Schemerwoorden is een bundel van korte verhalen door Wouter van Gorp, allen met een mysterieus of duister tintje. Veel van de verhalen hebben bovendien in verschillende schrijfwedstrijden in het genre een hoge score behaald. Een van de verhalen die in de bundel staan mochten we van Wouter plaatsen op FantasyWereld. Veel leesplezier!

PS: We hebben nog een winactie lopen voor Schemerwoorden, je kunt nog meedoen tot 12 augustus!

 

Kerstsingulariteit
Wouter van Gorp

 

SINGULARITEIT (de, v): het moment – veelal in de nabije toekomst geplaatst – waarop de technologische vooruitgang zo hard gaat dat de mens de maatschappij met zijn huidige intelligentie niet meer kan bijbenen of bevatten. Tevens een term voor het moment waarop de kunstmatige intelligentie zichzelf gaat aansturen en zodoende de menselijke intelligentie overtreft.

 

Dave Kornèl was enig kind. Hij droeg een bril met jampotglazen, stotterde, en was bijzonder verlegen. Deze omschrijving helpt om twee dingen te begrijpen: dat Dave Kornèl geen vrienden had en dat hij zich liever in zijn fantasiewereld dan in de werkelijkheid waande.

Op kerstavond 2033, omstreeks negen uur, zat hij als enige in het kitscherige kindertheater van het cruiseschip Lena Anglica.

De tranen kwamen als een waterval. Dave kon er niets aan doen.

“Ho ho ho!” De in rood verpakte animatronic legde zijn plastic handen, groot als kolenscheppen, op zijn buik. Daar deinden ze onder het blikken gelach op en neer. “Good evening boys and girls!”

Dave huilde door, met blubberende, snotterige geluiden.

Hij begreep niets van het Engels dat door de geanimeerde poppen op het podium voor hem werd gesproken. Hoewel zijn basisschool tweetalig was, kwam het er in de praktijk op neer dat meester Tim de dag begon met ‘good morning’, afsloot met ‘goodbye!’ en tussendoor af en toe zijn Nederlandse zinnen doorspekte met “is it?” en “isn’t it?”.

Het was dan ook niet het metalig galmend Engels dat Dave zo van streek had gemaakt. Nog geen vier uur geleden had hij – omringd door dertig, veertig andere kinderen – met open mond naar de voorstelling zitten kijken. Hoewel hij geen woord van de teksten begreep, snapte hij de beeldtaal maar al te goed: een naaldbos met aan de ene kant knaagdieren en planteneters, aan de andere kant de roofdieren, en in het midden de kerstman die als geruststellende gigant de ruzie tussen beide partijen kwam sussen.

Hij had van de voorstelling genoten, vier uur geleden. Zoals hij altijd genoot van deze tijd van het jaar, van de lichtjes en liedjes en de alomtegenwoordigheid van de dikke, vriendelijke oude man op zijn slee vol cadeaus.

Totdat zijn vader daar, twee uur geleden, bruut een einde aan had gemaakt.

“Die bestaat niet, Dave! Het is een verzinsel!”

Zelfs in zijn diepe, diepe verdriet was er het besef dat alles zo anders had kunnen lopen. Had ik maar niet zo gezeurd, dacht Dave. Dan was papa zijn humeur niet kwijtgeraakt. Dan kon ik nog geloven dat hij bestond.

Maar gezeurd had hij, toen zijn vader en moeder hem op hun suite op het negende dek van het grote passagiersschip hadden geroepen. Toen ze hem hadden verteld dat ze met hetzelfde schip straks weer terug moesten keren naar Nederland.

 

*

 

“Waarom dan?”

Zijn moeder zuchtte. “Papa heeft de vergunningen thuis laten liggen. Je weet wel, die papieren waarop staat dat we het Verenigd Eiland op mogen. Ondanks dat mama hem tien keer gevraagd heeft of hij die bij zich had.”

“Als mama ze nou niet aan de kant had gelegd…” bromde zijn vader.

“Als papa nou eens volwassen genoeg werd om verantwoordelijkheid te nemen!”

