BoekenKorte verhalenVisita Interiora Terrae: de Gezant, de Tovenaar en de Declamator, een vertelling...

Visita Interiora Terrae: de Gezant, de Tovenaar en de Declamator, een vertelling van Koltan | Finn Audenaert en Daniel Frini

-

De Argentijnse schrijver Daniel Frini is geboren in Berrotarán, Córdoba in 1963 en woont sinds 1988 in San Martín, Buenos Aires. Hij werkt als ingenieur, maar is ook beeldend kunstenaar en schrijver. Hij publiceerde Poemas de Adriana, Manual de autoayuda para fantasmas, El Diluvio Universal y otros efectos especiales, Nueve hombres que murieron en Borneo en La vida sexual de las arañas pollito. Zijn werk werd meermaals bekroond in Argentinië en Spanje.

De Vlaamse auteur Finn Audenaert schrijft SF, fantasy, horror en magisch realisme. Een aantal verhalen werd gebundeld in Knipsels uit de Kosmoheraut (uitgeverij De Kremkoll). Hij schrijft ook autofictie onder het pseudoniem Marius Vahlkamp. Onder die naam bracht hij de episodische roman Geluk, dé handleiding uit (uitgeverij Poespa Producties). Daarnaast stelde Finn tot nu toe tien anthologieën samen, onder andere voor uitgeverij EdgeZero. Zijn recentste anthologieën zijn Tuin der raadselen en Onwereldse sprookjes (allebei bij EdgeZero).


Visita Interiora Terrae: de Gezant, de Tovenaar en de Declamator, een vertelling van Koltan
Finn Audenaert en Daniel Frini

‘Er is een plaats waar zilver wordt gewonnen, een plaats waar goud wordt gewassen.
IJzer wordt uit de aarde opgedolven en koper wordt uit erts gesmolten.
De mens verdrijft de duisternis, hij dringt door tot in het binnenste der aarde,
Tot aan de steen van diepst verborgen donkerte.
Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid,
Tot waar zijn voet geen steen meer vindt en hij verloren in de leegte hangt.
Op de aarde schiet het koren op, maar diep in haar woelt een vuur.
Daar zijn de stenen van saffier, daar is het stof van gouden korrels.
(…)
Maar de wijsheid, waar moet je haar zoeken, en het inzicht, waar is het te vinden?’
(Job 28)

‘Toen ik de Vernietiger der Werelden naar de duisternis verbande,
beval ik haar om geduldig te wachten. Haar moment moest nog komen.’
(Begin van de boodschap op de Plaat.)

Deze woorden hadden hun weg naar een vergeten plek gevonden … Koltan.

 

Marek stond met zijn gezin in de sneeuw. De bewakers kenden zijn naam niet meer; na vierentwintig harde jaren op Koltan kenden ze nog weinig namen. Vandaag noemden ze hem de Gezant. De handen van zijn vrouw en kinderen waren samengebonden. Rond hun enkels zaten klemmen. Niemand sprak; op Koltan was stilte een vorm van overleven.

Een bewaker duwde Mareks gezin dichterbij. Marek voelde hun adem tegen zijn huid. Zijn oudste dochter keek op, haar kin koppig geheven zoals altijd. ‘Papa…’ Meer kreeg ze niet gezegd. Een ruk aan de ketting trok haar woorden weg.

Hij knielde niet – dat mocht niet – maar boog zijn hoofd naar hen toe, net genoeg om hun voorhoofden te raken. De bewakers zagen dat gebaar doorgaans door de vingers. De jongste klemde zich aan zijn been vast. Nog even voelde hij de druk van die kleine handen, alsof ze zich wilden vastzetten in iets dat al begon te verdwijnen, tot een stok hem loswrikte.

‘De schacht wacht, Gezant,’ zei de Commandant. Zijn stem droeg ver, zelfs door de strakke wind heen.

Marek keek naar zijn vrouw en kinderen. Vier gezichten, getekend door honger en koude. Hij wilde iets zeggen, maar de taal ontglipte hem. ‘Na warmte komt Heerlijke Koude.’ Hij sprak de zin met veel moeite uit. Zijn stem klonk anders dan voorheen.

