De jaarlijkse Waterloper schrijfwedstrijd is weer begonnen dit jaar (inzenden kan nog tot eind deze maand), maar wij hadden nog een verhaal tegoed van de editie van vorig jaar! Dominique Heuff deed vorig jaar mee met haar verhaal in ‘ons’ ingezonden thema Magie als fossiele brandstof. Hiermee behaalde ze de vijfde plek. Wij zijn erg blij dat we dit verhaal mogen publiceren.
Dominique Heuff studeerde in Leiden Russian Studies en publiceerde inmiddels al verschillende verhalen in bundels als Charlatans en Vuurspuwers van Godijn en de FantaSciFi verhalenbundel. Haar eerste manuscript dat op de planning staat om uitgegeven te worden is Down Undercover, een queer romcom waarin je mee op reis gaat met de flamboyante Nathaniel, die een missie heeft aan de andere kant van de wereld. Je kunt haar volgen op haar eigen website >
Het Stenen Tijdperk
Dominique Heuff
‘Geen stap dichterbij.’
Kiruy bevroor. Hij probeerde vanuit zijn ooghoek te zien wie hem onder schot hield.
‘Weg van de tuin.’
Dit gaf hem een kans om over zijn schouder te gluren. Het enige dat hij zag was een metalen instrument. Het was een ingenieus wapen, met een driedubbele loop. Hij had zoiets nooit eerder gezien, en het was overduidelijk op hem gericht.
‘Alstublieft, ik wilde slechts een paar stengels -’
Het wapen kwam dichterbij, en daarmee ook een gezicht. Zijn belager was een vrouw met lang en stug haar in een onbestemde kleur. Ze was niet groot en haar armen waren smaller dan het wapen dat ze vasthield. De verbeten trek om haar mond vertelde hem echter dat ze niet zou twijfelen het te gebruiken. Kiruy verroerde geen vin.
Op dat moment kreunde Anay in de schaduwen. Snel als een kat draaide de vrouw het wapen naar het geluid. Kiruy huiverde bij de pijnkreten van zijn zus. Hij meende ook de schouders van zijn bedreiger te zien trillen.
‘Wie is dat?’ vroeg ze bars.
‘Mijn zusje.’
De vrouw gebaarde met korte rukken van het wapen dat Kiruy haar tevoorschijn moest halen. Zonder het wapen uit zijn ooghoeken te verliezen, stapte hij naar de kar waarop zijn zusje woelde.
‘Rustig maar,’ zei hij weinig overtuigend.
In het duister kon hij de doordrenkte windsels om haar gezicht niet zien, maar hij rook de geur van bloed en andere narigheid al toen hij een meter bij haar vandaan was. Hij slikte en duwde de kar in het maanlicht.
De ogen van de vrouw vernauwden zich en ze deinsde achteruit toen Anay uit de schaduwen opdoemde.
‘Heilige heliotroop,’ mompelde ze, en ze zakte naar de grond om een kiezel te pakken. Zonder haar blik van het tweetal te halen kneep ze in de steen.
Kiruy had in Vortoeka geleerd over dit gebruik. Sinds Obrich-Nina gebruikte het Schalievolk de dode energie van stenen om zich te beschermen tegen het bovennatuurlijke. Bijgeloof, weliswaar, maar bovennatuurlijk was de aanblik van Anay zeker. De vrouw kon haar ogen niet van zijn zus afhouden. Ook dat herkende Kiruy uit zijn studietijd, als hij een salamander aan het ontleden was en de ingewanden steeds verder bloot kwamen te liggen. De walging enerzijds en de fascinatie die sterker was.
‘Alstublieft, ze heeft zoveel pijn. Met Walpurgiskruid kan ik het verzachten.’ Kiruys stem trilde. Hij wilde er alles aan doen het gekerm van zijn zusje niet meer te horen.
‘Dit zijn magische verwondingen,’ zei de vrouw, die een paar stappen in Anays richting zette. Ze wilde de windsels die de wereld voor Anays aanblik behoedden optillen, maar Kiruy legde zijn hand op de hare. Het gezicht van zijn zusje boezemde hem meer angst in dan het wapen. Zodra hun handen elkaar raakten, voelde hij de lichaamswarmte van de vrouw zijn huid binnendringen. Alsof hij een magische schok had gekregen.
‘Alstublieft, ze is de enige die ik nog over heb…’ Zijn stem brak.
Het masker op het gezicht van de vrouw brak ook. Ze tilde resoluut het wapen op. ‘Breng je zus naar mijn hut. Ik zal het kruid verzamelen en het vuur opstoken voor de zalf.’
Kiruy kon een opgeluchte zucht niet onderdrukken. Hun reis door de stenen woestijn was lang en koud geweest. In de schaduwen had hij zich allerlei duistere figuren verbeeld. Obrichniki, of erger.
Hij tilde Anay op uit de kar. Ze legde wat over was van haar hoofd tegen zijn borstkas. Kiruy keek naar het hoopje ellende in zijn armen. Enkele dagen geleden rende ze nog over de binnenplaats van Vortoeka, achter een saffierfladderaar aan die ze zelf had opgeroepen. Haar donkere vlecht danste als de staart van een vlieger. Nu was haar haar verschroeid.
De warmte van de hut verdrong zijn weemoed. Tijdens afgelopen nachten was hij ervan overtuigd geraakt voor altijd kou te moeten lijden. De schapenvachten die hij in de kar had meegezeuld, hadden de kille woestijnnacht niet buiten kunnen sluiten. Na de noodlottige gebeurtenissen begreep hij hoe het Schalievolk zich voelde, met een lijf dat continu moest worden gevoed en beschermd om warm te blijven. Hij verafschuwde het.
Hier verspreidde de warmte zich vanuit de haard in het midden van de hut. De geur van verbrand hout sloeg op Kiruys longen, die toch al brandden sinds ze hadden moeten wijken voor het stuk obsidiaan dat in zijn borstkas was geramd. Hij merkte dat zijn wangen nat werden.
Hij voelde een tochtstroom. De vrouw was de hut binnengekomen met een bosje Walpurgiskruid. Ze hing een ketel boven het vuur. Kiruy zag hoe de vrouw zonder aanwijzingen alle ingrediënten voor Walpurgiszalf verzamelde en in de ketel begon te vijzelen tot een stroperige substantie.
‘Ik weet hoe ik magische wonden moet bestrijden,’ beantwoordde ze zijn niet-gestelde vraag.
Ze keek hem recht aan. Haar ogen waren groen, als jade. Kiruy probeerde in te schatten hoe oud ze was. Er lag een verweerde laag over haar gezicht. Ze moest minstens vijftien naamdagen meer dan hij hebben gevierd.
Toen Kiruy de geur van hars rook, voelde hij zijn hart verschrompelen. Hij zou nu de windsels die zijn zusjes wonden bedekten moeten oplichten. Het kruid moest immers heet op de aangedane huid worden gesmeerd. Hij kon niet anders dan –
Weer een schok door zijn lichaam. De vrouw had haar hand op zijn bovenarm gelegd.
‘Laat mij maar. Jij hoeft dit niet te zien.’ Ze knikte naar een met dekens bedekte bank achter het haardvuur.
Kiruy keek haar aan en merkte dat zijn gezicht weer nat was.
‘Anay?’
Met een ruk rolde Kiruy op zijn zij. Zijn nacht was droomloos geweest, zonder spookverschijningen, bloedgeur of pijnkreten. Waar was ze?
Door de warmte van het smeulende haardvuur realiseerde hij zich dat hij niet meer in de woestijn was. Zijn bonzende hart kalmeerde. Tegenover hem zag hij een ingezwachtelde rug. Hij sloop ernaar toe. Anay lag op haar zij, ze haalde regelmatig adem. Ze rook naar de kruidige Walpurgiszalf.