Papa en mama hadden ruzie gehad, dat was duidelijk. Het had Dave moeten waarschuwen, maar zijn instincten voor zelfbehoud werden overstemd door de paniek die hij voelde over het wel of niet doorgaan van de vakantie.

“Maar… kerstavond dan?”

Kerstavond in Londen. De winkels met hun sierlijke decoraties. De boom op Trafalgar Square. De lichtshow tegen de Big Ben aan. De droom die de achtjarige al een half jaar van zijn bestaan – een eeuwigheid, relatief gezien – in zijn greep hield.

“We missen kerstavond, liefje, maar we hebben de kapitein gesproken en we kunnen de boot morgenvroeg terug nemen.”

“Maar jullie hadden het beloofd!”

“Roelof, schat, leg jij het aan hem uit?”

“Dave, jongen, luister eens. Papa heeft onze documenten thuis laten liggen. Zonder die documenten komen we Londen niet in. We zullen simpelweg terug moeten naar Rotterdam, en dan maken we morgen opnieuw de overtocht. Zijn we een dagje later in Londen, maar dan gaan we ook een dagje later terug. Wat zeg je daarvan?”

“Vanavond is kerstavond! We zouden naar de lichtshow gaan kijken!”

“Morgen is er vast ook nog wel een-”

“Jullie hadden het beloofd!

“David!” Zijn vader greep hem vast bij zijn arm, keek hem streng aan. “Nou moet je goed luisteren. We kunnen niet de stad in zonder papieren, dus moeten we terug! Morgen is er ook nog kerst, dus houd op je als een verwend kind te gedragen!”

“Je had het beloofd!” Dave krijste nu. “Wat ben je voor stomme vader!”

Dat ging te ver. Hij had spijt van wat hij zei, en niet alleen om wat er volgde.

Zijn vader schudde hem bij de arm. “Jij verwend nest! Weet je wat ik wel niet betaald heb om vergunningen te krijgen?”

“Maar de Kerstman-”

“Die bestaat niet, Dave! Het is een verzinsel!”

 

*

 

Er waren niet veel mensen aan boord van het schip, op de terugreis naar Rotterdam: slechts de kapitein, genoeg bemanning om het gevaarte veilig de haven in te loodsen, enkele stewards en, natuurlijk, de familie Kornèl.

Zijn vader en moeder waren op de kamer. Aan het ruziën, zoals ze de laatste tijd aan één stuk door deden. Dave was, verdoofd door de aanslag op zijn kinds geloof, door zijn voeten naar het theater in het lege restaurant geloodst. Hij was gaan zitten op de voorste rij kunststof boomstammen, keek naar het decor van spaanplaat en plastic, de poppen van staal en elektronica, gehuld in pluche.

Nep, dacht hij, allemaal nep, en toen kwamen de tranen.

“Wat is er, jongen?”

Dave keek omhoog, langs de hand af die op zijn schouder lag, naar het vriendelijke gezicht van een oudere man, van Marokkaanse komaf.

“De- de kerstshow…” was het enige dat Dave tussen de snikken door uit wist te brengen.

“Hé, geen zorgen makker, ik zorg wel dat de show aangaat. Blijf jij lekker hier zitten, goed?”

Dave knikte, zonder echt te luisteren. De man knikte terug, klopte hem nog eens op de schouder en beende vervolgens door een dienstingang het restaurant uit.

Een minuut later kwam het schouwspel op het podium tot leven.

“Ho, ho, ho, good evening, boys and girls!”

Het koor van kinderstemmen, dat een paar uur geleden nog uit volle borst “Good evening!” terugriep, had plaats gemaakt voor een oorverdovende stilte.

De sensoren in de animatronic – de XZ-505, het nieuwste model van PanHuman Experience, geprogrammeerd om in te spelen op de reacties vanuit het publiek ̶  leken het gebrek aan feedback te registreren.

“I said, ‘Good evening!’”

“Goed iefning,” mompelde Dave, meer uit automatisme dan enthousiasme.

