toen hij — zelfs in het zwakke maanlicht — de schittering van het gouden gevest van het Zwaard van de Dag zag. Hij zette zijn hand tegen de muur en viel bijna tegen een stapel kratten. ‘Wat …’

‘Oh, stel je niet zo aan.’ Ze bedekte het zwaard weer.

Hij haalde diep adem en rechtte zijn rug. ‘Hoe haal je het in je hoofd? Heb je dat zwaard gestolen?’

‘Stil nou, niet zo hard.’ Ze legde haar vinger op haar lippen. ‘Ja, ik heb het gestolen, maar alleen om die klootzak eens goed te laten schrikken. Die verwaande kwast verdient het om eens goed op zijn nummer te worden gezet.’

Karls hoofd duizelde. Hij masseerde zijn slapen, in de hoop dat hij iets van de actie van zijn verloofde zou begrijpen. ‘Zet je onze levens op het spel om hem een lesje te leren?’

Lora’s blik veranderde van speels enthousiasme naar een ongemakkelijke glimlach.

‘Wat is je plan? En wat nou als zijn wachters je hadden betrapt? Dan was je hoofd allang afgehakt. Heb je daar al over nagedacht?’ Zijn hart bonsde alsof het uit zijn borstkas wilde ontsnappen. Ze was nu niet onverschrokken geweest, maar regelrecht onnozel.

Al snel had hij spijt van zijn uitbarsting. Haar glimlach was inmiddels een bezorgde frons geworden. Het was duidelijk dat ze niet over de gevolgen van haar actie had nagedacht. ‘Ben je wel ongedeerd?’ vroeg hij snel om de beladenheid tussen hen uit de lucht te halen.

‘Ja,’ zei ze zacht. ‘Het spijt me.’ In haar ooghoek verscheen een traan. Ze liet het zwaard op de grond vallen en wierp zich tegen zijn borst.

Hij omhelsde haar stevig en klopte op haar rug. ‘Het geeft niet, we lossen dit wel op.’ Hij kuste haar kruin. ‘Hoe heb je het eigenlijk voor elkaar gekregen?’

Tussen het snikken door lachte Lora. ‘Ik ken die dame met wie Heimir is meegegaan. Ze gaat nogal … grondig te werk. Mannen houden het vaak niet lang vol bij haar. Tel daar een avond flink drinken bij op en dan is het logisch dat hij op dit moment bijna comateus op bed ligt.’ Een voorzichtige glimlach keerde terug op haar gezicht. ‘Ik zag hoe zijn gezelschap de kroeg verliet, ik ben naar boven gegaan en toen ik hem aan het begin van de gang al hoorde snurken besloot ik snel naar binnen te glippen en het zwaard te pakken. Ik wilde het bij de wachterspost hier verderop afgeven morgenavond zodat hij de hele dag flink in de rats zou zitten.’

Het klonk als een typische actie van zijn grote liefde. Spontaan, maar berekenend. Gevaarlijk, maar wel doordacht . Hij glimlachte terug. ‘Het was een goed plan, hij moet eens op zijn nummer worden gezet, maar niet ieder plan moet je ook daadwerkelijk uitvoeren. Het is te gevaarlijk.’ Hij kuste haar opnieuw.

Ze ontweek zijn blik en staarde naar haar voeten. ‘Ja.’ Ze raapte het zwaard weer op. ‘Wat doen we nu hiermee?’

‘Die vriendin van jou, hoelang hebben mannen nodig om van haar te herstellen?’

‘”Vriendin” is wat overdreven, maar over het algemeen worden ze niet voor het kraaien van de haan wakker.’ Ze pauzeerde even en voegde daar met een duistere glimlach aan toe: ‘Meestal worden ze gewoon wakker.’

‘Laten we hopen dat hij wakker wordt,’ zei Karl met een schampere lach. Hij pakte het zwaard uit haar handen. ‘Ik breng het wel terug naar zijn kamer zodat hij niks doorheeft.’

‘Nee, dat kan ik je niet laten doen, het is mijn probleem, ik moet het oplossen.’ Ze pakte het zwaard met beide handen vast, maar hij liet niet los.

‘Jouw problemen zijn mijn problemen en het wordt tijd dat ik ook eens jouw problemen oplos.’ Hij legde zijn vrije hand op die van haar zodat ze het zwaard losliet. ‘Jij hebt al genoeg gevaar gelopen vanavond. Ik regel dit.’

‘Weet je het zeker?’

Karl knikte. ‘Absoluut.’

‘Goed.’ Ze liet het zwaard los. ‘Ga snel voordat zijn wachters naar boven gaan. Hij slaapt in kamer drie.’

Hij kuste Lora’s voorhoofd en liep door de achterdeur van de kroeg terug naar binnen, het pak met het Zwaard van de Dag onder zijn arm gestoken.

3

Een flikkerende olielamp verlichtte de gang. Karl kwam al zijn hele leven in de kroeg, maar was zelden bij de kamers geweest. Wat had hij daar immers te zoeken? Hij wist dat boven de kroeg een U-vormige gang liep met zeven kamers en dat kamer drie de grootste kamer was, gelegen in het hart van de U. Tot zijn opluchting lag iedere kamerdeur in een kleine inham zodat de gasten niet direct in het zicht op de hal stonden. Het gaf hem de mogelijkheid om zich vrijwel onzichtbaar te verplaatsen. Nu pas besefte hij hoe luidruchtig de gasten beneden waren. Het moest haast onmogelijk zijn om hier te slapen door al het lawaai. Toch was het Heimir gelukt, afgaande op het luide gesnurk dat over de gang rolde.

Hij sloop van deur naar deur, zijn oren gespitst in een poging het gerommel van beneden buiten te sluiten. Net voordat hij de hoek om wilde gaan die leidde naar kamer drie, hoorde hij gehaaste voetstappen. Snel drukte hij zich tegen de muur en schuifelde weg van de hoek. Dat moesten wel de Heimirs wachters zijn die zijn kamer kwamen bewaken. Hij vervloekte zichzelf en Lora dat ze in deze positie terecht waren gekomen. Naast het lawaai van de gasten suisde zijn eigen hartslag door zijn oren. Hij wilde omdraaien en zich uit de voeten maken toen hij besefte dat hij maar één paar voetstappen had gehoord. De wachters kwamen altijd in tweetallen, het moest dus iemand anders zijn. Misschien kon hij de gok nemen en hopen dat het gewoon een andere verblijfsgast was?

Hij vermande zich en verliet zijn schuilplaats. De voetstappen waren verdwenen … vreemd. Hij stak zijn hoofd voorzichtig om de hoek en zag een in een donkerpaarse mantel en kap gehulde gedaante de nis voor kamer drie binnenstappen. De man — Karl dacht dat het een man was — verdween uit het zicht. Sleutels rammelden, gevolgd door de kenmerkende klik van een openspringend slot. Wie had het lef om bij de keizerszoon ongevraagd binnen te komen? Was het misschien een heer van plezier? Hij kon zich geen geruchten herinneren dat Heimir ook van het andere geslacht genoot.