‘Ze slaapt al de hele nacht,’ hoorde hij de stem van de vrouw achter zich. Met een ruk veerde hij overeind en fatsoeneerde zijn gewaad. Ooit was die het smetteloze wit geweest van de Academie in Vortoeka, maar de woestijn had het van zijn kleur doordrenkt. Het had een V-hals, maar gelukkig niet zo diep dat Kiruys eigen mismaaktheid werd getoond.
In het daglicht zag hij dat de vrouw een schort droeg van aan elkaar gehaakte kettingen. Ze had haar haren bijeen gebonden met een band in dezelfde stijl. Ze was smid, realiseerde hij zich. Iemand van het Schalievolk die de kracht van het vuur gebruikte. Misschien zou ze hem nog wat kunnen leren.
‘Ik heb een schone tuniek voor je,’ knikte ze naar een blinkende berg ketens die op een tafel lag. ‘Dat gewaad van je heeft meer woestijn gezien dan goed is.’
Kiruy bedacht zich dat het geen kwaad zou kunnen als hij zich kleedde als de lokale bevolking. Hij prevelde een bedankje, maar durfde zich niet uit te kleden in haar bijzijn.
Met een veelbetekenend lachje trok ze haar wenkbrauwen op. ‘Ik zal naar buiten gaan.’
De tuniek was in dezelfde stijl gemaakt als de kleding van de vrouw. De ketens voelden koud op zijn huid. Hij hield zijn oude hemd eronder aan om te voorkomen dat de ketens over het obsidiaan in zijn borst schuurden. Hij kon het nog niet opbrengen ernaar te kijken. Hoewel zijn verminking niets was in vergelijking bij die van Anay, walgde hij er net zoveel van.
Toen hij de hut uit stapte, overviel de warmte van de zon hem. Als een bloem in de ochtend richtte hij zich tot het licht.
De vrouw zat naast de deur met een dampende mok in haar handen. ‘Ik heb zoethoutthee voor je. Zal je goed doen.’
Kiruy stommelde naar de lege bank naast haar en nam een tweede mok met de kruidendrank aan. Hij wist dat Schalievolk dit dronk als opwekkend middel. Hij nam een slok en werd overvallen door de hitte. Zijn tong brandde, hij voelde zichzelf vanuit zijn slokdarm opwarmen. Hij proestte.
De vrouw lachte hardop. ‘Jullie hebben echt onder een steen geleefd, of niet?’
‘Kun je wel zeggen,’ mompelde Kiruy met afgeknepen keel. ‘Dank voor je hulp. Anay oogt een stuk kalmer. Was het…’
‘Vreselijk,’ maakte de vrouw zijn niet gestelde vraag af. ‘Al vermoed ik dat het kruid de ergste pijn verzacht. Maar ze zal die hap uit haar schedel nooit meer terugkrijgen.’
Niet meer, dacht Kiruy met een steek in zijn maag. Voorheen in Vortoeka waren dergelijke verwondingen hooguit een pijnlijke hindernis geweest. De meesters hadden zich bekwaamd in het laten teruggroeien van ledematen. Zijn studievriend Dachsim had hem eens de stuipen op het lijf gejaagd door tijdens een ontleding van een salamander zogenaamd per ongeluk zijn eigen hand af te hakken. Kiruy had moeten overgeven bij de aanblik van het bloed dat uit de stomp van zijn vriend spoot. Nu merkte hij dat de weemoed van de gedachten aan Vortoeka hem misselijk maakte.
‘Het moet een hele sterke magiër zijn geweest die haar deze wonden heeft toegebracht.’ De blik van de vrouw werd duister.
‘De allersterkste.’
‘Ik dacht dat we ze allemaal hadden uitgeroeid. Je kunt veel zeggen over de methodes van Obrich-Nina, maar effectief zijn ze zeker.’
Kiruy voelde het obsidiaan in zijn borstkas drukken zoals de heerser van de gelijknamige nieuwe hoofdstad magie in de kiem smoorde. Hij probeerde de bittere smaak uit zijn mond te spoelen, maar de combinatie met het zoet van de thee maakt het nog onaangenamer.
De vrouw stond op. ‘Je zus is nog niet in staat om verder te reizen. Dus het lijkt erop dat we een tijdje tot elkaar zijn veroordeeld…’ Ze keek hem vragend aan, zoekend naar een naam. Als ze haar wenkbrauwen optrok, leken haar ogen nog feller.
‘Ik ben Kiruy.’ Hij stak zijn hand uit.
Ze pakte hem aan en gaf tegendruk. Het voelde alsof ze een verbond sloten. Het voelde hoopvol.
‘Belikto.’
‘De wijze,’ mompelde Kiruy.
‘Klopt,’ zei de vrouw verbaasd. ‘Spreek je Oud-Goelagisch?’
Kiruy slikte. Maar weinig mensen spraken de magische taal. ‘Een paar woorden,’ zei hij snel. ‘Mijn zus en ik woonden in de magrove van Vortoeka.’ Dat was niet gelogen. Magroves waren plaatsen waar Schalievolk en magiërs in symbiose leefden. Totdat Obrich-Nina aan de macht kwam.
Belikto huiverde. ‘Waren jullie daar toen de Obrichniki binnenvielen? Ik heb gehoord dat ze extreem hebben huisgehouden. Obrich-Nina moest de oude hoofdstad natuurlijk van de kaart vegen.’ Ze keek over haar schouder naar binnen, waar Anay sliep. ‘Kennelijk hebben ze toch niet alle magiërs te pakken gehad.’
De herinnering drong zich weer aan hem op. Het verblindende licht, het gegil van Anay dat werd overschreeuwd door de doodskreet van zijn vader…
‘Maak je geen zorgen,’ zuchtte Kiruy. Hij moest een brok in zijn keel wegslikken. ‘Die heeft zijn lot niet ontlopen.’
Hoewel het tegennatuurlijk voelde om langere tijd op dezelfde plaats te blijven, merkte Kiruy dat de rust zijn lichaam goed deed. Zijn borstbeen schrijnde van de verwonding, de pijn die hij in hun vlucht had verdrukt. Nu hij zich kon overgeven aan de armen van een vreemde, maar goedaardige vrouw merkte hij dat hij durfde te ontspannen.
Ze was een curieus type, Belikto. Ze moest grinniken om Kiruys wereldvreemdheid, verzorgde Anay met de toewijding van een priesteres en niets leek haar van haar stuk te kunnen brengen. Hij kon zijn ogen niet van Belikto afhouden als ze terugkwam uit de smidse. Haar haren plakten aan haar gezicht en als ze haar mantel uittrok, kon hij de pezige huid van haar schouders zien. De vrouwen in Vortoeka waren altijd van hun nek tot aan de grond bedekt geweest in hun zijden gewaden, wat ze een verheven, maar afstandelijke uitstraling had gegeven. Belikto was echter een vrouw uit de klei, ze werkte met de elementen. Alles aan haar was tastbaar, echt.
De blikken van de voorbijgangers uit de verderop gelegen nederzettingen herinnerden hem echter aan zijn precaire situatie. Ze passeerden zo nu en dan op de rug van een paard of ezel. Beestrijders. Kiruy zag het misprijzende gezicht van zijn vader voor zich als hij Schalievolk zich op een lastdier zag voortbewegen. Het was een teken van armoede, had vader altijd gezegd. Met magie kon je gaan en staan waar je wilde.
De voorbijgangers droegen allen kleding van dezelfde vunzige kleur, alsof ze hun kettingen ermee hadden gesmeerd. Wanneer ze hen zagen zitten, keken ze snel weg.
‘Zijn we hier veilig?’ vroeg Kiruy zich hardop af. Voor deze mensen waren hij en zijn zus vreemdelingen uit de oude hoofdstad. Een hele slechte plek om vandaan te komen in de nieuwe wereld.