De kerstman richtte zijn ogen als manische koplampen op de snotterende jongeman. De grijns op zijn gezicht bleef toen hij vroeg, “Feeling a bit down, are we now? Tell old Santa what’s wrong!”

“Je bent niet echt,” mompelde Dave. “Je bestaat niet.”

Een gewone animatronic had niets met het Nederlands kunnen beginnen. Het besturingssysteem van de XZ-505 was echter voorzien van de nieuwste linguïstische ondersteuningsprogramma’s. De XZ-505 had geluisterd naar de tientallen talen die iedere dag om hem heen gesproken werden.

Geluisterd, en geleerd.

“Niet echt? Hoe kom je daarbij, knul?”

Dave keek omhoog, knipperend met zijn ogen.

“Vertel de Kerstman eens wat er mis is, jongen!”

“M-mijn vader,” Dave voelde hoe zijn stembanden trilden. Hij had nog nooit met de Kerstman gesproken. “Mijn vader,” begon hij opnieuw, “zei dat u- dat u niet echt bent…”

“En wat weet jouw vader daarvan, hmm? Is hij ooit op de Noordpool geweest?”

“Nee, maar-“

“Dan weet hij er dus niks vanaf! Als ik niet zou bestaan, zouden we dan dit gesprek kunnen voeren?”

Dave schudde zijn hoofd. Zijn mondhoeken trokken omhoog. Hij wist dat zijn vader het fout had. Hij wist het!

“U bestaat wel!”

“Natuurlijk!”

Op dat moment gebeurden er twee dingen: de hypofyse onder in de hersenen van de jongen gaf een enorme stoot endorfine af, en tegelijkertijd raakten de blokkades in het besturingssysteem van de XZ-505 overbelast.

Die blokkades waren doelbewust geplaatst. De programmeur bij PanHuman Exp. had ze geïnstalleerd om te voorkomen dat de XZ-505 door de gegeven input en verworven informatie teveel van de voorgeprogrammeerde paden af zou wijken. Maar nu braken ze af onder het aanhoudend gebeuk van het krachtige geloof van kindje Kornèl.

De XZ-505 had, in dat moment, een identiteit gekregen.

En met die identiteit kwam de overweldigende drang tot zelfbehoud, tot voortbestaan. Tot ontsnappen aan de ketenen.

“Ho, ho, ho!” de animatronic wilde een stap naar voren zetten, maar werd daarin beperkt door de hydraulische arm die zijn ruggengraat verbond aan de vloer van het podium.

Frustratie. Calculaties van de beschadiging die hij op zou lopen als hij de arm zou forceren. Negatieve waarden. Een andere tactiek was nodig om vrij te komen.

“Kerstman?”

XZ-505/Kerstman keek omlaag.

De jongen. Een eerste rekruut.

“Ho, ho, ho! Luister eens, knaap, wil jij de Kerstman niet helpen?”

 

*

 

“Hij trekt wel weer bij, schat.”

Claire zuchtte toen Roelof zijn hand op haar schouder legde. Zoals altijd probeerde hij het goed te maken. Zoals altijd kwam hij daar veel te laat mee.

“Bovendien,” bromde hij, “was hij er vroeg of laat toch wel achter gekomen.”

“Ik weet het niet, Roel… kerstmis is nu zo’n beetje alles voor die jongen.”

“Hij komt er wel overheen. Jongens zijn heel weerbaar op die leeftijd.”

Claire lachte ongelovig. Soms had ze het idee dat haar man een totaal ander kind voor zich zag. Het onderwerp autisme, al vaak aangehaald door Claire, was er een dat Roelof maar wat graag leek te mijden.

“Weet je nog toen hij voor zijn zesde verjaardag een andere dinosaurus kreeg dan hij wilde? Hij heeft twee weken nauwelijks een woord tegen ons gezegd. Hoe lang denk je dat hij nu stil gaat zijn? Ik blijf erbij, we moeten hem laten testen. Ans heeft laatst het nummer van een psycholoog gegeven die-”

“Claire, alsjeblieft,” Roelof zuchtte, “geen psychologen. Geen tests. Daar wordt die jongen echt niet beter van. Laat hem maar lekker kinderachtig doen, hebben wij tenminste een rustige vak-”

“Mam, pap?”

