Van Johan Klein Haneveld (1976) verschenen ondertussen zeven boeken. De meest recente is de verhalenbundel Conquistador. December 2017 verschijnt het tweede deel van zijn fantasytweeluik De Krakenvorst, boek 2Kartaalmon. In 2018 volgt zijn tweede verhalenbundel Het teken in de lucht en een SF-roman, De afvallige ster. Johan is een van de vaste medewerkers van het tijdschrift Fantastische Vertellingen. Zijn verhalen verschenen verder in recente Ganymedesbundels, EdgeZero 2017, SF Terra en The Flying Dutch. Naast het schrijven werkt hij als eindredacteur voor het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Johan woont met zijn vrouw in Delft.

 

Kille ontmoeting
Johan Klein Haneveld

Met zijn verstand wist Peter heus wel dat hij geen enkel gevaar liep. Toch voelde hij zich klein en kwetsbaar als hij op de schermen keek en tot hem doordrong waar hij zich eigenlijk bevond: in een niet eens echt grote onderzeeboot in het ondoordringbare duister van een onder kilometers ijs verborgen oceaan. Beneden hem opende zich een gapende diepte waarmee vergeleken de Marianentrog op Aarde niet meer was dan een pierenbadje. En dan negeerde hij nog bewust de instrumentenpanelen, die voortdurend wezen op een verpletterende druk en een verstijvende vrieskou buiten de wanden van het schip. De combinatie deed hem rillen.‘Spijt dat je je winterjas hebt thuisgelaten?’

Peter zuchtte en keek opzij. Van achter de radarschermen glimlachte Yanzhu naar hem. Ze streek een lok van haar blonde haar achter haar oor en haar robijnrode lippen onthulden witte tanden. ‘Ik vind het juist wat drukkend in de cabine.’ Haar hand ging omhoog naar de ritssluiting van haar blauw met gouden uniform en trok die langzaam een paar centimeter verder omlaag.

‘Ik heb het ook wel warm genoeg’, zei Peter. Zijn kraag leek opeens erg strak te zitten.

Yanzhu boog zich nog wat voorover. Precies zo ver dat hij een glimp kon opvangen van haar decolleté. Haar zeegroene ogen glommen. ‘Ja, dat kan ik zien. En eerst had je koude rillingen. Je moet Yuri er eens naar laten kijken. Misschien heb je een Enceladisch virus opgelopen.’

Peter slikte. Hij rechtte zijn rug. ‘Ik weet niet waar je het over hebt. Dit is een routinematige verkenning, niet anders dan alle expedities op Europa. Of Titan.’

‘Maar het is jouw eerste keer, toch?’

Haar blik verklapte niet of hij haar vraag letterlijk moest interpreteren of dat er misschien een dubbele bodem in verborgen lag. Hij besloot zichzelf maar op de vlakte te houden. ‘Ik heb genoeg simulaties meegemaakt.’

‘Dat wil ik wel geloven’, zei Yanzhu met een brede grijns. Ze rekte zich uit, zodat de stof van haar uitrusting strak kwam te staan. Peters hart begon direct luid te bonzen.

‘Als jullie dadelijk op hetzelfde moment afgelost willen worden, hoeven jullie het maar te zeggen,’ klonk van achter hen de stem van de kapitein. ‘Maar kunnen jullie voor nu misschien je aandacht weer op jullie werk richten? Wij hoeven niet van alles mee te genieten.’

Yanzhu hield haar hoofd schuin. Uit haar grote ogen sprak niets dan gekwetste onschuld. ‘Ik was alleen maar bezorgd om zijn gezondheid, meneer.’

Marcel, een brede man met een kuiltje in zijn kin en kortgeknipt haar dat hem een militaire uitstraling gaf, roffelde ongeduldig met zijn vingers op de leuning van zijn commandozetel. Zijn donkere wenkbrauwen kropen als rupsen naar elkaar toe. ‘Ik weet dat we een voorgeprogrammeerde route volgen, maar dan nog kan er opeens een ijskathedraal opduiken die er niet was toen de robotverkenners hier langskwamen. Hou je aandacht bij je scherm.’

