Roze Water – Kelly van der Laan

0
79

Kelly van der Laan schrijft wanneer de inspiratie toeslaat en maakt zich daarbij niet zo druk om genres. Fantasy, SF, drama, horror, wie maakt zich eigenlijk druk om hokjes? Voor haar gaat om de verhalen, de personages, de plot twists en de gevoelens, het gevoel van buiten adem zijn wanneer je vol spanning de pagina omslaat (of op de ‘volgende’ knop van je e-reader drukt).

Ze heeft inmiddels een tweetal korte verhalen gepubliceerd (Geboorterecht en Leercurve), Stof en Schitteringen en Bloed en Scherven (die volgend jaar uitkomt) zijn haar eerste gepubliceerde romans. Kelly won de Fantastels Verhalenwedstrijd 2013 met Roze Water.

Roze water
Kelly van der Laan

 1:

“Auw!”

Denis kijkt verstoord op terwijl hij de naald wegtrekt van mijn hand. “Stel je niet zo aan, Reka.” Er bloeit een robijnrode druppel bloed op mijn beurse pink wanneer ik mijn hand in een schaal met koele vloeistof leg. We kijken allebei toe hoe mijn bloed zich ermee vermengt.

Ondanks het feit dat Denis en ik deze test aan het einde van iedere dag moeten doen, is het altijd spannend om te wachten op de uitslag. We doen er beiden nonchalant over, maar ik weet dat de bal van spanning onderin zijn maag net zo groot is als de mijne. Het is iedere dag hetzelfde: na het werk halen we ons rantsoen voedsel, we gaan zitten aan zijn eettafel en testen onszelf. “Ik denk dat ik andere plekken moet gaan zoeken voor die naald,” zeg ik, terwijl ik gedachteloos mijn stoofpot naar binnen lepel. Ik proef nauwelijks iets. Mijn ogen zijn op de schaal gericht. “Mijn vingers zijn helemaal beurs. Ik kan nauwelijks mijn schrijfstok nog vasthouden.”

“Ik ken het gevoel,” zegt Denis en houdt zijn eigen rechterhand omhoog. Zijn vingers zien eruit alsof ze het onderspit hebben gedolven in een meningsverschil met een wesp. “Maar goed, noem jij maar een andere plek waar ik bloed kan afnemen, dan gaan we daarmee verder.” Hij kauwt afwezig op zijn voedsel. “Dit is mijn nieuwe mengsel trouwens. Als het goed is, hebben we sneller resultaat.”

“Hoe lang gaat het duren?”

“Ongeveer een derde van de tijd. Op zich wel fijn, dan kunnen we wat sneller doorwerken.”

“Hoe weet je of het überhaupt werkt?”

Denis schiet in de lach. “Een beetje vertrouwen alsjeblieft, lieverd! Je ziet het vanzelf wel wanneer de vloeistof roze of groen wordt. Als de kleur verandert, dan werkt de test.” Hij leunt achterover in zijn stoel. “Het zou wel moeten, hoor. De chemische eigenschappen van deze stoffen zijn technisch gezien hetzelfde, maar ze zijn een stuk reactiever. We zouden dus sneller resultaat moeten zien.”

“Moet je niet eerst toestemming vragen aan het Gilde voordat je dit mag gebruiken?”

“Eerst ga ik kijken of hij het goed doet; daarna ga ik er wel mee naar het Gilde. Maar met de bureaucratische onzin die je daar krijgt, kan het nog wel weken duren voordat ik toestemming heb om deze versie van de test te gebruiken.” Hij zucht. “We zouden zó veel tijd kunnen besparen.”

“We zouden mensen zo veel sneller uitsluitsel kunnen geven of ze ziek zijn of niet, bedoel je,” zeg ik zachtjes, “want dat wachten is een marteling.”

Denis legt zijn hand op de mijne. “Dat bedoel ik. Sorry, lieverd. Soms raak ik een beetje verstrikt in de wetenschap van het alles. Je hebt gelijk… we hebben het hier over mensenlevens.”

Ik knik naar hem en buig me over de testkom. Denis draait zijn olielamp verder open om ons meer licht te geven. Samen tellen we de seconden af tot de uitslag van de test.

En dan – ietsje later – zien we verschil in de schaal. Het water wordt groen. Ik ben niet besmet.

Ik glimlach van opluchting terwijl ik achterover leun in mijn stoel. “En weer een dag overwonnen!”

“Fijn, Reka,” zegt Denis. Hij pakt zijn zandloper op en kijkt hoeveel tijd er verstreken is. “Ongeveer een derde van de tijd, ik had het goed. Ik zal mezelf even testen en dan zijn we klaar voor vandaag.”

“Ga je hier morgen mee naar het Gilde?” vraag ik, terwijl ik toekijk hoe Denis’ gezicht vertrekt als hij zichzelf in zijn pink prikt.

“Eerste wat ik doe.” Hij knijpt in zijn pink en druppelt zijn eigen bloed in een tweede schaal, die hij al van te voren klaargemaakt had. “Hoe sneller we deze methode erdoor hebben, hoe beter.”

Het is grappig om te zien hoe hij weer terugglipt in zijn wetenschapper-persona; het is alsof hij een andere jas aantrekt. De compassie en de bezorgdheid zijn weg. Alleen de concentratie blijft over. Hij is nu niet meer bezig om zichzelf te testen op besmetting met de dodelijkste plaaguitbraak die we in eeuwen gezien hebben; hij is aan het controleren of zijn besmettingstest naar behoren functioneert. De mogelijke uitslag is even naar de achtergrond geschoven.

God en de engelen weten dat Denis en ik iedere dag genoeg risico lopen. Wij zijn degenen die aan de noordelijke poort van de stad staan; wij zijn degenen die testen of nieuwkomers in de stad besmet zijn. We komen iedere dag in aanraking met mensen die besmet kunnen zijn. Nu zorgen de meeste zieken wel dat ze ver weg blijven van Melinburg. Iedereen weet dat als er maar enige kans is op besmetting je de stad gewoon niet in komt, maar ongeveer een op de twintig groepen die we aan de poort krijgen heeft wél een besmet persoon in hun midden. Vaak weten ze het zelf nog niet eens maar zodra de test roze kleurt voor een van de mensen aan de poort sturen we de hele groep weg.

We kunnen ons geen risico’s veroorloven. Melinburg is een dichtbevolkte stad, een veilige haven in een zee van ziekte en verderf.

Binnen afzienbare tijd kleurt Denis’ test ook groen. Buiten is het al donker – het is mid-winter en de avond valt vroeg dezer dagen – maar Denis’ grijns van opluchting laat het lijken alsof de zon even doorbreekt in zijn kleine woning. Ik ben gewoon opgelucht dat we weer een dag doorgekomen zijn. We hebben vandaag een groep moeten wegsturen van de poort. Iedere keer dat ik die actie onderneem; iedere keer dat ik mijn hoofd schud en mensen vertel dat ze niet binnengelaten zullen worden en dat ze hun geluk maar op het plaag-geteisterde platteland moeten beproeven, sterft mijn hart ietsje verder af.