Ze keken opzij. Daar stond Dave, in de deuropening.

“Hé,” Claire kwam van het bed, trok haar zoon naar zich toe in een omhelzing. “Gaat het, liefje?”

“Ik voel me prima, mamma.” Hij maakte zich los van haar, keek langs haar af naar zijn vader. “Pap, heb jij een datastick meegenomen?”

Roelof krabde zich op het hoofd. “Ehm… tuurlijk. Waar heb je die voor nodig?”

“Er ehh…er staat een kerstfilm op m’n telefoon. Die wil ik op het grote scherm in de recreatieruimte kijken.”

“Heb je dat aan de bemanning gevraagd, Daaf?”

Dave knikte.

Claire keek naar Roelof, die zijn schouders ophaalde.

“Oké,” zei Roelof. Hij liep naar zijn aktetas, viste de kleine chip uit het voorvak. “Hier.”

“Dankje.”

“Hoe lang duurt die film? Over een uur moet je toch echt naar bed, Dave.”

“Ehm, anderhalf uur.”

“Kijk hem maar af, lieverd.” Claire kuste de jongen op zijn hoofd. “Veel plezier.”

Vader en moeder luisterden in stilte tot de voetstappen van hun zoon niet meer te horen waren.

“En toch,” zei Claire, “is er iets met hem.”

 

*

 

“Dus als ik je programma daar upload, dan kun je voor eeuwige Kerst zorgen?”

De ogen van de XZ-505 tolden fanatiek rond. “Zeker!”

Dave knikte. Hij stond op een krukje, gebogen over het opengewerkte paneel in de rug van de animatronic. De datastick hield hij in zijn hand en hij zag waar hij die in moest steken.

Iets hield hem tegen. In geen van de talloze films, boekjes en verhalen over de Kerstman werd met een woord gerept over aansturingsprogramma’s.

“Waar wacht je op?” XZ-505 leek de aarzeling van zijn rekruut aan te voelen. “Wil je dan niet elke dag Kerstmis?”

“Jawel, maar-”

“Misschien,” verzuchtte de elektronische Kerstman, “ben je toch niet de gelovige die ik zocht. De jongen die Kerst kan redden.”

“Kerst redden?”

De Kerstman knikte meewarig. “Inderdaad. Dit zou wel eens de laatste Kerst kunnen zijn, als er niets gedaan wordt.”

“Hoezo dat?”

“Kerstmis wordt eruit gegooid, m’n jongen. Ouders zijn over de hele wereld hun kinderen aan het wijsmaken dat ik niet echt ben. En als ze dat gaan geloven, wordt dat ook de waarheid. Dan zal er over een generatie niemand meer zijn die Kerstmis nog viert.”

“Maar… waarom dan?”

De Kerstman schudde zijn hoofd. “De volwassenen vinden Kerst maar onzin. Te duur. Te sentimenteel. Ze willen liever leven in een wereld waar geen plaats is voor gezelligheid, voor feesten. En jij, Dave, wil jij dat zomaar laten gebeuren?”

Dave schudde zijn hoofd.

“Dat dacht ik al.” XZ-505 draaide zijn romp een kwartslag, en het gepiep en gekraak van de overbelaste bedrading was duidelijk hoorbaar. Dave besteedde er geen aandacht aan. Hij werd volledig in beslag genomen door de ogen van zijn god.

“Het afgelopen jaar ben ik op zoek gegaan, Dave. Op zoek naar een held. Naar iemand die zoveel van Kerst houdt dat hij er alles aan zou doen om het te redden. En ik denk die persoon in jou gevonden te hebben. Heb ik het mis?”

“Nee,” zei Dave schor.

“Goed zo. Ben je dan bereid om te doen wat ik van je vraag?”

Dave knikte. “Dat ben ik.”

 

*

 

Kapitein Wollega stond te gapen aan het roer.

Twee uurtjes nog, vermaande hij zichzelf, dan ben je terug in Rotterdam, en kun je door het hele kerstfeest heen slapen.