Zijn overpeinzingen werden ruw onderbroken door het geluid van een dolk die uit een schede werd getrokken. Het werd vrijwel direct gevolgd door een diep, gorgelend geluid van een man die met een doorgesneden keel probeerde te ademen. Hij vermoordt Heimir! Wat moest hij doen? Heimir te hulp schieten? Nee, hij kon niet vechten, dat zou ook gegarandeerd zijn dood betekenen. Het enige wat hij kon doen was vluchten en hopen dat hij niet beneden werd opgewacht door handlangers van de moordenaar. Hoe graag hij dat ook wilde, iets hield hem tegen, zijn benen weigerden dienst.

Het misselijkmakende gegorgel verstomde. Karl had geen last meer van het geluid van de kroeg beneden en concentreerde zich volledig op wat er in kamer drie gebeurde. Zijn linkerooglid trilde en bij iedere bonk van een lade of kastdeur die werd dichtgeslagen, trok hij met zijn hoofd. Het gebonk werd steeds harder en agressiever en een gedempt gemopper steeg op uit de kamer. Het pak onder zijn arm drukte plots zwaar tegen zijn middel. Het duurde langer dan waar hij trots op was voordat hij besefte dat de moordenaar op zoek moest zijn naar het Zwaard van de Dag.

‘Verdomme, waar is het, waar heeft die lamstraal het zwaard gelaten?!’

Dat was alle bevestiging die hij nodig had. De man zat inderdaad achter het wapen aan, hij moest hier weg. Zijn benen luisterden weer naar zijn hoofd en zonder om te kijken, liep hij zo stil en snel mogelijk naar beneden. Hij keek de kroeg rond, zag Lora en haastte zich naar haar tafeltje.

Kennelijk was zijn gemoedstoestand van zijn gezicht te lezen, want zodra Lora hem zag, vertrok haar gezicht. ‘Wat?’ vroeg ze zacht.

‘Weg hier,’ onderbrak hij haar. Hij trok haar aan haar arm overeind en sleurde haar mee naar de uitgang. ‘Heimir is dood, we moeten vluchten.’

Haar ogen sperden zich open. Zonder een woord te zeggen haastten ze zich naar buiten.

4

Het vrolijke gekwetter van een vogeltje wekte Karl. Het contrast kon haast niet groter. Hij had net de vreselijkste nacht uit zijn leven achter de rug. Ze waren direct uit de kroeg naar huis gevlucht en hadden het zwaard begraven. Lora was in een diepe slaap gevallen, maar hij werd in zijn dromen achternagezeten en gefolterd door Heimir en zijn wachters. Wat het leven verder ook voor hem in petto had, het moest saai en voorspelbaar zijn, hij was niet gemaakt voor avontuur.

‘Goedemorgen.’ Lora rekte zich uit en kuste hem op zijn wang. ‘Heb je een beetje kunnen slapen?’

‘Ja,’ loog hij, bang dat zijn geliefde hem zou verachten om zijn angst. Zijn onzekerheid vrat hem op. Ze waren al zeven jaar samen en bijna een jaar verloofd. De volgende zomer zouden ze trouwen, hoeveel meer bevestiging had hij nodig dat ze écht voor hem koos?

Lora moest zijn vertwijfeling hebben opgemerkt. Ze streelde zijn gezicht en kuste hem op zijn lippen. ‘Het wordt vast beter. Niemand heeft ons naar boven zien gaan en er zijn honderden mensen die Heimir haten.’

Hij slikte zijn zorgen in en kuste zijn dappere verloofde terug. ‘Je hebt gelijk. We moeten naar de markt, ons gewone leven leiden, anders valt het op.’

‘Eerst even dit.’ Ze trok de dekens weg en drukte zich tegen hem aan.

‘Wat is hier aan de hand?’

‘Heb je het niet gehoord?’

‘De keizer is woest. Ze halen heel de stad overhoop!’

‘Heimir is gedood door een troep woeste wolven!’

Karl grinnikte onbewust. Hoe dichter ze bij de markt kwamen, hoe ongeloofwaardiger de verhalen hem klonken. Zodra ze de binnenste muur van de stad bereikten, kwamen de roddels hen tegemoet. Het gebied rond de kroeg werd streng bewaakt door de keizerlijke garde. Iedereen die ook maar een stap te dichtbij zette, kreeg een fikse waarschuwing. Wie nog dichterbij kwam, werd in de boeien geslagen.

De markt was rustiger dan normaal. De bezoekers liepen doelgericht rond en mompelden gespannen. Karl maakte uit het gefluister op dat de mensen bang waren voor een invasie van het vijandige koninkrijk. Die sterke verhalen waren leuk, maar al snel concludeerden de meeste mensen dat alleen koning Ivar brutaal genoeg was om de keizerszoon te doden. De keizer en de koning hadden al decennialang ruzie met elkaar, maar tot op de dag van vandaag was Ivar niet bij machte geweest om de keizer uit te dagen. Tot gisterenavond … Karl ging graag mee in die theorie. Hij had geen idee wie hij had gezien, maar zolang mensen de schuldige ver bij hem vandaan zochten, was hij tevreden.

‘Jullie daar, staan blijven!’ Vier zwaarbewapende wachters hielden hen ruw tegen.

Een zweetdruppel liep langs Karls neus. Ze waren erbij! ‘Wat is er, heer?’ stamelde hij.

‘Wat hebben jullie in die kar liggen?’ De grootste kerel gebaarde naar het gevaarte dat Karl achter zich aan over de markt sleurde.

‘Handelswaar, heer. Graan voornamelijk, maar ook leren lappen en wat gereedschap.’

‘Jaja, maak open, ik wil het zelf zien.’ De grootste wachter trok ongeduldig het doek van de kar. Hij rommelde tussen de spullen en besloot kennelijk dat er geen verdachte voorwerpen aanwezig waren. Hij gooide de doek half terug en gebaarde dat het tweetal door moest lopen. Ze knikten haastig en maakten zich uit de voeten terwijl de wachters een volgend slachtoffer aanhielden.

‘Ze moeten naar het zwaard op zoek zijn,’ fluisterde hij.

‘Logisch. Als koning Ivar echt de dader is, dan heeft de keizer misschien voor het eerst in eeuwen de kracht nodig van de Zwaarden van Dag en Nacht.’

‘Of ze zijn bang dat de moordenaar het zwaard heeft gestolen en achter het Zwaard van de Nacht aankomt. Als de vijand allebei de zwaarden heeft, dan is het afgelopen met het keizerrijk.’ Zijn oog trilde weer. Hij keek schichtig om zich heen, ervan overtuigd dat het op zijn voorhoofd stond gedrukt dat het zwaard onder zijn graanschuur begraven lag.

