Cyaan onder een magenta maan – Martijn Lindeboom

0
46

Martijn Lindeboom schrijft al sinds zijn jeugd, wat resulteerde in een groeiend aantal publicaties. Zo verscheen in 2004 De legende van de Zwarte Wolven, een fantasieboek dat speelt in Nederland in de 12e eeuw.  In 2008 besluit hij zich meer op het schrijven te gaan richten en schrijft hij onder andere mee aan Lagen in Stad en Schatten uit de Schaduw.

Naast zijn schrijven combineert hij zijn kunde als Taekwon-Do leraar met de fantasy, door als de krijger Qu-Mar op verschillende evenementen workshops te geven in het bevechten van fantasywezens. Ook organiseert hij sinds 2011 de Paul Harland Prijs. In 2012 won hij de Fantasy Strijd Brugge met het verhaal Cyaan onder een magenta maan.

 

Cyaan onder een magenta maan
Martijn Lindeboom

 

Het rotsige pad werd breder en Qu’Mar keek omhoog. De rode maan leek te balanceren op de rand van de kloof. Hij beduidde zijn metgezel haar spinmeisel in te houden, terwijl hij op onderzoek uit ging. Ondanks de vermoeidheid van vele uren afdalen en klimmen, rende hij het laatste stuk. Weggedoken achter een rotsblok nam hij het ruige land aan deze kant van de kloof  in zich op. De rotsige bodem glooide omhoog, tot waar stekelige ondergroei en kronkelige bomen hen opwachtten.

Geen teken van de gevreesde zwijnenruiters. Hij keek achterom. De kloof leek even een rivier van inkt, tot zijn ogen weer wenden aan de schemer. Cyaan keek verwachtingsvol naar hem op. Ze zat in kleermakerszit in het rozet van de meiselkiem waar ze op reed. De enorme, vlezige spore van de Matermeisel stond volkomen stil op zijn tiental stengels, alsof het al wortel geschoten had. Qu’Mar wenkte haar. Ze klopte op de bast van haar transportmiddel en het wezen kwam in beweging, voorzichtig voor zich voelend waar hij zijn stengels moest planten.

De spinmeisel rees boven hem op en Qu’Mars buik verstrakte bij het zien van de als papegaaienbekken gevormde muilen in de onderkant van het plantwezen. Alleen Cyaans wil voorkwam dat de planthonger de meiselkiem zou overgroeien en dat hij Qu’Mar aan zou vallen.

Cyaan keek over haar schouder naar de zwarte scheur in het landschap waar ze uitgeklommen waren. “Deze kloof zal weer worden overspannen. Eerst met meiselvezels. Later met steen.”

Ze was vol van plannen en dat schuurde tot diep in zijn ziel.

“Moeten we nog ver, vrouwe?” vroeg hij, zijn stem bewust vlak. Langs de knobbelige randen van de rozetten keek Cyaan op hem neer. Haar mooie gezicht leek te gloeien in het maanlicht. Violette ogen knipperden langzaam en enigszins vochtig. Ze legde al haar jeugdig aplomb in haar vooruit wijzende vinger. “Niet ver meer, krijger. Ons land is daar.”

 

Het was donker in het woud en de doornige ondergroei leek hen wel actief tegen te werken. Na een tijdje ploeteren klom Qu’Mar in een boom en zijn gang werd makkelijker. De kronkelbomen vervlochten hun takken met elkaar, waardoor hij van boom naar boom kon lopen, vlak boven Cyaans hoofd. Zij leidde de blinde spinmeisel op zijn stengelstelten over de prikkende obstakels. Ze lachte toen hij een sprong met koprol maakte, over een kluwen takken heen. Hij keek naar haar, bang dat ze hem uitlachte om zijn uitsloverij. Ze knipoogde terug en glimlachte, alsof ze niet al vergeven was. Hij rende de volgende tak op.

“Daar is het, krijger,” zei Cyaan, wijzend op een open plek in het vrijwel ondoordringbare woud. Hij slingerde zich naar een volgende tak, die de leegte van de open plek in groeide. De leegte die ooit door een Matermeisel was gevuld. Het rode maanlicht kleurde de begroeiing bijna zwart.

Qu’Mar nam een aanloop en sprong met een salto het centrum van de open plek in. Hij brak zijn val met een schouderrol en sprong overeind in een gevechtshouding, vlak naast de ruw afgehakte meiselstronk. Zijn plotselinge verschijning echode door het bos, maar hij werd niet aangevallen. Met een ademhalingsoefening dwong hij de spanning uit zijn lijf. Hij keek naar Cyaan, die op de rug van de meiselkiem de plaats van het offer opstapte.

Zijn spanning had niets te maken met monsters. De vorige avond hadden ze elkaar over het kampvuur aangekeken. Haar hele leven stond in het teken van deze reis, hoe kort die ook was. Hoe kort haar leven ook was. Dat wist hij, toen hij de uitdaging om haar te beschermen aanvaardde. Toch prikten de tranen in zijn ogen.

De spinmeisel spreidde zijn stengels uit, tot zijn rozet de grond raakte. Lichtvoetig stapte Cyaan van de plant. Haar gewaad vloeide om haar gestalte. Qu’Mars vingers trilden. Hij verborg zijn gezicht in zijn kap.

“Je ogen verraden je, krijger,” zei Cyaan met een kleine glimlach. “Ze gloeien in het duister.”

“Is er geen andere manier, vrouwe?” vroeg Qu’Mar, opgelucht dat zij net zo formeel bleef als hij. Een herhaling van de intimiteit van de vorige avond zou zijn zelfbeheersing verpulveren.

“Neen,” antwoordde ze. Haar stem was zo gewichtig dat hij in zijn botten leek te vibreren.

