BoekenKorte verhalenDe zwaarden van Utopia - Pepijn Schoonen

De zwaarden van Utopia – Pepijn Schoonen

-

Daar zijn we weer met een nieuw verhaal uit de recente Waterloper veerhalenwedstrijd! Zoals gezegd plaatsen we altijd met veel plezier de verhalen uit ‘ons’ aangeleverde thema en dat was afgelopen keer De zwaarden van dag en nacht. Pepijn Schoonen haalde met zijn verhaal de 23e plek. Hij heeft al verschillende wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan, maar dit is zijn debuut in fictie.


De zwaarden van Utopia
Pepijn Schoonen

Daan drukte zijn pulszwaard in de nek van het zwarte monster. Het oogloze gedrocht grijnsde voordat het desintegreerde en zijn energie door het zwaard werd opgezogen. Het zwaard begon gulzig te gloeien. De wijzer van de energiemeter kroop naar het donkergroen. 

De strijd om hem heen was oorverdovend. De lucht was zwaar met de geur van zwavel. Hij activeerde zijn zwaartekrachtlaarzen en sprong boven op een roestige vrachtwagen. Vanuit zijn hoge positie telde hij de oranje pakken en helmen van zijn team, flikkerend achter de gifwolken. Trots vervulde hem. Ondanks de vele vijanden had niemand zijn positie verlaten. 

Bas was omringd door vijf gedrochten. Zijn zwaard flitste door de lucht en hapte naar de monsters. Zwarte klauwen scheerden rakelings langs hem heen.

Daan richtte zijn gloeiende zwaard op de kluwen van monsters en kneep in de achterste ring van het handvat. Het zwaard trilde en pulseerde. Hij drukte met zijn vrije hand op zijn helm. ‘Bas! Noordwest, nu!’

Bas dook blind naar de aangegeven locatie. Daan klemde zijn tanden op elkaar. De vibraties van zijn zwaard waren zo zwaar dat hij twee handen nodig had om het vast te houden. Het voelde alsof zijn spieren scheurden.

Hij liet de ring los. Een golf van hitte sloeg in zijn gezicht. Een enorme puls energie schoot uit zijn zwaard richting de gedrochten. Ze grijnsden terwijl de puls ze verpulverde tot stof.

Waarom toch die lach? vroeg Daan zich voor de zoveelste keer af. 

Hij verminderde zijn zwaartekracht met zijn laarzen en sprong naar Bas. Vanuit de lucht zag hij een gedrocht op zijn vriend afkomen. Zijn zwaard was leeg; nog een puls was onmogelijk. Hij verhoogde de zwaartekracht en zijn laarzen trokken hem naar beneden. Zijn zwaard ramde door de kop van het wezen. Alleen zijn laarzen voorkwamen dat hij zijn benen brak.

Bas krabbelde naast hem overeind. ‘Wat heb je gedaan?! Ik had ze bijna…’ 

‘En zij jou ook!’ Daans zorgen kwamen eruit als woede. ‘We weten dat je de sterkste bent, maar juist daarom mogen we je niet verliezen.’ 

Bas’ lippen persten zich samen. ‘De sterkste na jou, bedoel je…’ Hij keek op het display van zijn zwaard. ‘780!’ zei hij. ‘Ik ben nog zo ver weg.’

‘Er is tijd, man, zolang je maar’

Bas hurkte, zijn spieren gespannen. Met een reusachtige sprong schoot hij richting het laatste gedrocht dat al was omsingeld door teamgenoten. Bas vloog over ze heen. Het gedrocht ontblootte zijn tanden en haalde uit. Bas pareerde met een krachtige zwaai die het monster uit balans wierp en doorboorde zijn borst tot aan het heft. Het wezen viel tot stof uiteen. Bas keek woedend naar Daan. ‘Je hebt de hoogste score en nog pak je gedrochten af! Wil je ons zo graag achterlaten?’

Achterlaten… De gedachte trok als een ijskoude stroom door zijn lijf. Zijn score verhogen door vijanden te verslaan was ooit zijn enige doel, maar inmiddels zijn grootste vrees.

‘Daan!’ Lilly kwam aanlopen. ‘Zoals altijd waren je orders foutloos, leider! Iedereen heeft het overleefd.’

‘Geen lekkages?’

‘Ik heb van niemand iets gehoord.’

Daan slaakte een zucht van verlichting. ‘Goed gedaan…’ fluisterde hij en daarna luider: ‘Goed gedaan, allemaal! We gaan naar huis.’

‘Misschien zijn er nog meer gedrochten!’ zei Bas. 

‘Bas, het is mooi geweest.’ 

‘Nee, nog niet! Ik moet verder zoeken.’

Daan greep Bas’ schouders vast. ‘Wat is er toch met je, man? Er staat niks op de radar! Er zijn geen gedrochten in de buurt! Onze dienst is klaar.’ 

‘Het is… klaar.’ Bas’ gezicht was een mengeling van koppigheid en angst.

‘Blijf kalm. Samen zullen we opklimmen naar het hoogst haalbare. Samen voor het paradijs.’

Bas sloot zijn ogen. Alle emotie leek uit hem te stromen. ‘Samen voor het paradijs,’ zei hij met een droevige ondertoon die Daan niet begreep. ‘Je hebt gelijk… waarom heb je toch altijd gelijk?’

 

***

 

Ze liepen terug tussen ingestorte huizen over restanten van beschadigd asfalt. Voorbij een oude kerk met gebroken ramen werd de kraterwand zichtbaar. Zijn teamgenoten klommen door het zachte zand. Voor elke stap omhoog zakten ze een halve stap terug. Een vijftal stond al boven, waaronder twee veelbelovende opvolgers: Lilly en Gert.

Hij ging naast Bas staan aan de voet van de zandberg en knikte naar hem – het sein om te springen. Bas zakte door zijn knieën en Daan volgde zijn voorbeeld. De laarzen activeerden en hij sprong. Gecontroleerd landden ze precies op de top.

Het felle licht van de ondergaande zon bedekte de krater en dwong Daan zijn ogen tot spleetjes te sluiten. In het midden van de krater stond de reusachtige rots, gevormd als een glad menselijk hoofd met holle oogkassen waarvan het gezicht tot de neus was bedolven onder zand en puin. Er binnenin bevond zich het paradijs. De rots wierp een lange schaduw, reikend tot de kraterwand.

Daan grijnsde naar Bas, maar die leek hem niet op te merken. Zijn ogen bleven strak op het paradijs gericht. ‘Wat is er toch?’

Bas schudde zijn hoofd en gleed naar beneden de krater in. Daan zuchtte. Het zat hem niet lekker. Nu hij zo dichtbij het einde was, had hij zijn tweede man meer dan ooit nodig. Hun teamgenoten bereikten langzaamaan de top. Daan keek achterom naar de nieuwste broeders en zusters die op aanwijzingen van Lilly omhoog klommen. Hij moest zich inhouden om niet te helpen. Ze moeten het zelf leren. Binnenkort ben ik er niet meer om ze te helpen. Toch wachtte Daan tot iedereen boven was voordat hij afdaalde.

Het team kwam aan bij de neus van het hoofd. Ze liepen door de open deur van het linkerneusgat, de rechterdeur bleef gesloten. De opluchting dat iedereen het had overleefd, was duidelijk merkbaar. Vrolijke stemmen klonken en ze sloegen elkaar op de schouders. Heel anders dan voorheen. Bas en hij hadden er samen een team van gemaakt. Een team dat elkaar hielp en voor elkaar opkwam, in plaats van alleen bezig te zijn met zelf overleven.

Daan stapte door de lange gang van het ‘neusgat’ waar fel oranje metaal schitterde dankzij de lampen boven hen. Aan één zijde bood een glazen wand zicht op het rechterdeel van de gang. De deur achter hen sloot en de deur ernaast zoefde open.

Zijn hart begon sneller te kloppen. Zou ze weer blijven staan? Lilly praatte vrolijk naast hem, maar Daan luisterde nauwelijks – zijn aandacht werd getrokken door een groep die achter de glazen wand naderde: de Nachtzwaarden. Ze droegen dezelfde pakken als zij, maar volledig in zwart, met rode nachtbrillen die hen in de duisternis lieten zien. Ordelijk marcheerden ze, stap voor stap. Als een stille, zwarte slang met gloeiende ogen op weg naar de nacht.

Nog nooit had hij ze een woord met elkaar zien wisselen. Nooit hadden ze Daan of de Dagzwaarden een blik waardig gegund.

Behalve zij.