Haar gezicht ontspande. ‘Ja, meneer.’

Ook Peter keerde zich weer naar zijn apparatuur. Er was niks veranderd in de aanduidingen van de meetinstrumenten. De zoutconcentratie fluctueerde een beetje, een aanwijzing voor onderzeese stromingen. Ze waren echter te zwak om de koers van de onderzeeër te beïnvloeden. Andere sensoren aan de buitenkant van het schip zochten naar organische moleculen. Die waren in de vroege 21ste eeuw voor het eerst waargenomen in ijspluimen op de zuidpool van Enceladus, en hadden uiteindelijk geleid tot deze expeditie. De aanname was namelijk dat waar organische moleculen en water samenkwamen, mogelijk ook leven aanwezig was. Tot nu toe hadden ze daar echter nog weinig van gevonden, behalve een paar microscopische filamenten. En Yuri en zijn lab waren er niet eens zeker van dat die niet afkomstig waren van de verkenners. Luisterapparatuur had klikkende geluiden en drukgolven opgevangen uit de zwarte diepte, maar die konden in theorie door geologische processen zijn voortgebracht. De vier dagen dat ze zich nu onder het ijs bevonden, was de expeditie in elk geval verder niks tegengekomen. Het spannendste dat in die tijd gebeurde, was een ontmoeting met punten die honderden meters naar beneden hingen van het ijs, als bevroren stalactieten. De radar had die obstakels echter ruim op tijd opgemerkt, zodat stuurvrouw Crisanna er met gemak een weg omheen kon plannen.

Op dit moment reisden ze alweer terug naar het boorgat. De camera’s toonden niks dan duisternis, zelfs geen stofdeeltjes die het licht van de lampen reflecteerden. De teleurstelling drukte op de bemanning en leidde zowel tot plagerijtjes als tot nauwelijks verhulde irritaties.

‘Trek je van hem maar niks aan,’ fluisterde Yanzhu. Ze zat naar Peter toegebogen, haar handen op haar knieën, met haar ellebogen naar opzij. ‘Hij is gewoon jaloers.’

Peter zuchtte. Hij keek over zijn schouder. De kapitein had zijn persoonlijke scherm omhoog getrokken en had nu een afwezige blik in zijn ogen. Hij leek niks te horen. ‘Waarop?’

Yanzhu schudde demonstratief haar hoofd. Haar lange haren kriebelden op de rug van zijn hand. ‘Je doet alsof je moeilijk te krijgen bent, ik snap het al.’

‘Doet alsof?’ Verongelijkt duwde Peter zich naar achteren. Hij was harder gaan praten, maar een blik opzij leerde dat Marcel nog steeds niets door had van hun interactie. ‘Moeilijk te krijgen waarvoor?’

‘Wil je zeggen dat je echt zo blind bent? Dan zal ik wat beter mijn best moeten doen.’ Ze bracht haar hand weer naar haar ritssluiting.

Hoe aanlokkelijk Peter het uitzicht zo-even ook had gevonden, hij wuifde toch dat ze het niet moest doen, met een hoofdbeweging in de richting van de kapitein. Ze fronste. ‘Ik had me dus vergist. Het was geen koorts maar angstzweet.’

Hij had het gevoel dat de radardeskundige hem in de val had laten lopen en hij kon geen antwoord verzinnen om zich er uit te bevrijden, niet snel genoeg in elk geval. Dadelijk zou ze denken dat hij een zwakkeling was of niet meer dan een gehoorzame regelvolger. ‘Ik ben nergens bang voor. Het is alleen …’

Yanzhu keek even omlaag naar het over haar duidelijke vormen gespannen uniform. ‘Het ligt toch niet aan mij?’, vroeg ze vervolgens. Haar ogen flitsten opzij naar de commandozetel. ‘Of val je soms op …?’