‘We moeten het zo snel mogelijk terugbrengen. Als we worden aangevallen, dan heeft de keizer het nodig.’ Lora draaide zich om en liep resoluut weg.

‘Wat is je plan?’ vroeg hij. Onderweg naar huis waren ze nog driemaal aangehouden door wachters om hun kar te doorzoeken. Het was overduidelijk dat ze het zwaard zochten. Ze hadden zelfs de oudste keizerszoon, Goentar, zien zoeken.

Lora sloot snel de deur. ‘We wachten tot het donker is, dan graven we het zwaard op en brengen het zoals ik gister al zei naar de wachterspost als iedereen slaapt.’

‘Het is te hopen dat ze vandaag nog niet alle deuren langsgaan om het zwaard te zoeken.’ Karl keek uit het raam. Hij zag tot zijn grote opluchting niemand op de weg.

‘Als ze dat al doen, dan zullen ze in de stad zelf beginnen. Tenzij ze het hele leger inzetten, zal het vermoedelijk wel twee dagen duren voordat ze op het platteland aankomen.’

‘Daar heb je gelijk in.’ Hij liet zijn schouders ontspannen hangen. Ze had gelijk, zoals altijd eigenlijk.

‘Ik ga bij de dieren kijken. Let jij op of er iemand aankomt?’

‘Is goed.´ Hij nam plaats op een stoel bij het raam met een goed uitzicht op de weg. Het bleef een lange tijd stil. In de verte hoorde hij soms kerkklokken luiden en af en toe kwamen er buren of een huifkar langs, maar er was geen spoor van de keizerlijke garde.

Net toen hij zichzelf overtuigd had dat ze veilig waren, klonk er gerommel. Vreemd, hij had niemand gezien. Een overduidelijke tik tegen de deur deed hem opspringen. Er stond iemand buiten, was het Lora misschien? Ze was immers al een tijdje weg. Hij liep stilletjes weg van zijn stoel, het geluid was verdwenen. Misschien was het zijn verbeelding geweest.

Met zijn hand op de klink ademde hij diep in. Hij twijfelde even, durfde hij naar buiten te gaan? Jawel, hij moest zijn lief beschermen. Voorzichtig opende hij de deur. Zijn knieën begaven het van de schrik. De enige reden dat hij niet omviel, was dat hij de deurknop stevig vasthield. Voor hem stond Goentar.

‘Meekomen jij,’ zei de keizerszoon ruw en hij trok hem aan zijn tuniek naar buiten. ‘Wij moeten praten.’

Zijn gedachten schoten gelijk naar Lora. Hij hoopte maar dat ze ver wegbleef van het huis. Voor haar veiligheid moest hij Goentar bezighouden. ‘Wat is er, heer?’ vroeg hij met zijn meest kruiperige stem.

De prins gooide hem tegen de muur en zette zijn onderarm tegen Karls keel. ‘Waar is het zwaard van mijn broer?’

Het stak hem dat hij in zijn eigen huis zo werd behandeld, maar als hij wilde blijven leven, kon hij er niet tegenin gaan. ‘Ik weet niet wat u bedoelt, heer. Ik vind het verschrikkelijk wat er met uw broer is gebeurd.’

‘Lul niet man, jij hebt het Zwaard van de Dag en je geeft het nu aan mij!’

Een zweetdruppel parelde over de zijkant van zijn gezicht. Hoelang kon hij nog blijven ontkennen? In ieder geval nog één keer! ‘Het spijt me, heer, ik weet echt niet waar u het over heeft. Wat moet een arme boer nou met zo’n machtig wapen.’

Goentar rolde met zijn ogen. ‘Jij je zin.’ De keizerszoon gaf hem een harde kopstoot waarna zijn wereld zwart werd.

5

‘Ghg …’ Karl snakte naar adem toen een plens koud water in zijn gezicht werd gegooid. Hij schudde verwoed met zijn hoofd. Zijn ogen prikten, het water kwam vast uit de goot, maar hij kon het vuil niet uit zijn ogen wrijven omdat zijn handen waren vastgebonden aan de stoel waar hij op zat. ‘Wat is hier aan de hand!? Waar ben ik?’

‘Je bent in mijn paleis.’ Goentar verscheen in zijn gezichtsveld. ‘Het spijt me voor eerder vandaag. Ik liet me gaan.’

Verrast knipperde hij met zijn ogen. Bood de keizerszoon nou echt zijn excuses aan?

‘We hebben je zo goed mogelijk verzorgd, maar je zult morgen wel een flinke blauwe plek hebben. Hopelijk heb je niet al te veel pijn.’

‘Nee, het gaat wel,’ stamelde hij. ‘Dankuwel.’ Waarom bedankte hij de man die hem zojuist nog buiten westen had geslagen? ‘Maar waarom ben ik vastgebonden als ik vragen mag?’

De prins stootte een korte lach uit. ‘Ik kon me voorstellen dat je me aan wilde vliegen, dus moest ik wel.’ Hij kwam dichterbij en trok zijn dolk. Karl probeerde terug te deinzen in zijn stoel, maar dat werd verhinderd door de touwen rondom zijn polsen. ‘Rustig maar, ik maak je los, kijk.’ Na een snelle haal vielen de touwen op de grond.

Karl wreef over zijn polsen. De touwen hadden rode striemen achtergelaten, maar hadden zijn huid niet helemaal kapot gemaakt. ‘Dankuwel.’ Hij voelde voorzichtig aan zijn gezicht en stuitte op een flinke bult boven zijn oog.

‘Hier, neem wat eten.’ Goentar gaf hem een dienblad met eten.

‘Hoelang zit ik hier al?’

‘Een uur of vijf ongeveer.’

Van schrik schoot een stuk brood verkeerd waardoor hij in een hoestbui belandde. ‘Vijf uur?!’

‘Zoals ik al zei, ik liet me gaan, nogmaals mijn excuses.’ De man staarde schuldbewust naar zijn voeten.

Hij knikte langzaam, maar geloofde de man tegenover hem niet. ‘Kan ik nu naar huis?’

‘Dat zal helaas niet gaan. Ik weet dat jij het Zwaard van de Dag hebt en ik wil het graag terug hebben.’

Hij beet op zijn onderlip. Hoe wist de keizerszoon dit zo zeker? ‘Ik weet …’

‘Alsjeblieft, ik weet dat ik je daarstraks niet eerlijk heb behandeld, maar ik weet ook dat je het zwaard hebt, doe niet alsof je niet weet waar ik het over heb.’

Zijn blik maakte het onmogelijk nog te liegen. ‘Hoe weet u zo zeker dat ik het zwaard van uw broer heb?’

‘Hierdoor.’ Goentar trok zijn zwaard.

