Tais Teng is een artistieke duizendpoot die met zijn verhalen zowel kinderen (zoals bijvoorbeeld met zijn bijdrages voor het Griezelgenootschap) als volwassenen weet te raken. Hij heeft intussen meer dan honderd boeken gepubliceerd en te veel korte verhalen om nog te tellen. Recentelijk voltooide hij zijn Gran Terre saga met Gebroken Hemels en verscheen de novelle De zee heeft tienduizend muilen.

In de gratis verhalenbundel Voorbij de horizon (te downloaden via Smashwords) staan maar liefst 15 verhalen die zich afspelen in de  Gran Terre. Zeventiende Zuster, het verhaal dat we van Tais mochten publiceren op FantasyWereld is daar één van.

 

Zeventiende Zuster
Tais Teng

 

Fusang:

De Herberg van de Zes Bescheiden Leeuweriken bleek een ruïne, een zo recente ruïne zelfs dat de geblakerde balken nog rookten. Het leek Li Po raadzaam zijn reis zo snel mogelijk voort te zetten. Lieden die een herberg in brand staken die negen provincies ver befaamd was om haar honderdjarige eieren en zwaluwnestjessoep, zulke lieden moesten absolute barbaren zijn en geen goed gezelschap voor een eenzame reiziger.

Li Po probeerde of zijn zwaard nog soepel uit de schede gleed en de gifreservoirs van zijn werppijltjes bijgevuld waren, rechtte toen zijn rug en beende verder over de tolweg.

Muskieten en aasvliegen zoemden om zijn hoofd. Waarschijnlijk hadden de rovers de lijken gewoon in de open lucht laten liggen en niet eens ordentelijk begraven of gecremeerd. Hij voelde een felle steek, sloeg, en liep vloekend door.

Toen hij de herberg bereikt had, hing de zon al laag boven de heuvels en nu tikte haar rode schijf de boomtoppen aan. Een hartenklop later viel de zon omlaag als de dobber van een hengel, een dovend wolkje rood volgde, en toen was het nacht. Aardedonker en natuurlijk nergens een maan te bekennen.

‘Hertog Ongeluk arriveert zelden zonder Vrouwe Ellende,’ zo luidt het oude spreekwoord om over ‘Wie de mantel gestolen wordt, zal snel zijn sandalen moeten missen’ nog maar te zwijgen. Uit de vlakte klonk het huilen van zwarte wolven, geloei dat prompt beantwoordt werd uit de hemel. Een draak of feniks, begreep Li Po, beide bootsten andere roofdieren na en beide waren hongerig.

Li Po trok zijn zwaard, stak het bij nader inzien toch maar terug en begon te rennen. Dat je nooit op de vlucht moest slaan voor een roofdier was pure klets en waarschijnlijk verzonnen door een van die roofdieren zelf. Het gehuil zwol aan. Hij zag nog wel niks maar dat sprak vanzelf. Zwart op zwart levert bijster weinig contrast op.

Iets schoot als een meteoor de hemel, cirkelde terug. Een feniks dus, een vuurvogel. Het monster straalde zo helder dat hij de ogen van de wolven in de hei zag oplichten. Een dozijn groene lampjes en ze kwamen snel dichterbij.

‘Hierheen Li Po!’ klonk een stem als een glazen klokje. Een jong meisje stond midden op de weg. ‘Mijn huis is vlakbij! En mijn ouders zouden je graag ontmoeten.’

Ook dat nog, dacht Li Po. Een meisje als een hulpeloos kersenbloesemblaadje en als edelman hoorde hij haar te beschermen. Wedden dat ze zo’n maagd was met afgebonden voetjes waarop ze hoogstens kon strompelen? Of, wacht. Ze kende zijn naam en vast niet omdat ze familie was. Bovendien kon hij haar prima zien, elke wenkbrauw en zelfs de losse haartjes die uit haar knoet ontsnapt waren. Het was alsof ze in een heldere bundel maanlicht stond, van een maan die er dus helemaal niet was.

‘O, je bent er zo eentje,’ zei hij. Nu ja, over strompelen hoefde hij zich in ieder geval geen zorgen meer te maken. Geesten zijn uitzonderlijk rap ter been.

Het meisje zette haar handen in haar zij, stak haar kin omhoog. ‘Wat bedoel je met “O, je bent er zo eentje?”