‘Dat is het niet’, zei Peter haastig. ‘Echt niet. Ik vind je er geweldig uitzien. Ik droom zelf wel eens van je. Maar dat wil niet zeggen dat ik nu opeens …’

Haar grijns werd breder. ‘Niet opeens? Dus je wilt inderdaad wachten op onze aflossing? Daar kan ik mee leven!’

‘Wat is dat geluid?’, vroeg Crisanna van haar plek achter de stuurstangen.

Yanzhu draaide zich meteen van Peter af, de plagerij direct uit haar uitdrukking verdwenen. Er waren knipperende lichtjes verschenen op haar schermen en tegelijk klonk er een zich herhalende pieptoon. De kapitein had zijn eigen paneel weggeklapt en boog zich naar voren. ‘Is het zo’n kathedraal?’, wilde hij weten. ‘Een die we eerder gemist hebben?’

‘Dit komt van onder ons’, antwoordde Yanzhu zakelijk. ‘Nu nog bijna drie kilometer diep, maar snel stijgend. Het zijn er twee.’

‘Twee wat?’, Marcel klonk ongeduldig.

‘Twee stippen.’ Yanzhu’s vingers gleden over haar panelen en er verschenen rijen getallen in beeld. ‘Metalen voorwerpen. Net zo groot als ons schip. Misschien zelfs iets groter. Maar een veel grotere dichtheid.’

‘Ze komen uit de diepte’, knikte Crisanna.

‘Ze?’, zei Marcel.

Peter draaide zich naar hem om. Hij zag dat het gezicht van de kapitein wit was geworden. Zijn eigen stem bleek ook te trillen. ’Meneer. Dit zijn Enceladuswezens. Mijn instrumenten nemen verschillende vormen van straling waar. Hun schepen hebben een vorm van nucleaire aandrijving. Het kan niet anders.’

De man schudde ongelovig zijn hoofd. ‘We hebben nooit iets van ze waargenomen. De robotverkenners niet. Wij niet. Vier hele dagen niet.’

‘Misschien houden ze zich gewoonlijk verborgen’, merkte Crisanna op. ‘Nu hebben ze zich in elk geval blootgegeven.’

Yanzhu zou op zoiets gewoonlijk een kwinkslag hebben laten volgen, maar nu keek ze geconcentreerd op haar apparatuur. ‘Afstand anderhalve kilometer.’

‘Wat moeten we doen?’, wilde Crisanna weten. ‘Ze komen nogal snel deze kant op.’

Marcel was verstijfd. Zijn lippen bewogen. Zijn stem was echter niet te verstaan. Peter probeerde zijn aandacht te trekken, maar de ogen van de kapitein leken door hem heen te kijken. Hij schraapte zijn keel. De andere twee keerden zich naar hem om. Yuri was in de deuropening verschenen. Zijn bijna witte haren staken in pieken overeind. Ook hij keek afwachtend naar Peter. ‘We weten niets van hun intenties. Maar ze benaderen ons in elk geval niet voorzichtig. Als wij ons zo zouden gedragen, betekent het dat we het object dat we achtervolgen gevangen willen nemen. Mijn voorstel is daarom dat we maken dat we wegkomen.’

‘Maar het is een eerste contact’, mompelde Marcel. ‘We moeten …’

‘Ze zien ons nu waarschijnlijk als binnendringers’, zei Yuri. ‘Dat is geen goede basis voor diplomatieke betrekkingen. Ik ben het met Peter eens.’

Crisanna duwde de stuurstangen naar voren. Een schok trok door de onderzeeër. ‘Op volle kracht kunnen we binnen anderhalf uur bij het boorgat zijn.’

Opzij van Peter schoof Yanzhu op haar stoel heen en weer. Ze riep cijferkolom na cijferkolom op. De getallen waren oranje en rood. Haar eerst nog gekleurde wangen waren nu bleek als gips. Hij was de enige die kon horen wat ze fluisterde. ‘Voor die tijd zullen ze ons al lang hebben ingehaald.’

