De Grijns van de Geit – Tais Teng

0
80

Tijdens de Horror Themaweek van FantasyWereld vroegen we een van Nederlands’ horrormeesters of we van hem een kort verhaal mochten publiceren: Tais Teng. Hij introduceert zijn lezers al op vroege leeftijd met het griezelgenre, vroeger als lid van het Griezelgenootschap, nu met het uitbrengen van bundels als De Ondierentuin en de Griezelklas omnibus. Maar ook volwassenen jaagt hij de stuipen op het lijf met zijn verhalen. In de Halloween verhalenbundel van Luitingh schreef hij ook een verhaal.

We mochten van hem De Grijns van de Geit te publiceren, een verhaal dat hij destijds voor het Griezelgenoot schreef. Over het verhaal schreef hij: Als kind zocht ik altijd fossielen langs de Haagse kust, vooral na een storm. Ze waren van een mooie zwarte steensoort die van de golfbrekers afgekalfd was en ik weet nog dat ze iets heel magisch voor mij hadden. Alsof het eigenlijk amuletten waren, en voor mij representeren deze zelden onschuldig of witte magie. De hoofdpersoon in het verhaal krijgt ook te maken met een bijzondere steen…

 

De grijns van de geit
door Tais Teng

 

Die zaterdagnacht wakkert de storm aan tot windkracht elf. Uit haar bed hoort Carmen de storm in de schoorstenen loeien.

Om een uur of twee slaat ze haar dekens terug en sluipt naar het raam. Slapen lukt toch niet meer.

Wolkenflarden zwieren door de hemel. In het zilverige maanlicht lijken hun rafelende randen te vonken. Alsof iemand ze met bliksems in de nachthemel geschetst heeft.

Wow! Ze drukt haar handpalmen tegen het ijskoude glas. Bij elke windstoot voelt ze het raam opbollen. Dit is een van de betere nachten, denkt Carmen opgetogen. Het lijkt wel een griezelfilm!

Zo’n zestig meter verder dreunen de golven tegen de boulevard en spatten in grijze fonteinen omhoog. Over de keien schuiven banken lillend schuim.

Carmen kent dit soort stormen.

De golven woelen de zee tot de bodem op. Morgen ligt het strand vast bomvol kwallen en zeewier. Kwallen en vreemdere zaken.

Ik zet de wekker, besluit ze. Kijken wat er allemaal aangespoeld is. Voor iemand anders opstaat.

 

Bij eerste biep mept Carmen haar elektrische wekker uit. Buiten het raam is de lucht strakblauw. De storm heeft de hemel schoongeveegd.

“Maar Jerry was een hele slimme muis,” klinkt het blikkerig uit Remco’s plastic cassetterecorder. Haar broertje van vijf is duidelijk al wakker.

Carmen glimlacht. Ik neem Remco mee. Hij is nog doller dan ik op rondwroeten in wrakhout. Later kunnen we altijd nog ontbijten: ik leg gewoon een briefje voor mijn ouders neer.

 

Zodra Carmen de strandtrap afloopt, ziet ze het al. Zeewier en wrakhout hopen zich een halve meter hoog op langs de vloedlijn. “Bingo!” fluistert ze.

Remco heeft een plastic vuilniszak meegenomen. Na een kwartier moet Remco hem al moeizaam door zand sleuren, zo vol zit hij.

Carmen voelt zich helemaal de grote zus: moet je dat poepie toch eens ijverig zien strandjutten! Allemaal waardeloze rotzooi natuurlijk, maar voor Remco zijn het kostbare schatten.

Zelf heeft ze alleen nog maar zo’n mooie bolle Italiaanse wijnfles opgeraapt. Plus een Barbiepop zonder benen. Misschien vindt ze de rest later nog?

“Moet je zien, Kar!” roept Remco. Hij duwt een grijze kiezel onder Carmens neus. “Deze steen heeft een gezicht!”

“Mooi hoor,” zegt Carmen. “En noem me geen Kar. Ik ben geen auto.” Het is een grapje dat ze elke dag wel een keer of vijf maakt en Remco moet er altijd om lachen.

“Nee, Kar, je moet echt kijken!”

Oké, als ik Remco daar een plezier mee doe. “Geef op, kerel.”

Ze laat de kiezel bijna uit haar vingers glippen.

De steen is onwaarschijnlijk koud, ijzig bijna. Razendsnel verspreidt de kilte zich. Haar vingers tintelen. Een poolwind lijkt dwars door haar hele lijf te waaien.