Karl hapte naar adem. Het was het Zwaard van de Nacht! Hij wist dat de keizer de twee wapens aan zijn zoons had geschonken, maar had ze nog nooit in het echt gezien. Nu zag hij beide wapens binnen één dag! Het was een perfecte tegenhanger van het Zwaard van de Dag. De kling bestond uit fonkelend goud met zwarte nerven die via dezelfde patronen als zijn tegenhanger overgingen naar het pikzwarte gevest. ‘Het is prachtig.’ Hij merkte dat zijn mond openstond en sloot hem snel. ‘Maar mijn vraag blijft hetzelfde. Hoe weet u zo zeker dat ik het andere zwaard heb?’

De prins draaide het Zwaard van de Nacht langzaam rond, het lemmet schitterde in het licht. ‘Je hebt waarschijnlijk de legendes van de zwaarden gehoord. Ze zouden samen onoverwinnelijk zijn. De laatste keer dat de gezamenlijke kracht van de zwaarden nodig was om een strijd te winnen, is vele mensenlevens geleden. Ik kan daarom alleen maar aannemen dat mijn voorvaderen dit niet hebben overdreven. Het is echter minder bekend dat de zwaarden ook nauw met elkaar verbonden zijn, zodat ze zich in tijden van nood altijd kunnen verenigen. Met een speciaal magisch ritueel kunnen de zwaarden elkaars laatste dragers opsporen.’

Karl slikte moeizaam en zijn ogen werden groot. Hij was erbij, het was afgelopen met hem en Lora.

‘Zodra bekend werd dat het zwaard van mijn broer was verdwenen, hebben we het ritueel in gang gezet. Ik heb het altijd een stom idee gevonden van mijn vader om die lapzwans dit machtige wapen toe te vertrouwen, maar volgens vader was dat juist de enige manier om hem nog enigszins verantwoordelijkheidsgevoel bij te brengen. Zo zie je maar …’ De keizerszoon balde zijn vuist en beet erop. ‘Mijn excuses, ik dwaal af. Ik zal je niet vervelen met de relationele problemen binnen mijn familie. Nadat het ritueel was voltooid, leidde mijn zwaard me naar jouw boerderij. Het probleem is dat de zwaarden niet elkaar kunnen vinden, maar slechts elkaars laatste dragers. Ik weet dus dat jij als laatste het Zwaard van de Dag hebt gedragen, maar niet waar het is.’ Goentars blik verstrakte. Zijn mond vormde een dunne, bleke streep. Met een dreigend gebaar hief hij zijn zwaard. ‘Ik wil je daarom vriendelijk vragen waar je het zwaard hebt verstopt. De dood van mijn broer interesseert mij niet. Als je hem hebt vermoord — wat ik betwijfel als ik jou zo zie — dan heb je het keizerrijk verlost van een plaag. Als je slechts het zwaard hebt gestolen, moet ik je ook dankbaar zijn. Zonder jouw onnozele daad was het zwaard immers in het bezit gekomen van een onbekende vijand. Ik kan je natuurlijk niet openlijk belonen voor je daden, maar ik kan je vergeven en een mooie buit toeschuiven als je me nú vertelt waar het zwaard is. Ik beloof je dat ik voor deze ene keer geen vragen zal stellen over hoe je eraan komt.’

Karl haalde opgelucht adem. Konden hij en Lora hier ongeschonden uitkomen? Die beloning interesseerde hem niet eens. Een nieuwe zonsopgang meemaken met zijn geliefde was alle beloning die hij nodig had. Maar kon hij de man voor hem vertrouwen? Hoe kon hij weten dat de prins hem niet zou doden zodra hij het zwaard aan hem overhandigde?

‘Ik zie je twijfel. Ik kan die heel simpel wegnemen door het alternatief te schetsen. Als je me niet direct vertelt waar het zwaard is, dood ik jou en je geliefde … Na een gepaste periode natuurlijk.’ Een brede glimlach verscheen op zijn gezicht. Velen zouden hem als charmant bestempelen, maar in deze situatie was het de uitdrukking van een maniak.

Hij kon niet anders dan toegeven. ‘Het zwaard is verstopt in mijn boerderij, onder de graanschuur. Alstublieft heer, spaar ons. Ik zal u direct naar de verstopplaats leiden.’ Zijn knieën knikten en zijn ooglid trilde nog heviger.

‘Perfect!’ Goentar borg zijn zwaard op en pakte een geldbuidel van een tafel. ‘Als je mij het zwaard geeft, is deze voor jou. Ik ben een man van mijn woord.’ Hij pauzeerde even. ‘Al mijn woorden. Vergeet dat niet.’

Karl staarde naar zijn voeten en knikte. Hij stelde zich zo onderdanig mogelijk op om alle schijn van vijandigheid te voorkomen. ‘Dankuwel, heer. En voor de goede orde. Ik heb niets te maken met de dood van uw broer.’

Het kon de oudste keizerszoon blijkbaar daadwerkelijk niets interesseren. Hij was al omgedraaid en beende richting de vergrendelde deur. ‘Dat zal wel. Zodra ik het zwaard heb, maakt dat allemaal niets meer uit. Schiet op, we hebben geen tijd te verliezen.’

6

‘Ik zal dit niet vergeten als ik eenmaal keizer ben, Karel.’ De prins gaf hem een klap op zijn schouder. ‘Je bewijst het hele keizerrijk een grote dienst.’

‘Dankuwel, heer.’ Hij twijfelde even. ‘Het is Karl trouwens. Geen Karel.’

Zijn nieuwe reisgenoot lachte hard. ‘Uiteraard. Karl.’

‘Verwacht u snel keizer te zijn? Ik wist niet dat Zijne Hoogheid in slechte gezondheid verkeerde.’

‘Oh, dat doet hij ook niet. Maar je weet het nooit.’ Goentar staarde leeg voor zich uit. ‘Als ze mijn broer kunnen doden, kunnen ze mijn vader misschien ook doden. Ik moet er gewoon altijd klaar voor zijn.’ Hij schudde met zijn hoofd en de vastberaden blik keerde terug in zijn ogen. ‘Daarom is het belangrijk dat we de zwaarden nu verenigen, om het leven van mijn vader en de hele bevolking veilig te stellen.’

Pas nu besefte Karl dat de keizerlijke familie misschien niet zo´n makkelijk leven had als hij altijd dacht. Ze hadden een grote verantwoordelijkheid en waren altijd een interessant doelwit voor kwaadwillenden. Het waren weliswaar hele andere problemen dan die van hem, maar toch.

Zwijgend reden ze verder tot ze bijna bij de boerderij waren. ‘We zijn er bijna heer, daar in de verte ziet u de rook van de schoorsteen al.’ Hij wees naar een groepje bomen in de verte.

‘Laten we dan haast maken.’ Goentar gaf zijn paard de sporen en versnelde zijn pas.