‘Op de kaart stond de eerste twintig mijl geen enkel boerderij aangegeven.’

‘Alleen een dwaas gelooft zijn kaart liever dan zijn eigen ogen. Hij is gewoon verouderd. Wij wonen hier pas duizend… Oeps.’

Aan haar brede grijns kon hij zien dat ze zich beslist niet per ongeluk versproken had.  Hij zuchtte. ‘Wijs mij nu de weg maar naar jullie graftombe.’

In sommige verhalen ontwaakte de reiziger de volgende ochtend alleen maar zestig jaar ouder in de villa die niet meer dan wat fundamenten en omgevallen grafzerken bleek te zijn. Of miste hij hoogstens drie vingers, een voor elk van de zusjes die hij gekust had. Maar dat was alleen in sommige verhalen. De meeste andere verhalen werden domweg nooit verteld omdat er de volgende ochtend niemand meer was om ze te vertellen.

‘Je denkt dat ik een spook ben, ja?’ zei het meisje.

‘Die gedachte kwam bij mij op.’

‘Weervossen leven vaak ook behoorlijk lang. Of de dochters van een drakenkoning.’ Ze stopte, stak haar hand uit. ‘Geef mij een hand. Dan kun je meteen voelen of er haar op mijn handpalmen groeit, of schubben. Het ijzige slijm van een ondode.’

Li Po pakte haar hand vast en hij voelde niet killer dan je bij dit jaargetijde zou verwachten.

‘Geen haren of ijzig slijm? Geen scherpe schubben?’

‘Er blijven nog een heel stel opties open. Dat je gewoon een meisje bent, hoort daar niet bij.’

Hij stopte, liet haar hand los. ‘Het is doodstil. Nergens wolvengehuil meer. De hemel is leeg.’

Het meisje lachte. ‘Ze houden zich koest. Ze weten wat ik ben!’

Li Po knikte en pakte haar hand maar weer vast. Al met al leek dat toch verstandiger. ‘Aasgieren wachten ook tot de tijgerin vertrokken is.’

‘Vleier!’

 

‘Li Po,’ zei het meisje even later, ‘dat is befaamde naam. Volgens de overlevering had hij al zes mannen uitgedaagd en gedood voor hij negentien werd. Als hij zijn gedichten reciteerde dan zwegen de nachtegalen ontzet en durfden ze de rest van hun leven niet meer te zingen.’

‘Dat was in Klein Han, helemaal in de Oudlanden en verdraaid lang geleden. Ik ben mijn ouders daar niet dankbaar voor. Een zoon Po noemen is vragen om moeilijkheden. Ik bedoel, ik ben al twintig en ik heb nog nooit een man gedood.’

‘Maar je familienaam is dus wel Li?’

‘Ja, een van de oorspronkelijke Honderd Namen. En de jouwe?’

‘Je kunt mij Zeventiende Zuster noemen.’

‘Ah.’ Zeventiende Zuster, haar familie moest uitzonderlijk rijk zijn. Bij een boerenfamilie verdronken ze de derde meisjesbaby vaak al en zelfs een edelman vond een stuk of zeven dochters meer dan genoeg. Of wacht, nu ging hij er vanuit dat ze een mens was. Andere wezens wierpen hun jongeren vaak met een half dozijn tegelijk.

Uit de duisternis doemde een versierde poort op. Het had blank ivoor kunnen zijn, de zuilen gesneden uit de slagtanden van een leviathan. Alles baadde in datzelfde stille maanlicht dat ook Zeventiende Zuster leek te volgen.

Twee bedienden gingen hen voor en nu liepen ze door een gang die door lampions verlicht werden. Geel kaarslicht, veel te warm voor een geestenhuis. Lamplicht verdreef alle illusies. Dit was echt, solide. en ze wierp nu een schaduw. Dat was een talent dat spoken niet bezaten.

Ze stapten een ontvangsthal in en een man stond op uit zijn zetel. Hoewel zijn haar wit was, stond hij kaarsrecht. Hij spreidde zijn armen. ‘Wees welkom, Li Po. Mijn dochter vertelde mij dat je een bijzonder knappe en veelbelovende jongeman was.’

‘Om eerlijk te zijn, ik was op weg naar Chu Tong, voor de keizerlijke examens. Tot ik die haal, zal ik het inderdaad op veelbelovend moeten houden.’