Het is een heerlijk gevoel.

De kracht van een ijsbeer, denkt ze. Van brekende ijsschotsen op een grijze, grijze zee.

Voor het eerst van haar leven kan ze helder denken. Alle spinnenwebben, alle zeurderige gedachten worden uit haar hoofd geblazen.

Ik moet die steen hebben!

“Wil je hem ruilen?” Ze vist haar portemonnee uit haar jaszak. “Ik geef je een euro, goed?”

“Een euro?” Remco bijt op zijn onderlip en schudt dan zijn hoofd. “Nee. Hij is vast veel meer waard. Ik wed dat het een diamant is!”

Broertjes! Voor een jochie van vijf is Remco akelig pienter. Ik had nooit moeten laten merken dat ik die steen wilde.

“Twee euro dan?”

Remco zet zijn handen in zijn zij. “Ik wil honderd euro.”

Carmen kent haar broertje. Als hij zich iets in zijn hoofd haalt, krijg je het er nooit meer uit.

“Anders moet ik mijn steen terug!”

– Doe geen moeite. Je kunt de steen toch gewoon houden? Jij bent veel groter dan Remco. Groter en sterker.

Het is net alsof iemand in haar oor fluistert. Een gonzende stem. Absoluut zeker van zichzelf.

Dat is waar. Ik hoef me niks van die stomme zeurpiet

aan te trekken. Ik ben zijn grote zus! Hij moet mij gehoorzamen.

Haar lippen plooien zich tot een eigenaardige grijns, die al haar tanden ontbloot. De grijns voelt een beetje onwennig maar eigenlijk wel lekker.

Ze steekt de steen in haar jaszak en trekt de rits met een ruk dicht. “Jammer dan. Je heb je kans gehad. Nu hou ik hem gewoon.”

“Het is mijn steen! Ik zeg het aan mama!”

De stem vertelt haar precies wat ze moet zeggen.

“Hah, dan zeg ik dat jij de benen van mijn Barbie hebt getrokken. Expres.”

Haar broertje staart haar ongelovig aan. “Welke Barbie?”

“Deze.” Ze houdt de aangespoelde Barbie op.

“Die heb je net gevonden. Hij hád helemaal geen benen!”

Weer flakkert die grijns over haar gezicht.

“Dat weet mama niet. Hij ziet er nog nieuw genoeg uit. Ik zeg gewoon dat ik hem gisteren gekocht hebt. En dat jij hem stuk maakte.”

“Je bent een liegbeest!” Remco weet al dat hij verloren heeft. Een Barbie mollen is erger dan een steen jatten.

– Hij kan je niks maken, fluistert de zoemerige stem. Jij spreekt altijd de waarheid tegen je ouders en dat kun je van Remco niet zeggen.

Het is de steen. Haar magische steen, die tot haar spreekt en haar wijze raad geeft.

 

Onderweg blijft Carmen geluidloos tegen de steen praten. Ze weet dat het niet echt is, een fantasiestem. Nou en? Als kleuter sprak ze ook al tegen haar poppen en die leken ook antwoord te geven. Bovendien helpt het haar om haar gedachten helder te krijgen. Om die heerlijke kilte vast te houden.

– Jij en ik, zoemt de steen, wij horen bij elkaar.

Als een pistool bij een kogel. Als een galg bij een touw.

Remco ploft aan haar voeten in het zand neer.

“Kwil naar huis,” jengelt hij. “Ik haat dit stomme strand. Jij pikt toch alles af wat ik vind!”

– Allemachtig, wat een vervelende klier! Leuk hoor, papa en mama liggen in hun bed te ronken en ik kan een beetje voor onbetaalde oppas spelen!

Carmen weet niet meer of het haar eigen gedachten of die van de steen zijn. Niet dat het er iets toe doet. De stem van de steen is fantasie: dit zijn haar eigen gedachten.

“Goed. Best, we gaan terug, zeurpiet. Maar dit is wel de laatste keer dat ik je meeneem!”

Haar vingers krommen zich onwillekeurig. Ineens ziet ze het kristalhelder voor zich. Haar handen om zijn nek.

– Ja, grijp hem bij dat schriele kippennekje van hem. Schudt hem door elkaar. Knijp tot…

Ze deinst terug voor de gedachte.

Remco is mijn broertje! Ik ben dol op hem!