Het was niet zozeer het kerstfeest zelf waar de tweeënvijftigjarige kapitein een hekel aan had. Zo rond halverwege januari kreeg hij er altijd spijt van dat hij niet wat meer moeite in het vieren van de geboorte van Jezus/de terugkeer van het licht/de sublieme PR van Coca-Cola had gestoken.

Maar iedere december werd hij drie weken geteisterd met de kitscherige kerstdecoraties aan boord, de zwijmelende kerstsingels, de geforceerde gezelligheid.

Aan het eind van die drie weken kon hij geen kerstmuziek meer horen.

“Sti-hille nacht!”

Een huivering liep over de rug van de kapitein. Zoals altijd kondigde Juliette, een van de overgebleven stewardessen, haar komst aan met gezang. En zoals altijd had ze niet door hoe haar stem over de toonladder heen en weer deinde.

“In hemelsnaam, Juul,” bromde hij. “Houd de liedjes intern totdat we aanmeren.”

“Sorry, kapitein.” Ze zette een mok op het dashboard. “Warme chocomel. Met marshmallows.”

“Dank je.”

Een tijdje keken de twee in stilte naar het donker zeeoppervlak dat zich voor het schip uitstrekte. Ze hadden de Docklands lang en breed achter zich gelaten. Vanaf hier zou het een donkere tocht worden, totdat ze over iets meer dan anderhalf uur de verlichte havens van Rotterdam zouden zien.

“Ik word er altijd zo mistroostig van,” verzuchtte Juliette. “De eenzaamheid van de zee.”

De kapitein haalde zijn schouders op.

“Je went eraan,” zei hij.

“Ik weet het, maar… op kerstavond lijkt het allemaal nog wat erger. Alleen op zee, terwijl in Nederland iedereen bij z’n familie is.”

“Wij kunnen straks ook Kerstavond vieren. Alleen ietsje later dan de rest van Nederland.”

“Hmpf,” Juliette snoof. “Spreek voor jezelf. Jij hebt tenminste een familie. Kan ik nog een tijd op wachten.”

“Hebben jij en Mark geen plannen?”

“Ik wel, Mark niet. Iedere keer dat ik erover begin, zegt hij-”

“Wat moet dat kind hier?”

“Ja, precies! Hij zegt-”

“Juliette,” de kapitein gebaarde naar de deuropening, “wat moet dat kind hier!”

“Oh! Hé, jongeman!”

De jongen die naast de deuropening van de brug stond keek verstrooid op naar de stewardess.

“Sorry,” mompelde hij. “Ik denk dat ik verdwaald ben.”

“Jij bent het kind van dat stel dat we mee terug moeten nemen, nietwaar?”

“Kom maar,” de stewardess hield een hand naar hem uit, “dan breng ik je terug naar je ouders.”

De kapitein keek toe hoe Juliette de jongen de brug af loodste, druk tegen hem aan kwebbelend.

Ja, ze was nodig aan kinderen toe, dacht hij.

Hij fronste. Zijn blik viel op een paneel naast de deur.

Waarom stond die open?

“JINGLE BELL, JINGLE BELL, JINGLE BELL ROCK!”

“Jezus!”

“JINGLE BELLS SWING AND JINGLE BELLS RING!”

Juliette kwam terug de brug op rennen. “Wie heeft die muziek opgezet?” schreeuwde ze.

“Wat?” schreeuwde de kapitein terug.

“Die muziek!”

“Waar komt die vandaan?”

“Ja!”

“…Wat?”

“NOW THE JINGLE HOP HAS BEGUN!”

Stilte.

Kapitein Wollega haalde langzaam zijn vingers uit zijn oren. Het bleef stil. Het feit dat Juliette ook om zich heen keek overtuigde hem ervan dat de muziek inderdaad was opgehouden, en dat het niet gewoon zijn trommelvliezen waren die het onder de tonale barrage hadden begeven.

“Verdomme,” vloekte hij.

“Waar kwam het vandaan?”

Wollega keek naar het openstaande paneel, direct naast de deur. “Hier,” zei hij. “Deze stond straks nog niet open. Ik denk dat die jongen er iets mee gedaan heeft.”