 

Ze kreeg gelijk. Boven hen was het ijsplafond al zichtbaar in de schijnwerpers, met de omlaag wijzende blokken en pieken en het radarscherm toonde al de metalen opening naar de bovenwereld, maar ze waren er nog minstens tien minuten van verwijderd toen de eerste van de achtervolgers tegen de achterkant van hun schip bonkte. De klap deed Yuri voorover op de grond vallen. Peter klampte zich met twee handen vast aan zijn stoel, terwijl Marcel vloekte. Vervolgens keek de kapitein om zich heen, kennelijk hopend dat niemand het had gehoord.

Yanzhu’s radarapparatuur had hen de Enceladische voertuigen getoond, gevuld met water onder hoge druk en met een kring van lange grijparmen aan de voorkant. Twee daarvan hadden zich nu om hun schip gewikkeld. De motoren loeiden, maar de snelheidsaanduiding liep desondanks snel terug. Een tweede bonk, nu aan de andere kant. Druksensoren in de buitenwand lieten zien dat nieuwe tentakels waren uitgeslagen door het tweede schip.

‘We zijn gevangen!’, constateerde Yuri, terwijl hij overeind krabbelde. Hij bleef tegen de deurpost leunen, zwaar ademend.

Crisanna schakelde de motoren uit. Het werd direct stil in de cockpit. Marcel schraapte zijn keel. ‘Is er nog iets dat wij kunnen uitrichten?’

‘Wachten op wat de anderen gaan doen’, antwoordde Yanzhu met een betekenisvolle hoofdbeweging naar waar hun schepen zich moesten bevinden. ‘Nu zijn wij het studieobject in plaats van andersom.’

Yuri leek te schrikken. ‘Ze zullen willen weten wat zich bevindt in het voorwerp dat ze hebben gevangen. En ik weet niet of ze het concept van lucht of gas wel kennen …’

‘Ze laten ons vollopen’, concludeerde Crisanna. ‘Zonder aarzeling.’

Peter schudde zijn hoofd. ‘Niet als we snel zijn. Het voorste deel is nog niet vastgegrepen!’ Hij draaide zich om. ‘Kapitein?”’

Op dat moment klonk van achteren er een piepend geluid, als een over zijn toeren rakende tandartsboor, afgewisseld met luid kraken. De eierschaal van een reuzendier die door een gigantische lepel werd ingeslagen. Marcel had zijn hand boven zijn paneel hangen. Hij aarzelde net lang genoeg om de Enceladiërs door de buitenwand te laten breken. Iets als een zucht trok door de gangen, en de temperatuur leek in een fractie van een seconde te dalen. De kapitein keek op. ‘Er is geen tijd meer! Verbreek jullie connectie en …’

De man werd onderbroken door oorverdovend geraas. Een wand van bruisend wit water perste zich de gang door en wierp zich vervolgens tegen hen aan, een ijskoude waterval. Een maalstroom schuurde langs de instrumenten, trok de panelen uit hun bevestigingen en boog de rugleuningen van de stoelen. De resterende lucht werd opeen geperst tot een enkele bel bovenaan het plafond.

Peter was de enige die in het commandocentrum overbleef. In de fractie van een seconde voor de oceaan de kans had gehad hen op te slokken, hadden zijn collega’s gehoor gegeven aan de opdracht van de kapitein. Hun geprojecteerde beelden waren weggevallen. Metalen stokjesfiguren waren alles wat van hen restte, een bol van camera’s en sensoren bovenaan en gecompliceerde grijpapparatuur aan de twee bovenste uitsteeksels. Ze waren opgepikt door de stroming en tegen elkaar en de wanden aan geworpen. Maar ze waren niks dan techniek. De kracht van het koude water brak geen botten, maar slechts skeletachtige poppen.