En morgen mogen we het allemaal opnieuw doen. De gedachte alleen al maakt me moedeloos.

“Zin in een beetje sterke drank?” vraagt Denis. “Volgens mij is dat bocht dat ik zelf gestookt heb inmiddels wel drinkbaar.”

De smaak is vast verschrikkelijk, maar de laatste keer dat ik goede wijn heb geproefd is bijkans een zonnewende geleden. “Waarom niet,” glimlach ik naar hem terug, “we hebben wat te vieren toch?”

Denis heeft ons net allebei een glas ingeschonken als de deur van zijn woning openzwaait. Koude lucht waait met de nieuwkomer mee naar binnen. Het is mijn zus Zita, warm ingepakt in een dikke mantel. Er glinstert regenwater in haar kastanjekleurige haren. Haar wangen zijn rood van de kou. “Goedenavond,” lacht ze. “Lekker aan de drank?”

Denis heft zijn glas naar haar. “Onze dienst zit erop voor vanavond. Wil je ook wat?”

Ze hangt haar mantel aan een haak bij de deur en komt bij ons zitten.  Ze haalt een hand door haar natte haren. “Klinkt goed. Maar jij wil misschien ophouden met drinken, Reka.”

“Hoezo dat?” vraag ik met het glas aan mijn lippen.

“Loran vroeg me of ik jou wilde halen. Hij heeft een discussie met zijn vader en ze willen jouw advies.”

Ik frons. Waar hebben de Hoogheer en zijn zoon mij voor nodig? “Waarom dat?”

Zita haalt haar schouders op terwijl ze een schoon glas aanneemt van Denis. “De engelen mogen het weten. Maar Loran vroeg het me en ik ga hem niet weigeren.”

“Alles goed met Loran?” vraagt Denis. “Hebben jullie een fijne tijd gehad?”

Zita schenkt hem een stralende glimlach. “Altijd. Ik kon alleen vanavond niet bij hem slapen. Er komen morgenochtend vroeg gasten, dus misschien volgende keer.”

Ik zet mijn glas ietwat onwillig weer neer op tafel. Denis’ brouwsel brandt achterin mijn keel, maar het is een van de beste (en enige) alcoholische dranken die ik in lange tijd heb geproefd. “Word je weer afgekeurd?”

Zita haalt haar schouders op en speelt met haar glas. “Het zijn Michon Labarne en zijn vrouw. Super traditioneel, je weet wel. Ik had geen zin om morgen de hele dag als concubine behandeld te worden, dus ik vond dat ik beter kon vertrekken. Loran was het er eigenlijk niet mee eens, die wilde me niet laten gaan.”

“Loran heeft het hart op de juiste plaats zitten,” zegt Denis, terwijl hij nog een slok neemt van zijn drank. “Maar goed, ik heb de bedden gisteren verschoond dus je kan lekker slapen, Zita.”

Toen vorige zonnewende ons huis afbrandde, had Denis ons een plek in zijn huis aangeboden totdat we de financiën weer op orde zouden hebben om onze woning te herbouwen. Om het degelijk te laten lijken, heeft hij me ten huwelijk gevraagd. Ik heb ja gezegd ondanks het feit dat ik op dat moment van voren niet wist dat ik van achteren nog leefde. Maar Denis is in alles zo’n goede vriend geweest, we zijn zo comfortabel samen… ik merk dat ik steeds vaker nadenk om dit door te gaan zetten en wanneer deze godvergeten plaag uitgewoed is in het huwelijksbootje te stappen.

Ik sta op van mijn kruk en pak mijn mantel van de haak naast de deur. Hij is nog steeds nat van onze wandeling door de regen eerder op de avond. “Ik zie jullie later, jongens.”

“Zeg je tegen Loran dat ik van hem houd?” vraagt Zita. Ze werpt me over haar schouder een ondeugende grijns toe.

Ik grijns terug. “Alsof hij dat niet weet.”

Terwijl ik de deur uit loop, hoor ik Denis aan Zita vragen of hij haar ook kan testen met zijn nieuwe testvloeistof.

“Morgenochtend,” wimpelt Zita hem af.

“Lekker behulpzaam ben jij.”

Ik lach zachtjes terwijl ik de deur achter me sluit. Hij is onverbeterlijk.

2:

Het is een gure avond. Ik moet me concentreren om niet te vallen terwijl ik de uitgehakte treden naar de top van de stadsmuur beklim. Alles is glibberig van de miezerregen die de stad al dagenlang in een druilerige deken hult.

Bovenop de stadsmuur aangekomen gun ik mezelf een momentje om over Melinburg uit te kijken. De lichtjes van de stad zien er uitnodigend uit tegen een achtergrond van de inktzwarte wolken en de donkere zee. Het is haast alsof het een gewone midwinter is en buiten de muur de mensen niet bij bosjes sterven. Alsof de geuren van pis, rottend afval en overbevolking niet overal doordringen. Melinburg zit vastgeplakt tegen de muur aan de ene kant en de zee aan de andere kant. Er is nog maar weinig levensruimte over en alleen God en de engelen weten hoe lang de plaag nog gaat duren. Zita heeft gelijk, misschien moet de de muur toch uitbreid worden. Dat, of we moeten echt de poort dichtgooien voor buitensteders. Over de implicaties daarvan wil ik liever niet nadenken.

Op de hoek van de stadsmuur staan twee wachters geposteerd. Ze zijn net zo verregend als ik en kijken geïrriteerd op als ze me in de schaduwen van de muur ontdekken. “Halt!” roept een van hen met barse stem.

Dat was te verwachten. Ik hef mijn hand op om te zwaaien. “Goedenavond.”

“Wie gaat daar? Wat doe je hier na zonsondergang? Weet je niet dat je binnen hoort te zitten?”

Ik zucht en stap in het licht van hun olielamp. “Reka Densig hier. Ik ben op weg naar Hoogheer Lithon, hij heeft me ontboden. Geloof me, ik loop niet voor mijn lol door de regen.”

De ene wacht port de ander met zijn elleboog. “Da’s de dochter van Jonas Densig. Op weg naar een rollebol in het bed van Jongheer Loran? Da’s het enige waar je goed voor bent, toch?”

Ik knars met mijn tanden. “Dat is mijn zus. En geloof me, ze maakt zich nuttig genoeg hier in de stad. Hoe denk je dat jij aan het dak boven je hoofd komt? Zita regelt die huisvesting.”

“Ah, dan ben jij degene die alle buitensteders toelaat in onze stad,” zegt de andere, grotere wachter. “Jij en je zus zijn degenen die ervoor gezorgd hebben dat ik een familie van vijf op de vloer van mijn woonkamer heb slapen. Je wordt bedankt.”

Ik bijt op de binnenkant van mijn wang om een rotopmerking in te slikken.“We doen ons best, net zoals jullie. Als jullie me nu excuseren, Hoogheer Lithon wacht.” Het heeft geen zin om ruzie te gaan maken. Het is koud, we zijn allemaal geprikkeld en de stemming in de stad is in de afgelopen maanden onder het nulpunt gezakt. Ik glip langs ze heen en vervolg mijn weg naar de toren, terwijl ik de smaak van maagzuur achterin mijn keel probeer te negeren.