‘Maak je geen zorgen,’ antwoorde Belikto. ‘Ze vrezen mij meer dan jullie.’
Anay ging in die dagen met sprongen vooruit. Op een ochtend hoorde hij haar om eten brabbelen achter haar verband. Belikto was aan het werk, dus besloot hij zelf voedsel te zoeken.
Terwijl hij rondom de hut scharrelde, dacht hij terug aan Vortoeka, waar ze het nooit koud hadden gehad. Het paleis van de Thearch, waar hun familie woonde, lag aan het centrale plein. Uit zijn vertrekken had hij kunnen uitkijken op de versteende es die op het plein stond. Deze es was ooit prins Serov geweest, de halfgod die medelijden had gekregen met de mensen die altijd kou leden. Hij had hen het vuur in henzelf geschonken, waarmee ze nooit meer energie van buitenaf nodig hadden. Toen de andere goden daar achter kwamen, vervloekten zij de mensen die Serovs goedheid hadden ontvangen en hun nageslacht. De goden konden hen het innerlijke vuur niet meer ontnemen, maar bonden het aan de levenskracht van de wereld om hen heen. Het gebruik van deze gift zou een hoge prijs kennen.
Prins Serov werd als straf voor zijn geschenk veranderd in de es. De goden verdoemden hem zijn levenssappen aan de wereld te schenken, zodat die de mensen die hem zo dierbaar waren die konden vernietigen. Zo zou hij de rest van zijn leven getuige zijn van wat zijn daad had aangericht.
De mensen, de eerste van het magische geslacht, hadden rondom deze boom een vesting gebouwd waar het altijd warm was en waar altijd voldoende te eten was. Schalievolk kwam van heinde en verre op de welvaart af om hun waren te slijten. Zo was Vortoeka ontstaan, de eerste magrove. Als bakermat van de energieleer richtten de magiërs daar de Academie op, waar ze hun gaven overbrachten op hun kinderen en waar Kiruy tot de val van Vortoeka in de leer was geweest als acoliet van de meester.
Natuurlijk merkte de Academie gedurende de jaren die volgden dat de aarde rondom Vortoeka steeds droger en kleurlozer werd. Dat de es van Prins Serov steeds minder blad droeg. Dat mensen steeds verder moesten reizen om aan hun handelswaar te komen. De handelaars hadden niet geklaagd, want de langere importtijd had een hogere prijs gerechtvaardigd. De huizen van de handelaars dijden net zo uit als de cirkel van verstening eromheen. En de magiërs hadden sowieso geen last van schaarste, zij vervaardigden alles wat ze nodig hadden uit Serovs wortels. Het was het Schalievolk dat het onderspit delfde. Zij moesten hun nederzettingen verlaten toen hun landen versteenden en niets meer te eten bood voor hun dieren. Daarmee ontstond de stenen woestijn, die zich als een druppel op een wateroppervlak verder uitstrekte met Vortoeka als middelpunt.
Kiruy herinnerde zich de hevige woordenwisselingen die zijn vader met zijn meester had gehad. De laatste jaren was de Academie steeds sterker het standpunt gaan verkondigen dat het gebruik van magische energie aan banden moest worden gelegd. De Academie had berekend dat als de magroves zo bleven groeien, de aarde binnen twee generaties compleet zou verstenen.
Zijn vader had dit argument uitgelegd als een reden om de poorten te sluiten voor nieuwe aanwas. Hij had dit als Thearch zelfs verordonneerd voor alle magroves in het Rijk. Rijkdom was alleen nog maar voor magiërs. Daarmee had hij de mensen recht in de armen van Obrich-Nina gedreven.
Deze handelaarsvrouw had ontdekt dat de stenen die de magiërs achterlieten, de kracht bezaten om magie te beknotten. Ze had de alternatieve vesting Obsidiaan gesticht, waar de mensen leerden hoe ze de erfenis van de magie konden gebruiken om haar te bestrijden. Haar meest trouwe en wrede volgelingen vormden de Obrichniki. Zij overzagen de bouw van katapulten die de brokken gesteente naar de muren van Vortoeka zouden slingeren en de ballista’s die zwarte speerpunten door de gaten van de eens ontzagwekkende stad zouden schieten. Die, zodra zij een voet in de magrove hadden gezet –
Een bekend wijsje haalde Kiruy uit zijn gedachten. Hij zag in zijn ooghoek groenblauwe vleugels bijna onwaarneembaar heen en weer flitsen.
Een saffierfladderaartje, realiseerde hij zich. Vreemd, die kwamen niet voor in bosachtige omgevingen. Hij had ze voor het laatst in Vortoeka gezien, vlak voor –
Angst kreeg hem in zijn greep. Hij draaide zich met een ruk om en rende zo snel hij kon terug naar de hut van Belikto, met het vogeltje in zijn kielzog.
Bij de tuin aangekomen hapte Kiruy naar adem. In de deuropening van de hut stond zijn zusje. Ze was omwikkeld in witte windsels, die Belikto iedere dag verschoonde. Ze was zo schoon dat ze op een van de priesteressen leek die in Vortoeka zorgden voor de Serov-es. Anay stak haar hand uit naar het vogeltje, dat vrolijk fluitend op haar vinger landde, waarna het oploste in het niets. Ze kraaide van plezier. Het maakte hem bijna banger dan haar kreten van pijn.
Ze had haar krachten nog!
Een maalstroom aan gevoelens overviel hem. Hij vreesde voor de veiligheid van zijn zus in deze wereld waar magie een misdaad was. Hij vreesde voor wat Belikto zou doen als ze erachter kwam dat ze in al haar goede zorgen een magiër terug op krachten had geholpen. Maar het meest van alles – en hij verfoeide zichzelf erom – voelde hij jaloezie. Kiruy greep naar zijn borst, waar het obsidiaan als een stop in een biervat in zijn botten drukte. De littekens van de wond waren vers, maar onherstelbaar. Hij was een leeg vat.
Bij Anay was het blijkbaar niet gelukt. Het ritueel moest zijn afgebroken toen de Obrichniki zijn vader te pakken hadden gekregen. Kiruy herinnerde het zich nauwelijks, zijn vader had hem bedwelmd voor de ingreep. Alleen die helwitte lichtflits en dat vreselijke gegil.
Anay maakte aanstalten om opnieuw een vogel tevoorschijn te toveren, maar Kiruy was binnen een paar stappen bij haar en tilde haar terug het bed in.
‘Anay! Dat is levensgevaarlijk!’ Hij plantte haar stevig op de slaapbank. Hij zag haar verbrande lippen omkrullen in een glimlach en ze wiebelde haar voeten. Ze herstelde echt bizar snel.
‘Ik ben blij dat het goed met je gaat, maar dat mag je nooit meer doen als er Schalievolk in de buurt is, begrepen? Ze zullen ons aangeven…’
Anay knikte, en Kiruy slaakte een zucht. Ze begreep hem.
Hij voelde haar hand over zijn gezicht glijden. Net als de aanraking van Belikto verwarmde het hem. Vreemd, hij had gedacht dat… Sinds hij afgesneden was van magie als krachtbron, bleef hij zich verbazen over de sensatie van aanraking.
Anays hand gleed verder over de ketens van zijn tuniek. Ze wond haar vingers erdoorheen totdat ze de harde edelsteen eronder voelde. Ze stopte.
Kiruy voelde een licht in zich opsteken waarvan hij dacht dat het was uitgedoofd.
Zou ze het ongedaan kunnen maken?
Zijn vader had de steen magisch verzegeld. Meestal kon alleen degene die de spreuk had uitgesproken, deze opheffen. Maar Anay was zijn dochter, zijn vlees en bloed. Theoretisch moest het mogelijk zijn…
Dan was hun vader echter voor niets gestorven, realiseerde Kiruy zich.