Een van de Nachtzwaarden schoof haar rode bril omhoog en kwam voor hem staan. Haar korte blonde krullen omlijstten paarskleurige ogen; ze was adembenemend mooi, met een onbeweeglijk gezicht als dat van een gebeeldhouwde godin. Geen emotie verstoorde haar gelaat. Soms vroeg Daan zich af of ze wel menselijk was.

“Violet,” zo was hij haar gaan noemen. Daan plaatste zijn hand op het glas en zij deed hetzelfde. Zo dichtbij, maar voor eeuwig gescheiden. 

Zoals altijd lachte hij naar haar. Zij staarde diep in zijn ogen alsof ze iets zocht wat ze was verloren. Zonder waarschuwing rukte ze haar blik van hem weg en vertrok naar de uitgang waar de gedrochten haar opwachtten.

‘Wees voorzichtig…’ fluisterde Daan haar na.

‘Leider, kom snel!’ riep Lilly. Ze sprak beheerst maar de afkeuring stond op haar gezicht. ‘Vader wacht op ons.’

Daan schreed naar het einde van de gang, waar hun verblijf zich bevond. Ernaast stond een reusachtige, groene deur waarin het nummer “1000” stond gegraveerd in metaalkleurige letters. Hij kon zijn blik niet van het getal afhouden. Bij die score zou de deur voor hem openen, en zou hij als eerste Dagzwaard het paradijs betreden. Hij balde zijn vuisten. Hij had nog veel werk te doen voordat Bas klaar was om het over te nemen.

De schuifdeur ernaast schoof open. Aan de andere zijde wachtte hun nerveus ogende Vader. Zijn linker gezicht en torso waren die van een oude man: gerimpeld en met vele gekleurde vlekken. Zijn hoofd nog slechts bedekt met enkele slierten grijs haar. De andere helft van zijn lichaam en zijn benen waren mechanisch. Zijn felgroene robotoog en zijn vale, menselijke oog gleden zoekend over hen heen. Daan wist dat hij aan het tellen was en begon te grijnzen.

‘Iedereen is er nog…’ fluisterde Vader. Zijn blik flitste heen en weer tussen Bas en Daan. ‘Geen lekkages?’ 

‘Niemand!’

Vader stortte door zijn knieën en voorkwam met zijn armen nog net dat zijn hoofd op de grond klapte. ‘Oh hemel zij genadig… oh, hemeltjelief.’ Hij keek lachend op, maar zijn menselijke gezicht was nat van de tranen. ‘Goed gedaan, mijn kinderen!’ 

Daan keek om naar zijn teamgenoten en zag de blijdschap op hun gezichten. Hoop was een krachtig iets. Iedereen had de orders opgevolgd. De strategie had gewerkt. 

Vader stapte aan de kant en zij liepen naar binnen. De trainingshal was een hoge ruimte die uitliep in een glazen wand. Daarachter zag hij de verschillende lagen van de wereld in de koepel: het paradijs. Boven waren hoge bomen en bloemen in bloei, daaronder tafels vol heerlijke spijzen, en verder naar beneden een bruisende stad. Zoals altijd duizelde zijn hoofd bij het zien van zoveel schoonheid en weelde.

Bas liep richting een stenen bankje dat voor het glas stond.

‘Waar ga je heen?’

‘Even zitten, baas.’

‘We zijn nog niet eens begonnen!’ 

‘Ik ben uitgeput.’

Daan knarste met zijn tanden. Verberg het! Boos worden verpest de training.

Lilly salueerde naar hem. ‘Wat is het plan, leider?’

‘Je mag me gewoon “Daan” noemen, hoor.’

‘Natuurlijk, lei— eh… Daan.’ Haar wangen kleurden.

Daan onderdrukte een zucht. ‘Laat ze sparren in groepen van zes. Zodra het gif is weggetrokken, bespreken we de strategie voor morgen.’

Ze salueerde en flitste weg richting de verzameling jongeren. Daan keek toe hoe ze efficiënt de groepen verdeelden. Meteen begonnen ze met simulatiegevechten: een en daarna twee van hen speelden voor gedrocht en de anderen oefenden hoe ze als team het beest moesten benaderen, rekening houdend met het bereik van hun klauwen en hun snelheid.

Lilly had het respect van de jongeren en kende alle strategieën uit haar hoofd. Maar kon ze ook improviseren als het misging, zoals Bas dat kon? Weinig was zo onvoorspelbaar als de gedrochten. 

Zijn blik schoot naar zijn vriend die vanaf het bankje staarde naar het paradijs. Daan probeerde instructies te bedenken voor de trainende jongeren, maar het had geen zin. Het was onmogelijk om op iets anders te concentreren terwijl Bas daar zat. Hij stak vijf vingers op naar Lilly om te zeggen dat hij er zo aankwam en ging naast Bas staan. Aan de andere kant van het glas zat een groep jongens en meiden van hun leeftijd onder een boom, vol met roze bloesems. “Een park,” noemde Vader het. Ze lachten en genoten, terwijl om hen heen een roze regen van kersenbloesems neerdwarrelde.

Waarlijk een paradijs… Even zag hij voor zich hoe hij daar zorgeloos zou zitten, samen lachend met Lilly en Bas. Daarna was de betovering verbroken en realiseerde hij zich weer waar hij was.

‘Bas, luister. We hebben je nodig. Ik heb je nodig. We kunnen het niet gebruiken dat jij hier voor je uit zit te staren.’ 

‘Stel je voor dat we het glas zouden breken, baas.’

De jongeren in het paradijs waren klaar met eten. Ze stapten op hun zweefvlot en stegen op. Waarschijnlijk onderweg naar hun huizen op een van de vele plateaus.

‘Het glas is misschien dik,’ ging Bas verder, ‘maar na een uur rammen met onze zwaarden hebben we een mangat. We glijden met een touw naar beneden en kunnen leven als goden.’

‘Totdat de gedrochten het paradijs vernietigen met ons erbij…  Het is onze taak het paradijs te beschermen, niet om het te vernietigen!’

Bas glimlachte voor het eerst sinds het gevecht vandaag. ‘Ik wist dat je dat zou zeggen. Onze eeuwige held. Het spijt me, maar ik moest het proberen.’

‘Kunnen we dan nu ophouden met deze onzin? Wat moeten de nieuwelingen wel niet denken als hun toekomstige leider niet meetraint?’

Bas staarde droevig voor zich uit. ‘Ik zal het nooit gaan zien…’ Zijn stem klonk hol, zonder emotie. ‘Ik zal nooit naar het paradijs gaan.’

‘Heb gewoon geduld,’ wilde hij zeggen, maar toen viel zijn blik op een barst in Bas’ pak, waardoor het paarse gif binnensijpelde. Nu zag hij pas hoe slecht zijn vriend eruit zag. Door het glas van zijn helm zag zijn huid grauw, bezaaid met zwarte stippen.

‘Een lekkage…’

‘Het spijt me, baas.’

‘Verdomme!’ vloekte hij luid.

De trainende Zwaarden keken op.

‘Je had gelijk… Ik had voorzichtiger moeten zijn. Maar ik wilde zo graag met je mee naar het paradijs.’ Bloed liep uit zijn uitpuilende ogen over zijn wangen. Hij wankelde en Daan greep hem voordat hij van het bankje viel. 

‘Vader, kom snel!’ brulde Daan. ‘Bas… Waarom zei je niks?!’

‘Het had geen zin. Het heeft allemaal geen zin,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde nog eventjes… doen alsof.’

Daan klemde wanhopig zijn tanden op elkaar. Via de schuifdeur stormde Vader de ruimte in.

‘Oh nee, Bas…  Oh, hemeltjelief.’ Hij hurkte bij Bas neer en legde zijn menselijke arm teder op zijn helm. 

In een cirkel om hen heen verzamelden de soldaten zich zonder iets te zeggen.

‘V-Vader. Het d-doet p-p-pijn…,’ Bas’ lichaam schokte. Schuim vormde bij zijn mond. Hij was altijd zo volwassen – de oudste van hen, maar in Vaders armen was hij weer een kind. 

‘Ik weet het, mijn jongen.’ Papa omhelsde Bas stevig. Het menselijk deel van zijn lip trilde en zijn hele huid was vertrokken in pijn. Zijn robothelft staarde naar voren met een versteende glimlach. Hij snikte. ‘Ik weet het zo goed.’

Niemand meer verliezen. Niemand meer verliezen. Zijn beste vriend leed pijn en ging sterven. Naast Vader was er niemand die hij zo lang kende. Ze hadden samen zoveel mensen verloren, maar ook samen de trainingen opgezet. De Dagzwaarden hoop gegeven. Ook nu zag hij de jongens en meiden kijken. Naar Bas, maar ook naar hem.