Peter had gemerkt dat hij zijn adem inhield, puur instinct, want zijn verstand zei hem dat het niet nodig was. En ook al was de elektriciteit uitgevallen, er brandde onder water nog rode noodverlichting. Bovendien kon hij andere vormen van straling en geluid gebruiken om zich te oriënteren. De projectie van zijn eigen lichaam bleek ondertussen nog grotendeels intact. Zijn rechterarm dreef slap in het water, vlak onder de schouder gebroken en de weergave ervan knipperde. Het grootste deel van de tijd zag hij op die plek alleen de glimmende structuur van staven en kabels. De rest van hem zag er uit als altijd.

Rustig klikte Peter zijn veiligheidsgordels los en duwde hij zich omhoog uit zijn stoel. Het water in de cockpit was tot stilstand gekomen. De meegevoerde brokstukken waren gezonken. Voorzichtig zette zich hij zich af. Opzij van hem zag hij in de commandozetel een glimmend buizenrek: het skelet van Marcel. Het was in niets te onderscheiden van dat van de anderen. Zo was het van de band komen rollen. In zijn oren klonk een ruis, en vervolgens de stem van de kapitein, alsof hij van over een grote afstand sprak. ‘Wat doe je daar nog? Als ze het schip meenemen de diepte in, kun je misschien niet meer terug.’

‘De verbinding werkt over een afstand van meer dan honderd kilometer.’ Peter verzond zijn antwoord als gedachte. ‘Voorlopig ben ik nog wel veilig.’

Er was beweging in het duister van de gang. Peter liet zijn computer berekeningen uitvoeren op zijn waarnemingen van stromingspatronen. Een vorm werd in rode lijnen uitgetekend. Iets ronds, met tentakels in een cirkel aan de ene kant, en twee vinnen tegenover elkaar aan de andere kant. Het vulde bijna de gehele gang. Een Enceladusbewoner, een vertegenwoordiger van een ander ras, was hun onderzeeër binnengedrongen. Ze lieten er geen gras over groeien.

Een gelede grijparm tilde de bundel stangen op die was overgebleven van Yuri en bewoog die heen en weer als een kapot stuk speelgoed. Het skelet werd vervolgens naar achteren doorgegeven, naar een tweede bol met tentakels en weggevoerd. Waarschijnlijk om te worden opgeslagen, gecatalogiseerd. Misschien zou er een artikel over worden geschreven in wat in de diepte het equivalent was van een wetenschappelijk tijdschrift. Maar waarschijnlijk zouden de buitenaardse onderzoekers nog meer belang hechten aan een levende vertegenwoordiger van de wezens die in hun wereld waren binnengedrongen. Daar rekende Peter in elk geval wel op. Hij zwaaide met zijn armen, en trapte met zijn hak op de vloer. Er klonk een metalige galm.

De voorste van de twee wezens reageerde bliksemsnel. Met zijn armen trok hij zich vooruit de gang door, door de deuropening de cockpit in. Hij breidde zich direct uit tot hij twee keer zo groot leek. Een van zijn tentakels schoot Peters kant uit. Hij kon nog net de armleuning vastpakken van de zitplaats van de kapitein. Iets had hem om zijn enkel gegrepen en begon zich nu samen te trekken. Peter schakelde de pijnsimulatie uit. Hij wist zijn linker elleboog over de rand van de stoel te haken en strekte zijn andere hand uit naar het bedieningspaneel. Er brandden nog rode symbolen. Een ervan, die het meest dichtbij hem, raakte hij aan. Het schip schudde en de vangarm liet zijn been los.

Peter maakte een koprol in het water. Toen hij zijn beweging weer onder controle had, bleek de deur van de cockpit te zijn dichtgeklapt. De Enceladiër gebruikte de helft van zijn tentakels om ertegen te bonken -een opvallend menselijke reactie- en probeerde met de andere grip te krijgen op het metaal. Hij was te laat. De onderzeeër was al in tweeën gesplitst. De cockpit had losgelaten en bewoog zich nu op eigen kracht terug naar de schacht vanwaar ze waren vertrokken. De buitenaardse schepen moesten eerst de achterkant van hun prooi loslaten voor ze de achtervolging konden inzetten. Tegen die tijd zouden ze Peters voorsprong al niet meer kunnen inhalen.