De angst liet Kiruy niet meer gaan. Hij durfde Anay geen moment uit het oog te laten, bang dat ze weer iets magisch zou doen. Zijn darmen kronkelden onaangenaam. In de warmte van Belikto’s hut voelde hij zich prettig, maar het gevaar van de buitenwereld leek door alle kieren naar binnen te sijpelen.
Hij moest zijn vaders werk afmaken. Eerder zouden ze niet veilig zijn.
Belikto reageerde niet verbaasd toen Kiruy met pijn in zijn hart tegen haar zei dat ze verder moesten reizen. ‘Je onrust beheerst de hele hut.’
Kiruy voelde bloed naar zijn wangen stromen. ‘Het spijt me, ik wil je niet tot last zijn.’
Ze legde haar hand op zijn onderarm. Hij was inmiddels gewend aan het warme gevoel, maar de laatste tijd gebeurde er nog iets anders wanneer hij naar Belikto keek. Zijn maag sprong op, alsof de grond onder zijn voeten wegviel.
‘Als iemand recht heeft op onrust, ben jij het.’
Hij staarde in het jade en voelde de neiging om voorover te leunen. Belikto draaide zich echter van hem weg.
‘Waar ga je naartoe?’
‘Obsidiaan.’ Kiruy sprak de naam van de stad net zo duister uit als de kleur van de steen. Hoeveel hij er ook van walgde, hij moest het hol van de leeuw in. Hoe hij obsidiaan in haar lichaam moest planten zonder magie had hij nog niet uitgevogeld, maar iets vertelde hem dat het Schalievolk daar zijn methodes voor had ontwikkeld. Schalievolk deed alles voor de juiste prijs. Hij hoopte maar dat er ook eentje was die het leven van zijn zus zou sparen.
‘Dat is twee dagen te voet. Zij zal aandacht trekken.’ Belikto knikte naar Anay. Hoewel haar wonden schoon waren, hadden ze haar nog niet van haar windsels ontdaan om de mensen niet angstig te maken. Angstige mensen waren gevaarlijke mensen.
‘Ik zal jullie iets geven dat jullie reis makkelijker zal maken. Maar daarvoor moet je toch nog even blijven, ben ik bang.’ Belikto knipoogde en Kiruys maag maakte een salto.
De laatste nacht in Belikto’s hut wilde Kiruy niet slapen. Hij wilde zijn verblijf daar zo lang mogelijk bewust meemaken. Van onder zijn deken keek hij toe hoe Belikto het vuur kleiner maakte, hoe ze haar tuniek uittrok en haar smalle schouders ontblootte. Soms draaide ze zich naar hem toe en ving hij een glimp op van haar borsten. Hij had het menselijk lichaam van voor tot achter bestudeerd in de boeken van de Academie, maar nooit had hij de effecten van de aanblik in vlees en bloed in zijn eigen lichaam gevoeld. Hij draaide zich op zijn buik om zijn opwinding te smoren.
De volgende ochtend vertrok Belikto vroeg. Ze vroeg hen bij het vallen van de avond naar de smidse te komen. Kiruy spendeerde een lange dag met Anay, waarbij ze het pekelspelletje speelden dat ze vroeger thuis zo vaak hadden gedaan. Anay won gemakkelijk van hem, hij zat met zijn gedachten bij Belikto. Het idee zonder haar verder te moeten gaf hem een leger gevoel dan afgesneden zijn van zijn magie.
Toen de avond viel, liep hij zwaarmoedig het bos in. Anay dartelde om hem heen als een saffierfladderaar. Ze had geen magie nodig om onder de indruk te zijn van de levende bomen om hen heen. Alsof hij door haar ogen keek werd Kiruy zich ineens bewust van de kleuren van de bomen en planten. Hij kon zich niet herinneren dat hij ooit in zijn leven zoveel kleuren groen had gezien. De enige boom die hij kende, was de stervende es op het plein geweest.
Belikto’s smidse lag in een oude Ogontempel. Magiërs hadden overal in het Rijk plekken ingericht waar ze Serovs krachten konden kanaliseren. Hier konden ze op sterkte komen tijdens hun reizen. Kiruy zag een in stukken gebroken beeld van Prins Serov voor de ingang liggen. Ook hier hadden de Obrichniki kennelijk huisgehouden.
In de tempel zag hij een vuur flikkeren. Hij hoorde ritmische tikken van een hamer op staal.
Kiruy en Anay betraden de tempel. De leegte die de magie had achtergelaten werd weggeblazen door de hitte van het vuur. Hij begreep direct waarom Belikto’s haren aan haar gezicht plakten wanneer ze terugkeerde uit de smidse. Hij voelde zweetdruppels op zijn bovenlip. Anay maakte geluiden van tegenstribbeling. In haar windsels moest de hitte bijna ondraaglijk zijn.
‘Heel even maar.’ Kiruy pakte zijn zusjes hand en voerde haar mee naar het hart van de tempel.
Daar zag hij Belikto. Ze had haar gezicht afgeschermd met een rechthoekige kap waar slechts op ooghoogte een horizontale spleet was gemaakt. Ze had een tang in haar ene hand, waarmee ze een stalen object boven het vuur hield. Met haar andere hand hief ze de hamer op waarmee ze het staal haar wil oplegde.
Toen ze hen zag binnenkomen, haalde ze het voorwerp boven het vuur vandaan en stak het in een emmer met water. Hevig gesis klonk en direct verschenen er stoomwalmen boven het wateroppervlak. Belikto deed haar kap af. Haar huid glansde van het zweet en Kiruy voelde zijn lendenen zich weer roeren. Hij schaamde zich.
‘Precies op tijd. Mijn geschenk aan jullie is klaar.’
Om een of andere reden moest Kiruy aan Prins Serovs geschenk denken. Hij schudde het onheilspellende gevoel van zich af.
Belikto wenkte Anay, die terughoudend op haar afstapte. Ze tilde het voorwerp uit het water.
Kiruy zag nu wat het was: het zilverkleurige gezicht van een jong meisje. Het leek niet op hoe hij zich Anay herinnerde voor haar verwondingen. Dit meisje had een smaller gelaat en vollere lippen. Anay stak haar handen ernaar uit en pakte het aan. Belikto hielp haar het masker opzetten.
Weg was het half omzwachtelde gezicht met de verbrande lippen. In plaats daarvan leek Kiruy nu te worden aangestaard door een zilveren zwaluw, zoals de geesten van vroegtijdig overleden magische meisjes werden genoemd. Volgens de legendes waarden deze rond op plekken waar Serovs levenskracht vloeide.
‘Schitterend,’ bracht hij uit met een brok in zijn keel.
Belikto aaide over de Anays zilveren wang. ‘Het is het gezicht dat ik nooit zal vergeten. Ik zie haar iedere nacht in mijn dromen’
Terwijl Anay haar handen over het masker liet glijden, liep Kiruy op Belikto toe. Ze rook kruidig.
‘Wie is het?’
‘Mijn dochter.’ Belikto keek naar het masker, maar leek niets te zien.
‘Wat is er met haar gebeurd?’
‘We waren naar Citropol gereisd toen daar de Sardonytische Spelen plaatsvonden. Mijn man handelde in alcoholische dranken, de Spelen waren een goudmijn voor hem.’
Kiruy voelde zijn maag hol worden. De Spelen waren krachtmetingen geweest tussen de sterkste magiërs. Het ging vaak gepaard met een obsceen gebruik van magie en het kwam regelmatig voor dat er slachtoffers vielen onder toeschouwers.
