Konkelaar des Konings

0
74

Anaïd Haen heeft vele korte verhalen geschreven die voor een groot deel gebundeld zijn in de door Uitgeverij Zilverspoor uitgegeven bundel ‘Wraak op het spoor‘. Bij diezelfde uitgever verscheen ‘Begeesterd‘; een 1001 nacht sprookje geïllustreerd door Jos Weijmer en muzikaal omlijst door Django Mathijsen.

Met Django schreef Anaïd een thriller (Codenaam Hadsadah) en vier kinderboeken. ‘Koningsbillen en drakenstreken‘ wordt uitgegeven door Uitgeverij EigenZinnig, die ook het vervolg ‘Ridders op sokken‘ zal uitbrengen. Bij Uitgeverij Averbode zullen in het schooljaar 2013/14 twee Vlaamse Filmpjes van hun hand verschijnen. Samen met Cocky van Dijk schrijft Anaïd jaarlijks een Sinterklaasmusical. Daarnaast werkt ze met Django Mathijsen aan de serieverhalen over Nick Zwartbron en Mirthe van de Graaf, te lezen in de nieuwe e-zines Vamp en Held.

Over het ontstaan van het verhaal:
Anaïd vond het woord ‘konkelaar’ toen ze in het woordenboek prikte. Meteen vroeg ze zich af wat een konkelaar voor iemand zou zijn, en of deze beroepsmatig zijn vak zou kunnen uitoefenen. Zo ja; voor wie dan? En wat moest er bekonkeld worden? Gelukkig dook er een koning op die wist wat hij wilde. Vanuit zijn vragen ontstond ‘Konkelaar des Konings’.

Met het verhaal deed Anaïd Haen mee aan de FantasyStrijd Brugge in 2012 en het werd eerder gepubliceerd in Fantastisch Strijdtoneel II.

 

Konkelaar des Konings
Anaïd Haen

 

Sinds ik als konkelaar werk voor Zijne Koninklijke Hoogheid Abraham van Lege Schatkist, is mijn leven ellendig. Ik probeer zijn opdrachten letterlijk uit te voeren, maar steeds vindt hij gebreken en weigert hij me te betalen.

‘Marnix! Ik had je toch gezegd de molenaar in het onheil te storten?’

‘Maar dat heb ik gedaan! De man heeft zich aan zijn wieken verhangen!’

‘Waardoor zijn zoon de molen erfde! Ik wilde hem financieel uitkleden zodat ik zijn molen goedkoop kon kopen!’

 

‘Marnix! Heb je al iets bekokstoofd met de weduwe van generaal van Rijckenhove?’

‘Zeker! Ze mengt valeriaan door het eten van de soldaten.’

‘Ze doet wát?’

‘Valeriaan mengen. U zei me toch de troepen mak te houden?’

‘Door ze vertier te geven! Zodat ze niet overlopen naar graaf Arnold von Legesteden!’ Zijn ogen spuwen vuur nu hij het over zijn aartsvijand heeft.

 

‘Marnix! Heb je de dochter van graaf Arnold al gesproken?’

‘Ja, majesteit.’ Ik grijns. Iriane ligt nog in mijn bed. Straks, als ze uitgerust is, zal ik me andermaal op haar storten en ieder gaatje dat ze voor me wil openen, vullen.

‘Ze is toch nog wel maagd?’

Ik kuch.

‘Regel jij dat de molenaarszoon trouwt met de grafelijke dochter, zodat hij rijk van de bruidsschat de molen aan mij verkoopt.’

‘Hoe overtuig ik de graaf van dat huwelijk?’

‘Door hem het idee te geven dat hij het leger in zijn zak heeft. De weduwe zoekt een nieuwe man.’ Hij knipoogt. ‘Maar de soldaten zijn op mijn hand en zullen hem in gijzeling houden.’ Achterover leunend neemt hij een slok wijn. ‘Zo heb ik geen last meer van de graaf en de molen in mijn bezit.’

 ‘Wat moet u toch met die molen?’

‘Erbovenop staan om van het uitzicht op mijn kasteel te genieten.’

Ik staar hem aan. ‘En dat van dat maagd zijn?’

‘Dat begrijp je toch wel, onbenul? De molenaarszoon is eerzaam.’ Hij spuwt het woord “eerzaam” zowat uit. ‘Als ze ontmaagd is, zal hij haar niet huwen.’