Zijn vrouw verstijfde.

De Tovenaar trad naar voren. Hij legde twee vingers tegen Mareks slaap en vermeed daarbij diens blik. Sinds de botsing ontweek hij andermans ogen.

Marek voelde de kille vingers van de Tovenaar. Een kort gebaar. De wereld kantelde. De sneeuw werd lichter.

‘Ga, Gezant,’ beval de Tovenaar.

Hij knikte. Zijn naam was hij vergeten. Bevelen kon hij nog volgen. Hij liep naar de schacht. Achter hem klonken kettingen, gesmoorde kreten en de wind.

Hij keek niet om.

 

Hoelang was hij al aan het graven? Alleen zijn taak herinnerde hij zich: het woelen. De nood om dieper te gaan in de mijn. Dichter bij de koelte.

Gezichten die hij kende, warm en lachend, gleden weg.

Zijn nagels waren allang verdwenen. Eerst had het korund zijn zicht weggebrand – lagen van rood en blauw, robijnen en saffieren – en daarna had hij zijn pikhouweel verloren. Nu stootte hij op veelkantige voorwerpen, niet groter dan een vuist, dicht tegen elkaar aan. Met bloedende vingers betastte hij hun gladde oppervlak tot er één ontplofte. De schokgolf trok door de diepte. Zijn lichaam werd zwaar. Hij viel in een halfslaap.

 

Zijn lichaam schrijnde bij het ontwaken. Gruis schuurde zijn gapende wonden. Hij slikte wat aarde weg. Had hij zich tijdens zijn sluimering een weg in de diepte gevreten? Vanuit zijn borst verspreidde zich een gloed over zijn lijf. Toen de warmte zijn neerwaartse armen bereikte, werd hij zich bewust van een leegte. Een spelonk. Beetje bij beetje wrikte hij zich los en viel. Hij kwam met een klap neer.

Opstaan lukte niet, daarvoor was de ruimte te laag. Het duizelde hem. Met wat nog restte van zijn handen veegde hij het bloed van zijn gelaat. De vingerstompjes die zijn huid betastten, brachten hem bij zinnen. Een stem in hem – vreemd vertrouwd maar niet de zijne – vertelde hem: ‘Bijna.’

Zijn maag en longen krompen samen. Hij boog voorover op de zanderige bodem. In een lange straal kotste hij aarde, steentjes en plantenwortels uit. Gruizig snot liep uit zijn neus. Hij moest vooruit, nu, hij moest het vinden en brengen – wat het ook was. Naar wie, wist hij evenmin. Maar die drang …

Hij kroop op zijn knieën verder. Voor het eerst bibberde hij; hij voelde tocht. ‘Na warmte komt Heerlijke Koude.’ Diezelfde stem was het. Daarheen moest hij. Er vormde zich een nevel van waterdamp, die druppels op zijn lichaam achterliet. De gang werd breder, hoger. Werd hij ergens naartoe geleid? Hoe verder hij kroop, hoe meer hij zijn rug rechtte. Ten slotte kon hij volledig rechtop staan. Rijp verspreidde zich langzaam over zijn gezicht.

Het vroor onderhand hard. Zijn diepe oogkassen vulden zich met kristallen. Een witte laag bedekte zijn blauwige lippen en verspreidde zich tot diep in zijn nek. Ze omgaf daarna zijn hele romp. Begerig reikte hij met zijn armen naar de bron van de koelte. IJspegels groeiden aan de stompjes van zijn handen. Met deze breekbare vingers omvatte hij voorzichtig de ijskoude bol die voor hem zweefde. De bol bromde laag.

Terwijl het geluid aanzwol, ondragelijk werd, voelde hij de dood over zich komen. Zijn rijpmasker scheurde krakend open en toonde een wanhopige grimas.

 

Ver boven hem, in de snijdende wind, waakte de uitgedunde bemanning rond het kampvuur.