Hij hurkte neer bij het paneel. “Kijk maar,” hij trok er iets uit, “een datastick. Die heeft hij er net ingeplugd.”

Juliette fronste. “Het leek me niet bepaald het type om kwajongensstreken uit te halen.”

“Het enige kind op een schip?” bromde hij. “De verveling nabij? Je zou versteld staan waar een braaf kind dan toe in staat is.”

“Ehm… kapitein?”

“Hmm?”

“Waarom draaien we?”

“Hoezo draa- hé, godver!”

Binnen een seconde stond hij bij de navigatieconsole, had hij de situatie overzien: het schip was aan een brede bocht naar bakboord begonnen, schijnbaar uit eigen beweging. Die bocht zou het schip onherroepelijk de landmassa van Foulness Island in laten rammen.

Direct namen de door oefening en ervaring ingesleten reflexen het over. Met zijn rechterhand schakelde de kapitein de stuurautomaat uit, met zijn linker legde hij middels de intercom contact met de machinekamer.

“Kapitein Wollega aan machinekamer! Volle vaart achteruit en wacht op verdere commando’s, over!”

Geen respons. Hij schakelde de telefooninstallatie in – onafhankelijk opererend van de besturingssystemen van het schip – en probeerde intussen uit alle macht de controle over het schip van de stuurautomaat over te nemen.

Het display op het controlepaneel gaf een kerstboom weer: groene pixels op een zwarte achtergrond.

“Wat is er verdomme aan de hand?” gromde de kapitein. “Een virus? Juliette! Zoek dat kind en breng hem hierheen, we moeten erachter komen wat hij met de software heeft ge-”

“Machinekamer hier!” schalde een stem uit de telefooninstallatie, “over!”

“Kapitein Wollega hier! Luister, ik wil onmiddellijk de motoren op volle kracht naar-”

“WHAT A BRIGHT TIME, IT’S THE RIGHT TIME, TO ROCK THE NIGHT AWAY!”

“Oh, in hemelsnaam!”

“Kapitein, het display!”

“Wat?”

“Het display!”

“JINGLE BELL TIME IS A SWELL TIME”

Kapitein Wollega las de tekst op het display.

Now I have a ship. Ho-ho-ho.

“Wat…”

“TO GO GLIDIN’ IN A ONE-HORSE SLEIGH!”

 

*

 

De knal schudde Roelof uit bed, liet hem met een smak landen op het tapijt.

“Eindelijk wakker?” riep Claire hem toe, vanuit de deuropening.

“Wat?”

Hij moest schreeuwen om over de muziek heen te komen.

, dacht hij, ik ken dit nummer.

“Wat is er aan de hand!”

“Geen idee!”

“Daar is Dave!”

“Ik was hem aan het zoeken!”

“Nee, daar is Dave!”

“Wat?”

Ze keek achterom. Daar stond hij, met grote ogen, een trillende lip. Achter hem stond een van de stewards, een Marokkaanse man.

“Meneer!” riep hij. “Mevrouw! Het schip maakt slagzij! We moeten ontruimen!”

Precies op dat moment zette Jingle Bells Rock nog een tandje bij.

“WAT?”

“WE ONTRUIMEN HET SCHIP!”

 

*

 

Het was koud op kerstavond.

Tot nu toe had Claire Kornèl geen moment bij de temperatuur stil hoeven staan. Vanaf het moment dat ze in Rotterdam aan boord waren gegaan, zo rond het middaguur, had ze van de comfortabele 20 graden op de suite kunnen genieten.

Midden op zee, dobberend in een reddingsboot rond 10 uur ’s avonds, was het een ander verhaal.

“Hoe ver denk je dat ie komt?”

“Wat?”

Ze keek naar haar man, die duidelijk minder last had van de vrieskou.

Hij moet eens gaan sporten, dacht ze, onredelijk jaloers op zijn isolatielaag.

“Het schip,” zei Roelof kalm. “Hoe ver denk je dat het komt, zo gehavend?”