Ik knik. ‘Ik zal haar maagdelijkheid onderzoeken.’

‘Doe dat maar.’ Hij kijkt me aan vanonder zijn te zware kroon. ‘Als het je lukt dit te bekonkelen, geef ik je duizend dukaten.’

Ik probeer niet te knipperen, buig als een knipmes en loop achteruit de zaal uit.

‘Zo niet: je kop eraf!’

 

Iriane ligt op haar zij te slapen. Haar mond een beetje open, zodat tussen de parelwitte tanden haar lekkere brutale tongetje zichtbaar is. Haar blote been boven het zijden laken. Ze is om op te vreten.

 

Na afloop weet ik het zeker: haar maagdenvlies is aan flarden.

Ze ligt naast me, met haar hoofd op mijn schouder en kriebelt een beetje door mijn borsthaar. ‘Wat doe je eigenlijk aan het hof?’

Ik til mijn hoofd een beetje op en kijk haar aan. ‘Ik ben huwelijksadviseur des Konings.’

‘Oh.’ Ze gaapt. ‘Ik ben onhuwbaar.’ Lekker nestelt ze zich op mijn arm.

Ik voel haar borsten tegen mijn zij. ‘Waarom?’

‘Ben geen maagd meer,’ mompelt ze. ‘Geeft niet. Dan blijf ik wel bij jou, goed?’

Ik lig er wakker van.

 

Mijn oma is een toverkol met vloeistofexpertise. Ze houdt dat strikt geheim vanwege de kol-heffing.

‘Heeft u een liefdesdrankje en iets om een maagdenvlies te herstellen?’

‘Vroeger deden we dat andersom. Dan werden we eerst verliefd voor we onze maagdelijkheid opofferden.’

‘Oma!’

Ze geeft me een blauw en een geel flesje.

‘Is dit genoeg voor vier?’

‘Heb je vier dames onteerd?’ Ze bekijkt me nu met afschuw.

‘Nee, oma! Eentje slechts!’

‘Slechts eentje…’ Ze staart me over haar leesbril aan. Haar door reuma kromgegroeide vinger wijst naar het gele flesje. ‘Hiermee herstel je het maagdenvlies. Smeer het op je vingers en breng het in. Draag wel handschoenen, anders krijg je zwemvliezen. Smeer niet te dik!’ Dan wijst ze naar het blauwe flesje. ‘Drie druppels oplossen in rode wijn. De eerste die de drinker na het drinken aanraakt, tenzij er een bloedverwantschap bestaat, wordt verliefd op hem.’

Ik frons. ‘Wordt degene die het drankje drinkt niet verliefd?’

‘Nee, dat is een misverstand.’ Ze scharrelt in een laatje van haar eikenhouten werktafel. ‘Hier!’

Ik krijg een vlijmscherpe priem in mijn handen geduwd.

‘Als het vlies droog is, moet je er middenin een gaatje inprikken.’

‘Waarom?’

‘Dat is een vrouwending,’ zegt ze hooghartig. ‘Het is zaak dat het meisje dan heel stilligt.’

Ik slik. Hopelijk snapt Iriane dat ik mijn hoofd niet kwijt wil.

 

Abraham Dukaat wordt zeventig en geeft een besloten diner aan de ronde tafel. ‘Het wordt tijd dat ik die molen krijg!’

Gelukkig maak ik de tafelschikking. Ik zet lieve, begripvolle Iriane tussen haar toekomstige echtgenoot en haar vader. Ze ziet lijkbleek, vanwege die priem. Mijn handen trillen er nog van.

Ik vul de karaf met wijn uit het vat en druppel er zorgvuldig twaalf blauwe druppels in.

‘Schiet eens op met die wijn! Wat sta je daar te doen?’

Ik draai me om naar de spreker. Het is de graaf. Hij zit aan tafel en bekijkt me met samengeknepen ogen.

Het zweet breekt me uit en ik weet niets anders te doen dan het flesje achter mijn rug in de karaf te laten vallen. ‘Ik ben met uw wijn bezig, heer.’

‘Inschenken dan! Waar wacht je op?’