Hij mocht geen zwakte tonen. Bas was zijn tweede, zijn vervanger, maar wie kon Bas vervangen? Vervangen. Tranen drongen zich op, maar hij drukte ze weg. Hij moest blijven doorgaan. ‘We gaan nooit vergeten wat je voor ons hebt gedaan,’ zei hij luid genoeg, zodat alle aanwezigen het konden horen. Zijn stem trilde niet.

Bas keek hem aan. ‘B-breng ze ernaart-t-toe, b-baas. D-doe wat mij niet l-lukte…’ Zijn ogen rolden omhoog in zijn schedel en het schudden van zijn lichaam stopte. Hij fluisterde: ‘Ik wilde zo graag naar het paradijs…’

Niemand gaf antwoord, maar hetzelfde verlangen stond in alle blikken weerspiegeld.

Vader tilde hem teder op en schuifelde met ingezakte schouders naar zijn kamer. Hij zag er zo fragiel uit. Maar zijn mechanische onderdelen hielden hem overeind en zorgden dat hij kon blijven leven. Kon blijven lijden. Daan vroeg zich niet voor de eerste keer af waarom Vader altijd alleen wilde zijn bij het verbranden van de lichamen. Het gif zat voorgoed in Bas’ lichaam en was gevaarlijk, besmettelijk zelfs. Maar met hun pakken aan zouden ze beschermd moeten zijn. Ernaar vragen was zinloos; dit was een vraag waar Vader nooit antwoord op wilde geven.

Op dat moment begonnen de vele ventilatoren in de ruimte te draaien, alsof ze spottend hadden gewacht tot Bas was gestorven. Ze zogen in enkele seconden de gassen op. Iedereen deed zijn helm af. Een aantal huilde, zo ook Lilly. Daan wilde niets liever dan zich terugtrekken, maar dat kon niet. Nog even moest hij zijn masker van ongenaakbaarheid dragen om te kunnen beschermen wat Bas en hij hadden opgebouwd. 

Als de hoop met Bas stierf, was alles voor niks geweest.

 

***

 

Daan staarde naar een hoge metalen muur waar honderden namen in stonden gekerft. Het was rustig om hem heen. Iedereen was al gaan slapen. Achter hem opende een deur. Het geluid van verende, mechanische bewegingen vertelde hem dat Vader eraan kwam. Hij ging naast hem staan en overhandigde hem een ijzermes. 

Daan haalde diep adem, liep naar de muur waar de namen ophielden en begon te krassen onderaan de lange lijst. “Bas,” schreef hij en ging staan.

Vader kwam naar hem toe en legde zijn menselijke arm om hem heen. Daans zicht werd wazig. Hij was verantwoordelijk. Hij had hem bij het team achtergelaten wetende dat hij veel risico’s nam. Hij opende zijn mond en schreeuwde het uit. Natuurlijk had hij dit kunnen voorkomen – als hij maar sterker was geweest.

Pas toen hij wat gekalmeerd was, begon Vader te praten. ‘Ik herinner mij ze allemaal nog. De mens in mij laat me voelen, mijn robotdeel laat mij herinneren. Elk verloren kind zet een nieuwe kras in mijn hart…’

‘Ik zal zorgen dat het niet weer gebeurt.’

Vader zuchtte. ‘Altijd zo sterk, mijn zoon, overweeg je dan nooit om op te geven?’

Met een ruk keek Daan hem aan.

Vader ontweek zijn blik en keek ongemakkelijk naar de grond. ‘V-vergeef deze oude man zijn zwakte, terwijl je zo hard vecht voor ons allemaal.’

‘Ik snap dat je rouwt, Vader, maar de gedrochten wachten niet. Ook vannacht is er geen keus om door te trainen en ons voor te bereiden hoe we zonder—’ Tranen drongen zich op, maar hij wist het weg te drukken. ‘Hoe we zonder Bas verder moeten.’

‘Rust, toch! Je bent een mens van vlees en bloed. Eindeloos doorgaan zal je opbreken.’

‘In het paradijs is er genoeg tijd om te rusten.’

Vader keek zo mogelijk nog verdrietiger. Hij fluisterde: ‘Ik ben er voor je in mijn kamer als je me nodig hebt.’ 

Vader vertrok en Daan deed zijn shirt uit en liep naar een stang die hing aan het plafond. Hij greep het vast en trok zich op en liet zich zakken. Was ik maar sterker geweest. Na vijftig pull-ups liet hij zich vallen en begon te rennen. Was ik maar sneller geweest. Na tien rondjes liet hij zich uitgeput op zijn handen vallen om op te drukken. Zweetdruppels gleden langs zijn slapen omlaag en spatten uiteen op het glanzende metaal. Ik breng ze er naartoe, Bas. Ik zweer het. Zodat iedereen kan vertrekken uit deze hel.  

Samen voor het paradijs.

 

***

 

De volgende ochtend stonden ze gezamenlijk voor een blauwe deur dichtbij hun slaapvertrekken. Vader stond vooraan. Hun pakken waren al aan. Ze waren klaar om te vertrekken, maar ze moesten nog wachten op één persoon.

Een luid gezoem klonk door de hal. De deur kraakte en opende langzaam. Een sterke wind suisde door de kieren. Daan beschermde zijn gezicht met zijn arm terwijl de wind door zijn haren blies.

Een in pak gehuld lichaam schoot door de opening en werd door de gang geblazen. Glijdend en rollend kwam het voor hun voeten tot stilstand. De deur sloot en de wind en het gezoem stopten.

‘Welkom, mijn kind,’ zei Vader tegen de nieuwe rekruut. Aan zijn bouw en lengte te zien, was hij amper veertien. Vader hielp hem overeind.

De ogen van de jongen schoten schichtig van het ene gezicht naar het andere. ‘Waar zijn de gedrochten? Ik moet ze vernietigen.’

‘Je gaat niemand vernietigen, jongen.’

Hij knipperde, zijn mond hing lichtjes open. ‘Niet… vernietigen?’

‘Niet vandaag. Wij zullen je beschermen. Hier, een geschenk om je welkom te heten.’

Hij gaf hem een zender, verbonden aan een monocle. ‘Hiermee kun je ons altijd bereiken. Vergeet dit nooit. We delen misschien geen bloed, maar na vandaag zijn wij je familie. Samen…’ hij haperde, zijn lip trilde. Ongetwijfeld dacht hij aan Bas en de anderen die ze verloren hadden. ‘Samen zullen we genoeg gedrochten verslaan om naar het paradijs te gaan.’

‘Paradijs…’ zei de jongen dromerig en bestudeerde de zender waar een naam in was gekrast. ‘Arthur… Wie is dat?’ vroeg hij.

Vader glimlachte ondanks zijn tranen. ‘Vanaf vandaag is dat jouw naam! Hoe zwaar onze taak ook is, we zijn nog steeds mensen en mensen hebben een naam.’ 

Vader plaatste de zender om Arthurs oor, deed zijn helm eroverheen en sloot hem in een omhelzing. ‘Wees voorzichtig, mijn zoon.’

Arthurs ogen schoten open door Vaders omarming. Daan snapte zijn verbazing. Zo waren ze allemaal geweest na hun tijd in de trainingsgrot, de dagen voordat ze Zwaarden werden. Geen van hen herinnerde enige warmte van die tijd. De liefde die Vader zo vol overgave gaf, was als een warm, helder licht na jaren van duisternis. Niemand zou dat ooit kunnen vergeten. 

‘Deze kant op,’ zei Daan, en wees richting de uitgang.

Arthur liep met hem mee. ‘W-wat gaat er gebeuren als we buiten zijn?’ 

Daan wilde niet met de nieuweling praten, maar dwong zichzelf geduldig te blijven. Het was niet zijn schuld dat hij de vervanger van Bas was. ‘We benaderen de gedrochten behoedzaam en met ervaren teams. Jouw taak is om te observeren, totdat je voldoende getraind bent om mee te strijden.’ 

Hoe kan ik ze allemaal beschermen en ze tegelijkertijd leren zelfstandig te vechten voordat het te laat is?

Verzonken in gedachten merkte hij nu pas op dat de Nachtzwaarden al gepasseerd waren. Hij draaide zich om en zag Violet nog staan, degene wiens ogen hem zelfs in zijn dromen niet loslieten. Ze draaide zich om en liep verder; hij was te laat om haar te begroeten. Maar er zou nog een kans komen; ze had haar dienst overleefd.

Buiten kroop de zon omhoog over de rand van de krater. Zijn broeders en zusters verzamelden zich op de gebruikelijke plek, wachtend op zijn instructies.