Tien minuten later kwamen de twee bij de boerderij aan. De keizerszoon had erop gestaan dat er geen wachters meegingen om hen te begeleiden. Hij had duidelijk gemaakt dat hij Karl en diens verloofde zelf wel aankon en hij wilde geen aandacht trekken. De verbeten blikken van de wachters hadden Karl niet lekker gezeten. Ze vertrouwden het duidelijk niet, maar konden niets tegen hun bevelhebber inbrengen.

Zijn enige zorg was het veilig houden van Lora. Wat er ook gebeurde, haar mocht niets overkomen, hij mocht haar niet verliezen. Hij wilde het zwaard zo snel mogelijk afgeven en samen verdwijnen. Ergens in zijn achterhoofd hield hij er rekening mee dat de prins hem zou verraden en alsnog zou doden zodra het zwaard terecht was. Hoe aardig de man nu ook deed, Karl vertrouwde hem toch niet helemaal.

‘Het is best een aardig optrekje voor een boer.’ Goentar bestudeerde een houtsnijwerk dat naast de voordeur was gehangen om kwade geesten af te weren. ‘Jullie hebben het nog niet zo slecht.’

Hij moest eens weten waar het gewone volk allemaal onder lijdt. In plaats van die gedachte hardop uit te spreken, sprak hij nederig zijn dank uit. Hoe eerder de man weer weg was, hoe beter.

‘Is je verloofde thuis?’

‘Dat weet ik niet.’ Hij hoopte oprecht van niet. ‘Komt u mee naar de graanschuur, daar ligt het zwaard verborgen.’ Hij gebaarde dat de man hem moest volgen en liep langs het huis. In het voorbijgaan zag hij dat Goentars hand naar de knop van het Zwaard van de Nacht ging, kennelijk klaar om in actie te komen. Hij slikte en voelde er plots weinig voor om hem zijn rug toe te keren. Er zat helaas niets anders op.

Van Lora was geen spoor te bekennen. Alle dieren waren voorzien van eten en drinken en hun verblijven waren opgeruimd. Ik ben natuurlijk ook ruim vijf uur weggeweest.

Een gedempte bonk zorgde ervoor dat Karl zo snel naar de schuur keek dat hij zijn nek verrekte. Al wrijvend over de pijnlijke plek, werd hij omvergeduwd. Goentar stoof langs hem met getrokken zwaard richting het geluid. Karl haalde diep adem en rende achter hem aan. Wie weet was Lora in gevaar! Hij was natuurlijk ongewapend, maar wist wel dat er in de schuur drie hooivorken naast de deur lagen. Mocht hij in een schermutseling terechtkomen, dan moest hij er daar één van grijpen.

Ze bleven staan bij de kleine deur naast de grote dubbele schuifdeur. De prins keek hem ernstig aan. ‘Weet iemand dat het zwaard hier verstopt ligt?’

‘Nee, alleen mijn verloofde.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Zo zeker als u hier voor me staat.’ Karl zag de man voor hem veranderen van charmante heer naar een geharde krijger. Het Zwaard van de Nacht lag stevig in zijn hand en reageerde op iedere minuscule beweging, alsof het versmolten was met zijn arm. De kracht in zijn houding werkte aanstekelijk; Karl voelde zich plots zekerder, rechtte zijn rug en pakte een stuk hout dat tegen de schuur stond. Zo had hij in ieder geval iets om mee uit te halen.

‘Als zich achter deze deur een vijand bevindt, loop me dan niet voor de voeten. Ik wil dat jij je concentreert op het veiligstellen van het Zwaard van de Dag, begrepen?’

‘En wat als me dat niet lukt?’

De keizerszoon legde een hand op zijn schouder. ‘Het lukt je wel. Je kunt het, je moet het. Het lot van het keizerrijk hangt dan van jou af! Wat er ook gebeurt, het Zwaard van de Dag mag niet in verkeerde handen vallen!’

Die druk was precies wat Karl niet nodig. Ondanks zijn pasverworven moed draaide zijn maag zich om. ‘Het lukt wel. Vooruit dan maar.’

‘Op mijn teken. Drie … twee … een.’ Goentar duwde de deur open en stapte de schuur binnen.

7

Karl stapte de schuur binnen. Achter een stapel hooibalen, op de plek waar het zwaard begraven lag, werd gegraven. Een vlaag van paniek maakte hem misselijk — had iemand het zwaard gevonden? De blonde haren die wild in de rondte vlogen, stelden hem gerust; het was Lora!

‘Halt!’ riep Goentar, terwijl hij vanachter de geïmproviseerde muur tevoorschijn sprong en dreigend zijn zwaard hief. ‘Stop waar je mee bezig bent of sterf!’ De vrouw draaide zich om, haar ogen knepen zich samen tot spleetjes toen haar blik over het Zwaard van de Nacht ging.

‘Wacht!’ Karl stak zijn handen omhoog en sprong tussenbeide. ‘Dit is mijn verloofde Lora, zij heeft me geholpen het zwaard te verstoppen.’

‘Wat heeft dit te betekenen?’ haar stem beefde. ‘Ik dacht dat je ontvoerd was.’ Een traan rolde over haar wang.

Nadat hij zich ervan had verzekerd dat de prins haar niet zou aanvallen, draaide hij zich om en drukte haar stevig tegen zich aan. Ze was drijfnat van het zweet, maar dat maakte hem niets uit. ‘Het is goed, ik ben in orde,’ fluisterde hij. Zijn liefde werd beantwoord. Even flitste een felle pijn door de bult op zijn hoofd toen ze hem daar kuste. Hij kreunde.

‘Gaat het met je?’ De bezorgdheid was niet helemaal verdwenen uit haar stem. Ze streelde teder zijn voorhoofd. Met een schok stapte ze achteruit. ‘Je halve gezicht is blauw!’

‘Maak je geen zorgen, de prins en ik hebben elkaar op de verkeerde manier ontmoet.’

‘Dat klopt, vrouwe. Ik heb mij laten gaan, waarvoor mijn excuses.’ Het zwaard van de Nacht was inmiddels opgeborgen. Ze wierp hem een vuile blik toe en bekommerde zich daarna weer over haar man.

‘Hij heeft me alles verteld over de Zwaarden van Dag en Nacht. Ze zijn met elkaar verbonden, zo heeft hij me gevonden. Ik ben verder goed door hem behandeld, dus ik geloof hem.’ Hij kneep zachtjes in haar bovenarm en toverde een waterige glimlach op zijn gezicht.

‘Vooruit,’ zei ze en ze beantwoordde zijn lach.

‘Wat was je eigenlijk aan het doen?’

