Kaboem! – Django Mathijssen

0
232

Django Mathijsen is de meest bekroonde Nederlandse verbeeldingsliteratuurauteur. Hij heeft als enige auteur drie keer de Unleash Award gewonnen. En daarnaast o.a.: de NCSF-prijs (tweemaal), de Grote Brugse Boekhandel Fantasy Award, Trek Sagae, Woordenstroom, vijf Pure Fantasy Themawedstrijden en zeven Eervolle vermeldingen bij Writers of the Future.

Zijn eerste roman, “Mando Vidé en het Robotbevrijdingsfront”, is uitgegeven in 2010. Zijn verhalen zijn verschenen bij alle huidige Nederlandse SF/F/H tijdschriften en bij diverse grote Noord-Amerikaanse tijdschriften (zoals Emerald Sky, Big Pulp en Kaleidotrope). Ook is hij vertaald in het Frans, Roemeens en Hebreeuws.

Hij werkte als jazzorganist toen hij afstudeerde als werktuigkundig ingenieur aan de TU Eindhoven. Hij heeft als wetenschapsjournalist honderden artikelen geschreven voor Nederlandse, Engelse en Amerikaanse tijdschriften. En hij was technisch consultant bij de prijswinnende tv-programma’s Robot Wars en TechnoGames.

Samen met Anaïd Haen heeft hij o.a. Codenaam Hadsadah geschreven (de eerste thrillerroman over WikiLeaks) en vier kinderboeken: Koningsbillen en drakenstreken, het in 2015 te verschijnen vervolg Ridders op sokken en de twee Vlaamse Filmpjes Het invulnet en Mijn beschermtrol. Daarnaast werken ze samen aan de verhalenseries over Nick Zwartbron en Mirthe van de Graaf in de nieuwe e-zines Vamp en Held.

 

Over het verhaal
Jaren geleden schreef Django al de plot en de eerste hoofdstukken van De zevende draak, een roman over dwergen en een muilhoorn die een stad moeten redden uit de klauwen van een boze tovenaar. (Sander van Zijl maakte er deze illustraties bij). De eerste 6.000 woorden van deze roman vormden het verhaal De held van Kotterdijk, waarmee Django in 2010 vijfde werd bij de Unleash Award. Kaboem! is gebaseerd op een hoofdstuk verderop in de roman.

 

Kaboem!
Django Mathijsen

 

Het strakke asfaltlint voor ons sneed dwars door de jungle. Ik zat bij Jellana achter op de stoomtandem. Haar zwartleren korset sloot strak om haar middel, haar lange blonde haren wapperden in mijn gezicht.

Ik liet nog wat kolen uit de zadeltas in de trechter naar de vuurkast glijden. Daarna legde ik mijn handen om haar middel en genoot van de schaduw van de palmbomen. In de verte doemde een stenen boog op.

Jellana ging in de remmen. De tandem kwam met gillende banden en steigerend op het voorwiel tot stilstand. Jellana deed haar stofbril af. Ik volgde haar voorbeeld.

“Kijk!” Jellana wees naar een wit konijntje dat midden op het asfalt zat te knabbelen op een wortel.

Ik greep mijn geweer uit de holster achter op de tandem. “Dat wordt een lekker stoofpotje.”

“Nee,” zei Jellana. “Jij gaat niet op dat lieve konijntje schieten.”

“Ik dacht dat je daarvoor gestopt was.”

“Niet schieten. Dat is wreed.”

“Het dier villen terwijl het nog leeft is wreder.”

“Dat beestje wordt niet gevild!”

“Sinds wanneer ben jij een vegetaartje geworden?”

“We hebben nog genoeg gezouten vlees in de zadeltassen.”

“Varkens, kippen en konijnen die ooit heel lief waren.”

“Dat is anders. Die zijn dood.”

“Had je liever dat een kat dit verse beest te grazen neemt?”

Jellana haalde haar schouders op. “Dat is de voedselketen.”

“Waarvan wij aan de top staan.”

“Wapens zijn niet eerlijk.”

“Katten hebben toch ook wapens?” Ik maakte een klauwend handgebaar naar haar pet.

“Die zijn door de natuur gegeven.”

“Natuurgegeven vernuft heeft mijn geweer in elkaar geknutseld. Als konijntjes slim waren, zouden ze op ons schieten.”

“Je mag van mij elk konijn vermoorden dat op ons schiet.”

“Maar…”

“Kwets dat konijntje en je slaapt vannacht op de grond buiten de tent.”

Ik stopte het geweer terug in de holster.

“Als kind had ik een opwindkonijntje…”

Jellana werd onderbroken door een geluid als een krijsende bosheks.

 

Een stoomstraaltrike met een blauw zwaailicht sprong tussen twee palmbomen door over een paar bosjes heen de weg op. Het konijntje liet zijn wortel vallen.

“Nee!” piepte Jellana.