Hij had aangenomen dat Bas er wel zou zijn om hem later te vervangen. Terugkijkend was het geen wonder dat Bas zo wanhopig probeerde zijn score bij te benen, waardoor hij uiteindelijk was gestorven. Daan klemde zijn tanden op elkaar. Concentreer je op de dingen waar je wat aan kunt doen!

Lilly had de Zwaarden al in teams verdeeld. Ze salueerde voor hem met opgeheven borst.

‘Lilly,’ zei hij luid, ‘vandaag ben jij de leider. Je maakt het aanvalsplan en geeft de instructies.’

‘I-ik?’ Haar ogen knipperden. 

‘Gert is je tweede. Samen geven jullie de orders; vandaag ben ik gewoon een Zwaard.’

Lilly wierp een bezorgde blik op Gert, die net zo verbaasd leek. ‘Maar… we hebben dat nog nooit gedaan.’

‘Het wordt hoog tijd dat jullie leren hoe het werkt, voor het geval ik er niet meer ben.’

‘Jij… er niet meer bent?’

‘Iedereen kan uitvallen,’ zei Daan koel.

‘Maar jij toch zeker niet, leider? Je bent de sterkste van ons allen. Degene die ons allemaal naar het paradijs gaat brengen. Ik weet het zeker!’ Lilly glimlachte.

Hij bleef haar strak aankijken en haar glimlach smolt weg. ‘Natuurlijk, leider. Ik zal je niet teleurstellen.’

Daan knikte, gaf haar de radar en ging op een zandduin zitten. Vandaar keek hij hoe Lilly en Gert de radar uitklapten en aan knoppen begonnen te draaien. 

Het duurde lang. Ze hebben vast te ver ingezoomd of de verkeerde instellingen gebruikt. 

Het kostte hen een kleine eeuwigheid voordat ze de radar aan de praat hadden. Daarna keken ze vol verwarring naar het scherm en naar elkaar. Hij zuchtte. Hadden ze niet door dat hun gedrag het hele team onrustig maakte? Daan stond op. ‘Hoeveel zijn het er?’

‘W-we zien niks,’ zei Gert. 

‘Zie je niks? Heb je je ogen soms dicht?’ grapte Bas altijd als Daan dat zei. 

Daan sloot zijn ogen en ademde diep in om zichzelf te kalmeren. Daarna keek hij op de radar. 

De heuvels rond het paradijs waren zichtbaar. Net als een knipperend, blauw lampje dat de locatie van de radar aangaf. Verder niks. Hij resette de radar en probeerde verschillende instellingen, maar het hielp niet. Met zijn zender nam hij contact op met Vader, maar het enige wat hij kon vertellen was dat de radar nog steeds leek te werken. Hij herhaalde zijn dagelijkse uitspraak dat ze voorzichtig moesten zijn en echt op tijd binnen moesten komen.

Een onrustig gefluister ruiste door de verzamelde zwaarden.

‘We splitsen in twee groepen en patrouilleren in steeds bredere cirkels om het paradijs,’ zei Daan. ‘Als er gedrochten zijn, zullen we ze vinden.’ 

‘Ja, leider!’ riepen de zwaarden.

Hij zuchtte. Nu had hij toch de leiding weer op zich genomen. Maar in deze situatie kon hij niet anders. En wat als dit gebeurt terwijl jij in het paradijs bent? Daar wilde hij niet over nadenken.

Hij gaf Lilly de leiding over de ene groep en hijzelf nam samen met Gert de andere onder zijn hoede. Ze marcheerden een andere kant op en liepen weg van het paradijs. Eerst langs zwarte, versteende bomen. Daarna door de gebroken stad daarbuiten, waar flatgebouwen uittorenden boven de desolate straten. Hun gebarsten ramen waren net lege oogkassen; de stille getuigen van een verloren tijd.

Daan had Vader vaak gevraagd wat er was gebeurd met de wereld om hen heen toen de vervuilende gassen steeds sterker werden. Maar het enige wat hij hem had kunnen ontfutselen was dat het paradijs onvoldoende plaats bood voor iedereen. Dat velen waren gestorven, eerst door het gas en later door de gedrochten.

‘Komen jullie bijna naar binnen?’ vroeg Vader nerveus.

‘Bijna,’ zei Daan.

Ze beklommen een duin en Daan pakte een verrekijker om uit te kijken over het landschap voorbij de stad. Waar de duinen zich als donkere schaduwen spreidden over een verlaten vlakte. Nog nooit had hij meegemaakt dat er geen enkele vijand richting het paradijs was gekomen. Daan vertrouwde er niets van.

‘De zon gaat bijna onder,’ zei Lilly uiteindelijk over de zender. ‘Moeten we terugtrekken?’

Hij kauwde op zijn onderlip. Het zat hem niet lekker. Maar nog langer blijven was gevaarlijk. Wat als de deur sloot voor ze binnen waren?

‘We cirkelen al zoekend terug naar de kraterwand,’ zei Daan.

Ze namen een terugweg langs een andere route, maar ook daar vonden ze geen teken van leven. Hij was net de kraterwand opgesprongen toen Lilly contact opnam: ‘We zijn er, zullen we samen naar binnen gaan?’

’Gaan jullie maar vast. Laat Vader de radar nog eens bekijken. Als iemand weet wat er aan de hand is met dat ding is hij het.’

‘Natuurlijk, leider!’

Gert kwam naar hem toe en salueerde. 

Waarom doen ze dat toch? Heeft Lilly dat bedacht?

‘Orders, leider?’ vroeg hij.

‘Ik heet Daan,’ zei hij en keek naar de zon die de horizon naderde. ‘We maken onze ronde langs de kraterwand af en gaan dan naar binnen. Het is een risico zo laat, maar we begrijpen nog steeds niet wat er aan de hand is.’

‘Misschien… misschien zijn alle gedrochten verslagen?’ zei Gert.

Een onrustig gefluister stak op in hun groep.

‘Misschien staat de deur al open?’

‘Eindelijk genieten en nooit meer vechten!’

Daan kneep zijn ogen tot spleetjes. Hij wilde het graag geloven, maar kon het jeukende gevoel dat er iets niet in de haak was niet van zich afschudden.

Maar nadat ook hun laatste ronde vanaf de kraterwand geen antwoorden opleverde, moest hij wel accepteren dat hij het mysterie vandaag niet op ging lossen. ‘We gaan naar huis,’ zei hij. 

De meesten lieten zich meteen van de kraterwand glijden. Niemand wilde voor een dichte deur staan. Hij wilde net zelf gaan, toen zijn blik schoot naar een groot bos van zwartgeblakerde bomen. Met hun verbogen takken leken ze op handen verkrampt van pijn.

Bewoog daar iets? ‘Gert, radar!’ zei hij.

Gert was al beneden. ‘Wat is er, leider?’ 

‘Kom omhoog.’

‘Wat is—’

‘Onmiddellijk!’

De jongen klauterde onhandig omhoog en klapte zwaar ademend de radar open.

‘Wat zie je?’ 

Fronsend keek Gert naar het scherm. ‘Net zoveel als eerder, oftewel: helemaal niks. Er zijn hier geen gedrochten, leider.’

Hij griste de radar uit Gerts handen en keek opnieuw naar de plek waar hij beweging had gezien. Op die locatie zoomde hij verder in.

‘Leider, moeten we niet naar binnen? Er is niks te…’

Langzaam werden lichte, bijna transparante, rode driehoekjes zichtbaar. Al het bloed trok uit Gerts gezicht. Het waren er tegen de twintig. Terwijl de zon bijna onder was.

‘Jij leidt vanaf nu het hele team.’ Hij probeerde zijn stem vlak te houden. ‘Blijf rustig. Toon geen angst en zeg niks over wat je zag totdat iedereen binnen is. Begrijp je me?’

Gert knikte met grote ogen. ‘Natuurlijk! En… wat ga jij doen, leider?’

Daan hield zijn blik op de verzameling bomen. ‘Zeg Lilly dat ik iets aan het onderzoeken ben. Dat ik er zo aankom.’ 

Gert salueerde met een bevende hand. ‘Samen voor het paradijs!’ schreeuwde hij en rende richting de veiligheid.

‘Samen voor het paradijs…’ herhaalde Daan en trok zijn pulszwaard tevoorschijn. Hij activeerde zijn laarzen en zweefde behoedzaam naar beneden. Stappend door het donkere bos schoten zijn gedachten alle kanten op. Hoe hebben ze de radar misleid? Als ze aanvallen tijdens de dienstwissel, kunnen ze zich een weg boren naar het paradijs. Dat mocht hij niet laten gebeuren!

