Hoe ik een moordenaar werd – Django Mathijssen

0
235

Django Mathijsen is de meest bekroonde Nederlandse verbeeldingsliteratuurauteur. Hij heeft als enige auteur drie keer de Unleash Award gewonnen. En daarnaast o.a.: de NCSF-prijs (tweemaal), de Grote Brugse Boekhandel Fantasy Award, Trek Sagae, Woordenstroom, vijf Pure Fantasy Themawedstrijden en zeven Eervolle vermeldingen bij Writers of the Future.

Zijn eerste roman, “Mando Vidé en het Robotbevrijdingsfront”, is uitgegeven in 2010. Zijn verhalen zijn verschenen bij alle huidige Nederlandse SF/F/H tijdschriften en bij diverse grote Noord-Amerikaanse tijdschriften (zoals Emerald Sky, Big Pulp en Kaleidotrope). Ook is hij vertaald in het Frans, Roemeens en Hebreeuws.

Hij werkte als jazzorganist toen hij afstudeerde als werktuigkundig ingenieur aan de TU Eindhoven. Hij heeft als wetenschapsjournalist honderden artikelen geschreven voor Nederlandse, Engelse en Amerikaanse tijdschriften. En hij was technisch consultant bij de prijswinnende tv-programma’s Robot Wars en TechnoGames.

Samen met Anaïd Haen heeft hij o.a. Codenaam Hadsadah geschreven (de eerste thrillerroman over WikiLeaks) en vier kinderboeken: Koningsbillen en drakenstreken, het in 2015 te verschijnen vervolg Ridders op sokken en de twee Vlaamse Filmpjes Het invulnet en Mijn beschermtrol. Daarnaast werken ze samen aan de verhalenseries over Nick Zwartbron en Mirthe van de Graaf in de nieuwe e-zines Vamp en Held.

Daarnaast heeft hij de muziek gemaakt bij de roman Begeesterd van Anaïd Haen en bij de Sinterklaasmusicals van Anaïd Haen en Cocky van Dijk. Veel van zijn verhalen zijn verkrijgbaar als e-books via o.a. Smashwords, Amazon en iTunes.

 

Over het verhaal
Een koloniste, die op een vreedzame planeet in vrijheid en harmonie met haar planeetgenoten leeft, ziet haar rustige leventje wreed verstoord door een invasie van neodemi’s. Zal zij zich door hen in het keurslijf laten persen?

Met Hoe ik een moordenaar werd deed Django mee aan de FantasyStrijd Brugge in 2008 en het verscheen eerder in Fantastisch Strijdtoneel.

 

Hoe ik een moordenaar werd
Django Mathijsen

 

Ik had de zijderupskomkommer voor de lunch uit de kweekreactor gehaald. Ontspannen lag ik hem te villen in het zwaarteloosveld dat ik tussen de robijnpalmen in mijn voortuin had gespannen. In de schaduw van rode palmblaadjes genoot ik van de rode zon.

Toen de gele zon ook opkwam, landde pardoes een stratotractor in de wei naast mijn moestuin. Mijn smurfkoeien vluchtten alle kanten op. Ik vloekte. Morgen zou er karnemelk in plaats van zoete gargamelk uit de witte tepels komen die ze op hun kop hebben.

Ik sprong uit mijn hangveld en ging met mijn vuisten in de zij naar de stratotractor toe staan. Ik probeerde boos te kijken. Mijn Gillo zei altijd: “Damina, jij bent te lief. Je moet van je af leren bijten.”

De stratotractor was groter, zwarter en nieuwer dan de aftandse tractortjes waarin mijn buren en ik door de lucht ploegen. Hij had een dreigend uiterlijk, ongeveer zoals de komodolibelles die op GammaStimba ontdekt zijn. Daarover had ik gelezen in de Melkwegtelegraaf, hangend in mijn zwaarteloosveld.

Stampvoetend stapte ik op de stratotrekker af. Prompt verloor ik een slipperklomp. Mijn poging om intimiderend over te komen was mislukt. Ik bukte en deed de slipperklomp weer aan mijn voet. Toen ik opkeek, renden mannen in donkerbruine uniformen uit het achterluik van de tractor. Een bruine lawine als een komodolibel met diarree.

Terwijl ik nadacht wat voor gekken hier op BetaMadi geüniformeerd rondrenden, keek ik al in vier op mij gerichte condensaatlopen. Twee geüniformeerden grepen me onder de arm.

“Mevrouw Damina Haimek?” vroeg een man met drie blinkende sterren op zijn revers.

“Wat wilt u?” Ik was te verbijsterd voor een gevat antwoord.

 

“Karmel?” riep ik toen de twee geüniformeerden mij tegen de wand in de stratotractor smeten. “Zit jíj hierachter?”