Ze liet hem los en wees naar de kuil in de grond. ‘Ik heb vanmiddag zoals ik zei de dieren verzorgd. Toen ik klaar was, merkte ik dat je weg was en ontdekte ik bloed bij de voordeur. Ik heb uren naar je gezocht, maar niemand in de omgeving had zogenaamd iets gezien. Het leek me niet meer dan logisch dat je … weg zou blijven.’ Ze beet op haar lip terwijl er tranen in haar ooghoeken verschenen. ‘Ik dacht dat ik je misschien met het zwaard vrij kon krijgen, daarom ben ik het op gaan graven. Ik was bijna klaar toen jullie binnenkwamen.’ Ze viel hem opnieuw om de hals.

‘Oh, lieverd. Het spijt me zo. Ik ben in orde, echt waar.’

Ze stootte een geluid uit wat het midden hield tussen een huil, een lach en een kreet van geluk.

Goentar zette een stap in hun richting. ‘Nogmaals, mijn excuses. Het was niet mijn bedoeling om jullie kwaad te doen. De dood van mijn broer en de verdwijning van zijn zwaard hebben een grote impact op iedereen in het keizerrijk, daarom heb ik mij helaas laten gaan.’ Hij legde voorzichtig een hand op haar schouder, maar trok hem snel terug toen ze ineenkromp. ‘Ik wil niet ongevoelig overkomen, maar het is van levensbelang dat ik het Zwaard van de Dag vind.’

‘Ga je gang,’ zei Karl. ‘We hebben het in een deken gewikkeld en ongeveer anderhalve meter diep begraven.’

De prins knikte, pakte de schop van de grond en sprong in het gat.

Karl zette zijn geliefde neer op een ton en haalde een karaf water om haar te kalmeren. Het vertederde hem dat zijn stoere verloofde zo gebroken was van verdriet om hem. Het was een teken dat ze écht van hem hield. Hij hoopte alleen wel dat ze de ellende snel van zich af kon zetten. Toen hij terug in de schuur kwam, zag ze er weer een stuk beter uit. Haar tranen waren opgedroogd en de ouderwetse twinkeling in haar ogen was weer zichtbaar.

‘Dankjewel.’ Ze pakte het water dankbaar aan en nam een paar grote slokken. ‘Ik kon me gewoon niet voorstellen wat ik zonder jou moest beginnen.’

‘Dat is ook niet nodig.’

‘Zeker niet!’ Goentar gooide de schop weg en stak triomfantelijk een in doeken gewikkeld pak omhoog. Hij klom snel uit de kuil en onthulde het Zwaard van de Dag.

Karl keek met grote belangstelling toe. De zwaarden waren zowel identieke kopieën als perfecte tegenpolen. Toen Goentar zijn Zwaard van de Nacht trok en het ernaast hield, was het net of een zwakke gloed de wapens omhulde. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij.

‘Mooi, hè?’ De keizerszoon staarde met een liefdevolle blik naar de twee wapens. ‘Ik heb je een belofte gedaan en zoals ik al zei ben ik een man van mijn woord. Ik hoef niet te weten hoe jullie aan dit zwaard zijn gekomen, maar ik ben jullie dankbaar voor het feit dat ik het eindelijk in mijn bezit heb.’ Hij liep naar buiten en kwam terug met de zak goud die hij Karl eerder had beloofd. ‘Hier.’ Hij stak de geldbuidel omhoog en rinkelde ermee. ‘Deze is voor jullie.’

Zijn mond viel open. Hij had nooit gedacht dat de prins woord zou houden. Zo hadden ze toch iets overgehouden aan dit gekke avontuur. Al had hij nog steeds een raar onderbuikgevoel. ‘Dankuwel, heer.’ Even twijfelde hij, maar hij besloot om voor één keer de stoute schoenen aan te trekken. ‘Mag ik u om een gunst vragen?’

‘Uiteraard!’

‘Ik heb nooit in mijn leven zo’n prachtig wapen vastgehouden, zelfs terwijl we het begroeven hebben we het in doeken gewikkeld. Mag ik het Zwaard van de Dag misschien even vasthouden?’

Goentar liep lachend naar hem toen en pakte het zwaard op. ‘Heel even dan. Omdat je je zo’n trouwe kameraad hebt getoond!’

Dankbaar pakte Karl het wapen aan en bewonderde het van een armlengte afstand. Hij zwaaide er zelfs mee alsof hij onzichtbare vijanden te lijf ging. Net toen hij zich omdraaide naar Lora, zette een ijzingwekkende gil zijn wereld opnieuw op zijn kop.

8

Lora zat niet langer op de ton, maar werd vastgehouden door een man in een donkere mantel. Hij drukte een mes tegen haar keel. De kap viel diep over zijn hoofd waardoor zijn gezicht verborgen was. Karls mond werd droog toen hij besefte dat hij die donkerpaarse mantel eerder had gezien. Dit was de moordenaar van Heimir!

‘Hou je kop, domme trien,’ brieste de man toen ze onophoudelijk gilde.

Hij herkende de stem, maar kon hem niet plaatsen. Naast hem trok Goentar zijn zwaard en nam een vechthouding aan. ‘Nee,’ siste hij. ‘Hij doet haar nog wat aan.’

‘Inderdaad, boertje. Eén verkeerde beweging en je vriendinnetje is er geweest.’ Om zijn woorden extra kracht bij te zetten, drukte de moordenaar het mes dieper in Lora’s keel waardoor een druppeltje bloed verscheen.

‘Karl,’ piepte ze.

‘Laat mijn verloofde gaan! Wat wil je?’ riep hij.

‘Wat denk je?’ De man knikte naar het Zwaard van de Dag.

‘Natuurlijk, daarom heb je Heimir vermoord. Je wilt het zwaard stelen.’

De prins maakte zijn blik los van de indringer en keek hem aan. ‘Is dit de moordenaar van mijn broer?’

´Ja, hij sloop midden in de nacht zijn kamer in. Ik heb alles gehoord,´

‘Wie had dat gedacht. Vermoord door zijn eigen adviseur. Ik wist wel dat mijn broertje op een ellendige manier aan zijn einde zou komen, maar ik had nooit gedacht dat hij zo verraden zou worden.’

Nu was het Karls beurt om verbaasd op te kijken. ‘Adviseur?’ Zijn gedachten gingen terug naar de vorige avond, toen Heimirs adviseur had verhinderd dat Lora werd aangevallen. ‘Natuurlijk! Jij bent het!’

De indringer stootte een vreugdeloze lach uit en gooide zijn kap af. ‘Verstoppen heeft geen zin meer. Het klopt, ik heb je broer vermoord, maar alleen maar omdat jullie samenzweren tegen de keizer, stelletje verraders!’

Onbewust stapte Karl weg bij Goentar. Kon het zijn dat de twee keizerszonen samenspanden tegen hun vader? Hij keek de man naast hem aan. De verbazing was van zijn gezicht te lezen.

‘Je kletst uit je nek!’ Zijn ogen verschoten van verbazing naar intense haat. ‘Hoe haal je het in je hoofd om mij hiervan te beschuldigen?’ Hij keek Karl aan. ‘Je moet me geloven. Ik heb niks te maken met de dood van mijn broer of een complot tegen mijn vader.’