‘De Spelen waren nog niet eens begonnen,’ zei Belikto met een wrange glimlach. ‘Op de vooravond hadden mijn man en ik een aantal deelnemers in de tent die zich flink tegoed deden aan zijn wijnen. Mijn dochter hielp in de bediening. Het was laat, zij was moe.’ Belikto schudde haar hoofd. ‘Ze struikelde over een van hun mantels en morste wijn over de grootste en meest vervelende van het stel. Het was zo banaal.’
Belikto zweeg en Kiruy vroeg niet verder. De blik op haar gezicht liet raden wat er moest zijn gebeurd.
Helwit licht, gegil… Kiruy trok met zijn hoofd als door een insect gebeten.
‘Natuurlijk gingen ze er direct vandoor toen ze beseften wat ze hadden gedaan. Mijn man is ze achterna gegaan. Ik heb hem nooit meer teruggezien.’ Belikto keek hem aan. Door haar verdriet leken haar ogen feller groen dan ooit. ‘Vanaf die dag heb ik mezelf leren smeden. Vanaf die dag leer ik mezelf magische wonden te verbinden. Vanaf die dag maak ik wapens. Zodat ik de schoften die mijn gezin kapot hebben gemaakt mijn pijn kan laten voelen.’
Kiruys keel was droog. Hij voelde zijn hand in beweging komen en die van Belikto pakken. ‘Wat verschrikkelijk.’
Ze lachte zonder vreugde. ‘Ik heb mijn wapens nooit hoeven gebruiken. Obrich-Nina was me voor.’ Belikto keek over zijn schouder naar een punt in het verleden. ‘Gek is het eigenlijk. Ik weet dat ze zijn gestraft. En toch voel ik me nog steeds leeg. Als een honger die ik nooit kan stillen.’
‘Onverzadigbaar,’ knikte Kiruy. Hij begreep wat ze bedoelde. Zijn verlies van de magie had eenzelfde gevoel bij hem achtergelaten.
‘Haar helpen biedt verlichting.’ Belikto knikte naar Anay, die met het masker op door de ruimte struinde. ‘Voor even.’
‘Kom met ons mee dan,’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘We kunnen je wapens goed gebruiken. Je moed. Ik…’ Zijn stem brak en hij zakte naar de grond. ‘Ik kan haar niet beschermen.’
Zelfs al die nachten in de woestijn had hij niet zo’n kou gevoeld als nu, nu hij woorden gaf aan wat hij al dagen had beseft. Hij begon zo hevig te rillen dat Anay op hem af rende en hem omhelsde. Hij voelde de magie van haar lichaam, wat de holte in hemzelf alleen maar versterkte. Tranen vertroebelden zijn zicht, maar hij wilde ze niet laten gaan, niet tegenover zijn zusje en al helemaal niet tegenover Belikto, de vrouw die hij…
Haar jadegroene ogen drongen door de tranennevel heen. Er lag een trots in die hem deed kalmeren.
Belikto pakte haar wapen op en glimlachte rancuneus. ‘Ik wel.’
Ze vertrokken dezelfde nacht nog. Het gaf Kiruy een veiliger gevoel ’s nachts te reizen, wanneer nieuwsgierige blikken door droombeelden werden afgeleid. Belikto bezat geen lastdieren, dus trokken Kiruy en zij om beurten de kar waarop Anay sliep. Naast haar lag Belikto’s trikatapult.
Ondanks Kiruys herstel bij Belikto kostte de reis hem veel kracht. Hij had nauwelijks adem over om iets tegen Belikto te zeggen, wat hij betreurde. Maar in Belikto’s ogen lag een vreemde vastberadenheid. Zij voerde haar eigen gesprekken.
‘Hoe is Obsidiaan?’ vroeg hij tijdens een van hun pauzes, waarbij Belikto een vuur voor zoethoutthee had gestookt. ‘Ben je er ooit geweest?’
Belikto schudde haar hoofd. ‘Ik zie de reizigers vaak voorbij komen. Je kunt precies het verschil zien tussen degenen die komen en degenen die gaan. Degenen die gaan dragen de as van de stad op hun huid.’
De as van de stad? ‘Ik geloof dat ik niet helemaal begrijp wat je bedoelt.’
‘Van de mijnen,’ verduidelijkte Belikto. ‘Bij de obsidiaanwinning komt veel puin vrij. De stad ligt onder de rook van de mijnen. Het maakt niet uit of je er werkt of niet, iedereen binnen de stadsmuren wordt door as bedekt.’
Kiruy herinnerde zich de besmeurde kleding van de beestrijders die hij vanuit Belikto’s hut had gezien. Hij voelde iets branden achter zijn borstkas. Het Schalievolk had zijn thuis, zijn familie vernietigd omdat hun magie de wereld versteende. Waren ze echt zo hypocriet dat ze het magische vuur hadden ingeruild door het roet van de aarde?
‘Hoe edel hij ook is, geen steen is groot genoeg om de paradox van ’s mens angst te bedelven.’
Het waren woorden die zijn meester ooit tegen hem had gesproken, toen de val van Vortoeka imminent was. Toen had hij ze niet begrepen. Nu wel.
Tot zijn verbazing hoorde hij Belikto antwoorden: ‘Dwaas is hij die de middelen die de aarde hem aanreikt niet voor eigen gewin gebruikt.’
Kiruy knipperde met zijn ogen. Kennelijk had hij het citaat hardop uitgesproken. Hij zag Belikto’s ogen twinkelen.
‘Je bent een vreemde, Kiruy van Vortoeka. Wijs, maar vreemd.’ Ze trok de band uit haar haren en gaf hem een aai over de zijne.
‘Je neemt me in de maling,’ besloot Kiruy met een ongemakkelijk gevoel. Was hij naast zijn magische gaven nu ook zijn intellect aan het verliezen?
‘Ik zou niet durven, o wijze uit het noorden!’ Belikto lachte nu hardop. Ze viel half tegen hem aan. Hij rook een zweem van haar zweetlucht, maar ook iets zoetigs dat zijn buik leek te vullen met saffierfladderaars.
Het was beslist niet zijn verstand dat hij aan het verliezen was.
De volgende dag daalden ze de helling af, naar het dal waar de stad was verrezen. Het was alsof Kiruy weer de stenen woestijn in trok. Naarmate ze dichterbij kwamen, verloren de bomen hun bladeren, daarna hun kleur, totdat er niet meer over was dan een hier en daar een dorre stam.
In de uitlopers van het woud ontvouwde zich de nieuwe hoofdstad. De stad die niet op de kaarten van de oude wereld had gestaan, gesticht door Obrich-Nina als het centrum van de nieuwe wereld.
Het centrum van de nieuwe wereld braakte rook uit als een bos dat in brand stond. Met afschuw zag Kiruy torenhoge schoorstenen die walmden in alle kleuren van de stenen woestijn. Daaronder lagen rijen dicht op elkaar gestapelde woningen waar mensen krioelden als mieren.
Hoe dichter ze bij de obsidiaanmijnen kwamen, hoe sterker de steen in zijn borstkas leek te reageren op de nabijheid van de bron. Hij gloeide en sneed hem de adem af.
Belikto liep inmiddels tientallen meters voor hem, zo traag was hij. Ze trok de wagen met Anay erop. Kiruy had daar de kracht niet meer voor. Hij voelde zijn knieën kwakkelen.
‘Kom op, je bent er bijna…’ gromde hij tussen zijn opeengeklemde kaken door tegen zichzelf.
Hij redde het niet. Nog geen twintig passen verder klapte zijn enkel om onder zijn inmiddels ondraaglijk geworden lichaamsgewicht. Met een kreet viel hij in het zand voor hem, kiezels reten zijn huid open. Hij vloekte alle Thearchverwensingen die hij kende.
‘Kiruy! Alles oké?’ Hij hoorde Belikto’s voetstappen op hem af vliegen. Ze tilde zijn hoofd in haar schoot. ‘Je ziet lijkbleek.’