Ik schenk de molenaarszoon, Iriane, de graaf en de weduwe in. Dan zet ik de karaf op tafel. Meteen sluit zich een ijzeren hand om mijn pols. ‘Drink zelf ook wat! En geef zijne majesteit ook een slok, zodat we kunnen toosten.’ De graaf kijkt me doordringend aan.

Zijne Stommigheid wenkt mij al met zijn roemer. Ik pak de karaf van tafel, loop achter de weduwe om en schenk de koning in. Tot slot vul ik een glas voor mezelf. De karaf is nu leeg. Het flesje tinkelt tegen de wand.

‘Op de liefde!’ brult de graaf.

Iedereen heft het glas, roept ‘Liefde!’ en drinkt.

Ik slok als een malloot mijn glas leeg en zet een paar passen opzij als ik zie dat de koning uithaalt. ‘Fijn dat je iedereen aan tafel hebt gekregen, Marnix!’ Hij mist mijn rug op een haar na en raakt in plaats daarvan de rechterhand van de weduwe, die juist met haar linkerhand achter de graaf langs Iriane op haar schouder tikt. Ze wil haar iets vertellen, denk ik.

Iriane legt haar hand op die van haar vader. ‘Ja, papa?’

Haar vader kijkt op.

‘U tikte me aan?’

‘Ik raakte je niet aan, kind. Dat moet die man naast je geweest zijn!’

‘Ik deed niets!’ De molenaarszoon gaat staan.

Voor ik weet wat er gebeurt, staat de graaf ook. ‘Nu nog liegen ook!’ Hij haalt uit en geeft de molenaarszoon een kinstoot.

Die geeft een dreun terug.

Iriane vliegt met een kreetje overeind en stort zich in mijn armen.

 

‘De enigen die gelukkig zijn, zijn de graaf en de molenaarszoon.’

Oma lacht. ‘Het is best verneukeratief, zo’n drankje.’ Even denkt ze na. ‘Is ze nog maagd?’

‘Niet nog. Wéér!’

‘Je hebt kans dat je de betovering verbreekt als je haar weer ontmaagd.’

‘Ze is verliefd op de weduwe!’

‘En jij op haar!’ Oma pakt een jurk uit haar kast. Ze zoekt een bustehouder uit en schuift de twee kledingstukken over de werktafel naar mij toe. ‘Word de weduwe!’ Ze buigt voorover en sjort de veters van haar rijglaarsjes los.

 

Verkleed als weduwe lok ik Iriane mee. Ik huppel voor haar uit en wijs haar de weg, ervoor zorgend dat ze alleen mijn rug ziet. De laarsjes zitten te krap en ik wankel op de hakken, maar zet door. De valbrug over, het bos in.

De molen is leeg. Ik trek mijn rok omhoog en loop de trap op.

‘Ben je hier?’

Ik klop op de trap.

Iriane volgt me.

Boven in de koepel van de molen is het stikdonker. Ik zie haar silhouet als ze de ladder opkomt. Mijn maag lijkt wel een ton vlinders, zo verliefd ben ik. Mijn hart roffelt in mijn keel en mijn stijve drukt mijn rok naar voren.

‘Ben je hier?’ fluistert ze.

‘Ja, kom maar,’ fluister ik terug, worstelend met de knoopjes van de jurk. Ik besluit de rok op te trekken.

Ik pak haar hand en trek haar op een stapel jute zakken. Ik duw mijn knie tussen haar benen.

Ze legt haar hand op mijn borst. ‘Dit voelt anders dan ik dacht,’ fluistert ze.

‘Dit vast ook!’ hijg ik en ik stort me op haar.

 

Daar loopt ze, op weg naar het kasteel. Af en toe kijkt ze omhoog, haar gezichtje betraand. ‘Pervers varken!’ gilt ze.

Ik wil haar tegenhouden, zo verliefd dat het pijn doet achter mijn borstbeen. Maar ik staar haar na terwijl ik oma hoor zeggen. ‘Smeer niet te dik!’

Ze had gelijk.

Ik blijf waar ik ben. Met die laarzen en die jurk kom ik toch niet ver. Mijn kop zal er nu wel afgaan, tenzij de koning beslist dat ik mag blijven konkelen.

Hij had trouwens ook gelijk: vanaf de molen heb je een prachtig uitzicht op het kasteel.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here