Terwijl ik werd vastgeketend, besefte ik dat Karmel aan een ketting lag.

“Sito,” riep ik uit toen ik zag dat mijn andere buren eveneens vastgeketend zaten. “Varissa! Wie zijn die uniformclowns?”

“Geen idee, ” zei Karmel. “Ik zat de rubikpuzzel in de Melkwegcourant op te lossen toen ik plotseling werd opgepakt. Ik heb trouwens nog een mand smaragdappels voor je klaarstaan.”

“Ik hoorde ze praten over democratie,” zei Sito.

Er liep een koude rilling over mijn rug. “Neodemi’s?”

Varissa knikte. “Op KappaNobi hebben ze ook toegeslagen.”

“Die democratiefundamentalisten zijn precies waarvoor ik van TauBiro hier naartoe gevlucht ben nadat Gillo aan zijn hartinfarct is overleden.” Ik liet mijn hoofd zakken.

“Neodemi’s nemen álle planeten over,” zei Varissa. “Democratie is een epidemie.”

“Democratie?” vroeg Karmel die als geboren BetaMadiaan nooit met democraten in aanraking was geweest. “Bestaat die achterlijke cultuur uit de oermillennia toen de mensheid aan de aarde gekluisterd was nog steeds?”

 

“U weet waarom u hier bent,” beweerde de kale man met het bruine, driedelige pak: ambtenarenkledij. Die had ik sinds TauBiro niet meer gezien. Links hing in de als kantoor fungerende opblaastent een levensgrote foto van een man met een kaarsrechte middenscheiding in zijn grijze haar.

“Nee,” antwoordde ik.

“U woont geïsoleerd van de samenleving. U heeft zelfs geen inkomen.”

“Ik ben zelfverzorgend met mijn moestuin, kweekreactor en smurfkoeien.”

“Zelfverzorgend? Asociaal! Bovendien: u kunt toch niet álles zelf.”

“Bijna alles. Wat ik verder nodig heb, krijg ik door ruilhandel.”

“Ruilhandel?” riep hij uit. Hij keek alsof hij een zijderups in zijn komkommersalade had gevonden. “Wij hebben gisteren democratie ingevoerd. Voortaan wordt alles gewaardeerd en verhandeld in demimunten.”

“Demimunten?” zei ik hoofdschuddend. “Geld is primitief.”

Hij sloeg zijn vuist op het bureau. “Geld is het smeermiddel van de democratie!”

“Waarmee jullie alles van ons inpikken.”

“Dat heet belasting. Democratie moet wel betaald worden.”

“Wij willen geen democratie.”

“Daaraan had u gisteren moeten denken toen de BetaMadiaanse regering gekozen werd.”

“Ik wist niets van een stemming.”

“Typisch! Niet stemmen maar wel verwachten dat alles geregeld wordt.”

“Ik wil niet dat er iets geregeld wordt. Mijn buren ook niet. Ik ben hierheen gekomen om vrij te zijn van democratische dictatuur. We willen onszelf niet het graf in werken om te betalen om onderdrukt te worden.”

“Obstinaat en naïef!” riep hij uit. “Regeringen zijn nodig om criminaliteit en rampen te bestrijden. Anarchie leidt tot chaos en oorlog.”

“Alleen regeringsleiders beginnen oorlogen. Criminaliteit hebben we niet. En na die komeetinslag vijf jaar geleden hebben we alle schade samen gerepareerd zonder iemand die de baas speelde.”

“Die chaos is afgelopen! Uw overheid is democratisch gekozen.”

“Dat kan toch niet? Mijn buren wisten ook nergens van!”

“Tja, de opkomst was bedroevend. Nog geen honderd van de tienduizend planeetbewoners hebben gestemd: alleen degenen die met onze vloot zijn aangekomen. Mensen zijn te weinig betrokken bij hun planeetbestuur. Gelukkig stemmen we volgende maand over de stemplicht. Maar genoeg politiek. U moet belasting betalen. U heeft een baan nodig. Wat kunt u?”

“Niks,” zei ik beslist en sloeg mijn armen over elkaar.

Tot mijn verbazing zei hij triomfantelijk: “Dan schrijf ik u in als werkloze. U krijgt een uitkering.”

Mijn mond viel open van verbazing. “Uitkering? Dan teer ik op de maatschappij. Dát is asociaal.”

Nu viel zíjn mond open. “Hoe komt u dáárbij? Zonder werklozen waren er geen ambtenaren voor arbeidsbemiddeling en uitkeringsverstrekking. Weet u hoeveel werkgelegenheid één werkloze oplevert? U moet wel snel beslissen. Vacatures voor werklozen zijn schaars. Dat zijn gewilde topfuncties.”

“Ik ga mijn hand niet ophouden,” besliste ik.

“We hebben nog vacatures voor prostituees.” Hij keek me indringend aan.