‘Denk eens na,’ zei Pasko. ‘Heeft het die slang ook maar één moment geïnteresseerd wat er met zijn broer gebeurde?’ Een sluwe grijns viel over zijn gezicht toen Karl ongemakkelijk opzij keek. ‘Nee, hè? Het ging hem alleen maar om zijn dierbare zwaard. Die lamlendige Heimir heeft na een avond stevig drinken alles verteld. Hij en Goentar waren klaar met de heerschappij van hun vader. Ze hebben in het geheim met koning Ivar een plan gesmeed om de keizer van de troon te stoten en zijn plaats in te nemen. Ze zouden de dochters van die imbeciele koning trouwen en zo een nog groter en machtiger rijk krijgen dan hun vader.’

‘Wat …,’ stamelde Goentar. Hij keek Karl smekend aan. ‘Dit is gewoon niet waar. Hoe kom je daar in vredesnaam bij.’

‘Waarom kon het je dan niet interesseren hoe je broer was gestorven?’ Hij schuifelde steeds verder weg van de prins.

‘Omdat die broer van mij inderdaad een lamlendige hoop ellende was, daar heeft hij gelijk in. Hij was de grootste klootzak van het hele keizerrijk, hij maakte mij en mijn familie te schande. Ik heb hem al lang geleden uit mijn leven verbannen.’ Zijn stem sloeg over van woede. Alle kleur trok uit zijn knokkels terwijl hij het zwaard steeds steviger omklemde. ‘Wat zou ik ermee opschieten om mijn vader te onttronen en samen met mijn broer te regeren? Wanneer vader overlijdt, word ik toch al de nieuwe keizer.’

‘En dat wilde je toch zo graag? Dat heb je zelf gezegd.’

De keizerszoon lachte schamper. ‘Ik heb alleen gezegd dat ik ooit keizer zal worden. Dat is al sinds mijn geboorte mijn lotsbestemming.’

‘Hij liegt,’ zei Pasko. ‘Ik kan het bewijzen. Kom maar hier, dan laat ik het je zien.’ De man keek Karl verlangend aan en liet Lora los. ‘Als teken van goede wil.’

Karl wist niet wat hij moest doen. Hij had steeds het gevoel gehad dat er iets niet klopte, dit zou zijn gevoel kunnen verklaren. Maar dan nog, het was Pasko die een mes op de keel van zijn verloofde had gezet.

Hij maakte oogcontact met Lora toen een luide strijdkreet klonk. De keizerszoon rende met opgeheven zwaard op Pasko af, die hem maar ternauwernood kon ontwijken. Pasko sloeg zijn mantel open en trok zijn eigen wapen, een opvallend kort slagzwaard. Goentar hakte als een bezetene in op de moordenaar van zijn broer.

Karl deinsde onwillekeurig terug bij het zien van de kracht waarmee het Zwaard van de Nacht werd gehanteerd. Er verschenen zelfs vonken toen Pasko een uitzonderlijk wilde uithaal ter ternauwernood kon pareren. Het leek hem een oneerlijk gevecht, Goentar oogde veel fitter en sterker, waardoor het slechts een kwestie van tijd zou zijn tot de keizerszoon zijn vijand zou doden.

Tot Karls grote verbazing trilde het Zwaard van de Dag, alsof het wilde helpen. Hij mengde zich echter niet in de strijd, maar keek versteend toe.

Goentar trapte Pasko hard in zijn buik waardoor de man op de grond viel. Hij pakte het Zwaard van de Nacht met twee handen beet en zwaaide met het met een vernietigende kracht naar Pasko’s hoofd. De adviseur kon zich net op tijd omrollen zodat de slag zijn doel miste. Even wankelde de prins en van dat moment van zwakte maakte Pasko dankbaar gebruik. Hij griste zijn dolk van de grond en dreef hem diep in Goentars kuit.

De keizerszoon gilde het uit en viel voorover op de grond. Zijn Zwaard van de Nacht kletterde op de grond. Pasko trok zijn dolk los en lachte kil. ‘Hier eindigt jouw verhaal.’ Hij sneed de keel van de prins door. Een gorgelend geluid zoals dat uit Heimirs kamer kwam, vulde de graanschuur. Na enkele tellen verstomde het geluid en zakte Goentar levenloos in elkaar.

9

Karl stond aan de grond genageld. Ook Lora had tijdens het gevecht nauwelijks bewogen. Dit was de tweede keer dat hij getuige was geweest van een moord, van beide keizerszonen nog wel. Het Zwaard van de Dag was stilgevallen zodra Goentar stierf, maar hij merkte dat zijn hand het trillen had overgenomen. Had hij er goed aan gedaan om niet tussenbeide te komen?

Pasko veegde de dolk af en kwam langzaam overeind. ‘Zo, dat is ook opgelost.’ In een nieuwe explosie van geweld schoot de man terug naar Lora en drukte de dolk opnieuw op haar keel. Ze gilde van angst. ‘Sukkel,’ siste de man. ‘Wat ben je ongelooflijk naïef. Dat je dat verhaal geloofde.’ Hij slaakte een vreugdeloze lach. ‘Hah, wat een grap!’

Karl zette een stap naar voren, maar bleef snel staan toen hij zag dat het bloed van zijn verloofde langs het mes druppelde. Zijn kaken verstrakten zich zo hard dat het een wonder was dat zijn tanden niet afbrokkelden. Hij vervloekte zichzelf. Die vuile moordenaar had hem een loer gedraaid. Goentar was wel degelijk een eervol mens geweest en hij had erbij gestaan terwijl hij werd vermoord. Wat een loser ben je ook.

‘Geef mij nu maar braaf dat zwaard, anders gaat je meisje er ook aan.’

‘Hoe weet ik dat je ons niet alsnog vermoord?’ Zijn stem trilde van woede.

‘Dat weet je niet.’ De man lachte zijn tanden bloot. ‘Je moet me vertrouwen.’

‘Nee!’ Lora’s ogen spuwden vuur. ‘Geef hem niet dat zwaard, als hij ze allebei heeft, is hij onoverwinnelijk!’

‘Hou je kop!’ De dolk werd steviger op haar keel geduwd en het bloed sijpelde nu langs het lemmet. ‘Als je dat zwaard niet geeft, dan ruk ik het uit je levenloze handen. Op die manier weet je zeker dat jullie beiden sterven.’

‘Wacht!’ Karl stak zijn handen omhoog. ‘Laten we tegelijk oversteken. Jij laat haar gaan en ik gooi je het zwaard toe,’

Pasko dacht er even over na. Zijn ogen schoten tussen de twee geliefden heen en weer. ‘Oké,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik heb geen zin om drie lijken te begraven vandaag.’ Hij haalde wat druk van de dolk af. ‘Het meisje zet vijf stappen, dan gooi je het zwaard mijn kant op. Ik verdwijn en jullie blijven hier een uur wachten. Als ik erachter kom dat je eerder weg bent gegaan, vergeet dan niet dat ik de bezitter ben van de Zwaarden van Dag en Nacht en dat ik nooit kan verliezen.’