Tegen de tijd dat ik aankom bij de toren van de Hoogheer ben ik compleet doorweekt en verkleumd. Ik meld me bij de deurwachter, die er net zo miserabel uitziet als ik me voel. Hij knikt naar me en laat me naar binnen. Nog meer trappen. Ik word er tenminste wel warm van.

“Hallo, Reka,” zegt Loran als ik de zitkamer bovenaan de toren betreed. De zoon van de Hoogheer zit in een fauteuil naast de open haard. Hij heeft een dik, in leer gebonden boek op zijn schoot en zijn handen zijn bevlekt met vegen van zijn schrijfstok. Hij knikt vriendelijk naar me wanneer ik hem groet door mijn rechterhand hand tegen mijn borstbeen te tikken. “Kom zitten. Mijn vader komt er zo aan. Zita had je gevonden dus?”

Ik hang mijn natte mantel over een haak en neem tegenover hem plaats. Het is lekker warm zo bij het vuur. “Ik was niet moeilijk te vinden; ik was thuis bij Denis. We hadden de laatste groep nieuwkomers net weggestuurd.”

Loran veegt zijn donkere krullen uit zijn gezicht en leunt in mijn richting. Hij kijkt aandachtig, zijn bruine ogen warm en intelligent en ik vraag me niet voor de eerste keer af hoe alles gelopen zou zijn als niet Zita maar ik degene was geweest die mijn vader aan Loran beloofd had. “Hadden jullie er besmette mensen tussen zitten?”

“Twee. Een klein meisje en een oude man. Denis en ik hebben onszelf daarna onmiddellijk getest. Gelukkig was de uitslag weer negatief.”

Loran glimlacht naar me. “Je doet goed werk, Reka. De stad is je dankbaar.”

Een moment lang speel ik met de gedachte om hem te vertellen over wat zijn wachters buiten zeiden, maar ik wil niet om medelijden of extra hulp vragen. De wachters hebben gelijk; Zita en ik hebben een speciale behandeling gekregen toen Pa stierf. Ondanks dat we officieel geen geld of huis meer hadden en ons verblijf in de stad niet eens meer konden betalen, heeft Lithon ons de hand boven het hoofd gehouden en ons aan het werk gezet. Ik heb niet de illusie dat hij dat uit de goedheid van zijn hart en op basis van zijn vriendschap met Pa gedaan heeft. Hij heeft dat gedaan omdat zijn enige zoon zo verknocht is aan Zita.

“Zolang we hier maar doorheen komen, toch?” antwoord ik met een scheef lachje. “Zolang Melinburg maar plaagvrij blijft, doen we Gods werk.”

“Dat is precies waar Loran en ik het over hadden,” zegt een nieuwe, bekende stem.

Ik draai me om naar Hoogheer Lithon, die zijn zitkamer binnen komt lopen. Hij is gekleed in een zachte leren broek en een simpele tuniek en vest, maar zelfs aan de manier waarop hij loopt is hij direct herkenbaar als de Hoogheer. Ik kom al half overeind met mijn hand op mijn borstbeen, maar hij wuift dat ik weer kan gaan zitten. Hij trekt er zelf ook een stoel bij; praktisch tot op het bot, nooit te lui om zelf de handen uit de mouwen te steken. Ik heb Hoogheer Lithon altijd al aardig gevonden. “Goedenavond,” zeg ik maar, als hij een officiële begroeting niet behoeft.

Hij knikt naar me. “Jij ook een goede avond,” voordat hij zich naar zijn zoon draait. “Loran, heb je Reka nu nog niets ingeschonken? Wat ben je nou voor gastheer?” De woorden zijn niet scherp bedoeld, we horen beiden mild amusement in zijn stem.

“Excuses, vader.” Loran springt op om de ketel thee die boven het vuur hangt voor ons in te schenken.

Terwijl zijn zoon bezig is om voor ons te zorgen, kijkt de Hoogheer me aan. Oom Lithon, noemde ik hem vroeger. Een van mijn eerste herinneringen is dat ik op zijn schouders zit, mijn kinderknuisten verborgen in zijn donkere krullen en we samen uitkijken over de stadsmuur. “Dit is mijn stad,” had hij gezegd, “en zolang jullie hier wonen, zorg ik goed voor jullie.” Inmiddels zijn die donkere krullen grijs geworden en heeft hij veel meer lijnen in zijn gezicht gekregen. De meesten daarvan zijn in de afgelopen zonnewende verschenen. “We hebben je geroepen omdat we je mening nodig hebben, Reka,” zegt hij, terwijl hij een kop dampende thee aanneemt van zijn zoon.

“Ik voel me vereerd,” is alles wat ik kan bedenken om te antwoorden, terwijl ik mijn eigen thee aanneem. Het porselein is warm in mijn verkleumde handen. “Waar kan ik jullie mee helpen?”

Hoogheer Lithon leunt achterover in zijn fauteuil en krabt in zijn baard. “Ik weet niet of je dit wist, maar mijn vader heeft destijds de stadsmuur laten bouwen in de eerste wende dat hij regeerde. In eerste instantie was het om ons te verdedigen tegen de aanvallen van de Palsen, maar toen de plaag uitbrak merkte hij dat het daar ook goed tegen werkte. Hij liet niemand binnen in de stad. Zo veel mensen stierven buiten de poort, ik kon het niet aanzien. En dat was nog eens een milde versie van de plaag ook. Bij een heftige uitbraak zou dit nog veel erger zijn. Dus ik besloot het anders te doen.”

Delen hiervan zijn me inderdaad bekend. Toen het genezersgilde met de besmettingstest op de proppen kwam, gaf Lithon de opdracht tot twee dingen: massaproductie van de testen (dat is waar arme Denis zich dag in, dag uit nog steeds mee bezighoudt) en de zoektocht naar een mogelijk geneesmiddel tegen de plaag. Met het tweede houden de meer ervaren genezers binnen het Gilde zich bezig.

“We sturen zo veel mensen bij de poort weg als ze besmet zijn,” vervolgt de Hoogheer, verloren in gedachten. “Maar is dit wel het juiste? Want daarna besmetten ze hun geliefden, hun familie, mensen die ze tegenkomen op het platteland. Hierdoor blijft de plaag maar doorwoeden en Melinburg kan niet veel langer alle overlevers blijven herbergen. Je weet hoe het ervoor staat in de stad. We leven in geleende tijd.”

Ik neem een slok van mijn thee en wacht tot hij verdergaat. Er ligt een steen op mijn maag, die bekende steen van spanning die ik ook voel als ik wacht op de uitslag van een test.

“Wat vader bedoelt,” zegt Loran met een gezicht dat serieuzer is dan ik ooit van hem gezien heb, “en waar wij over aan het discussiëren zijn, is dat het misschien niet humaan is om buitensteders weg te sturen, waar ze het alleen maar erger kunnen maken voor zowel zichzelf als hun geliefden.”