Hij verplaatste zich van boom naar boom, alert op elk geluid, maar zag en hoorde niets, ondanks dat hij op de plek stond die de radar aangaf. Als hij nu terugging, kon hij heel misschien nog—

‘HET IS TIJD!’ De monsterlijk hoge stem klonk als een echo in zijn hoofd en leek van overal en nergens te komen.

‘Wie is daar?’ schreeuwde Daan.

Er kwam geen antwoord, maar de grond om hem heen begon te rommelen. Er gleed een rilling over zijn rug. Zwarte ledematen rukten omhoog uit de grond. 

Hij maaide met zijn zwaard naar de zwarte armen die naar hem grepen en sprong weg richting de kraterrand – buiten het bereik van de monsters.

Gedrochten wrongen zich uit de aarde, hun lijven druipend van modder. Zoveel had hij zelden bij elkaar gezien. Zijn hart bonkte in zijn keel.

‘VOORWAARTS!’ schreeuwde de stem. ‘NAAR HET PARADIJS!’ 

Als één wezen stormden de gedrochten naar hem toe.

Daan plantte zijn voeten stevig in de grond. ‘Jullie zullen het paradijs nooit bereiken!’ Zijn zwaard flitste door de lucht en het eerste monster viel. Daans lichaam was een draaikolk van snelheid en precisie. Zwarte ledematen vielen levenloos op de grond. Zijn zwaard brandde in zijn handen. Energie pulseerde door het staal. Hij schoot een puls in de monstermassa. Het lukte hem om ze op afstand te houden. Zijn adem gierde van inspanning. Het waren er veel, maar hij mocht ze niet laten passeren. Hij mocht ze niet— 

Een zwarte klauw ramde tegen zijn zij. De kracht lanceerde hem tegen de kraterwand aan. Een groot gedrocht kwam op hem af. Hij probeerde zijn zwaard op te tillen. Het lukte niet. Gifdampen kwamen door een opening van zijn pak naar binnen en dansten voor zijn ogen. Ze zogen zijn kracht op. 

‘Het is me niet gelukt, Bas… Het spijt me.’ Het gedrocht voor hem stond stokstijf stil. Toen stortte het naar de grond. Zijn hoofd gescheiden van zijn romp. 

‘Wie…?’ vroeg hij. Het was zo donker dat hij nauwelijks meer iets zag.

Twee lichtgevende, rode ogen zoefden langs hem heen en overal waar het kwam spatte de gedrochten uiteen. Na wat een eeuwigheid leek, kwamen de ogen op hem af. Een silhouet tekende zich af en een zwart zwaard spleet de nacht om vlak voor zijn nek te stoppen. 

‘Jij bent het,’ zei een vlakke stem. Hij wist zeker dat zij het was. Het was Violet.

Toen werd alles zwart.

 

***

 

Daan ontwaakte doordat iets hem omhoog trok langs een zanderige helling. Nog wat versuft zag hij dat hij bovenop de kraterwand was. Een vreemd licht hing in de lucht. ‘De maan…’ fluisterde hij verwonderd. Wat is er gebeurd? Hij wilde net opstaan toen een voet hem een zet gaf.

Hij viel voorover en rolde naar beneden. Hij stuiterde van zijn rug op zijn schouders tot hij languit op de grond neerkwam. Hij greep zijn arm en opende zijn mond in pijn.

Violet van de Nachtzwaarden zweefde soepel naast hem neer. ‘Ik zie dat je wakker bent.’

‘Ik had kunnen springen.’ Zijn stem was hees.

‘Dit was sneller.’

‘En pijnlijker…’ Hij krabbelde overeind met knikkende knieën. Waarom voelde hij zich zo zwak? Hij keek naar zijn pak en zag de barst. Hij had niet lang meer te leven.

‘We hebben haast. Onze Beschermer is de enige die je kan helpen.’ Ze liep richting de ingang van de Nachtzwaarden, maar stopte toen hij bleef staan. ‘Waarom wacht je?’ vroeg ze.

‘Onze Vader… Onze Beschermer zei altijd dat de Nachtzwaarden ons zouden vermoorden zodra we hun verblijf binnen zouden gaan.’

Ze kantelde haar hoofd. ‘Hij heeft waarschijnlijk gelijk. Heeft jullie Beschermer ook uitgelegd dat je sterft als je in de gassen blijft staan met een kapot pak? Kom mee.’

Daan zuchtte en strompelde haar achterna. Stap voor pijnlijke stap. Verzwakt door het gif lukte het hem niet om haar bij te houden. Na een tijdje verloor ze schijnbaar haar geduld. Ze kwam naar hem toe en gooide zijn arm over haar schouders. Dat hielp. Al snel bereikten ze de tunnel van de Nachtzwaarden en stapten naar binnen. Hij was zich erg bewust van hoe haar borsten door het pak heen in zijn zij drukten.

Hoe vaak had hij wel niet gefantaseerd over het moment dat hij haar kon zien zonder het glas tussen hen in? Maar geen van die fantasieën leken ook maar enigszins op deze situatie.

Hij kuchte. ‘Bedankt voor de hulp. Ik heet Daan, en jij?’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik… hoe noemen de andere zwaarden je?’

Ze wees op een nummer bij haar borst.

‘Je heet Zeven-vier-vijf?’

‘Zo word ik genoemd.’

‘Violet, dus.’

‘Violet?’

‘Omdat je mooie paarse ogen hebt.’ Hij verbeet de pijn en probeerde een glimlach. ‘Bedankt voor je hulp, Violet. Zonder jou hadden de gedrochten een gat in het paradijs gemaakt.’

‘Dat…’ Voor het eerst aarzelde ze even. ‘Dat is mijn taak.’

‘Ik ben in ieder geval heel blij dat je me gered hebt. Voor hoe lang het ook duurt.’

Violet fronste zo licht en kort haar wenkbrauwen dat Daan niet zeker was of hij het verkeerd gezien had. ‘Het is vreemd. Je toont zoveel emoties.’

‘We zijn mensen, dan zijn emoties toch logisch?’

‘Maar we zijn niet echt mensen.’

‘Wat bedoel je?’

‘Mens zijn betekent dat je een keus hebt.’ Haar blik richting het paradijs was onmogelijk te lezen. ‘Wij hebben geen keus. Wij leven enkel voor onze taak.’

Daar had Daan geen antwoord op. Hij moest denken aan hoe Arthur vanmorgen uit de trainingsgrot kwam, net als alle anderen voor hem en Daan zelf waarschijnlijk ook: met enkel het vernietigen van gedrochten in gedachten. Wat als Vader er niet was geweest om hen liefde te geven? Gedroegen ze zich dan hetzelfde als de Nachtzwaarden? Als machines. Daan keek door het glas naar de andere gang. Hij hoopte maar dat Gert iedereen binnen had weten te krijgen.

Ze kwamen aan bij het verblijf van de Nachtzwaarden. De ruimte was een gespiegelde kopie van waar de Dagzwaarden sliepen. Maar bij de Dagzwaarden lag altijd wel ergens een beker, papier of een stuk gereedschap. Hier was aan niets te merken dat er mensen leefden. Met elke stap bekroop hem een groeiend gevoel van onheil. Zwarte vlekken begonnen te dansen voor zijn gezichtsveld. Het zou niet lang meer duren voordat hij het gevecht met het gif verloor.

‘Je bent te vroeg teruggekeerd,’ zei een mechanische stem. De stem kwam van een stoel tegen de wand.

‘Vader?’ fluisterde Daan. Een robot zat op de stoel. Dezelfde robot als Vader, maar dan zonder zijn menselijke gedeelte.

Violet bracht hen naar de robot toe en liet zich op haar knieën zakken. Daan deed hetzelfde. Zonder haar steun kon hij niet meer staan.

‘Jij hoort hier niet te zijn,’ zei de robot tegen Daan. Hij was zich ineens sterk bewust hoe dichtbij de robot was. Vaders robotarm was in staat staal te buigen. En alles wat hij hoefde te doen om hem te doden, was hem weg te sturen.

‘Beschermer, ik verzoek u deze man te repareren,’ zei Violet.

‘Ik repareer alleen Nachtzwaarden.’

Dus het kan echt lekkages herstellen! Deze robot had Bas kunnen redden

‘Deze man is een sterke vechter. Als hij blijft leven is het een aanwinst voor onze taak om alle gedrochten te vernietigen.’

‘Dit is niet onderhandelbaar,’ zei de Beschermer. ‘Breng hem naar buiten.’

‘Nee!’ Ze leek zelf te schrikken van haar uitbarsting.