Het pluizige beestje verdween onder het voorwiel van de trike.

De trike slipte tot stilstand. Een man in een zwart met wit gestreept uniform met koperen knopen sprong ervan af. Hij zette zijn helm af. Daaronder droeg hij een bril en een streng gezicht. Hij haalde een pen uit zijn zak en doopte hem in een inktpotje dat aan zijn riem hing. Hij kriebelde ermee iets op een stuk papier.

Jellana zette de motor op de standaard. Ze sprong ervan af.

Ik pakte haar bij de schouder en probeerde haar tegen te houden. Haar groene ogen keken me aan met de blik van een gewond roofdier. Ik liet haar schouder los.

 

De man in uniform speldde het stukje papier aan de roodwitte veeg op het asfalt.

“Waarom hebt u dat gedaan?” Jellana stond voor hem met haar vuisten in haar zij.

“De verdachte is beboet voor het onwettig oversteken van de expresweg voor muilezels, paarden en motorvoertuigen.” Hij produceerde een koperen kaartje waarin officieel ogende letters waren gedrukt. “Kooskuu, ecoductpatrouille. De verdachte had het ecoduct moeten gebruiken.”

“Ecoduct?” vroeg Jellana.

Kooskuu wees naar de boog. “Het viaduct zodat pootgangers, niet behorende tot de categorie der muilezels, paarden of motorvoertuigen, de expresweg voor muilezels, paarden en motorvoertuigen kunnen oversteken zonder zichzelf in gevaar te brengen of eventuele muilezels, paarden of motorvoertuigen die voornoemde expresweg voor muilezels, paarden en motorvoertuigen gebruiken.”

Jellana’s mond viel open. “P-pootgangers?” stamelde ze. “Dat beestje wist niks over een ecoduct.”

“Pleiten op onwetendheid is vruchteloos. Overal staat het ecoduct hier op verkeersborden aangegeven.”

“Konijntjes kunnen geen borden lezen, sukkel!”

“Belediging van een patrouilleambtenaar in functie.” Kooskuu kriebelde iets op een nieuw stuk papier. Hij raapte de wortel op. “Bewijsstuk A: een wortel, gestolen van boer Strobijter. Wortels zijn goed voor de ogen. Ergo: de verdachte had goede ogen.”

“De verdachte probeerde zijn blindheid te genezen.” Jellana pareerde hem met zijn eigen wapens.

Ik kon een grijns niet onderdrukken.

“Hij botste tegen boom na boom tot hij eindelijk deze helende wortel vond,” ging ze verder. “Ergo: u hebt een gehandicapt konijntje vermoord.”

Kooskuu hief zijn vinger in de lucht. “De verdachte is een konijn. Konijnen knagen wortels. De verdachte droeg geen bril. Elk wezen wordt geacht de wet te kennen. Elke verkeersdeelnemer is verplicht om voldoende gezichtsvermogen te hebben. Het ecoduct is hier al tien jaar. Ergo: de verdachte negeerde talloze wetten. Hij was een beroepscrimineel die er makkelijk vanaf is gekomen.”

“U hebt het beestje vermoord!” riep Jellana uit.

“Geëxecuteerd voor zijn eigen bestwil. De verdachte ondermijnde het systeem.” Kooskuu marcheerde als een soldaat naar onze stoomtandem. “Is deze van u?”

“Ja,” antwoordde Jellana.

“Registratie?”

Jellana haalde haar schouders op.

Kooskuu pende weer iets. “Verzekering? Voertuiggewicht? Woonplaats?”

“Wij reizen rond,” antwoordde Jellana.

Kooskuu keek naar de opgerolde tent die we aan het achterspatbord hadden vastgebonden. “Kampeervergunning?”

Jellana en ik keken elkaar vragend aan.

“Valuta?” vroeg Kooskuu. “Muntjes, krediet, voedselbonnen, goud…”

“Wij amuseren de mensen in de dorpen met gezang, dans en magie,” zei Jellana. “En zij…”

“Werkvergunning?”

“Pardon?”

“Zonder valuta zie ik mij gedwongen om u te arresteren.”

Jellana greep in een van onze zadeltassen. “Is dit gouden ei voldoende betaling?”

Kooskuu bekeek het grijze, metalen voorwerp in zijn hand. “Dit ei is niet van goud.”

“U ziet slechts de beschermmantel,” legde Jellana uit. “Wanneer u die pen eruit trekt, wordt het goud onthuld.”

Jellana deed voorzichtig een stapje terug. “En u moet die hefboom loslaten.”

Het mechanisme begon te tikken.

“Er gebeurt niks.” Kooskuu bestudeerde het ei. Hij schudde ermee.

“Soms blijft hij steken,” antwoordde Jellana. “Ik zal even een stok voor u pakken om hem mee open te wrikken.”

Jellana dook in een greppel. Ik dook er achteraan.

 

Kaboem!

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here