Het beeld verdwijnt als een wegsnellende wolkenschaduw.

– Dump hem. Een vrouw als jij verdient beter. Je ouders wilden toch zo nodig nog een kind? Jij hebt toch nooit om een broertje gevraagd?

Carmen knikt. Ja, dat is waar. Als baby lag Remco vaak nachtenlang te brullen in zijn wiegje. Een echte huilbaby. En soms hoorden sliepen mijn ouders zo diep dat ze niks hoorden. Kon ik mooi uit mijn warme bed kruipen om dat kreng te verschonen.

 

Haar ouders slapen nog als ze de trap opsluipt. Natuurlijk slapen ze nog. Het is zaterdag en dan worden ze zelden voor tienen wakker.

“Jij gaat naar je kamer!” sist ze tegen Remco. “En daar blijf je! Ik wil geen kik van je horen, ja?”

“Goed, Carmen. Ik ga meteen!”

Remco noemt haar nooit Carmen, altijd Kar. Ze ziet de angst in zijn ogen. Zijn stem trilde.

Mooi zo. Ik ben zijn grote zus. De hoogste tijd dat hij een beetje beleefdheid leert. Als je te aardig bent, lopen ze alleen maar over je heen.

 

Carmen draait de deur van haar kamer zorgvuldig achter zich dicht. Ze moet flink kracht zetten om de roestige sleutel om te draaien: gewoonlijk sluit ze haar kamer niet af.

Carmen ploft op haar bed neer en vist de steen uit haar jaszak.

Hij lijkt inderdaad vaag op een gezicht. Ogen, een opvallend forse neus, onderaan een mond.

Van het ene moment op het andere verandert de steen. Net als wanneer ze naar de vlekken op de geglazuurde wc-tegels staart: ineens ziet ze wat de steen werkelijk voorstelt. Geen mensengezicht: de kop van een geit.

Die twee richels bovenaan vormen de horens. Schuine, loerende ogen. De steen lijkt daar zelfs een beetje geel. De bek is vertrokken tot een honende grijns.

Nu ze langer kijkt, kan ze zijn tanden ook onderscheiden. Krachtige tanden, stevig als grafzerken. Geiten kunnen alles vermalen: karton en hout, plastic buizen.

– En de zielen der mensen.

Ja, die natuurlijk ook. Het zou bijna een hanger kunnen zijn. Zo’n magisch amulet. Tussen de horens zit trouwens een gat. Kon niet beter.

Carmen neemt een veter uit het plastic sokkenmandje.

De steen nestelt zich heerlijk koel tegen haar vel.

– Jij en ik. We horen bij elkaar. Als een beul en zijn bloedige bijl. Je bent nog jong. Voor je dertig bent, zal ik je keizerin van de wereld maken.

“Keizerin?” Carmen giechelt. Keizerin is zo’n raar ouderwets woord.

– President dan, dictator. Wat doet een titel ertoe? Niemand zal jou ooit vergeten. Over duizend jaar zullen kinderen nog huilen als hun moeder met jouw naam dreigt.”

“Eet je spinazie op of Carmen komt je halen?”

– Ja. Dat is echte roem.

 

“Remco is zo stil vandaag,” merkt haar moeder later die middag op. “Zou hij iets onder de leden hebben?”

Carmen weet de honende geitengrijns nog net op tijd van haar gezicht te vegen. Niemand mag nog vermoeden wie ze werkelijk is. Carmen de Eerste, de toekomstige keizerin van de wereld.

“Ik zou hem maar onder de dekens stoppen.”

 

Tegen de avond heeft Carmen een aantal zaken geregeld.

Ze krijgt vijf euro zakgeld per week meer.

“Want alle meisje in de klas krijgen zoveel.”

Carmen is zo’n aardig, eerlijk meisje: ze liegt nooit. Dus geloven haar ouders haar.

Wat ben ik stom geweest! denkt Carmen. Terwijl een leugentje toch zo eenvoudig is. Zo handig.

Van Remco heeft ze ook geen last meer. Ze heeft hem drie keer keihard tegen zijn arm gestompt en hij blijft verder angstvallig uit haar buurt. Wat wel zo rustig is.

Bovendien hoeft ze zondag niet mee naar de verjaardag van tante Jody. Ze heeft wel wat beters te doen dan opzitten en pootjes geven op zo’n stupide verjaardag.