“En we kunnen ze ook niet in de stad opnemen,” zeg ik in een opwelling. “Dat is levensgevaarlijk.”

“Precies,” knikt Loran. “Reka, we hebben je hier gevraagd omdat we jouw mening wilden. Ik weet  hoe Zita hierover denkt, maar ik wilde het van jou horen.”

Waar gaat dit gesprek naartoe? Gaat dit over huisvesting? Over buitenstedelingen toelaten in de stad? Wat heeft Zita hiermee te maken? Ik ben nu nog verwarder over wat ze van me willen, maar al mijn instincten schreeuwen dat dit niet goed is. De vriendelijkheid en de sympathie waarmee ze me aankijken geven me flashbacks naar vorige zonnewende en als er iets is waar ik niet aan wil denken, dan is het wat er toen gebeurd is.

“Mensen doen rare dingen als hun geliefden ziek zijn. Ze nemen risico’s, hopen dat de engelen ze helpen, wachten op een wonder, en in de tussentijd worden ze meegesleurd in ziekte en verderf. En op hun beurt steken zij weer anderen aan als een cyclus van de dood. Het is gruwelijk en pijnlijk en loopt nooit goed af,” zegt Hoogheer Lithon, wrijvend over zijn ogen. “Maar ja, hoe krijg je dit goed? Hoe bescherm je de wereld tegen de ziekte? Mensen blijven mensen. Dus wij moeten onze verantwoordelijkheid nemen als heren van de stad.”

Loran kijkt me aan met alle sympathie van de wereld in zijn bruine ogen. Een moment lang snap ik waarom Zita zo van hem houdt, maar dan doet hij zijn mond open en zegt precies hetgeen wat ik niet wilde horen. “Zoals jullie vader gedaan heeft.”

Bijna elf manen geleden waren Zita en ik met Loran op een zeiltripje. Ik had er van te voren heel weinig zin in gehad en stond die ochtend op met lood in mijn schoenen, maar ondanks het feit dat de lente nog maar heel pril was, was de ochtend zo stralend mooi dat mijn vader me zowat het huis uit schopte. “Ga wat leuks doen,” had hij gezegd – de laatste woorden die hij ooit tegen me zei. “Je kan eindelijk naar buiten, even de frisse lucht in. Je zit altijd maar binnen! In de winter snap ik dat wel, maar nu is het lente en ik wil ook wel eens een dagje voor mezelf.”

Dus we waren vertrokken. Het zeiltochtje was heerlijk. De zee was kalm en de lucht was kristalhelder en ijskoud. Toen we aan het eind van de middag weer de haven invoeren was ik alle gevoel in mijn wangen en handen verloren, maar we waren allemaal aan het lachen. Het was zo’n ongelofelijk goeie dag – totdat we op de wal kwamen en Hoogheer Lithon ons hoogstpersoonlijk met een bleek gezicht stond op te wachten.

Toen stortte de wereld in. Toen hoorden Zita en ik dat pa positief getest had. Toen hoorden we dat hij ons huis met alle bezittingen in brand gestoken had en zichzelf erin opgesloten had.

Hij had een brief naar buiten gegooid door het raam met een laatste bericht aan ons. Ik zie de woorden nog op mijn netvlies.

Mijn liefste dochters, het spijt me dat ik jullie zo achterlaat, maar dit is de enige manier.

Ik kan niet het risico nemen dat ik jullie besmet, al is het maar via ons huis. Lithon zal ervoor zorgen dat jullie goed terechtkomen.

Ik houd van jullie en ik geloof in jullie.

Het allerergste was dat we meteen meegenomen werden voor een test. We hadden niet de tijd om alles in ons op te nemen – het eerste wat er gebeurde was een besmettingstest. Zita eerst, toen ik. We waren allebei negatief. Maar dat leek bijna niet uit te maken, want onze vader was dood, ons huis en al onze spullen waren weg en we waren alleen op de wereld. We hadden alleen elkaar nog.

Ik ben een dag later gaan kijken naar het uitgebrande omhulsel van het gebouw waar ik geboren was en mijn hele leven gewoond had. Alles wat geen steen was, was volledig ingestort of verkoold. Dunne slierten rook kringelden richting de hemel, naar mijn vader.

Zita was ontroostbaar (“Hij heeft ons áchtergelaten!”), maar ik liet geen traan. Ik was volledig kapot, maar ik kon het niet. Mijn ogen waren droog als de woestijn en ik kon niet denken, ik kon me niet concentreren. Het was alsof ik in een cocon gewikkeld was en mijn gevoelens buitengesloten waren. Ik wilde niet praten, ik wilde niet denken. Ik had Denis’ huwelijksaanzoek zonder zelfs maar een glimlach geaccepteerd.

Ik merk opeens dat Loran naast me zit en zijn arm om mijn schouder geslagen heeft. Wanneer is dat gebeurd? “Wat bedoelt u?” vraag ik schor aan de Hoogheer.

“Wat mijn vader bedoelt, is dat we misschien de zieken moeten executeren. Niet alleen dat, maar ook de karavaan waarin ze aankomen. Want ook daarin zit een besmettingshaard en het is een kwestie van tijd voor ze elkaar aansteken en elkaar zien sterven,” zegt Loran zachtjes.

“Is er iets ergers dan om de persoon die je liefhebt te zien sterven aan de plaag?” voegt de Hoogheer eraan toe. Zijn ogen zijn helder en scherp, glinsterend van de emoties. Hij heeft zijn zusje zien sterven toen hij nog jong was. De koorts, het delirium, het bloed en de zweren. Uiteindelijk de dood, die bijna als een genadeslag komt. Natuurlijk is dit voor hem ook een pijnlijk onderwerp.

Het is niet heel moeilijk om me voor te stellen hoe het zou zijn als het Zita zou overkomen. De engelen weten dat ik mezelf al talloze nachten met dat waanbeeld wakker gehouden heb. Maar om daar de schuld bij op te tellen dat ik haar aangestoken zou hebben…

“Denk je dat je vader het juiste gedaan heeft, Reka?” vraagt Loran terwijl hij me een bemoedigend kneepje in mijn schouder geeft.

Ik zie het beeld van ons geblakerde huis weer voor me. De thee klotst in mijn theekopje, zo heftig dat ik het bijna over mijn kleding mors. Mijn handen trillen. “Ja,” zeg ik. Mijn keel voelt aan alsof iemand er zand in gestrooid heeft. “Ik denk…”

Zita met builen over haar hele lichaam, bloedend uit haar poriën. Biddend aan de engelen om genade. Het idee dat het mijn schuld zou zijn. God nee, dat zou ik niet aan kunnen. Ik probeer me voor te stellen hoe Pa zich gevoeld moest hebben toen hij de uitslag kreeg. Die wanhoop; niet wetend of het misschien niet al te laat was, of we misschien niet al besmet wáren zoals hij. En toch die moeilijke keuze maken. Toch dat vuur aansteken. Ons in één klap achterlatend met alleen elkaar, omdat het de enige optie was.