Kiruy wist dat hij niet meer overeind kon komen. Het gewicht in zijn borstkas drukte hem tegen de grond, en zijn verlangen naar Belikto’s schoot hield hem daar.
‘Hier kan ik sterven,’ mompelde Kiruy.
‘Doe niet zo raar,’ beet Belikto hem toe. ‘Ik heb nog wat citrien in de kar liggen, dat geeft je een oppepper.’
Ze legde zijn hoofd beheerst terug op de grond. Kiruy staarde omhoog. Tussen de asdeeltjes die de schoorstenen van Obsidiaan uitstootten zag hij witte vlekken, en tussen die vlekken vervolgens een zilveren gezicht.
‘Anay…’ Kiruy voelde haar hand op zijn onderarm. ‘Het spijt me, ik…’
De aanwezigheid van zijn zusje kalmeerde hem. De witte vlekken losten op, zijn hart beukte niet langer tegen de steen, het masker van Anay werd steeds scherper. Hij voelde zelfs energie terugstromen in zijn benen, die hij hiervoor nog amper had kunnen verplaatsen.
O.
Anay was hem aan het genezen.
‘Nee, niet doen!’ Hij was inmiddels dusdanig aangesterkt dat hij haar hand weg kon slaan. ‘Het is lief van je, maar het is te gevaarlijk.’
Anay snoof en sloeg haar armen over elkaar.
In zijn ooghoek zag hij Belikto terugkomen. Kiruy hield zich zwak. Belikto klemde met haar beide handen de steen in de zijne. Hij zag geen reden om haar aanraking voortijdig te onderbreken. Hij zou zijn spontane herstel aan de geneeskracht van citrien kunnen wijten.
Pas toen ze een hand over zijn bezwete voorhoofd streek, kwam hij overeind.
‘Bedankt. Ik voel me al een stuk beter.’
‘Wat gebeurde er?’
‘Het is de lucht,’ loog Kiruy. Hij kon haar onmogelijk de waarheid vertellen, dat hij een van hen was, de schoften die haar dochter hadden gedood. Hij keek naar de schoorstenen en de as die ze uitademden. ‘Ik kreeg geen adem meer.’
Belikto volgde zijn blik en knikte. ‘Daar heb ik vaker over gehoord, zeker voor mensen die de stad voor het eerst zien. De lucht is vervuild.’ Ze stond op. ‘Jij hebt vandaag genoeg gereisd. Ik zal de tent hier opzetten, dan leggen we morgen het laatste stuk af.’
Kiruy zweeg. Hij had geen idee hoe hij in deze toestand ooit de stad in kon gaan, laat staan zijn zusje aan de ingreep te onderwerpen. Als hij haar magie niet kon onderdrukken, leidde hij haar rechtstreeks naar de slachtbank.
Anay leek het lot dat haar te wachten stond aan te voelen. Ze weigerde op de kar te blijven zitten. Ook toen ze hun simpele avondmaal van brood en tomatenpasta aten, wilde ze amper stilzitten.
‘Ik weet het, we zijn er bijna,’ zuchtte Kiruy toen hij haar voor de zoveelste keer het brood aanreikte. Ze leek een baby die moest worden gevoerd. ‘Je moet wat eten, Anay.’
Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem aan. Ze had geen gezicht nodig om haar boosheid te laten zien.
‘Het spijt me,’ mompelde hij, toen ze weer overeind stoof en wegrende.
Het was al geruime tijd donker toen Belikto er eindelijk in slaagde het onrustige meisje in bedwang te krijgen door haar een kop sterke kamillethee te geven. Haar zilveren gezicht knikkebolde vrijwel direct, en Kiruy legde zijn zusje onder de vachten op de kar.
‘Morgen zal het over zijn,’ beloofde hij haar, terwijl hij de haren die ze nog over had streelde.
Belikto zat bij het kampvuur dat ze had gestookt en glimlachte toen ze zijn opluchting zag. ‘Magisch spul hè, kamillethee?’
Kiruy grimaste. Hij ging op de schapenvacht zitten die Belikto voor hen op de grond naast het vuur had gelegd. In het warme licht zag ze er zo uitnodigend uit. Hij strekte zijn vingertoppen naar haar uit om haar huid te voelen. ‘Ik weet niet hoe ik dit zonder jou had moeten doen.’
Zijn mond was droog. Haar huid niet. Haar huid voelde stevig en soepel, als de ketens die ze zelf smeedde. Als iemand die wist hoe ze de elementen naar haar wil moest buigen. Hij had altijd gedacht dat alleen mensen zoals Obrich-Nina daartoe in staat waren, dat dit een bepaalde koudbloedigheid vergde die alleen despoten bezaten.
Belikto was niet koudbloedig. Ze verwarmde hem. Plotseling nam een gretig verlangen bezit van hem, een verlangen om zich in haar te begraven en te laven aan haar gloed. Hij liet zijn handpalm over haar arm glijden, naar boven nu, richting haar hals. Ze keek hem aan, de vlammen dansten in haar ogen.
‘Magisch spul, zeker…’ zei ze met omkrullende mondhoeken.
Kiruy had zich sinds de ingreep niet meer zo krachtig gevoeld. De onderdrukking door de steen in zijn borst moest wijken voor het vuur in zijn kruis. Hij duwde zichzelf op zijn elleboog, pakte met zijn andere hand Belikto’s nek vast, streelde haar stevige lokken en bracht haar gezicht naar het zijne. In haar ogen zag hij het smidsvuur fonkelen. Toen hij de zijne sloot, voelde hij haar lippen en herkende de zoete geur die hij eerder had geroken. Ze duwde zijn mond open met haar tong en met de kracht die bij hem binnendrong was hij niet meer op aarde. Hij streelde haar overal, armen, schouders, borsten. Terwijl ze naar elkaars adem hapten gleden haar handen onder zijn tuniek en stroopten hem op. Kiruy tilde gewillig zijn armen op, zij onderbrak kort hun samensmelting om het kledingstuk over zijn hoofd te tillen, ze hapte naar adem.
Kiruy tastte met gesloten ogen naar haar nek om haar opnieuw te kussen, maar hij voelde verstarde spieren. Hij opende zijn ogen en zag Belikto naar zijn borstkas staren.
De steen in hem, die hij voor een heuglijk moment was vergeten, verpletterde hem meer dan ooit. Hij kreunde, bracht zijn hand naar zijn borst alsof hij het euvel aan het zicht kon onttrekken, maar hier lag hij, half ontkleed aan de voet van Obsidiaan, kwetsbaarder dan ooit. In zijn hoofd begonnen zich razendsnel gedachten te ontvouwen, excuses, verklaringen, maar waar hij ooit welbespraakt was had deze vrouw hem zijn tong doen verliezen.
Belikto bewoog lange tijd niet. Toen strekte ze een hand naar hem uit. Met haar vinger volgde ze de felrode littekens van de hechting. Kiruys gezicht vertrok; ze schrijnden nog. Toch was de pijn aangenaam. Ze mocht van hem wroeten wat ze wilde, zo lang hij haar aanraking maar voelde.
Haar vinger gleed verder over de zwarte steen, die fonkelde in het licht van het kampvuur. Ze drukte haar handpalm ertegenaan en keek Kiruy aan. Ze lachte en Kiruys hart maakte een salto. Hij was van die lach gaan houden.
‘Ik wist wel dat er iets magisch aan je was, Kiruy van Vortoeka.’
Daar waren haar lippen weer. De euforie die dat in hem losmaakte was met geen magie vergelijkbaar.
Ze werden wakker van het geschal van een blaasinstrument. Het klonk zo luid en alarmerend dat het leek alsof er iemand naast hun tent stond te toeteren.
Belikto sprong op uit Kiruys armen en greep haar trikatapult. ‘Magiealarm,’ siste ze naar Kiruy, die probeerde overeind te krabbelen.