De Tovenaar stond iets buiten de kring, licht wiegend. Zijn schouders waren ingeklapt, samengeperst door een onzichtbare last, en de ribben tekenden zich scherp onder zijn versleten mantel af. De stof hing los om zijn slungelige gestalte, gescheurd langs de mouwen en de zoom. Hij hield zijn handpalmen tegen zijn borst gedrukt, een poging om bijeen te houden wat al uit elkaar viel. ‘De Gezant is aangekomen. Heengegaan en verrezen,’ zei hij plechtig, nadat hij abrupt uit zijn trance ontwaakt was. Zijn stem klonk schor. Hij hoestte lang en spuugde op de grond. Het speeksel was donker, ook nu weer.

De vrouw en kinderen van de Gezant, gekleed in niets meer dan lompen, zaten tussen de Commandant en de Tovenaar op hun knieën, in de sneeuw, hun handen gebonden. Hun gezichten waren naar de mijn gericht, alsof er niets meer was om van weg te kijken. Het jongste kind hield zijn ogen dicht. De vrouw fluisterde een naam.

‘Zwijg!’ De Tovenaar wilde niet herinnerd worden aan wie de Gezant geweest was. De vrouw en kinderen hadden hun taak vervuld en deden er nauwelijks meer toe. Hij wist dat het een meedogenloze gedachte was.

De Commandant keek over het vuur heen naar de ingang van de schacht, zijn blik rusteloos. Zijn uniform was verbleekt rood, hij droeg de insignes van zijn rang op zijn borst en op zijn rechterschouder het missie-embleem, waarop stond: Visita Interiora Terrae Rectificando Invenies Occultum Lapidem. Zijn vingers trommelden tegen zijn zij, een gebaar dat de Tovenaar al voor hun landing ergerde.

Naast een graatmagere boordwerktuigkundige zat de Declamator bij het vuur. Zijn ogen waren melkachtig; zijn lippen waren tot bloedens toe gebarsten, maar bleven bewegen, ook als hij niet sprak. De Tovenaar had hem jarenlang gadegeslagen: de man bewaarde de Geschiedenis én ging er langzaam aan ten onder. Tot nog toe had de Declamator zonder knipperen in de vlammen gestaard. Nu begon hij met een stem, krakend van ouderdom, de Geschiedenis op te zeggen.

‘De Dis Pater,’ begon hij.

De Tovenaar sloot zijn ogen. Natuurlijk had de Declamator het over hun schip, uitgezonden naar het Khimaira-stelsel. En over de fout in kaart gebrachte planetoïdengordel. De noodlanding op deze onbewoonde planeet.

Na vierentwintig jaar kende de Tovenaar elke zin, elke hapering in de Geschiedenis. Hij kende ook het verwijt dat de eerwaarde niet uitsprak maar dat altijd aanwezig was, de woorden die de bemanning dacht: hoe hij tijdens de reis steeds vaker verzuimde om in trance te gaan, vooruit te kijken. Hij had de planetoïden te laat opgemerkt, de gepaste spreuk niet uitgesproken. De meeste bemanningsleden stierven.

De Tovenaar slikte iets weg. Hij had het moeten zien.

Iedereen keek naar het vuur, weg van de Tovenaar. Ze deden het meer uit gewoonte dan boosheid, wist hij. Deze planeet holde je gevoelens uit.

De wind rukte aan de haastig opgezette tenten. Ze stonden scheef, half ingegraven, als wilden ze zich verbergen. Het was jaren geleden dat de mannen nog bovengronds gekampeerd hadden.

De Declamator ging verder. Hij somde op wat iedereen al wist maar niemand wilde horen.

De Commandant keek hem met half dichtgeknepen ogen aan. ‘We zullen de Geschiedenis blijven gedenken, eerwaarde, zoals Het Geloof voorschrijft,’ zei hij toonloos.

De vlammen van het kampvuur schilderden grillige strepen op de huid van de Tovenaar. De wind slaagde er net niet in het vuur te doven. Het begon opnieuw te sneeuwen. De Tovenaar rilde. Deze planeet was genadeloos voorspelbaar. De hemel hing laag, zwaar van wolken.