Ik sluit mijn ogen. “Ik denk dat ik hetzelfde zou doen. Ik zou duizendmaal liever levend verbranden dan dat ik Zita zou besmetten.”

“Zie je wel,” zegt Loran tegen zijn vader. “Iedereen denkt er zo over.”

“Misschien hebben jullie gelijk,” zegt Lithon nadenkend. Hij zet zijn theekopje op de lage tafel tussen ons in en staat op. “Het spijt me dat we oude wonden moesten openhalen, Reka. Je mening wordt erg gewaardeerd.”

Ik haal diep adem om mijn gehuiver te bedwingen. Ik heb lucht nodig. “Wat is de conclusie?”

Loran kijkt naar de rug van zijn vader terwijl die de kamer verlaat. “Dat merk je morgen wel.”

3:

De volgende ochtend zitten Zita, Denis en ik aan het ontbijt als er iemand op de deur bonst. Ik sta op van mijn kruk en haal de deur van de haak. Buiten staat, afgetekend tegen de mistige grijze ochtendlucht, een van Lithons renners. Hij heeft een envelop in zijn handen.

“Nieuw protocol?” vraag ik terwijl ik de envelop omdraai in mijn handen. Hij is zowel aan Denis als aan mij gericht.

De renner haalt zijn schouders op, wenst me een fijne dag, en vertrekt weer. Ik voeg me bij mijn zusje en verloofde aan tafel en lepel mijn pap verder op.

Zita kijkt nieuwsgierig naar de envelop. “Heeft dat te maken met je gesprek met Hoogheer Lithon gisteravond?”

“Zou kunnen,” zeg ik afwerend. Ik heb zo mijn vermoedens over wat de inhoud van de envelop gaat bevatten en ik weet niet of ik er blij mee ben. “Zullen we eerst even eten en dan over werk praten?”

Denis en Zita voelen mijn humeur feilloos aan en vullen de stilte met vrolijk gebabbel. Werkpraat is niet te vermijden in dit huis; Denis vertelt over de chemische stoffen en de verhoudingen die hij nodig had om zijn verbeterde versie van de besmettingstest tot stand te kunnen laten komen. Zita, altijd enthousiast om meer te leren, vraagt hem de hemd van het lijf over de eigenschappen van de stoffen en anekdotes over zijn avonturen met experimenten.

Ik luister naar mijn zusje en mijn verloofde, kijk toe hoe ze daar zitten, badend in het grijze ochtendlicht van buiten en voel me opeens volstromen met liefde voor de twee belangrijkste mensen in mijn leven. Mijn hart zwelt er pijnlijk van in mijn borst en ik moet plotselinge hete tranen van emotie wegwrijven. Mijn tafelgenoten hebben het ongetwijfeld door, maar gelukkig zeggen ze er allebei niets van. Ze kennen me zo goed.

Als we alle drie aan de thee zitten, stelt Denis voor om de brief te openen.

Ik schuif de envelop naar hem toe. “Doe jij het maar.” Ik weet al wat er in staat. Ik heb geen zin om de woorden te lezen.

“Oh God en alle engelen,” fluistert Denis, ogen strak op de brief gericht. “Iedere karavaan die een besmette persoon bij zich heeft, wordt ter plekke ter dood veroordeeld.”

Zita verslikt zich in haar thee en begint te hoesten. “Wat? Alle mensen in de karavaan? Alle reizigers?”

“Het lijkt erop.” Denis schudt zijn hoofd. “Dood door vuur wordt aangeraden. Want vuur….”

“Vuur zuivert,” vul ik fluisterend aan.

Zita staart me beschuldigend aan. “Ging je gesprek daarover?”

Ik knik. “Het is de beste optie. Zo kunnen ze hun geliefden niet aansteken. Het is gruwelijk en het is walgelijk en als God ook maar een beetje naar zijn engelen zou luisteren en ons wat genade zou schenken dan was het niet nodig, maar je wéét hoe de zaken ervoor staan, Zita. Je weet hoe wanhopig de situatie aan het worden is.”

Mijn zusje verbergt haar gezicht in haar handen. “Dat zei Loran ook al. Oh lieve engelen, wat een verschrikkelijke maatregel.”

“En wij zijn degenen die mensen ter dood mogen gaan veroordelen,” zegt Denis toonloos. “Dat komt op ons bordje. Geen wonder dat de Hoogheer je het gevoel wilde geven dat je meegeholpen hebt om die beslissing te nemen, Reka. Zo zullen we minder tegenstribbelen.”

“Het enige wat we kunnen doen is bidden dat we voorlopig geen nieuwe buitensteders aan de poort krijgen.” Ik voel me misselijk. Mijn liefdevolle, gelukkige gevoel van een paar minuten geleden is als sneeuw voor de zon verdwenen. De realiteit is weer terug en de grijze ochtend voelt meteen weer koud aan. We zitten gedrieën aan de eettafel, stil en depressief. Ik weet niet waar de anderen aan denken, maar ik kan het beeld van ons uitgebrande ouderlijk huis niet uit mijn geest bannen. De wanhoop die Pa gevoeld moet hebben; de keuze van vuur of besmetting. Zouden de buitensteders aan de poort ook die beslissing nemen? Mochten wij wel die beslissing vóór hen nemen, in de naam van de bescherming van Melinburg en het stoppen van de plaag?

“Je zou mij nog testen,” verbreekt Zita de stilte uiteindelijk. “Je nieuwe test uitproberen. Dat wilde je toch?”

Ondanks alles moet Denis lachen. “Probeer je me af te leiden van sombere gedachten? Dan kan je beter een ander onderwerp proberen.”

Zita schenkt hem een glimlach terug. “Misschien. Maar ik moet zodirect de stad in, verder praten met Kansal. Hij beweerde gisteren dat hij de familie die bij hem logeert in hun slaap zal vermoorden als we geen alternatieve woning voor ze vinden.”

“Hoe drastisch,” zegt Denis terwijl hij opstaat om zijn testkit te pakken.

Ze rolt met haar ogen. “Hij is nogal dramatisch. Nu kan ik het me voorstellen hoor; de zoon in die familie is ongeveer even oud als Kansals dochter, dus Kansal maakt zich zorgen. Niet dat ze ook maar enige privacy zouden kunnen vinden om saampjes in een donker hoekje de verschillen tussen jongetjes en meisjes uit te vinden, maar goed.”

We grinniken alle drie terwijl Denis mijn zusje in haar vinger prikt. De atmosfeer lijkt weer wat lichter en eventjes sta ik mezelf toe om zielsveel van hen allebei te houden. Denis met zijn zorgzaamheid, Zita met haar talent om de wereld te verlichten met gewoon haar pure aanwezigheid. En het volgende moment wordt er weer op de deur gebonsd.

“Noordpoort!” roept iemand van buiten en Denis en ik staan allebei meteen op. Automatisme. Ik graai mijn spullen bij elkaar terwijl Denis naar de deur loopt en informeert over de grootte van de groep aan de poort. Het is een enkele geïsoleerde groep, een familie van vijf, dus het valt mee. Het had veel erger kunnen zijn; de grootste groep die Denis en ik ooit binnengelaten hebben was vijfentwintig man, ongeveer een maan geleden. Zita viel zowat flauw toen ik haar het rapport gaf. “Waar moet ik deze mensen kwijt?” had ze geroepen – maar ze had het geregeld. Tot dusver heeft ze het altijd geregeld.