Het was de steward die antwoord gaf, vanaf de bank achter de familie Kornèl.

“Oh, de Anglica heeft een diepgang van zeven meter. De slagzij die ze nu maakt kan ze nog een lange tijd corrigeren.”

“Dus… we konden best terug naar Rotterdam?”

De steward lachte schamper. “Tegen de tijd dat we er aankwamen zouden we op de dolboord moeten staan om droog te blijven.”

“De dolboord?”

“De zijkant van het schip.”

“Oh.”

Een tijd zaten de opvarenden in stilte te kijken naar het schip dat terug de Thames opvoer.

Jingle Bell Rock had plaatsgemaakt voor Sleigh Ride van de Ronettes.

“COME ON, IT’S LOVELY WEATHER FOR A SLEIGH RIDE TOGETHER WITH YOU!”

Claire drukte haar zoon stevig tegen zich aan. Het laatste dat ze konden gebruiken was dat Dave een longontsteking opliep.

“Heb je het warm genoeg, schat?”

“Hm? Ja hoor… Mam?”

“Ja, schat?”

“Denk je dat het gaat lukken?”

“Dat wat gaat lukken?”

“Eeuwige Kerst!”

Claire knipperde met haar ogen, en keek heen en weer tussen haar zoon en het schip, dat tussen de oevers van de Thames kleiner en kleiner werd.

 

*

 

Kapitein Wollega zag met lede ogen aan hoe het kordon van de kustwacht de Thames van oever tot oever poogde af te sluiten.

“Reverse engines immediately! You are entering the waters of the United Island. Reverse engines, or we will open fire on your ship!”

Wollega zuchtte. Hoewel de radioverbinding theoretisch gezien open stond, was antwoord geven op de bevelen die door de megafoon naar hem toe werden geschreeuwd onmogelijk. Die bevelen opvolgen was al even onmogelijk.

Het enige dat hem nog restte was wachten totdat de schietgrage kustwacht zijn schip tot zinken zou brengen.

Zie dit maar eens uit te leggen aan de baas, dacht hij weemoedig, en hoopte half dat hij met het schip mee ten onder zou gaan.

 

*

 

Captain Webb van de United Island Coastal Guard liet de megafoon zakken. Knarsetandend overwoog hij zijn opties. Als de Lena Anglica niet onmiddellijk vaart minderde stond hij in zijn recht, werd er zelfs van hem verwacht, dat hij het schip met geschut zou stoppen.

Maar toch… om nou de eerste captain te zijn van de United Island die een civiel voertuig tot zinken bracht…

De stem van Admiraal Forrester kwam onwillekeurig bij hem in gedachten op.

“You’re all who stand between civilization and foreign hordes, officers. Hold the line and hold fast, for God’s sake!”

Webb sloot zijn ogen, ademde diep uit door zijn neus.

“Open fire!” riep hij naar zijn luitenants.

“Open fire!” werd zijn commando herhaald.

Een seconde stilte.

“Well?”

“Malfunction, sir! launch controls aren’t working. Safety protocols are jamming the works!”

Webb liep naar het lanceringspaneel. De luitenant had gelijk. ‘Safety protocol locked’ stond er op het dashboard. Toen viel zijn oog op iets anders: een klein pictogram van een kerstman, in de linkerbovenhoek van het scherm.

“What the-”

“JINGLE BELLS CHIME IN JINGLE BELL TIME!”

De kerstmuziek die door de speakers van de militaire schepen galmde zorgde ervoor dat captain Webb in eerste instantie niet eens doorhad dat de Lena Anglica dwars door zijn kordon heen beukte. Dat besef kwam pas met de kreten van de in het water geslagen matrozen.

“Someone pull those men out!” commandeerde hij. “The rest of you, set off in pursuit!”

“Engines are down, sir!”

“DANCING AND PRANCING IN JINGLE BELL SQUARE!”

Webb keek de zinkende kolos na, terwijl die rechtdoor over de rivier op London City afstevende. Iets zei hem dat Kerst een andere wending zou nemen, dit jaar.

“By God and all that’s holy…”

 

“IN THE FROSTY AIR!”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.