Elke trance was een marteling. Bij het ontwaken wilde de Tovenaar het hun vertellen: de planetoïden die te vroeg opdoken, de spreuk die hij niet vond, de seconden die hij verspilde. Dat verlangen keerde altijd terug, nutteloos en hardnekkig. Ze wisten het. Ze hadden de botsing overleefd – of niet overleefd. Zijn spijt veranderde daar niets aan. Hij beet op zijn tanden en zweeg.

Dan, vlug, vroeg de Commandant: ‘Wat gebeurt er zo meteen?’ Er waren zes uren verstreken sinds de Gezant de schacht in gelopen was.

De Tovenaar eiste zijn plaats op en antwoordde voordat de Declamator dat kon. Dit ging niet over toen – het ging over nu. Zijn pupillen bewogen niet synchroon, alsof hij naar twee werkelijkheden tegelijk keek. ‘De Gezant is gewond, maar zal het halen. Hij begrijpt niets, daarvoor zorgde ik. Toch komt hij terug, voor hen.’ Hij wees naar het gezin. ‘Die drang sterft niet. En vooral, hij brengt mee wat we zoeken.’ De Tovenaar kreeg een verbeten trek om de mond. Hij zou zich nooit meer laten verrassen.

‘Heeft hij het gevonden?’ vroeg de Commandant. Zijn stem had voor de Tovenaar geen geheimen: beheerst aan de oppervlakte, beverig eronder. Zoals verwacht gleed de blik van de Commandant voortdurend van gezicht naar gezicht.

De Tovenaar snoof. Hij had de Commandant jaren geleden opgegeven als mens; wat overbleef was zijn functie. Hij aarzelde een fractie te lang voordat hij antwoordde. ‘De Gezant draagt in elk geval de bol. Zo zag ik het.’ Het was niet gelogen. Maar hij had het akelige gevoel dat de trance hem niet alles getoond had. Dat vermoeden verzweeg hij voor de Commandant.

De magere boordwerktuigkundige gooide een tak op het vuur en keek hoe de vonken opstegen en onmiddellijk verdwenen in de dwarrelende sneeuwvlokken. ‘Waarom moesten we ons verzamelen? Wat brengt de Gezant?’ Hij hield zijn hoofd schuin.

De Commandant keek streng naar hem. ‘Kijk me aan als je spreekt. Wees blij dat we jou niet de diepte in joegen.’

De Tovenaar wist dat het holle woorden waren, toch zweeg iedereen. Zelfs het vuur brandde zwakker.

‘Ik doe niet aan valse hoop,’ zei de Commandant ten slotte. Hij wierp een blik op de Tovenaar, die instemmend knikte maar tegelijk begreep dat hoop op dit eigenste moment geboren was.

De Declamator ging verder, nu zachter. Tussen de schachten hadden ze bochtige tunnels gevonden, vreemder dan de mijnen zelf. Ook een restant van een eerdere beschaving? Zijn gelaat kreeg een droeve trek. ‘Sommige waarheden laten zich niet zien, zelfs niet in een hogere staat van zijn.’

Alleen de Tovenaar hoorde wat hij prevelde.

Dan verhief de Declamator zijn stem: ‘De Heer laat niets aan het toeval over. In Zijn wijsheid heeft Hij ons naar de Vernietiger der Werelden gestuurd. Gesloten, het moet gesloten blijven …’ Zijn stem stierf weg. Hij begon hevig te schokken.

De Tovenaar fronste zijn wenkbrauwen. ‘Gesloten?’ Daarover had de Declamator het nooit gehad.

De mannen begonnen luid met elkaar te praten. ‘Mundorum Deletrix!’ ging het van mond tot mond. Was de Gezant daarom de schacht in gestuurd? Misschien klopte de boodschap op de grivandium Plaat die een eeuw geleden aan de andere kant van het heelal gevonden was …

De Tovenaar hoorde hun opgewonden gesprek aan en dacht aan de Mundorum Deletrix: een kracht die wormgaten kon openen. De bol was nooit gevonden.