De glanzende ogen van de robot begonnen feller te branden. ‘Ik waarschuw je, Zeven-vier-vijf. Concentreer je op de taak: vecht voor het paradijs.’

Ze knikte mechanisch, maar haar ogen toonden een gevecht van onderdrukte gevoelens.

‘We kunnen sterker zijn als we samenwerken,’ zei Daan. Zijn stem was hees en zwak. ‘Het… uitwisselen van technologie en communicatie.’

‘Wij voeren onze taak uit. Wij hebben jullie hulp niet nodig.’

‘Maar de gedrochten gedroegen zich vreemd vandaag! Op het moment dat wij allen naar binnen gingen—’

‘Mijn geheugen schat de kans groot dat dit een list is. Ik vertrouw de Dagzwaarden weinig. En jullie Beschermer nog minder.’

‘Ze…’ vervolgde Daan zwaar ademend en duizelig. ‘Ze verstopten zich onder de grond, zodat de radar ze niet zag. Het was alsof ze…’ Hij hapte naar adem. ‘Alsof ze wachtten op de dienstwisseling. Dat is onze zwakke plek. Als we samenwerken, kunnen we het oplossen. Het paradijs loopt gevaar!’

Het robothoofd draaide naar Violet. ‘Rapporteer: Wat zag jij vanavond?’

‘De gedrochten bevonden zich op een onlogische plek,’ zei ze snel. ‘Dichterbij het paradijs dan ik ze ooit heb gezien.’

‘Ik heb besloten,’ kondigde de robot aan. Zijn armen sprongen uiteen in scherpe voorwerpen: tangen en naalden, messen en zagen. Daan maakte een afwerend gebaar met zijn armen, maar Violet greep zijn handen beet. ‘Blijf stil. Hij gaat je helpen.’

De robot trapte Daan op de grond en drukte een scherp mes tegen zijn pak, vlakbij de lekkende opening en slechts een haarbreedte van zijn huid. Het mes sneed de rafelranden af, waarna de robot zijn arm opende en een spuit met groene vloeistof en een naald zo groot als zijn vuist tevoorschijn haalde. Zonder aarzeling ramde hij de spuit in Daans zij. Pijn. Daan hapte naar adem. De robot drukte de vloeistof bij Daan naar binnen. Hij schreeuwde. Het voelde alsof zijn lichaam in lichterlaaie stond. Rondom hem schoten vonken omhoog, waar de robot met ongekende snelheid zijn pak aan elkaar smeedde.

‘Het is gedaan,’ kondigde de Beschermer aan, terwijl hij neerzakte in zijn zetel.

‘Gaat hij het redden?’ vroeg Violet.

‘Dat bepaalt zijn eigen kracht.’

Daan lag languit op de grond. Zijn oogleden voelden loodzwaar maar hij weigerde ze te sluiten. Terwijl Violet vast bleef houden aan zijn handen, staarde hij in haar ogen. Langzaam trok de helse pijn weg en lukte het hem om te spreken: ‘Waarom help je mij?’

Ze wierp een vluchtige blik over haar schouder, alsof ze zeker wilde zijn dat de Beschermer niet mee luisterde. Pas na een lange stilte sprak ze: ‘Je ogen… het is alsof ze branden met leven. Zo sterk dat het zich verspreidt in de Dagzwaarden om je heen. Elke keer als ik je zie, voel ik iets sterks. Ook al is het soms pijnlijk, ik wil niet dat het stopt. Het is het enige gevoel wat ik nog heb.’

Hij kneep in haar hand. Zo graag wilde hij haar aanraken. ‘Je kunt leren te voelen. Vader heeft het ons ook geleerd. Ik kan je helpen.’

‘Daarvoor moet je eerst in leven blijven.’

Hij glimlachte. ‘Ik beloof het.’

Violets gezicht, haar ogen en lippen, kwamen steeds dichter bij de zijne. Met zijn terugkerende kracht duwde hij zich omhoog naar haar en sloot zijn ogen. Het glas van hun helmen botste op elkaar.

Ze waren nog steeds gescheiden.

‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vroeg de Beschermer.

Violet veerde omhoog. ‘Niets wat het melden waard is, Beschermer.’ Ze keek Daan kort aan en haastte zich weg.

Niet lang daarna lukte het Daan te gaan zitten en toen de Beschermer hem na enkele uren benaderde, stond hij weer op zijn benen.

‘Ik zie dat je het gif overleefd hebt. Het is bijna tijd voor de dienstwisseling. Dus ik draag je op om buiten het paradijs te beschermen. Als er gedrochten verstopt zijn, moet jij ze vinden. Ik stuur een Nachtzwaard mee. Na afloop rapporteer je terug aan mijn soldaat.’

Daan knikte en drukte zijn zender aan. ‘Lilly, Vader, horen jullie mij?’

Een kakofonie van vragen knalde zijn hoofd binnen. Iedereen wilde weten waar hij was en hoe het met hem ging.

Hij lachte. ‘Het gaat goed. Ik kom eraan en zal alles uitleggen. Wacht op mij voor de uitgang.’ Violet kwam vanuit een gang naar hem toe.

‘Wat is er?’

‘Ik ga met jou mee,’ zei ze.

 

***

 

Daan keek naar de radar bij de ingang van het paradijs terwijl een groep Dagzwaarden rond de kraterwand patrouilleerde. Hun taak was simpel: voorkomen dat de gedrochten tijdens de dienstwisseling het paradijs naderden.

Alle andere Dagzwaarden hadden samen met Violet zojuist een groep gedrochten onderschept. Het was een hele opgave geweest Lilly te overtuigen om met Violet samen te werken; haar aanvankelijke weerzin had echter snel plaatsgemaakt voor gereserveerd respect, nadat Violet eigenhandig de helft van de gedrochten had verslagen.

‘Ik zie ze, leider,’ riep Gert vanaf de kraterwand. ‘Ze klimmen omhoog en komen jouw kant op.’

‘Bedankt, Gert.’ Daan zoomde met de radar nogmaals in op de plek waar de gedrochten gisteren verborgen waren. Ze waren geen stap dichterbij het doorgronden van de logica achter het voorval. Ook bleef hij zich afvragen waar de stem vandaan kwam die de gedrochten had geïnspireerd. Het was bijna alsof hij de stem op twee manieren hoorde: achter de gedrochten én door zijn zender. Maar dat was onmogelijk.

Hij hoopte maar dat de samenwerking met de Nachtzwaarden stand zou houden, zodat ze de aanvallen tijdens de dienstwisseling konden weerstaan. Misschien kon hij zelfs de Beschermer overtuigen om toekomstige lekkages van de Dagzwaarden te repareren. Maar zijn diepste wens was dat Violet hun team zou blijven versterken. Dat gaf Lilly tijd om te groeien als leider, maar dat was natuurlijk niet de enige reden.

Hij keek op. De groep Zwaarden kwam zijn kant op. Lilly salueerde: ‘Alle gedrochten zijn verslagen, leider!’

‘Goed gedaan, allemaal!’ zei Daan, terwijl zijn blik bij Violet bleef hangen. Ze was zo mooi. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als zij samen het paradijs bereikten. Stilletjes vroeg hij zich af hoe lang hij, eenmaal in het paradijs, op haar zou moeten wachten.

‘Violet?’ zei hij.

‘Ja, Daan?’

‘Wat is je score eigenlijk?’

‘Score, wat bedoel je?’

Daans mond viel open van verbazing. ‘Heeft jullie Beschermer daar dan niks over gezegd? Het staat op het scherm van je pulszwaard.’

Fronsend pakte Violet haar zwaard op en draaide het scherm naar hem toe. Hij keek naar de rij nummers op het scherm. Iets binnenin hem verbrijzelde.

‘Is er iets mis?’ vroeg ze.

‘Niets,’ fluisterde hij. Hij dwong zijn gezicht neutraal te blijven terwijl zijn hart tekeer ging. ‘Ik… ik moet naar binnen.’ Hij liep richting de ingang van de Dagzwaarden.

‘Wacht,’ zei Violet.

Maar hij stopte niet. Hoe kon hij haar uitleggen wat dit betekende? Dat het zijn hele wereld op de kop deed staan.

Met grote passen schreed hij door de gang, zichzelf inhoudend om niet te rennen.

Violet greep hem bij de schouder en hield hem tegen. ‘Je gedraagt je vreemd.’

Haar gekwetste blik stak hem, maar hij kon nu onmogelijk stoppen. ‘Het spijt me. Ik moet Vader spreken.’ Hij liet haar achter in de gang en liep door.