“Pardon?” zei ik verontwaardigd.

“Tja, die peeskamertjes in het stadshotel zijn onaantrekkelijk. Maar zodra de eerste belastinggelden binnenkomen, bouwen we een super-de-luxe cardeel met whirlpools, sauna’s, microgravitatiecopulators en bdsm-kelders.”

“Cardeel?”

“Casino met bordeel.”

Ik schudde wezenloos het hoofd.

“Ik zie het. Daarvoor bent u te oud. Tja, bij de politie… Nee, u hebt teveel moeite met gezag… Misschien voelt u zich aangetrokken tot een carrière aan de andere kant?”

“U bedoelt?”

“Criminelen vervullen ook een essentiële, maatschappelijke functie. Zonder criminelen zou de politie overbodig worden. En al die wetgevers, rechters en advocaten moeten eveneens werk hebben. U zei het zelf: er zijn geen criminelen op BetaMadi. Een grote behoefte waarin u uw obstinate karakter ideaal kwijt kunt.”

“Ik? Een bankrover of zo?”

“Uitstekende uren, goed inkomen, status, avontuur en de mogelijkheid om een bekend melkwegbewoner te worden… En als u gepakt wordt, twintig jaar gratis kost en inwoning. Maar helaas heeft deze planeet nog geen banken. De geldkringloop moet nog op gang komen.”

Plotseling had ik een inval. “Ik bén crimineel! Ik kweek diverse planten en paddestoelen die als verdovende middelen verboden zijn op TauBiro.”

“Thuiswerk? Leuk. Maar wij hebben hier helaas nog geen wet tegen verdovende middelen. Die komt pas over vier jaar. Ambtelijke molens, weet u…”

“Stelen is wel verboden?”

“Uiteraard.”

“Ik kan geen dief worden,” mompelde ik in mezelf. “Ik ga mijn buren niet bestelen.”

“Iémand moet het toch doen,” zei hij schouderophalend.

“Is moordenaar een geldig beroep?”

“Mevrouw mikt hoog,” zei hij en leunde achterover. “Voor iemand die buiten de maatschappij wilde blijven… ik ben trots op uw ambitie.”

 

Hij haalde een condensaatpistool uit een la en drukte me het wapen in de hand. “Dit kan ik aspirant-moordenaars ter beschikking stellen.”

“Ligt lekker in de hand.”

“Schiet eens op onze president.” Hij wees naar de foto van de man met de middenscheiding.

“Maar u werkt voor hem?”

“Politici zijn een noodzakelijk kwaad,” zei hij met een diepe zucht. “Zonder hen kunnen wij de burgers niet wijsmaken dat de kiezers het voor het zeggen hebben.”

Ik schoot. Meteen verscheen er een rond gat onder de middenscheiding.

“Mevrouw is een natuurtalent,” riep hij uit en vouwde zijn handen. “Moordenaar is een freelance beroep. Wij mogen daarin niet bemiddelen. Dat zou concurrentievervalsing zijn. Bovendien mag het niet lijken alsof wij criminaliteit stimuleren.”

“Maar dat doet u toch?”

“Ja, maar dat mag niet zo lijken. U heeft een uur om in uw beroep aan te treden.”

“Hoe bedoelt u?”

“Precies wat ik zeg. U heeft een uur.”

“Om mijn eerste moord te plegen?” vroeg ik voorzichtig.

“Zo zou ik het niet zeggen.”

“Wat bedoelt u dan?”

“Feitelijk is wat u zojuist gesteld heeft juist.”

“Ik heb een uur om mijn eerste moord te plegen?”

“Dat zou ik niet zeggen.”

“Maar het is correct.”

“Dat kan ik niet ontkennen.”

“Waarom zou u het dan niet zeggen?”

“Als ambtenaar kan ik zulke uitspraken niet doen.”

 

“Wie moet ik vermoorden?” vroeg ik.

“Iemand waaraan u een hekel heeft. Dan heeft men de hoogste slagingskans.”

Ik dacht na. “Ik weet niemand.”

“Een buurman waarmee u ruzie heeft gehad?”

“Dat leggen we altijd bij.”

“U moet wel meewerken hoor,” zei hij wippend op zijn stoel. “Er moet iemand zijn waaraan u een bloedhekel heeft.”

Plotseling herinnerde ik mij Gillo’s stem: “Jij bent te lief, je moet van je af leren bijten.”

“Er ís iemand waaraan ik een bloedhekel heb,” viel me plots in.

“Eindelijk!” riep hij uit.

Ik richtte het condensaatpistool op zijn voorhoofd.

“Wat doet u?” zei hij en stak zijn handen uit alsof hij een naderende stratotractor wilde tegenhouden.

Het voelde zo bevrijdend toen ik de trekker overhaalde.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here