Vijf man is een stuk beter te behapstukken. Nu maar hopen dat er niemand besmet is…

We pakken onze spullen en zijn binnen enkele momenten klaar om de deur uit te gaan. Ik draai me om en kijk naar mijn zusje, die met een van Denis’ kommen nog steeds aan tafel zit. “Ga maar,” wuift ze. “Ik wacht wel alleen tot de uitslag er is; daarna ga ik aan het werk. Het zou niet zo lang moeten duren, toch?”

Ik geef haar een kus op de wang terwijl ik mijn tas over mijn schouder gooi. Haar huid voelt warm onder mijn lippen. “Geef het nog een paar momenten. We horen het wel, goed?”

“Is goed. Ga gauw die mensen helpen; ik zie het extra huisvestingsdillemma graag tegemoet.”

Denis en ik lopen glimlachend de deur uit, maar nog voor we de hoek om zijn, zijn onze gedachten al bij het aankomend werk. We bediscussiëren of we zijn nieuwe test al zouden mogen gebruiken, maar eigenlijk durf ik dat niet goed aan. Denis’ nieuwe test heeft nog niet het mandaat van het Gilde en wat als de uitslag van de test niet betrouwbaar zou blijken te zijn?

Denis is teleurgesteld, maar hij geeft vlot toe. Zijn woning is vlak bij de Noordpoort, dus we hebben ook niet veel tijd om te beslissen. “Ik heb gewoon niet veel zin om al die tijd te wachten tot we de uitslag hebben. Ik zou die tijd zo veel beter kunnen besteden.” Zijn oude frustratie weer.

Ik snap meteen wat hij bedoelt. “Door naar het Gilde te gaan met je nieuwe test, bedoel je?”

Hij knikt en schopt tegen een kiezel op de straat. “Ik baal er gewoon van.”

“Ga jij anders,” stel ik voor. “Ik kan die test best alleen afnemen en wachten tot de uitslag er is. Dat gaat toch helemaal vanzelf.”

“En als de uitslag slecht is?”

Ik haal mijn schouders op. “Dan is hij slecht. De wachters regelen het verder wel, neem ik aan.”

Hij kijkt me aan, donkere ogen sprankelend met hoop. “Meen je dat?” Het grijze ochtendlicht is onvergeeflijk en Denis is nooit een knappe jongen geweest, maar met zo’n glimlach op zijn gezicht is hij de mooiste jongen in heel Melinburg. Alsof ik hem iets kan weigeren. “Tuurlijk. Haal je spullen van thuis, overtuig het Gilde. Ik red het hier wel in mijn eentje.”

Mijn verloofde lacht en zoent me midden op straat vol op mijn mond. Ik maak een protesterend geluidje achterin mijn keel (wat als mensen ons zien?), maar een paar seconden later is Denis verdwenen, terug naar huis om zijn spullen op te halen.

Ik draai me naar de poort en recht mijn schouders. Het moment van liefde en hoop dat ik vanochtend voelde, duw ik naar achteren; het is tijd om de realiteit onder ogen te komen. Tijd om tests af te nemen, tijd om oordeel te vellen. Als de uitslag van de test slecht is, dan moet ik ze ter dood veroordelen en de wachters aan de poort de executie laten uitvoeren. De gedachte alleen al is overweldigend. Wie ben ik nu, met mijn negentien zonnewendes, om beslissingen over leven en dood te nemen?

Prompt is de bal in mijn maag ook weer terug. Ik meld me bij de poortwachters, die me doorverwijzen naar de nieuwelingen. De stadspoort opent voor me en laat me naar buiten. Mijn laarzen zakken onmiddellijk een centimeter weg in de modder. Nu het verkeer voor de stadspoort volledig tot stilstand gekomen is, doen Lithons mensen nog maar weinig aan het onderhoud van de weg. Ik geef ze geen ongelijk, ze hebben wel wat beters te doen binnen de stad.

De modder zuigt aan mijn laarzen als ik naar de huifkar met paarden loop waar de familie op me staat te wachten. Ik tel inderdaad vijf mensen. Een man en vrouw, drie kinderen. Ze zien er allen vermoeid en bemodderd uit alsof ze dagenlang gereisd hebben.

De paarden voor de huifkar doen me denken aan de paarden die we vroeger thuis hadden, voordat Pa ons naar de stad liet komen. De paarden zien er beter uit dan de reizigers zelf en ik kan mezelf er niet van weerhouden om het voorste dier te aaien. Mijn hand bevriest in de beweging als ik opeens mijn naam achter me hoor.

“Reka, ben jij dat?”

Het is de man. Ik kijk hem met een ruk aan. En dan zie ik het: hij lijkt op Pa. Een jongere versie, maar dan nog. Dit moet oom Johan zijn. Ik heb hem niet meer gezien sinds ik acht was. Hij is niet veel veranderd; hij heeft een paar rimpels gekregen en zijn haren zijn dooraderd met grijs, maar dat is alles. “Oom Johan?” vraag ik. Ik behoud een veilige afstand tussen ons in. Oh God, als hij besmet is…

“Reka, wat doe jij hier? Waarom laten ze ons niet binnen?”

Maar ik kan mijn ogen niet afhouden van de anderen die hij bij zich heeft. Een tweeling van nauwelijks vijf zonnewendes oud, meisjes, met rossige krullen. Ze klemmen zich aan de rokken van tante Lize vast. En Lize zelf… ze heeft een peuter op haar arm die zijn gezicht in haar vest verbergt. Een jongetje, zo te zien. Ik heb twee nichtjes en een neefje. Een familie waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden.

“Reka?”

Ik kijk hem langzaam aan – als in een droom – maar hervind dan mijn professionele persona. Ik moet deze mensen testen, dit is mijn baan. “Oom Johan, kom alsjeblieft niet te dichtbij. Ik ben hier om jullie op besmetting te testen. Ik heb een testkit bij me, die zet ik op de grond tussen ons in. Doe de test. Als de vloeistof voor jullie allemaal groen kleurt, mogen jullie de stad in. Anders…” Mijn stem hapert. “Anders niet.”

“Waar is je vader, Reka? En hoe is het met je zus?” Het lijkt wel alsof hij me nauwelijks gehoord heeft.

Het loden gewicht in mijn maag verzwaart zich. Ik voel me koud van binnen op een manier die niets met de gure midwinterlucht te maken heeft. “Met Zita gaat het goed. Pa is afgelopen wende overleden aan de plaag. Dus je snapt dat ik jullie moet testen, voordat ik maar in de buurt kan komen. Ik wil niets liever dan jullie écht begroeten, maar dat kan niet. Doe de test. Alsjeblieft.”