Hij keek zijn verloofde aan. Haar ogen smeekten hem, maar waarvoor? Smeekte ze hem om haar te redden of om het zwaard veilig te houden? ‘Is goed,’ zei hij tenslotte. Lora sloeg haar ogen neer, hij had duidelijk de verkeerde keuze gemaakt. Hij beet op zijn onderlip, maar rechtte toen zijn rug. De keuze was gemaakt, hij kon nu niet meer terug. Hij mocht haar simpelweg niet verliezen.

‘Ik tel tot drie, dan laat ik je los en loop je rustig naar dat slappe aftreksel van een vent, begrepen?’

Ze piepte instemmend.

‘Eén … twee … drie.’ Pasko haalde voorzichtig de dolk weg en stapte achteruit.

Lora zette rustig vier stappen. Toen ze haar vijfde stap zette, sprong ze opzij richting het Zwaard van de Nacht. ‘Wegwezen!’

Pasko reageerde onnatuurlijk snel en wierp zijn dolk. Hij raakte Lora’s rug en ze zakte in elkaar.

10

‘NEE!’ Karl stormde naar voren en zwaaide wild met het Zwaard van de Dag.

Pasko pakte snel zijn korte slagzwaard van de grond en ontweek hem met een behendige koprol.

‘Vuile klootzak! Moordenaar!’ Hij was buiten zichzelf van woede. Een oerkracht nam bezit van hem en de ene na de andere slag daalde op de moordenaar neer. Het laatste rationale stukje van zijn brein vertelde hem dat het Zwaard van de Dag hem die oerkracht en vechtkunst moest schenken. Hij had immers nog nooit in zijn leven gevochten, maar toch kon hij die verrader het hoofd bieden. Daarom had Goentar zo wild gevochten!

Pasko lachte maniakaal. Hij pareerde eerst vrij eenvoudig Karls slagen en viel zelf ook uit, maar naarmate het gevecht vorderde, werd hij steeds stiller. Zweetdruppels spatten van zijn voorhoofd. Hoe meer sneeën Karl hem toebracht, hoe houteriger zijn bewegingen werden. Pasko’s lach was volledig verdwenen en zijn ogen waren gevuld met angst.

Karl voelde dat hij een kans maakte. Ook zijn slagen werden minder krachtig, maar hij moest volhouden. Hij moest Lora wreken. Deze man had zijn geliefde gedood en daar zou hij voor boeten. Hij had nog maar één doel in zijn leven en dat was een einde maken aan dat van de moordenaar van zijn verloofde. Hij ontweek een onbezonnen uithaal en trapte Pasko in zijn zij. De man struikelde en viel met zijn hoofd tegen een krat. Zijn zwaard kletterde op de grond en hij vloekte hartgrondig.

Karl liep rustig op hem af, de punt van het Zwaard van de Dag op zijn keel gericht. Hij had gewonnen. Emoties overmanden hem en zijn blik werd wazig van de tranen. Lora’s geur drong zijn neus binnen, het moest in de donkerpaarse mantel zijn getrokken. ‘Jij hebt me alles ontnomen,’ fluisterde hij. ‘En waarvoor? Voor macht, jij vuile, smerige …’

Pasko handelde razendsnel. Hij wierp een hand vol zand naar Karls gezicht, die gelijk naar zijn ogen greep. De man sprong soepel overeind, beukte hem tegen de grond en zette zijn arm vast met zijn knie. ‘Groentje,’ siste hij terwijl hij op Karl in beukte.

Met zijn vrije hand probeerde hij zich te verdedigen, maar het gewicht van zijn aanvaller op zijn borstkas zorgde ervoor dat hij amper kon ademen. Een zwarte waas knabbelde aan de randen van zijn gezichtsveld. Het zand en de tranen zorgden ervoor dat Pasko niet meer dan een silhouet was. Hij zag vaag hoe Pasko iets uit zijn laars trok, het leek op een kort mes. De knie van de man verdween van zijn arm. Zijn belager had het mes inmiddels met beide handen hoog boven zijn hoofd geheven.

In een laatste wanhoopspoging om zijn leven te redden, zwaaide hij het Zwaard van de Dag naar Pasko. Een felle lichtflits verblindde Karl.

‘Aargh!’

De druk verdween van zijn borst en verplaatste zich naar zijn benen. Pasko was achterovergevallen! Hij voelde hoe de man wegrolde en hoorde hem gillen van de pijn. Warme, natte plekken ontstonden op zijn bovenbenen. Had hij hem geraakt? Zijn zicht kwam langzaam terug en hij werkte zich op zijn ellebogen overeind. Hij slaakte een kreet van verbazing toen hij links van hem vier dingen zag: een huilende Pasko, zijn twee afgehakte handen en een mes. Had hij dat gedaan?

Versuft keek hij naar rechts. Daar stond Lora. Hijgend, lijkbleek en met het Zwaard van de Nacht in haar hand. Bloed druppelde van de kling en vormde een minuscuul plasje op de grond. Karl krabbelde snel overeind. Hij gleed weg door de steeds groter wordende poel bloed rond Pasko. De man was inmiddels akelig stil geworden, misschien was hij wel overleden.

Zonder iets te zeggen stonden hij en Lora tegenover elkaar. Ze lieten tegelijk de zwaarden los en vielen elkaar in de armen. Tranen stroomden over zijn wangen. Hij kuste haar en zij kuste hem. Hij sloeg zijn armen nog steviger om haar heen en kneep haar bijna fijn in zijn omhelzing. Hij voelde over haar rug naar de wond van de dolk, maar vond hem niet.

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik … Ik …,’ stamelde Lora. Ze veegde de tranen uit haar gezicht. ‘Ik kroop naar het zwaard, net op tijd voordat hij je zou vermoorden en viel hem aan.’ Ze was moeilijk te verstaan door het gesnik. ‘En we hebben hem verslagen!’

‘Lieverd,’ fluisterde hij. ‘Je verwonding. Hij is weg!’

Ze keek hem niet-begrijpend aan.

‘Ik voel je wond niet meer, je bent genezen!’

‘De zwaarden,’ fluisterde ze. ‘Wanneer de Zwaarden van Dag en Nacht samen ten strijde trekken, zijn ze onverslaanbaar … We konden niet verliezen.’

Karl lachte van geluk door zijn tranen heen. ‘Ik zal jou nooit verliezen.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen

BoekenBoeken

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Schrijf je in voor de FantasyWereld nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws en onze winacties

Recente reacties

CozyFantasy.nl

Interviews, artikelen, recensies en winacties rondom cozy fantasy