Hij opende de slecht verlichte ruimte van Vaders kamer. De laatste nog werkende lamp knipperde. Vader zat aan zijn werktafel met de rug naar hem toe. Vonken schoten omhoog waar zijn gereedschap een van de radertjes raakte.

‘Vader…’ zei Daan.

‘Daan!’ zei Vader terwijl hij doorging met zijn werk. ‘Ik heb mij zo zorgen gemaakt! Wat deed jij in hemelsnaam bij de Nachtzwaarden?’

Ik weet nu waarom je niet wilde dat we hen zouden ontmoeten. Hij zag het metaalmes liggen op tafel. Het mes waarmee hij de naam van Bas en zovelen anderen in de wand had geschreven. Waarschijnlijk hetzelfde mes waarmee Vader het nummer “1000” in de deur had gekerfd.

Hij stormde naar voren en haalde uit met zijn pulszwaard. Het stopte vlak voor Vaders gezicht. Daan wilde schelden en schreeuwen. In plaats daarvan stroomden tranen over zijn gezicht. ‘Waarom, Vader?’

Vader keek droevig naar het zwaard. Zijn menselijke gezicht vol schaamte. Hij zuchtte diep. ‘Ik wenste altijd slechts twee dingen: dat mijn kinderen stopten met sterven en dat jullie nooit zouden ontdekken wat voor verschrikkelijk mens ik ben. Maar het kon niet allebei. Hoe langer jullie leefden, hoe groter de kans dat jullie erachter zouden komen.’

‘Je hebt tegen ons gelogen!’

‘Ik heb geen excuus… Ik wilde dat mijn kinderen gelukkig waren. Dus ik creëerde hoop waar dat niet was. Ik loog, omdat de waarheid te wreed is… Ik kon het niet verdragen te zeggen dat jullie tot de dood zouden vechten om daarna als een defect onderdeel vervangen te worden.’

‘Misschien… Misschien als we alle gedrochten vernietigd hebben? Er moet een manier zijn om geaccepteerd te worden.’

‘Waarom zouden ze iets aanpassen wat werkt? Iets wat zichzelf in stand houdt? Zelfs het maken en trainen van rekruten is geautomatiseerd, uitgevoerd door robots.’

Daan voelde zich misselijk. Violet had gelijk. We zijn geen mensen. We zijn gereedschap.

‘Tegelijkertijd hebben ze in het paradijs alles wat ze kunnen wensen en hoeven ze nergens over na te denken. Dat is het ergste, mijn zoon. Waarschijnlijk weten ze niet eens meer wat wij hier doen. Dat wij lijden en sterven om hen te beschermen. Ze zijn ons vergeten.’ Zijn gezicht vertrok in afgrijzen. ‘Ik kon ze niet vergeven! Begrijp dat ik iets moest doen! Voordat jullie erachter zouden komen. Ik kon het niet meer opbrengen om door te gaan en toen… toen kreeg Bas een lekkage…’

Wat doen? En wat heeft Bas met dit alles te maken? Maar zijn woede won van zijn verwarring. ‘En wat verwacht je dat ik nu doe? Je dwingt me de hoop van mijn broeders en zusters te verpletteren, of om mee te spelen in dit zieke spel van leugens!’

De lamp sprong plotseling uit. De ruimte werd in duisternis gehuld. Alleen Vaders lichtgevende, groene robotoog was nog zichtbaar. ‘Ik stel een derde optie voor,’ zei hij en keek hem recht aan. Zijn kalme woorden vervulden hem met angst.

 

***

 

‘Vreemd,’ zei Lilly. ‘De groep gedrochten staat stil aan de rand van het radarbereik. Het is bijna alsof ze ons opwachten.’

‘Het is een kleine groep,’ zei Daan, haar zorgen negerend.

‘Ik weet het niet, leider… Misschien is het beter om hier te wachten?’

‘Het komt goed,’ zei Daan. ‘Ik houd hier de wacht met de radar, voor de zekerheid.’  Hij legde zijn hand op haar schouder en glimlachte haar zo bemoedigend toe als hij kon. ‘Zou je dit willen doen, Lilly?’

‘N-natuurlijk, leider!’ zei Lilly blozend. ‘Kom mee allemaal! Voor onze leider en voor het paradijs!’

Iedereen juichte behalve Violet. Ze kwam naar hem toe.

Hij durfde haar niet aan te kijken. Meteen na zijn bezoek aan Vader was hij naar bed gegaan om slaap te veinzen. Hij had haar genegeerd.

‘Je wilt zeker dat ik meega?’ vroeg ze.

Hij knikte kort. Violet draaide zich om en liep naar Lilly.

‘Wacht! Wil… wil je niet weten waarom?’ riep Daan.

Ze stopte. ‘Bespaar me je leugens.’

‘Wat bedoel je?’

Haar kille blik bezorgde hem kippenvel. Nog niet eerder had ze zoveel op een robot geleken.

‘Misschien had de Beschermer gelijk,’ zei ze. Haar stem was vlak, bijna mechanisch. ‘Over emoties en over de betrouwbaarheid van de Dagzwaarden.’

Daan voelde zijn maag samentrekken. Ze keek hem aan, maar leek hem niet te zien.

‘Morgen keer ik terug naar de Nachtzwaarden,’ vervolgde ze. ‘Zodat ik mij kan concentreren op mijn taak. Voorgoed.’

Hij opende zijn mond, maar er kwam niets. Alles in haar houding zei dat er niets meer te bespreken viel.

‘Je ogen hebben hun vuur verloren,’ zei ze. ‘Heel teleurstellend.’

Haar woorden achtervolgden Daan terwijl hij terugliep door de tunnel. Hij probeerde zich te troosten met de gedachte dat ze veilig was. Dat was het belangrijkste.

Hij vond Vader in de trainingshal, uitkijkend over het paradijs.

‘Is het gelukt?’ vroeg Vader.

‘Ze zijn allemaal vertrokken.’

‘Goed gedaan, mijn zoon.’ Vader drukte op zijn zender. ‘Het is tijd. De weg is vrij. Neem er zoveel mogelijk mee. Neem ze allemaal mee als je kunt.’

Buiten barstte een luid gekrijs los, rauw en onnatuurlijk, alsof honderd gedrochten tegelijk hun woede uitschreeuwden. Een ijskoude rilling liep langs zijn ruggengraat.

‘Wat als mijn broeders en zusters terugkomen?’

‘Hun radar toont alleen de signalen hier ver vandaan. Zodra ze erachter komen dat deze nep zijn, is het te laat. Dan is het paradijs vernietigd.’

‘Ga je me nu dan eindelijk uitleggen hoe je met de gedrochten kunt communiceren?’

Vaders lip trilde. Hij opende zijn mond en sloot hem weer.

‘Geef antwoord, Vader.’

‘Ik—’

Een groep gedrochten stormde de hal binnen. Ze buitelden over elkaar heen om zo snel mogelijk het glas te bereiken.

‘Ook op het eind moet ik je teleurstellen, mijn zoon. Er is geen tijd.’

‘Onzin, ze zijn alleen geïnteresseerd in het paradijs.’

‘Beloof me dat je daar blijft staan. Zolang je niet in de weg staat, doen ze je niets. Daar heb ik voor gezorgd.’

Vader ging voor het glas staan en de gedrochten kwamen op Vader af.

‘Vader! Kom hier alsjeblieft!’

‘Ik heb jullie zo gemist…’ zei Vader. Hij spreidde lachend zijn armen. ‘Mag papa nog een laatste knuffel?’ De gedrochten doken in zijn armen en scheurden hem aan stukken.

Het lachende robotgezicht van Vader rolde voor Daans voeten.

‘Nee…’

De gedrochten begonnen met hun klauwen te beuken op het glas. Scherven vlogen in het rond.

Achter het glas zag hij mensen lachen in de straten, genieten tussen de bomen. Ze hadden geen idee van de naderende verwoesting. Het prachtige paradijs wat ze zo lang beschermd hadden… Maar Vader heeft gelijk. Waarom zouden zij zorgeloos mogen genieten terwijl wij hier vechten en sterven voor hen?

Hij stelde zich voor hoe het paradijs eruit zou zien nadat het was vernietigd en verlaten. De machines roestig. De bomen zwart. Steeds meer gedrochten hakten in op het glas.

Daan beet op zijn lip. De manier waarop de Zwaarden van dag en nacht waren behandeld was niet te verkroppen. Tegelijk was het paradijs de laatste schoonheid in deze vergiftigde wereld. Het was onmogelijk te accepteren dat het voorgoed zou verdwijnen. Een onmogelijke keuze.

Mens zijn, betekent dat je een keus hebt.