Met langzame, bestudeerde bewegingen trok Cyaan de bindingen van haar gewaad los. De gladde stof gleed van haar lichaam als duister water. Qu’Mar wendde zijn hoofd af van haar pracht en kneep zijn brandende ogen dicht.

De ondergroei ruiste, maar de kruinen van de bomen bleven stil. Qu’Mar keek op, zijn training drukte zijn frustratie en verdriet aan de kant. Vaag hoorde hij geknor en gekraak.

“De zwijnenruiters zijn in aantocht,” zei hij, voor hij de fout maakte om te kijken. Cyaans huid glansde als obsidiaan in het magenta maanlicht. Een rilling schoot langs zijn rug.

“U weet wat u moet doen, krijger,” zei ze, voor ze in het gras ging liggen en haar armen en benen spreidde. Het geraas door de ondergroei kwam snel dichterbij. Knarsetandend wendde hij zich weer af en liep naar het lawaai toe. Hij wist wat hij moest doen. Hij wist ook wat hij wilde. En die dingen stonden haaks op elkaar.

Qu’Mar wierp in het voorbijgaan een blik op de spinmeisel, die nog steeds klaarstond. Toen braken de eerste zwijnen door de doornige randen van de open plek. Qu’Mar zakte op zijn hurken en balde zijn vuisten in het gras voor zich.

Achter hem begon Cyaan te zingen. Het lied van een Matermeisel. De aanroeping van het ultieme offer. De versmelting onder een magenta maan.

Nooit eerder had Qu’Mar zulke gigantische zwijnen aanschouwd. De wezens briesten, gromden en knorden, terwijl ze hun gespleten hoeven op de open plek plantten. Op hun ruggen zaten bonkige wezens met dicht bij elkaar staande ogen, groengrauwe huidskleur en puntige gebitten, die met zwaarden, bijlen en speren zwaaiden. Bijlen die de Matermeisel geveld hadden.

“Van ons!” gromde de voorste van de zwijnenruiters. “Wegwezen krijger! Van ons!”

Qu’Mar boog zijn hoofd. Dit was de ultieme test van zijn doorzettingsvermogen. Hij wist dat hij Cyaans keuze moest respecteren, hoezeer hij haar ook wilde beschermen.

Zijn vingers trokken het gras uit de bodem en zijn nagels beten in zijn handpalmen. Hij gromde, zoals hij tegen een wolf zou doen, om zijn dominantie uit te drukken.

“Neen, ruiter. Ik moet jullie tegenhouden.” Zijn stem klonk schor en woest. Schuin achter hem richtte de meiselkiem zich op en de dodelijke bekken klepperden in zijn ondergroei. Qu’Mar kwam overeind, spreidde zijn armen uit en maakte zich groot. De zwarte zwijnen, met op hun ruggen zwaar bewapende ruiters, keken op hem neer.

Even was het stil. Toen gaven de ruiters hun zwijnen de sporen. Qu’Mars wezen gleed in het innerlijke harnas van de krijgsconcentratie. Hij rende op zijn aanvallers af en brulde, voor hij onder de speer van de leider door dook. Met een schouderrol ontweek hij de stampende poten van diens zwijn en achter de charge veerde hij op. Geen tijd te verliezen. Geen van de monsters mocht Cyaan bereiken. Twee passen en hij was op snelheid. Hij sprong op de rug van het dichtstbijzijnde zwijn. Hij sprintte door, knalde zijn elleboog in de nek van de ruiter en sprong door naar het volgende dier. Systematisch, zoals zijn vader hem de technieken en patronen van de Jinai had bijgebracht, dook hij van tegenstander naar vijand.  Alle zwijnen waren in piepende paniek, voor ze halverwege Cyaan en de over haar heen knielende spinmeisel waren. Qu’Mar sprong op de rug van het leidende zwijn en blokte de woeste uithaal van de aanvoerder. Qu’Mar gaf een ruk aan de pols van het monster. De gekartelde sabel wiekte door de nachtlucht. Qu’Mar sprong van de rug van het zwijn. De berijder smakte op de grond. Zijn rijdier ging er roffelend en piepend vandoor.

Qu’Mar rolde door en sprong op. Zijn ogen vonden die van Cyaan. Ze keek terug, haar ogen groot en donker, in de schaduw van de meiselkiem. Hij huiverde. Het was te laat om nog op zijn beslissing terug te komen.

“Dank je, lieve Mar,” fluisterde Cyaan, voor de spinmeisel zijn rozet met papegaaienbekken naar beneden ramde, in haar buik. Haar gil leek van extase. Haar armen en benen spartelden, terwijl de kiem in haar lijf uitbotte. Stengels zonken de grond in. Het wezen begon te zwellen. De poten zogen grondwater op. Het rozet dronk van haar bloed en van haar brein. De ultieme versmelting, intenser en doordringender dan hun samenzijn van de vorige avond.

De zwijnenruiters hergroepeerden aan de rand van het woud. Qu’Mar zag hoe ze hun briesende zwijnen heen en weer lieten lopen. Het kon hem niet schelen. De verse Matermeisel groeide vlak achter hem. De symbiont tussen mens en plant schoot wortel, groeide op, wuifde met haar uitbottende stengels. Ze groeide hem boven het hoofd, torende boven hem uit. Hij stond op en vouwde zijn armen voor zijn borst. Dit was nu haar territorium. Het zou niet lang duren voor haar volk haar zou volgen, terug naar het woud dat de ruiters van hen gestolen hadden.

Hij had zijn belofte gestand gedaan. Zijn doorzettingsvermogen getoond. En toch proefde hij zout op zijn lippen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here