‘Ik zei dat je een goed zwaard en een riem werppijltjes draagt. Samen met je bescheidenheid vormt dat een mooie combinatie. Mijn dochter heeft haar echtgenoot goed gekozen.’

Echtgenoot? Stel geen vragen. Ik had ook in de hei kunnen liggen terwijl een horde wolven met een feniks om mijn kadaver vochten.

De vader van Negentiende Zuster omhelsde hem en het was de krachtige omhelzing van een man in de kracht van zijn leven.

‘Je kunt mij de Grijsaard die Parelmoeren Mistflarden Berijdt noemen. Of gewoon “Schoonvader”, straks.’

Hij wil mij zijn echte naam niet vertellen, begreep Li Po, net als Zeventiende Zuster dat weigerde. Het moet een magister zijn, zo’n Taoistische wijze. Hun ware naam is hun kostbaarste bezit.

‘Dat is inderdaad juist,’ zei de man hoewel Li Po die gedachte niet hardop gesproken had. ‘Ik goot alkahest in een beker van adamant, roerde er vuur, kwikzilver en zeewater door, maanlicht en ether.’

Li Po kende zijn klassieken. ‘De drank der onsterfelijkheid?’

‘Je bent inderdaad een erudiete jongeman! Ja. Al mijn familieleden heb ik die drank laten proeven. Al mijn vrouwen en dochters. Hun echtgenoten.’

Een schone maagd, onsterfelijkheid en een zo goed als almachtige wijze als schoonvader. En ik hoopte nog wel op een baantje als schoolmeester in een miezerdorpje. Dit is mijn geluksnacht!

Kuisheid was meer iets voor in het Kalifaat. In Fusang moeten gelieven op zijn minst een nacht met elkaar slapen, en liever zeven, voor een priester ook maar overweegt ze in het echt te verbinden. Niet dat er veel van slapen kwam. Behalve dan uiteindelijk, van pure uitputting.

 

Hij ontwaakte in de armen van Zeventiende Zuster, bij het eerste ochtendlicht.

‘Ik leef nog?’ grinnikte hij. ‘Het spookmeisje zoog mij toch maar niet leeg in haar graftombe?’ Hij rekte zich uit. ‘Kom maar op met jullie beker vol toverdrank. Daarna beloof ik je nog minstens duizend jaar van dit soort nachten!’

Ze kuste hem. ‘Nee, sorry, liefste. Dat zou geen enkel nut hebben.’

Hij schoot overeind. ‘Wat bedoel je?’

‘Ik vond je vier mijl van de herberg. Een koningswesp had je gestoken, recht in de kloppende ader bij je keel en je moet op slag dood zijn geweest. Je zag er zo dapper uit, zo knap en het was net alsof je gewoon sliep. Een blik was genoeg en ik wist dat ik geen enkele andere man zou kunnen beminnen.’

‘Ik was dood?’ Hij streek over zijn keel en er zat inderdaad een bobbel. ‘Maar mijn hart slaat nog! Ik haal adem. Hier, mijn borst rijst en daalt!’

‘Sommige gewoontes zijn moeilijk af te leren.’

En nu stopte zijn hart inderdaad met kloppen en ademen was meer iets wat je kon doen, een optie, niet langer noodzakelijk.

‘Ik smeekte mijn vader je tot leven te wekken. Hij is een befaamde necromanter weet je. Een van de allerbesten. Als hij iemand uit het graf roept, werkt de bezwering vaak wel een volle week.’

‘Een volle week…,’ echode hij.

‘Alleen als een dode kakelvers is en zijn lijf nog warm. Jij was al zeker vier uur koud.’

‘Hoe lang? Hoe lang hebben we nog?’

‘O mijn liefste, het spijt mij zo vreselijk. Maar één nacht. Deze nacht. Tot de eerste haan kraait.’ Ze sprong op, rukte hem overeind. ‘Grijp je werppijltje! Daar staat hij. Op de mestvaalt en hij steekt net zijn ellendige rotkop omhoog om te kraaien!’

Vier mijl voorbij de ruïne van de herberg vindt je een toegangspoort van ivoor. Ivoor dat intussen al een gelige glans heeft gekregen en duizenden jaren oud moet zijn. Zwierige letters spellen de naam van de villa uit, of misschien is het eerder een esoterisch motto: Waar de haan nimmer kraait, duurt de nacht voor eeuwig.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here