Hij drukte zijn zwaartekrachtlaarzen aan en dook naar voren, zwaaiend met zijn zwaard. Hij vond weerstand: Een, twee, drie keer. De geraakte gedrochten desintegreerden tot stof. Een aantal draaide hun kop naar hem om.

Het dichtstbijzijnde gedrocht kwam op hem af. Daan sprong omhoog en landde met zijn zwaartekrachtlaarzen op het plafond, zette af en dook naar beneden om het gedrocht doormidden te klieven. Een klauw schoot naar zijn keel, maar hij dook eronderdoor en hakte het been onder het wezen weg. Zijn zwaard gloeide van energie, maar hij kon met het beschadigde glas zo dichtbij geen puls riskeren.

Gelukkig werd de toestroom van gedrochten al minder. Hij kon ze verslaan. Hier in de trainingshal waar hij jaren had geoefend met vechten.

‘HET DOET ZO’N PIJN,’ zei een hoge, monsterlijke stem.

Een groot gedrocht verscheen vanuit de tunnel. Zijn tanden ontbloot. De lege oogkassen keken in zijn richting. Het had een zender op zijn gezicht met een naam erop die Daans borst deed samentrekken. Een misselijkmakende golf van ongeloof en afschuw sloeg over hem heen.

‘Bas…’ fluisterde hij. Hij was niet verbrand.

‘HET PARADIJS IS DICHTBIJ.’

Ze waren ooit mensen! Het gas vervormde hun lichamen tot gedrochten. ‘B-ben je daar? We… we kunnen niet naar het paradijs, Bas.’ Daans stem brak. De woorden van zijn vriend op de dag dat hij stierf weerklonken door zijn hoofd: ‘Ik wil zo graag naar het paradijs

‘Het spijt me… Het spijt me zo ontzettend, Bas. Maar je mag het paradijs niet vernietigen.’

‘NIET… PARADIJS…?’ Bas kantelde zijn kop en bleef stokstijf staan. Daarna greep hij Daans keel, tilde hem op en kneep.

Andere gedrochten komen aan weerszijden langs hem heen om op het glas te rammen.

‘Doe het niet, Bas. Alsjeblieft…’ Zijn vingers krabbelden krachteloos langs de klauwen aan zijn keel. Zwarte vlekken dansten voor zijn ogen. Hij kon zijn vriend niet vermoorden. Ook niet nu hij een monster was. Zijn zwaard viel nutteloos op de grond.

Plotseling liet Bas hem los. Zijn vriend keek naar zijn buik, waar een pikzwart pulszwaard uitstak. Bas keek op en grijnsde, zijn stem bijna menselijk: ‘De pijn… de pijn is weg…’ Voordat Daan het besefte, ontplofte Bas tot stof, waardoor zijn redder opdoemde.

‘Violet,’ stamelde hij.

‘Je ogen leven weer!’ zei ze. Voor het eerst zag hij haar glimlachen. Ze was zo mooi dat het zijn adem deed stokken.

Hij grijnsde naar haar terwijl de gedrochten zich bovenop hen stortten. Daan pakte zijn zwaard van de grond en flitste het omhoog om de armen van een naderend gedrocht te scheiden. Hij schoot naar voren en zette zijn aanloop om in een rol. Hij dook onder een gedrocht door en doorboorde zijn rug. Zwiepend met zijn zwaard baande hij zich een weg naar het glas. Een gedrocht had er bijna een gat in geslagen. Daan stak zijn zwaard diep in de borst van het wezen.

Violet vocht als een wervelwind. Haar pikzwarte zwaard tolde in het rond. Elke draai een aanval en elke sprong een ontsnapping. Nauwelijks raakten haar voeten de grond.

Het gaat ons lukken!

Plots klonk er luid gekerm vanuit de tunnel. Hij liet zich van het plafond neervallen om het laatste gedrocht bij het glas te verpulveren en rende richting het geluid.

Wat hij daar zag, was onvoorstelbaar: de gang zat vol met duizenden gedrochten, een kolkende, kermende massa die als een reusachtige zwarte worm dichterbij kroop.

‘Neem iedereen mee als je kunt…’ had Vader aan Bas gevraagd. De mensen die het paradijs nooit konden bereiken, de bewoners van de verwoeste stad en de besmette Zwaarden die Vader niet kon verbranden. Ze waren allemaal hier.

‘Wat is er?’ zei Violet terwijl ze een vijand doormidden spleet.

‘Is je zwaard geladen?’

Ze knikte en kwam naast hem staan. Samen richtten ze hun zwaarden op de tunnel en knepen in het handvat. Hun zwaarden gloeiden als smeltend metaal. Daans handen schudden mee met het trillende zwaard. Zoveel energie had hij nooit eerder opgeslagen. ‘Houd vol!’ zei Daan. Een helse pijn gierde door zijn armen, maar hij bleef met de tanden op elkaar energie opbouwen. Hij leunde tegen haar aan en zij tegen hem. De massa van kronkelende ledematen en gezichten was bijna bij hen. De stank van zwavel was bijna ondragelijk.

Hij schreeuwde. Zij schreeuwde. Samen lieten ze het handvat los. Een enorme knal, gevolgd door een klap van hitte, deed hem bijna zijn bewustzijn verliezen. De pulsen van hun zwaarden smolten samen en schoten verwoestend voortwaarts – niets bleef gespaard.

Daans zicht was een waas. Zijn hele lichaam trilde en zijn oren floten. Zijn zicht werd langzaam weer scherp. Waar eerder gangen waren, was nu slechts verwoesting. Een aantal gebogen lappen gesmolten metaal stonden nog overeind.

Violet leek eerder hersteld en zoefde langs de paar nog levende gedrochten. Toen ze de laatste doormidden kliefde, werd het stil. De toevoer van monsters was gestopt, misschien wel voorgoed.

Daan liet zich vallen. ‘Ik ben blij dat je niet met de Dagzwaarden mee ging,’ zei hij zachtjes.

Ze kwam tegen hem aan zitten. ‘Je zag eruit alsof je iets doms ging doen. Daarom ben ik je gevolgd.’

Hij legde zijn arm om haar heen. ‘Ik weet niet wat er nu gaat gebeuren.’

‘Ik weet het wel.’ Ze lachte door haar helm, waar geen glas meer in zat. Het moest eruit geslagen zijn tijdens het gevecht. Een walm van paars krioelde langs haar gezicht.

Daan sprong op. ‘Je moet naar jullie Beschermer toe!’

Ze haalde haar schouders op. ‘De doorgang naar de Nachtzwaarden is dicht en zal dat nog lange tijd blijven. Zolang overleven met een lekkage is onmogelijk.’ Ze zei het met de achteloosheid van iemand die een storing meldde, niet haar eigen dood. ‘Het is niet anders. Maar ik ben blij. Echt blij dat ik je ontmoet heb, Daan.’

Ze mag niet sterven! ‘Wacht! Je mag mijn helm gebruiken. Misschien dat je het daarmee redt. Dit is allemaal mijn schuld. Ik neem de verantwoordelijkheid.’ Hij trok zijn helm af en wierp het in haar schoot.

Ze nam de helm fronsend aan. ‘Je meent het? Je zou voor mij sterven?’

‘Dat klopt.’ Zijn stem trilde, maar dat maakte hem niet uit. ‘Ik weiger de helm op te zetten wat je ook probeert.’

Ze lachte zachtjes. Zo lieflijk. Zijn hart begon sneller te slaan. Ze zou het overleven. Dat moest.

Ze gooide de helm de lucht in en trok haar zwaard.

‘Nee!’ brulde Daan, maar hij was te laat. Haar zwaard spleet de helm in twee waardeloze helften.

‘Wat heb je gedaan?’ stamelde hij.

Ze lachte en deed haar pak uit. Eronder droeg ze alleen haar ondergoed.

Hij opende zijn mond om te praten, maar ze kuste hem lang en diep. Toen de kus klaar was, wist Daan niet meer wat hij wilde zeggen. Ze keken elkaar aan.

‘We moeten opschieten,’ zei ze terwijl ze Daan hielp zijn pak uit te doen. ‘We hebben maar even om mens te zijn.’

Hij kuste haar lippen en ze hielden elkaar stevig vast. Hij voelde haar warme huid op de zijne. Haar adem in zijn nek. Op dat moment kon het hem niks schelen dat hij zou sterven.

Nauwelijks hoorde hij het gezoem vanuit de tunnel.

De deur van het paradijs ging open.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen

BoekenBoeken

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Schrijf je in voor de FantasyWereld nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws en onze winacties

Recente reacties

CozyFantasy.nl

Interviews, artikelen, recensies en winacties rondom cozy fantasy