Tante Jody doet zo lievig. Altijd lachen en leuke spelletjes voor de kinderen verzinnen. Vriendelijkheid is voor losers.

 

De volgende middag maakt ze een lange wandeling over het strand. Om ongestoord met haar steen te kunnen praten.

– Je moet klein beginnen. Ik zal je eerst maar eens tot het populairste meisje van de klas maken.

“Oh? Maar niemand heeft een hekel aan me. Ik heb vriendinnen zat.” Carmen lacht en spreidt haar armen. “Ik geloof dat ik dat al bijna ben! Het populairste meisje van de klas.”

Ze heeft het zich nooit eerder gerealiseerd. Ze wordt op alle partijtjes uitgenodigd. Zelfs bij Ronald toen en Ronald vindt alle andere meisjes domme giechels.

– Zijn ze bang voor je?

“Bang? Hoezo?”

– Aardig is niet genoeg. Ze moeten doodsbang voor je zijn. Je haten. Alleen dan heb je werkelijk macht over ze.

Carmens maag trekt samen. “Dan wil niemand met me spelen! Niemand nodigt me meer uit voor een feest…”

Ze weet waar ze over heeft. Lianne uit haar klas is zo’n vreselijke driftkop. De meeste kinderen zijn bang voor haar. Carmen eigenlijk ook. Ze proberen Lianne daarom altijd haar zin te geven. Lekker handig denk je misschien: alleen, Lianne fietst elke middag mooi wel in haar eentje naar huis…

De stem zwijgt even en dan hoort ze in snorkend gegniffel in hoofd.

– Dat zie je verkeerd, Carmen! Helemaal verkeerd. Geen leerling zal het wagen je níét uit te nodigen.

 

Die nacht droomt Carmen over een marmeren paleis: de torens steken tot in de wolken. Háár paleis.

Ze heeft een wei met honderd pony’s, waarop natuurlijk niemand anders mag rijden. Een schatkamer die tot het plafond volgestapeld ligt met gloednieuwe Barbies.

Als ze gaat winkelen, staan rijen schoolkinderen met vlaggetjes naar haar te zwaaien en gaat er een luid gejuich op. Aan haar zijde marcheren soldaten met kromzwaarden.

Soms ziet ze iemand die niet diep genoeg buigt.

“Grijp die kerel en hak zijn hoofd eraf!” beveelt ze dan. Wat de soldaten prompt doen.

Carmen ontwaakt met de geitengrijns op haar lippen.

Dus dat is macht! Iedereen gehoorzaamt je. Je hoeft maar naar iets te wijzen en het is al van jou.

Maar waarom was het zo ellendig koud in dat paleis? Alsof de muren uit ijs gemetseld waren. En bij alle barbies ontbraken de benen.

Gewoon een betere verwarming aan laten leggen, denkt ze soezerig, en nieuwe Barbies eisen.

 

De eerste twee uur in de klas zit Carmen op haar stoel te wriggelen. Wat is dit eigenlijk voor idiote onzin? Welke keizerin moet nu naar school gaan?

– Geduld. Bekijk Lianne eens en vertel me wat ze fout doet.

Carmen begluurt het meisje uit haar ooghoeken.  Lianne zit een beetje in elkaar gedoken. Met opgetrokken onderlip en gebalde visten. Spinnijdig op de hele wereld.

“Ze gaat niet ver genoeg. De andere kinderen zijn bang voor haar, maar niet bang genoeg.”

– Precies.

Carmen vouwt haar armen over elkaar.

“Zo’n fout zou ik nooit maken!”

– Maar Lianne valt te gebruiken. Zelfs een roofridder zegt geen nee tegen een prachtige, valse bloedhond.

 

In de pauze slentert Carmen naar de verste hoek van het schoolplein. Na twee, drie minuten voegen haar beste vriendinnen Kim en Sunya zich bij haar. Vlak in de buurt hangen nog een stuk of vier meisje rond.

“Hoi,” zegt Sunya.

“Heb je de storm gisteren gehoord?” vraagt Kim.

Ze willen allemaal met mij spelen. Ik bén hun keizerin al! Al wist ik dat zelf niet.

– Tijd om strenger op te treden. Die trutten denken dat ze je hofdames zijn. Maak slavinnen van ze.

De stem heeft gelijk. “Hoe?”

– Geheimen. Zorg dat ze iets verkeerds doen. Iets dat ze nooit aan hun ouders durven vertellen. Maar wat jij weet.”