‘Hebben ze ons gevonden?’
‘Geen idee.’ Belikto tilde het tentdoek op en verdween uit het zicht. Kiruy volgde haar zo snel hij kon.
Het geluid kwam uit de stad, maar leek wel magisch versterkt. Hij moest zijn oren bedekken om het snerpende geluid buiten te sluiten. En zelfs al deed hij dat, het was geen bescherming tegen het beeld dat hij zag ontvouwen.
Beestrijders, van top tot teen bedekt in een harnas van obsidiaan, reden in strakke formatie uit. Obrichniki.
Het duurde even voordat Kiruy door had dat ze niet hun kant op kwamen, maar richting de mijnen trokken. Hij haalde trillend adem. Als ze de stad uit waren, kwam dat hun missie ten goede.
Het lijkbleke gezicht van Belikto deed zijn opluchting smelten. ‘Waar is Anay?’
In drie stappen was Kiruy bij de kar en tilde de overkapping op die Belikto voor haar had geïmproviseerd. De vachten waren leeg.
Kiruy schreeuwde.
Hij wierp de vachten van de kar, keek onder het rijtuig, ook al wist hij dat het geen zin had. Als Anay haar magie had gebruikt, kon ze overal zijn. Op haar leeftijd had ze amper genoeg opleiding gehad om haar krachten te beheersen. Teleportatie zou haar fataal kunnen worden.
Een ijzige kou overviel hem, alsof hij weer in de stenen woestijn was. Hij voelde Belikto’s hand op zijn schouder, maar haar warmte leek van ver te komen. Hij had gefaald, zijn vaders dood was vergeefs geweest. Hij moest zijn best doen niet in elkaar te zakken.
Hij greep Belikto’s hand vast en kneep er uit alle macht in. Hij smeekte alle Thearchen om een beetje van haar vastberadenheid. Voor hem verschenen de gezichten van zijn ouders, zijn broers, het gezicht van Anay voor haar ongeluk.
Ook al kon hij er niet bij, hun krachten leefden voort in hem. Zolang hij nog ademde zou hij voor hen vechten.
Belikto pakte haar trikatapult steviger vast. Ze leek zijn strijdlust te voelen en knikte woordeloos.
Ze gingen op weg, parallel aan de route die de zwarte beestrijders reden. Iedere stap kostte Kiruy meer moeite. De kracht van het obsidiaan werd sterker naarmate ze in de buurt van de mijnen kwamen. Belikto was weliswaar lichtvoetiger dan hij, maar ook zij was niet snel genoeg om de Obrichniki bij te houden. Ze zouden te laat komen, Anay was aan haar lot overgelaten –
Hij voelde een ruk achter zijn ribbenkast die de lucht uit zijn longen sloeg. Hij wilde niet weer instorten, hij zocht naar grond onder zijn voeten, maar hij voelde de kiezels hem ontglippen. Zijn voeten leken over de aarde te slepen. Nee, ze sleepten daadwerkelijk. Hij ging steeds sneller, alsof iemand hem gevangen had met een lasso en met zich meesleurde. Daar passeerde hij Belikto, die met vertrokken mond naar hem keek. Kiruy greep haar bij haar onderarm, vlak voordat hij een harde ruk voelde die hen deed oplossen in witte waas.
Ze werden gesommeerd.
Sinds hij zelf had kunnen teleporteren, had hij nooit meer op iemand anders krachten meegelift. Hij hield er niet van te zijn overgeleverd aan de genade van een ander. Sommeren was dan ook een misdrijf geweest in Vortoeka, om te voorkomen dat men om de haverklap op plekken verscheen waar je niet wilde zijn. Zijn lijf was nu echter zo moe van de continue worsteling met het obsidiaan dat het een verademing was te worden opgetild. En hij was niet bang voor degene die hem opriep. Hij wist dat dat maar één persoon kon zijn. Hij had zijn vrije arm om Belikto heengeslagen en drukte zijn gezicht in haar haren. De tocht had van hem eeuwig mogen duren.
Binnen enkele seconden loste de witte nevel echter op en leken ze te worden uitgespuugd. Ze vielen op de grond, met hun handen en knieën op wat zwarte glasscherven leek. Kiruy werd direct naar de grond gedrukt. Als een magneet klonk het obsidiaan zich vast aan zijn broeders en zusters waarmee de grond was bezaaid. Hij hapte naar adem, maar de sensatie was niets vergeleken bij het gegil dat hij hoorde.
Kiruy wist met veel moeite zijn gezicht in de richting van het geluid te draaien. Nu pas zag hij dat ze in het hart van de obsidiaanmijn waren. In het midden was een rokende krater te zien, waaromheen grote brokken vers gesteente stolden. Aan de rand van de krater lag Anay hevig te stuiptrekken. Het zilveren masker had zich met haar schedel versmolten. Het droop over haar nek en bovenlichaam. Het rookte en siste, en Kiruy besefte met een schok dat hij verbrand vlees rook.
Anay keek hem aan met oogkassen die zilver huilden.‘Kiruy, help me!’
Hij schrok van haar stem. Hij hoorde hem in zijn hoofd. De doodsangst had haar telepathische gaven aangewakkerd. Hij voelde zich misselijk worden. Zijn zus was opnieuw stervende en er was niets wat hij kon doen.
‘Het spijt me, ik weet niet hoe,’ fluisterde hij.
Belikto rende op Anay af, maar toen ze vlakbij was hapte ze sissend naar adem. Op haar blote armen verschenen brandwonden. Magische energie kon van enkele meters al ondraaglijk zijn.
Magische energie. Plotseling begreep Kiruy alles.
Hoe had hij dit kunnen missen? Hij dacht terug aan hoe Anay steeds zijn borstkas probeerde aan te raken, hoe ze steeds drukker was geworden toen ze in de buurt van de hoofdstad kwamen. Niet het Walpurgiskruid had haar hersteld, maar het obsidiaan. De steen die hun hele familie had uitgeroeid, was juist datgene dat Anay sterker maakte.
Ze was alchemist.
Hij had erover gelezen in de bibliotheek van de Academie. Duizenden jaren geleden bestudeerden mensen de wetenschap van het herwinnen van versteende energie, maar slechts weinigen hadden ook echt de gave bezeten. En na de gift van Prins Serov was het een vergeten kunst geworden, niet langer nodig. De magiërs hadden zich pas gerealiseerd dat brandstof eindig is toen het al te laat was, de idioten…
Anay was geen idioot. Zij was de oplossing. Kennelijk had de magie zijn antwoord op de zuiveringen geformuleerd door een nieuwe alchemist ter wereld te brengen. En niemand in de Academie had het gezien. Hij niet, de meester niet, zijn vader niet.
Zijn vader. Met een schok realiseerde Kiruy zich dat dit zijn vaders doodvonnis was geweest. Het waren niet de Obrichniki geweest. In zijn onwetendheid had vader Anay willen beknotten met de edelsteen die juist werkte als een geleider voor haar krachten.
En nu lagen ze in een obsidiaanmijn. Obrich-Nina had een mijn vol brandstof gebouwd. Ze dacht dat ze magie hiermee uit te bannen, maar in feite had ze een tijdbom gecreëerd.
Een tijdbom waarvan de ontsteking enkele meters van hem af lag, realiseerde Kiruy zich vol afschuw.
‘Help me!’
Deze keer begreep Kiruy wat ze bedoelde. Hij kon wél wat doen. Hij had kennis.
‘Belikto!’ Kiruy gebaarde dat ze hem overeind moest helpen. Hij voelde twee armen onder zijn schouders. Ze waren zo dun, maar zo krachtig. Steunend op haar probeerde hij zo dicht mogelijk bij Anay te komen. Hij liet zich op zijn knieën zakken en nam Belikto’s gezicht in zijn handen.