Tevreden liet Peter de stoel los. Hij gaf het mentale signaal dat zijn zintuigen terug zou laten keren naar zijn lichaam. Toen hij daarna zijn ogen opende, lag hij op zijn rug in een drukstoel. Hij moest knipperen tegen het scherpe licht van een TL-buis boven hem.

 

‘Wacht even tot we je hebben losgekoppeld’, zei een vriendelijke technicus. Een voor een klikten de klemmen rond zijn armen en zijn benen los. Het web van elektroden op zijn achterhoofd werd door de man in de grijze overall voorzichtig weggenomen.

Toen ook de laatste connectie was verbroken, duwde Peter zich overeind. Hij zwaaide zijn benen opzij en voelde onder zijn blote voeten het kille metaal van de basis. De technicus kwam naar hem toe lopen met een badjas. Blauwwit, met het logo van de Enceladusexpeditie links op de borst. Peter hield zijn arm omhoog en liet zich helpen het warme kledingstuk aan te trekken over zijn dunne ondergoed. De stoffen riem knoopte hij zelf vast. Hij had bijna de hele lengte nodig om zijn buik te kunnen omvatten. Voorzichtig ging hij vervolgens staan. Een ogenblik vulde de duizeligheid zijn bewustzijn, maar dat gevoel verdween al snel.

‘Wat bezielde je?’, klonk het van opzij, een stem zonder volume, met erin een nauwelijks onderdrukte hysterische trilling. Het was Marcel, die op een van de andere drukstoelen zat, bijna verdwenen in zijn jas. Hij had een terugwijkende kin en een kale plek precies boven op zijn schedel, met een paar trieste blonde sprieten eromheen. ‘Je negeerde mijn bevel.’

Peter zuchtte en hief verontschuldigend zijn handen op. Hij was nog steeds niet helemaal hersteld van de overgang tussen de twee werelden. Zijn ogen vonden die van Yanzhu. Ze keek snel van hem weg. Haar zwarte haar, doorweven met grijze strengen, was in een strenge knot gebonden en haar donkere ogen gingen schuil achter ronde brillenglazen. Ze had haar schouders opgetrokken als een uit het nest gevallen vogeltje. Uiteindelijk merkte ze dat hij naar haar bleef kijken en draaide ze haar smalle gezicht weer zijn kant uit. Haar ene mondhoek ging omhoog, in een aanzet tot een glimlach. Ze fluisterde: ‘Ik wist dat je niet echt bang was.’

Hij knikte terug. ‘En nu heb ik het echt koud.’

Yanzhu antwoordde niet. Het leek alsof ze niet durfde.

‘Koffie?’ Yuri zag er precies zo uit als aan boord van de onderzeeër: witte haren, een breed gezicht. Hij duwde Peter een mok in handen, die hoewel de damp over de rand golfde, precies genoeg was afgekoeld dat hij niet zijn vingers brandde. ‘Goed idee van je om een van de indringers in de cockpit te lokken’, vervolgde de wetenschapper. ‘Nu kunnen wij op ons gemak kennis met hem maken.’

‘Of met haar’, lachte Crisanna, een kop korter, maar verder niet anders dan eerder.

Yuri knikte. Hij wees met zijn duim naar de kapitein. ‘Hij is alleen maar boos omdat hij er niet aan had gedacht.’

‘Dat had ik wel,’ piepte Marcel van zijn plek, ‘maar ik …’

‘Je wilde alleen je eigen hachje redden’, zei Yuri minachtend.

Peter draaide vermoeid zijn rug naar de kapitein toe. ‘Is onze cockpit al aan de oppervlakte gekomen?’