‘Met de Mundorum Deletrix kunnen we naar huis!’ riep de boordwerktuigkundige. ‘Ik was er niet bij toen mijn dochter haar eerste stapjes zette of leerde lezen. Intussen is ze misschien getrouwd.’ De Tovenaar had hem nog nooit zo vrolijk gezien.

De mannen stonden op, lachten en omarmden elkaar. ‘Eerwaarde,’ vroeg een van hen, ‘wat doen we als we echt de Mun-’

De Tovenaar verstijfde en onderbrak de man. Hij kneep zijn handen samen. ‘Je ziet toch dat de eerwaarde op zijn beurt in trance gegaan is. De laatste keer dat dat gebeurde was bij de botsing met de planetoïde.’ Ja, híj, de achteruitkijker, en niet ik, dacht hij. De Tovenaar snakte naar adem. ‘De Gezant moet vlakbij zijn,’ siste hij.

Iets in zijn stem maande de mannen tot kalmte. Niemand lachte nog.

Alle blikken richtten zich op de ingang van de mijn, meer verlicht door het vuur dan door de afnemende manen. De schachten lagen als gapende wonden in de helling, plaatsen waar de bemanning sinds hun aankomst school. De diepte bood een minimum aan bescherming in de barre weersomstandigheden. ‘Leven,’ zeiden ze altijd, ‘of overleven, als holbewoners.’

Alleen de mannen waren verzameld voor de missie van de Gezant. De schacht waarbij ze wachtten was jarenlang als voldoende verkend beschouwd, maar korte tijd geleden had een slaaf ontdekt dat de schacht veel verder naar beneden doorliep dan verwacht.

Een koude luchtstroom trok naar buiten, anders dan tevoren, droger. De schacht lonkte. De opening van de mijn kreeg een blauwe gloed die niets met het kampvuur te maken had. Het licht kwam uit de diepte zelf.

De wind ging liggen.

De Gezant verscheen uit de duisternis, de bol in zijn armen geklemd. Zijn voeten raakten de grond niet. Zijn lichaam was bedekt met een dunne laag rijp die violet gloeide. Zijn ogen, vloeibare saffieren, leken niets te registreren; ze straalden koningsblauw licht uit.

Hij bleef staan, of eerder zweven, voor de knielende figuren, zijn gezicht uitdrukkingsloos. Zijn vrouw en kinderen probeerden op te staan, hem vast te pakken. Het jongste kind huilde luid. ‘Marek, dit is niet wie je bent,’ zei de vrouw. Haar stem brak. Even leek hij te aarzelen. Dan gingen zijn gehavende handen de lucht in. De bol bewoog geen centimeter tussen zijn armen.

De lichamen van zijn vrouw en kinderen verloren hun samenhang, alsof ze niet langer wisten hoe ze vorm moesten houden. Eerst de vingers, dan de armen. ‘Marek, stop!’ riep zijn vrouw. Hun gestalte werd broos en viel uiteen in glinsterende as.

‘Alle hoop is vervlogen,’ zei de Gezant, tot afgrijzen van de Tovenaar.

De mannen deinsden achteruit, de sneeuw knisperde onder hun voeten.

De Commandant reageerde onverwacht als eerste. ‘Geef me de bol,’ schreeuwde hij, en hij wierp zich op de Gezant, maar zijn sprong eindigde in een val. Hij keek onbegrijpend om zich heen en ging dan kreunend staan.

De Gezant staarde onbewogen voor zich uit. ‘Begrijpen jullie het niet?’ dreunde hij. ‘Het gaat niet meer om de bol.’

De Tovenaar deed een stap naar voren. Hij had dit voorzien. Niet alles, maar genoeg. ‘Gezant,’ beval hij, ‘Geef me wat je draagt.’

De Gezant leek dwars door hem heen te kijken.

De Tovenaar strekte zijn hand uit en legde die op de schouder van de man, of probeerde het. Zijn vingers vonden geen weerstand.