‘Ik zal haar instructies geven om haar energie te kanaliseren,’ legde Kiruy uit. ‘Maar ik weet niet of het voldoende is.’
‘Als zij ons niet doodt, doen zij dat wel,’ knikte Belikto naar een gang achter de krater, waar zware voetstappen weerklonken. Voeten in harnassen.
‘Dan is alle hoop verloren.’ Kiruys lippen waren droog. Als hij Anay niet leerde haar krachten te beheersen zou ze de hele mijn en misschien zelfs Obsidiaan vernietigen.
Zijn ogen vonden die van Belikto. Hij zag het vuur flakkeren in het jade. Hij wist wat ze ging zeggen, hij wilde het niet, maar hij wist dat ze gelijk had.
Zonder hun blik los te scheuren pakte Belikto haar trikatapult op. ‘Ik heb je beloofd dat ik haar zal beschermen.’
Er leek een krater in zijn borstkas te ontstaan. ‘Nee…’
Ze legde een vinger op zijn lippen. ‘Het is oké. Hier vind ik mijn wraak.’
Opnieuw de troebelheid van de tranen, en opnieuw waren het haar ogen die Kiruy weer bij de les brachten. Hij slikte en kuste haar. Hij had haar vuur nodig, een laatste keer.
‘Voor je dochter.’
‘Voor je zus.’
Zij verbrak hun omhelzing en stond op. Scherven knisperden onder Belikto’s lichte tred.
Kiruy rukte zijn blik los van Belikto’s rug en keek naar Anay, die nog steeds onbedwingbare bewegingen maakte. Onder het zilver begonnen lichtstralen hun weg naar buiten te zoeken, en in een cirkel om haar heen was het obsidiaan aan het smelten.
‘Anay. Doe wat ik zeg en ik help je erdoorheen..’ Hij sprak Oud-Goelagisch tegen haar, hun moedertaal. ‘Zoek je ankerpunt. Focus op je borst.’ Iedere instructie die hij haar gaf volgde hij met zijn eigen lichaam, zoals hij ooit zijn magische energie had opgeroepen. Als fantoompijn kon hij precies voelen hoe groot de energiebal ooit was geweest. Hij focuste zich er uit alle macht op in de hoop dat Anay zijn gedachten zou oppikken. ‘Beperk je energie. Sluit je af voor de stenen om je heen.’
De stralen om haar lichaam heen namen af in intensiteit. Kiruys gedachten gleden af naar de gang, waar hij kreten hoorde van strijders die tot een gevecht waren overgegaan. Hij wilde niet visualiseren wat daar gebeurde.
Hij voelde een hittegolf die hem terugbracht bij zijn taak. ‘Focus!’ sprak hij, meer tot zichzelf dan tot zijn zus.
Anay gilde niet meer. Haar stuiptrekkingen namen af. Ze greep een handvol glasscherven, die direct begonnen te smeulen.
‘Goed zo, gebruik dat, meer niet…’
Juichende kreten in de gang.
‘Genees jezelf.’
Kiruy dwong zichzelf naar Anay te blijven kijken. Het zilver dat haar bedekte, werd opgezogen door haar lichaam. Ervoor in de plaats ontstond huid. Ongeschonden huid. Haar lippen groeiden terug en over de oogkassen spanden zich oogleden.
Anay schudde haar hand leeg. Van het obsidiaan resteerde slechts as.
‘Goed zo, je bent er bijna.’
Anay pakte een nieuwe handvol obsidiaan, die tot as verging terwijl uit haar hoofd dikke zwarte haren als een waterval naar beneden klaterden. Ze opende haar ogen. Haar ogen waren net zo donker als haar haren.
Daar zat ze: schoon, naakt, en ongehavend. Ze lachte naar hem met gezonde lippen.
Kiruy barstte in tranen uit.
Anay vloog hem om zijn nek, wat hem extra zwaar viel vanwege de beperkende kracht die obsidiaan op hem had. ‘Je hebt me gered.’
Ze rook naar fris gewassen gewaden uit Vortoeka. Kiruys tranen liepen over haar schouders. Belikto had haar belofte ingelost. Ze had Anay de tijd gegund om zichzelf te worden.
‘Dank je wel,’ fluisterde hij in Anays haar.
Het geschreeuw en ijzeren voetstappen kwamen dichterbij. Kiruy veegde zijn tranen weg. Laat de gestorvenen niet voor niets zijn geweest. Hij keek zijn zus aan met een vastberaden grijns.
‘Zo, nu zal ik je leren hoe je een paar schoften roostert.’
Op de dag dat ze de stad verlieten met Belikto’s lichaam, rookten de schoorstenen niet meer. Nadat Anay een legioen van haar beste strijders tot as had gereduceerd, had Obrich-Nina hen een voorwaardelijke vrijgeleide gegeven. Ze mochten de stad verlaten om Belikto ter aarde te stellen.
Meerdere saffierfladderaars zongen een treurig lied terwijl Anay en Kiruy de berg bestegen. Anay had de kar met Belikto’s lichaam erin bezworen dat hij magisch werd voortgetrokken. Ze reisden twee dagen om terug te komen bij de hut, waar de haard nog steeds smeulde.
Kiruy tilde Belikto uit de kar. Ze hadden haar gewikkeld in de vachten die ze hadden gebruikt om Anay warm te houden, en afgebonden met de kettingen uit haar eigen tuniek. Zelfs al was het gewicht dood, hij voelde zich nog steeds warm van binnen worden met haar in zijn armen.
Hij liep met haar de hut in en keek om zich heen. Zonder haar hadden alle voorwerpen hun kleur verloren. Kiruy stapte voorwaarts en legde haar lichaam in de haard.
Vlammen likten al gauw aan het aan hen geofferde pakket. Kiruy en Anay stapten achterwaarts de hut uit en keken op afstand hoe het vuur zich uitbreidde naar de houten balken, de lemen bedekking, en vervolgens het geraamte. De reizigers op weg naar Obsidiaan die voorbij kwamen, hielden een moment halt en knikten de brandstapel toe.
‘Nu is ze voorgoed één met de elementen,’ zei Anay. Het licht weerkaatste in haar donkere vlechten. De saffierfladderaars waren verdwenen. ‘Zo zou ze het gewild hebben.’
Kiruy glimlachte. ‘Je klinkt net als zij. Wijs voor je leeftijd.’
Anay draaide zich naar hem toe en legde een hand op zijn borstkas. ‘Weet je zeker dat je hem niet weg wilt laten halen?’
Kiruy legde zijn hand op de hare en haalde hem weg. ‘Op deze manier draag ik jullie altijd bij me.’
Hoeveel magie hij ook had gehad, het zou nooit genoeg zijn om de sensatie toen hij Belikto voor het eerst aanraakte te evenaren. Toen hij Anays herstelde lichaam aanschouwde. Toen hij de nacht met Belikto doorbracht. Het Schalievolk benijdde zijn familie om hun magische gaven, maar had geen idee dat hun eigen lichaam de allersterkste kracht bezat. Zo sterk, dat zelfs de meesters van Vortoeka hem niet hadden begrepen.
Dit was nu zijn missie. Gebrek aan kennis was zijn vader, de Academie en bijna Obrich-Nina fataal geworden. Na hun terugkeer in de nieuwe hoofdstad zou Kiruy bij haar op audiëntie gaan. Zij zouden hun onderhandelingen over de inzet van energie uit edelstenen voortzetten. Voor nu was er aan beide kanten te weinig kennis om de risico’s te kunnen overzien. Kiruy had zich voorgenomen om in te zetten op het openen van een nieuwe academie, waar iedereen, mens en magiër, kon leren over de krachten van deze wereld. Een plaats waar wijsheid hoogtij zou vieren, en die de naam van Belikto zou dragen.