‘Hij is nog onderweg’, was het antwoord. ‘Als het goed is komt hij over een kwartier boven bij de sluis aan. Dan weten we wie we aan boord hadden. De twee schepen zijn volgens de instrumenten weer in de diepte afgedaald. Kennelijk vonden ze het niet belangrijk hun bemanningslid terug te halen.’

De bittere smaak in zijn mond en de brandende vloed door zijn keel hielpen Peter zich weer in de werkelijkheid thuis te voelen. De computers wisten heel veel sensaties prima na te bootsen, maar faalden bij het onderscheiden van verschillende smaken. Nippend aan de koffie luisterde Peter naar Yuri. De onderzoeker had er een scherm bij gepakt en gebaarde breed met zijn vrije hand. ‘Een buitenkans. Het wezen moet heel anders zijn dan wij. Moet je nagaan wat we er niet allemaal van kunnen leren. De biologie natuurlijk. Aangepast aan de kou, de hoge druk. Waarschijnlijk een methaanmetabolisme. Maar ook de cultuur. Een unieke beschaving. Stel je voor dat we met ze kunnen communiceren. En wat dat ons niet over onszelf zal leren. We zullen alles moeten …’

Peter slikte de laatste lauwe druppel weg en zette de mok met een metalige tik op de leuning van zijn drukstoel. ‘Als we nu op weg gaan, zijn we op tijd bij de sluis.’

‘Je hebt gelijk’, zei Yuri. ‘Kom mee.’ Hij verliet de krappe ruimte. Peter volgde hem. Zoals gewoonlijk moest hij zich half omdraaien om met zijn buik door de deuropening te passen. Crisanna, die achter hen aankwam, zei er gelukkig niks van. Hun voetstappen galmden tussen de metalen wanden van de gang. Ze passeerden de bemanningsverblijven, de kantine, de laboratoria. Een rolband voerde ze schuin omlaag, naar een in het ijs uitgehakte hal. In het midden daarvan was een imposante betonnen koepel opgericht. Er bevonden zich stalen deuren in de zijkant. De sluis. De plek vanwaar hun expeditie was afgedaald tot onder het ijs. Peter herinnerde zich de hal van de rondleiding direct na zijn aankomst, maar was er daarna niet meer geweest. Dat was immers nergens voor nodig.

Het was al druk met gefluister en mensen die heen en weer liepen. Technici en onderzoekers met schermen stonden rond de koepel of zaten achter panelen langs de wanden. Geribbelde buizen trilden van de druk waaronder ze stonden. Stoom rees op van onder een traliewerk.

Yuri werd met geknik en een paar warme groeten verwelkomd. Hij duwde Peter naar voren. ‘Dit is de man aan wie we het succes te danken hebben!’

Een rossige vrouw pakte hem bij de arm en trok hem met zich mee. ‘Je hebt recht op een plek op de eerste rij.’ Ze maakte ruimte voor hem vrij bij een instrumentenbank. Een groot scherm toonde de losse cockpit, die in de sluis dreef als een inktvis, en duikers die met hun apparaten morden aan de deur, om zich toegang te verschaffen. Ze hadden aan hun riemen straalwapens hangen. Uiteindelijk leek het ze te lukken. Het luik klapte naar buiten open.

‘Dit is het moment’, zie Yuri in Peters oor, ontzag in zijn stem. ‘Onze eerste kennismaking met iemand van een andere wereld.’

Er gebeurde niets. Een van de duikers ging de cockpit in. Het werd stil in de hal, alsof iedereen collectief had besloten de adem in te houden.

‘Sorry jongens’, klonk het uiteindelijk over de radio. Iets werd naar buiten geduwd. Een opengewerkte constructie van metaal, met van binnen zichtbare draden. Grijparmen die duidelijk mechanisch waren. Vinnen die door een motor werden aangedreven.

Peter slikte. ‘We zullen de werkelijke ontmoeting moeten uitstellen.’ Hij keek over zijn schouder naar Yuri en probeerde te glimlachen. ‘Kennelijk zijn wij niet de enigen die telepresentie hebben uitgevonden.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here