“Natuurlijk. Ik begrijp het. We hoorden de geruchten hierover al toen we hierheen reisden.” Johan kijkt me aan met donkere ogen die me zo ongelofelijk aan Pa doen denken dat ik bijna door mijn knieën zak. Oh God, was Denis nu maar wel met me meegekomen. Ik trek dit niet in mijn eentje. Dit is familie – échte familie. Hier op de rand van Melinburg. Ze hebben dagenlang of misschien wel weken gereisd, maar hier zijn ze. En ik moet ze testen. Waarom ik?

Ik zet de kommen op de grond en vul ze met vloeistof. De modder van de grond trekt binnen enkele tellen in het zachte leer van mijn rok en voelt koud aan tegen mijn huid, zelfs door mijn ondermaillot heen.

“De test gaat als volgt: jullie prikken jezelf in je vinger en druppelen bloed in de schaal. We wachten. Wanneer het water groen kleurt, zijn jullie niet besmet en zullen we proberen om binnen de muren van Melinburg accommodatie voor jullie te vinden. Als het water roze kleurt, zelfs voor één van jullie…” Ik krijg de woorden zowat mijn mond niet uit. “Executie,” zeg ik schor. “Om verdere besmetting te voorkomen.”

Mijn oom en tante bevriezen alsof ze niet kunnen geloven wat ik zeg.

“Als jullie het niet aandurven, dan kunnen jullie ook weggaan. Zoek jullie heil ergens anders als de prijs voor Melinburg te hoog is.”

“Javen is zo veel aan het slapen,” zegt Lize tegen haar man. Ze kijkt bezorgd terwijl ze haar zoontje over de bol aait. “Wil je het risico lopen?”

“Er zijn niet heel veel andere opties waar we veilig zijn, lief. We moeten aan de kinderen denken. Javen is gewoon vermoeid van de lange reis.”

Ze knikt en plant een kus in de haren van haar zoontje. “Laten we hopen dat je gelijk hebt.”

Ik kijk stil toe hoe ze eerst zichzelf en dan de kinderen in de vingers prikken en het bloed in Denis’ vloeistof druppelen. De kinderen vinden het verre van leuk. Vooral Javen huilt alsof ze hem aan het martelen zijn. Uiteindelijk loopt Lize een eindje met hem weg om hem te troosten. De tweeling komt bij hun vader staan terwijl ze me rancuneus aanstaren.

“Sorry,” vertel ik de meisjes, hurkend door mijn knieën op zo’n vijf meter afstand. “Als het goed is, mogen jullie zo de stad in. Dan zorgen we dat jullie een warm bed hebben en dat jullie je kunnen wassen. Klinkt dat goed?”

De tweeling blijft stil. In plaats daarvan begint hun vader te vertellen: “Pelerië bestaat niet meer. Iedereen is dood of stervende. We zijn weken geleden vertrokken, als een van de laatsten. We woonden aan de grens, bij het water en ik had al heel lang al het menselijk contact afgekapt; we leefden van alles wat we zelf konden verbouwen. Het is belachelijk; we hebben zo veel geld en niemand om het aan uit te geven. En dan die angst voor besmetting…. het vluchten…  Daarom hopen we dat Melinburg ons op kan nemen. Ik wil gewoon… weer mensen zien, met ze kunnen praten. Mijn kinderen zien opgroeien. Ik ben zo moe van dit alles. Melinburg is onze laatste hoop.”

Ik begrijp hem zo goed. Zijn angst is de mijne: de angst om te sterven… maar vooral om zijn geliefden te zien sterven. Het vreet aan je. En als je dan ook nog zo lang moet vluchten… God en alle engelen, hij is familie. Ik zou hem moeten helpen.

We wachten samen af, starend naar de kommen met vloeistof. De eerste twee kommen worden binnen enkele seconden na elkaar groen. Johan en Lize zijn gezond. Ze glimlachen naar elkaar, ietwat onzeker, ietwat opgelucht. Dan komen de kinderen. De tweeling eerst; allebei groen. En dan de peuter, het jongetje. Dat duurt langer, want ze moesten zo ongeveer met hem worstelen om hem in de vinger te prikken. Zijn bloed mengde later dan de rest.

Mijn hart slaat traag in mijn borst. Hoop en angst.

Roze. Het water is roze.

“Oh Javen,” zegt tante Lize met overslaande stem. Ze drukt haar zoontje dichter tegen zich aan en knijpt haar ogen dicht. “Oh nee.”

Mijn geest flitst naar ons uitgebrande huis, naar mijn angstbeeld van Zita die sterft tussen zwerende wonden, bloed en pus. Aan Denis. Aan heel Melinburg dat in gevaar is door dit kleine jongetje. Aan mijn oom en tante, die hun zoon – en waarschijnlijk tevens hun dochtertjes – niet zo veel later gaan zien sterven. Is er iets ergers dan een geliefde te zien sterven aan de plaag? vroeg Hoogheer Lithon me gisteravond.

Ik zie sterretjes. Oh God, oh God, waarom doet u me dit aan?

“Reka,” zegt mijn oom opeens en hij staat naast me, hij grijpt me bij mijn polsen.

Ik kijk hem aan, door het waas voor mijn ogen heen. “Laat me los,” zeg ik scherp.

“Reka, kan ik je betalen? Dat je ons nooit gezien hebt? Kunnen we wegkomen zonder dat ze ons afmaken?”

Ik kan even niet antwoorden. Ik zie alleen maar het angstbeeld voor me van Melinburg; de stad waar ik de afgelopen tien zonnewendes heb doorgebracht – mijn thuis – geteisterd door de plaag. Het laatste bastion van de zwaarste uitbraak van plaag in de afgelopen driehonderd wendes – alsnog gevallen. Zita, Denis, iedereen dood of stervende… net zoals in Pelerië. En dan is het mijn schuld. Oh God, oh God.

“Zou je je eigen familie ter dood veroordelen, Reka?”
Het irriteert me dat hij me steeds bij mijn naam noemt, maar ik snap zijn wanhoop en zijn angst. Kan ik mijn familie ter dood veroordelen? Kan ik ingaan tegen de orders die Hoogheer Lithon me gegeven heeft? Tegen zijn vertrouwen? Ik heb álles aan hem te danken. Zita zal zijn zoon trouwen. Maar kán ik… Ik voel mezelf weer terugzakken in die bekende mist van leegte en gevoelloosheid waar ik na Pa’s dood zoveel tijd in heb doorgebracht. Ik kan opeens weer helder nadenken. “Om hoeveel geld gaat het?” vraag ik hem.

Hij drukt een zware geldbuidel in mijn handen. Ik open de zak en vind goudstukken. Minstens twee handen vol gouden munten. Genoeg om voorlopig rond te kunnen komen. Misschien zelfs genoeg om Zita’s fortuin genoeg te vergroten om een goede partner voor Loran te mogen zijn. Als zijn vrouw, niet zijn concubine.

Ik dwing mezelf om te glimlachen naar mijn oom. “Ik zeg de wacht dat jullie je bedacht hebben; dat jullie besmettingsvrij zijn, maar toch Melinburg niet in willen. Ik verzin wel wat.”