Carmen likt over lippen. Een idee plopt omhoog, als een bel giftig moerasgas uit inktzwart water.

“Sunya,” zegt ze, “Kim, ik weet iets keigaafs.” Ze buigt naar voren tot hun hoofden vlak bij elkaar komen. “We beginnen een heksenkring,” fluistert ze. “Alleen voor serieuze heksen.”

“Vet,” zegt Sunya. Ze klinkt een beetje twijfelend.

Sunya mieter ik eruit, besluit Carmen. Maar pas later. Als ze niet meer terug kan en helemaal van mij is. “Heksen zijn altijd met hun dertienen en er zitten zeventien meisjes in onze klas. Alleen de besten mogen meedoen. De meisjes die bewezen hebben dat ze echte heksen zijn. Oké?”

“Hoe bewijzen we dat?” Mooi, Kim is al een beetje ongerust. Ze wil er dolgraag bij horen.

“Gewoon. Wetten gelden toch niet voor heksen? Elke heks moet iets duurs uit de speelgoedwinkel op het Ankerplein jatten. Een Barbie of zo. En die aan de opperheks geven.”

“Stelen?” zegt Sunya. “Maar, ik. Als mijn vader dat merkt…”

Carmen voelt de geitengrijns over haar lippen glippen. “Je hoeft ook niet. Lang niet ieder meisje is geschikt om een heks te worden.” Ze haalt haar schouders op. “Je hebt tot morgenochtend de tijd.”

 

De bel rinkelt om het einde van de pauze aan te geven.

“Steen?” fluistert ze. “Er willen al veertien  meedoen. Dat is twee teveel voor een heksenkring.”

– Kon niet beter. Laat ze maar om een plaatsje vechten.

 

Het laatste uur blijft de klas rumoerig. Tot twee keer toe fronst de juf haar wenkbrauwen.

“Dit is pas de eerste dag van de week,” moppert ze. “Dat gaat me nog wat worden.”

– Je hebt ze. Vergeet Lianne niet.

“Nee hoor. Daar weet ik een prima karweitje voor.”

 

Na school moet Carmen zich verdorie nog de leplazarus haasten ook! Als ze trap afloopt, scheurt Lianne al over het schoolplein weg. Carmen ramt haar sleuteltje in het slot en rukt haar fiets uit de klem. Pas op de Gruttersdijk haalt ze Lianne in.

“Lianne! Hé, Lianne. Rij je soms met me mee? Ik heb een hele kast vol Barbies.”

Lianne stopt meteen. “Spelen? Bij jou?”

Het klinkt helemaal niet als Lianne. Niet nijdig of achterdochtig. Stomverbaasd.

Heel even, een fractie van een seconde, laat de steen Liannes ziel aan Carmen zien. Liannes ziel is een angstig vogeltje, dat weggekropen zit in een nest van prikkeldraad. Een vogeltje van gesponnen glas. Eén tikje en het breekt in duizenden scherven.

– Ze is doodsbang voor jullie. Voor jullie allemaal. Het bangst nog van jou. Omdat je het populairste meisje bent.

“We kunnen ons verkleden,” vervolgt Carmen. “Als heksen.”

“Yes, yes, als, als…” Lianne struikelt over haar eigen woorden. “Als heksen. Goed idee!”

 

Tegen de avond, als ze Lianne uitzwaait, hebben er al vijf meisjes opgebeld dat ze iets uit de speelgoedwinkel gestolen hebben.

Geen van de vijf is betrapt. Jammer. Hoe meer moeite ze moeten doen, hoe trouwer ze haar uiteindelijk zullen zijn. Zoveel heeft ze wel van de steen opgestoken.

“Zie je morgen wel!” roept Carmen tegen Lianne. “En je weet wat we afgesproken hebben?”

“Ja hoor. Doei!”

 

Die nacht droomt Carmen opnieuw van haar paleis. Vreemd genoeg blijft het stervenskoud, hoewel de buizen van de nieuwe verwarming kersenrood opgloeien. En bij elke Barbie die ze uit de pas gebrachte dozen trekt, ontbreken de benen.

Wat doet het er toe? Ik heb mijn paleis, mijn ponies, mijn soldaten! Keizerinnen spelen niet met poppen.

– Klopt, gonst de steen, die ook in haar dromen om haar nek hangt. Mensen zullen je speelgoed zijn, keizerin Carmen. Je levende poppen.