‘Onmogelijk. Hij weet nog wat daar beneden gebeurd is.’ De Tovenaar werd lijkbleek. ‘Zo … zo heb ik het niet gezien.’ Hij zocht houvast in wat hij kende: de trance, de visioenen, de logica van oorzaak en gevolg. Maar de Gezant zweefde al voorbij hem, en de Tovenaar begreep – met de precisie waarmee hij altijd net te laat begreep – dat hij het verkeerd gezien had. Het ging niet om wat de Gezant meegebracht had. Maar om wat de Gezant geworden was.

Hij draaide zich van de Gezant naar de Declamator, maar die schokte nog steeds. Er kwam zelfs schuim over zijn lippen.

De bol viel, zonder aankondiging. De Gezant was niet eens meer in de buurt, hij zweefde al verderop, alsof een onzichtbare kracht hem voortstuwde. Geen scherven in het stof, alleen een wolkje dat in het niets oploste. Leegte. Weg wormgaten. Een bemanningslid gilde.

Een heel andere koude verspreidde zich. Ze had niets met het klimaat van Koltan te maken, maar leek uit de Gezant voort te vloeien, in golven uit te dijen over de bodem en langs voeten en benen de lichamen op te klimmen, onstuitbaar richting de keel. Waar deze koude passeerde, verstilde alles: beweging, adem – zelfs geluid trok zich terug.

Het vuur doofde; er bleef geen rook over. Het blauwe licht in de ogen van de Gezant begon net feller te branden en liet de omgeving in een akelig schijnsel baden.

De Tovenaar probeerde tevergeefs achteruit te stappen. Hij keek naar zijn handen, waar zich een dunne, kristallijne laag vormde die zich stelselmatig uitbreidde. Zijn ogen werden groot. Begrip – eindelijk, en veel te laat. Hij had het verkeerd gezien. ‘De Gezant heeft de Heerlijke Koude meegebracht.’ De schreeuw die volgde was bedoeld als een bekentenis, maar de koude sneed hem doormidden voordat hij verder kon gaan.

 

Het laatste teken van leven van de Tovenaar was luid genoeg om de Declamator uit zijn trance te halen. De koude had zich al vastgebeten boven zijn heupen. Hij schudde traag zijn hoofd, kwijl droop van zijn kin en mengde zich met de sneeuw. Hij keek eerst naar de onbeweeglijke Tovenaar, dan naar de bodem, alsof hij daar in de spookachtige blauwe gloed iets herkende wat de anderen niet konden zien. Dit was de Geschiedenis – de Geschiedenis die hij moest aanvullen voordat het te laat was.

Zijn gezicht verstrakte. ‘We zijn nooit aangekomen. Alleen blijven vallen.’ Hij haalde diep adem. ‘Geen van ons heeft de botsing overleefd. “Door transformatie zul je de verborgen steen vinden.” Onze dood verschool zich achter hoop. En schuld.’ Eindelijk had hij het gezegd.

Even leek de planeet zelf te zwijgen.

Niemand sprak hem tegen. Niemand kon het nog.

De koude kroop verder omhoog, over hun gezichten, en wat zich nog roerde, vertraagde tot het stilviel. De Commandant probeerde iets te zeggen, maar zijn stem stokte; zijn mond bleef open in een verwrongen vorm.

De Declamator keek omhoog. Boven de ongelukkige bemanning van de Dis Pater verloren de drie manen van Koltan hun glans en werden opgeslokt door de duisternis.

In het snel toenemende donker merkte hij hoe slechts één iemand bewoog. De Gezant zweefde door de versteende lichamen. Zijn ogen lichtten op, tot de kracht die erin besloten lag zo sterk werd dat wat resteerde van het rijpmasker dat zijn gezicht bedekte finaal openbarstte. Dat was het laatste beeld dat de Declamator aan de Geschiedenis toevoegde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen

BoekenBoeken

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Schrijf je in voor de FantasyWereld nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws en onze winacties

Recente reacties

CozyFantasy.nl

Interviews, artikelen, recensies en winacties rondom cozy fantasy