Hij gooit zijn armen om me heen en drukt zich dicht tegen me aan. Het is echt verschrikkelijk hoe veel hij op mijn vader lijkt. Hij voelt en ruikt zelfs hetzelfde. “Dank je wel, Reka. Dank je wel.”

Uit automatisme knuffel ik hem terug. “Het spijt me van Javen,” fluister ik tegen zijn borst. “Het spijt me van alles.”

Ik kijk niet naar zijn familie als ik een paar seconden later door de zompige modder terugloop naar de poort; ik zal ze toch nooit meer zien. Gevoelloos, dat ben ik. Ik voel de koude winterlucht nog nauwelijks. Ik mis Denis niet eens. De poort opent zich en de wachters kijken me vol verwachting aan. “Waren ze besmet?”

Ik kijk naar de zak met goud in mijn handen. Een seconde maar, dan kijk ik weer op. “Het jongste zoontje. Schiet op, anders gaan ze er vandoor.”

De wachters laten de poort openstaan terwijl ze naar buiten rennen. Het gegil van mijn familie gaat door merg en been terwijl ik de stad inloop, maar ik kijk niet om.

4:

Ik wil niet naar huis. In plaats daarvan breng ik een tijd door op het strand, starend naar de branding, voordat ik door de stad ga dwalen. Er breekt een waterig zonnetje door dat de zee kwikzilver kleurt en de modder in de stad doet dampen. Er zijn mensen op straat; veel mensen. In sommige straten moet ik me door de menigte heen persen terwijl ze geld en goederen ruilen, terwijl ze proberen om hun leefomstandigheden binnen de stadsmuren te verbeteren. De stad wordt iedere dag voller. Gezonde mensen, niet besmette mensen. Dit is waar ik het voor doe, toch? Dit is waar ik mijn eigen bloed voor verraden heb.

Ik bescherm deze mensen, net zoals ik mijn zus bescherm. Net zoals ik mijn verloofde bescherm. Ik heb het voor hen gedaan.

Waarom is het dan zo moeilijk om Zita onder ogen te komen? Waarom moet ik dan moed verzamelen om haar te vertellen wat ik gedaan heb?

Ik klem mijn vingers om de buidel met goud die ik veilig onder mijn mantel verstopt houd. Bloedgeld. Geld wat ik niet had moeten aannemen, maar het heeft ervoor gezorgd dat oom Johan zich rustig hield totdat de wacht kwam. Het gaf hen een momentje van hoop voordat ze stierven en hij heeft het geld toch niet meer nodig. Dit goud kan Zita’s huwelijk betalen. Dit goud heeft Melinburg onbesmet gehouden.

Oh… Ik moet zelf ook getest worden; ik ben in aanraking geweest met een besmette familie.

Tijd om naar huis te gaan, dan. Als Denis terug is van het Gilde, dan kan hij zo’n vlotte test met me uitvoeren. Daarna kunnen we Hoogheer Lithon bezoeken en gaan kijken of het huwelijk tussen Zita en Loran mogelijk is. Zou mooi zijn. Dan is er in ieder geval nog iets voortgekomen uit de nachtmerrie die vandaag is.

De zon is al ver voorbij zijn hoogste punt wanneer ik mijn hand op de deurknop van Denis’ woning leg.

Tegen mijn verwachting in is Zita thuis. Ze zit aan de eettafel, leunt er half overheen en rust haar hoofd op haar armen. Haar gezicht is verborgen achter kastanjekleurige haren en een van Denis’ testkommen.

“Zita, moest jij niet werken?” vraag ik voorzichtig. Slaapt ze?

Maar dan kijkt ze op, groene ogen net zo rancuneus als mijn nichtjes, net zulke betraande wangen. Haar ogen zijn rood en dik, alsof ze urenlang heeft gehuild. “Wat heb je gedaan, Reka?”

Ik sta verstijfd in de deuropening. “Je hebt het dus gehoord.”

Ze knikt woordeloos. Haar knappe gezichtje is een ravage van verdriet en hulpeloze woede.

“Zita, ik kon niet anders. Ik kon ze niet toelaten, ik kon ze ook niet laten gaan. Het spijt me, maar ik kon het niet.”

Het volgende moment stuift ze op van de tafel en vliegt me aan. Ik kan haar maar net van mijn gezicht afweren, maar niet genoeg om mijn evenwicht te bewaren. Zita is altijd al sterker geweest dan ik. We vallen samen op de grond. Ze graait haar vuisten vol met mijn mantel en sleurt me half omhoog, om me vervolgens weer tegen de grond te klappen. Het slaat de lucht uit mijn longen en ik kan me niet verdedigen, ik wíl me niet verdedigen terwijl ze tegen me schreeuwt. Ik ben weer gevoelloos van binnen en zij is zo vervuld van emoties. “Hoe durf je je familie zo te verraden!” schreeuwt ze. “Je eigen vlees en bloed, aan het mes geregen als beesten, daarna verbrand. Hoe durf je!”

“Ze zouden elkaar moeten zien sterven,” hijg ik wanneer ik er eindelijk even tussen kan komen. “Builen, bloed, zweren, pus, alles.”

Ze gebruikt een hand om ruw de tranen uit haar ogen te vegen, maar met de ander houdt ze me nog steeds tegen de grond gedrukt. “Niet iedereen gaat dood aan de plaag! Sommigen zijn immuun, sommigen komen er overheen. Jij veroordeelt ze al voordat ze zelfs maar een kans hebben!”

Dit is een groot verschil ten opzichte van de dingen die ze vanochtend zei. Ze was het eens met de methode; en ze wéét dat maar een in de duizend mensen die besmet raken de plaag het overleeft. De rest sterft op de meest mensonterende manier, in een poel van hun eigen uitwerpselen. “Zita… waarom zeg je dit?” vraag ik voorzichtig. Ik pak haar bij haar polsen. Ik knijp niet, ik houd haar gewoon vast.

Ze rolt van me af en verbergt haar gezicht in haar handen terwijl ze gierend adem haalt tussen haar snikken. “Zou je mij ter dood veroordelen, net als oom Johan en tante Lize?”

Opeens weet ik wat ze wil gaan zeggen, maar dat besef is zo groot, zo verschrikkelijk, dat ik het niet kan bevatten. Mijn geest wil er niet aan, maar ik moet het weten. “…Zita?”

“Op tafel.”

Ik krabbel overeind. Als in een droom loop ik door de kamer heen en kijk in Denis’ testkom op de eettafel. Het water erin is zo roze als bij Javen.

Achter me is Zita aan het praten. Ze klinkt gebroken. “Het spijt me, maar ik moest Denis bewusteloos slaan. Hij ligt in de slaapkamer. Hij zou me ook verraden bij de wacht. Ga jij me verraden?”

Ik snak naar adem. “Zita, van wie is deze test?”

Ik weet het al. Zelfs door de mist van mijn zelfopgelegde gevoelloosheid heen weet ik wat ze gaat zeggen. Natuurlijk zegt ze het – mijn zusje, mijn lieve zusje, mijn reden van leven, mijn zonneschijn.

“Van mij.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here