Toch ontwaakt ze met een vaag gevoel van droefheid. Van verlies.

 

Na haar ontbijt gluurt ze door de kieren van de luxaflex. Prima, Lianne staat bij de lantaarnpaal. Ze stampt op de grond, blaast op haar handen. Waarschijnlijk wacht ze daar al een half uur.

“Ik stap maar eens op,” zegt ze tegen haar moeder. “Tot tussen de middag.”

“Ik zit tot half een vast op mijn werk,” zegt haar moeder. “Smeer jij een boterham van Remco? Ik hou hem vandaag nog even thuis. De buurvrouw zal zo nu en dan komen kijken en Remco heeft mijn nummer.”

“Ik wil naar school!” piept Remco en hij werpt een schichtige blik op zijn zus. “Ik ben heus beter!”

“Nee, jij ziet nog steeds een beetje bleekjes.”

 

Sunya ritst haar Pokemon-rugzakje open zodra Carmen haar fiets in het rek duwt. “Ik heb het, Carmen. Wat je vroeg.”

Carmen wappert met haar hand. “Geef maar aan Lianne. Zij is voortaan mijn hulpheks. Lianne kijkt of het wel duur genoeg is.”

Uit haar ooghoeken ziet ze dat de pop nog in de verpakking zit.

Lianne snuift, klakt met haar tong. Eigenlijk kan die meid prima toneelspelen.

“Sorry, Sunya, dit is geen Barbie, maar zo’n slome prinses van Frozen. Nog afgeprijsd ook.” Ze laat de pop op de vochtige tegels vallen. “De opperheks zei dat het minstens vijftig euro moest kosten.”

Sunya draait zich met een ruk naar Carmen. “Daar zei je niks van! Niet hoe duur het moest zijn…”

“Tja,” zegt Carmen. “Zo zijn de regels, zo is het spel. Misschien krijg je morgen een laatste kans? Als er nog een plaatsje vrij is?”

 

Als ze tussen de middag naar huis fietst, is Carmen meer dan tevreden. Acht nieuwe heksen: Lianne heeft drie gestolen Barbies afgekeurd en die meisjes zullen vandaag extra hun best doen. Lotte en Fatima, die gisteren niet mee wilden doen, hebben gezegd dat ze toch echt wel heksen willen worden, alsjeblieft, Carmen. Lotte begon zelfs te snotteren!

 

Thuis doet ze haar amulet voor het eerst af en legt het op haar nachtkastje om de steen nog eens goed te bekijken. De geitenkop is duidelijker dan ooit en ogen lijken nu echt te leven. Gele flikkeringen.

“Carmen?” Haar broertje staat in de deuropening.  “Mama zei dat je boterhammen voor mij ging maken.”

“Kloppen we tegenwoordig niet meer?” Wat klinkt haar stem prachtig ijzig. Net een keizerin.

“Er, er hoeft niets op…”

Remco houdt zijn handen op zijn rug ziet Carmen.

Dat stuk vreten heeft vast iets gestolen! Uit mijn kamer!

– Smijt hem van de trap af. Van de bovenste trede. Dat zal hem leren. Je kunt altijd tegen je moeder zeggen dat hij zelf struikelde en je niet eens in de buurt was. Kleine kinderen geven altijd anderen de schuld.

Ja, de steen heeft gelijk. Het wordt tijd, de hoogste tijd, dat Remco snapt wie hier de baas is. Een paar builen of desnoods een gebroken arm…

Ze stapt op hem af en de steen fluistert haar in wat ze moet zeggen. “Kom eens even hier, Remco. Ik moet eens ernstig met je praten.”

“Nee!” krijst Remco. Hij glipt onder haar graaiende handen door en ineens heeft hij vaders hamer in zijn handen. “Jij wil niet praten! Die rotsteen van je wil dat!”

De zware hamer smakt op het amulet neer en de splinters spatten door de kamer.

In het hart van de gebroken steen glanst iets gitzwarts: misschien een klauw, misschien een slagtand, maar het is ieder geval gruwelijk oud en eindeloos kwaadaardig.

In het zonlicht verkruimelt het tot grijze stof.

“Carmen?” zegt Remco. “Kar?”

Een ijskoude mist lijkt uit haar hoofd weg te trekken en ze slaat haar armen om haar broertje.

“Het is Kar, Remco.” Ze slikt het brok in haar keel weg. “Voor altijd en altijd Kar.”

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here