Interview met Benny Lindelauf

0
32

 


Benny Lindelauf heeft de theaterschool gedaan in Amsterdam en speelde en danste in veel verschillende (jeugd)theaterstukken. Hij heeft inmiddels voor verschillende leeftijdsgroepen geschreven en won met zijn boeken ook verschillende prijzen, zoals de Thea Beckman Prijs in 2004 en de Woutertje Pieterse Prijs in 2011.

De kinderboekenweek is voor Lindelauf als een wervelstorm. Hij geeft iedere dag een presentatie of workshop door het hele land heen.. Zijn workshops zijn altijd met theater en dans. Ondanks dit drukke schema mochten we hem even bellen om wat vragen te stellen.

Had u altijd al de aspiratie om schrijver te worden?

Ja, ik denk dat ik al heel jong wist dat ik dat ging doen. Ik heb het een beetje met een omweg gedaan, via de theaterschool. Maar ook theater is natuurlijk een vorm van verhalen vertellen.

Is er veel verschil tussen het schrijven van een theaterstuk, een scenario of een boek?

Heel veel verschil. Alle drie de vormen hebben hele andere eigenschappen. Al deze dingen hebben te maken met het vertellen van een verhaal. Wat dat betreft kijk ik altijd naar de juiste vorm om een verhaalidee te vertellen.

Zo zijn in theater de dialogen de hoofdmoot. Het moeten tekstueel sterke stukken zijn. In een scenario zijn de dialogen ondersteunend en iets minder van belang. De eerste keer dat ik voor een film schreef, moest ik dat trucje even doorkrijgen. Ik moest niet via dialogen het verhaal vertellen, maar via beelden.

En de reactie van je publiek ervaar je natuurlijk ook op een heel andere manier. Bij theater merk je gelijk als mensen het leuk hebben gevonden, wanneer ze beginnen te klappen na de voorstelling. Bij boeken heb je minder direct contact met je lezers.

Wat voor verhalen las u als kind graag? Had u favoriete auteurs?

Ik was echt een allesvreter, had niet echt een voorkeur. Vanaf het moment dat ik kon lezen las ik echt alles wat los en vast zat, tot de achterkant van een pak hagelslag. Ik kan me herinneren dat het eerste bibliotheekje waar ik mijn boeken vandaan haalde een kleine nonnenbibliotheek was.  Zij hadden een kast met links alle meidenboeken en rechts de jongensboeken. De jongensboeken had ik allemaal heel snel uitgelezen, want ik was heel benieuwd naar de meisjesboeken. De nonnen hebben toen heel lang geprutteld, want de meisjesboeken waren alleen voor meisjes.. Toch mocht ik op een gegeven moment ook de meisjesboeken lezen.

Is je smaak verandert en ben je nog steeds een allesvreter?

Ik denk dat je smaak altijd verandert. Naarmate je meer leest weet je ook meer wat voor boeken je prikkelen, wat voor boeken je aan het denken zetten of je meesleuren. Ik merk dat ik veel minder snel meegesleurd wordt door een boek omdat ik zoveel gelezen heb. Maar als het dan gebeurt, dan is het gevoel nog steeds hetzelfde. Of je nou 6, 26 of 86 bent, een goed verhaal blijft een goed verhaal en neemt je mee.

Maar je smaak ontwikkelt zich wel, het wordt steeds duidelijker wat je wel wil en wat je niet wil. Ik merk dat ik nu hou van verhalen die stilistisch heel goed geschreven zijn. Dat gaan dan niet per se om het verhaal, maar meer om hoe het geschreven is. Dat kan ik echt heel mooi vinden. Maar ik hou ook van hele epische verhalen. Verhalen met veel personages en grote verhaallijnen.

Maar een schrijver moet me wel kunnen verrassen. Als ik op pagina 20 al kan uittekenen hoe de personages zich gaan ontwikkelen of wat ongeveer de verhaallijn gaat zijn en dat klopt, dan haak ik al heel snel af. De schrijver moet een verhaal vertellen dat me kan meenemen, me kan verrassen en wat ik geloofwaardig kan vinden. Ik stel dus wel wat eisen.

Heb je dat ook bij je eigen boeken?

Het is inderdaad een soort spiegel. Dat wat je aanspreekt, is een deel van het boek dat je zelf wilt gaan schrijven. Je kunt niet in het hoofd van de lezer kijken, en je weet niet wat er met mensen gebeurt. Maar gelukkig ben je zelf de eerste lezer van je boek. Je merkt vanzelf als er iets niet klopt. Je moet dan op zoek gaan naar waar gaat het mis gaat, zoals personages die te voorspelbaar zijn of een scene dat te lang doorgaat. Dan probeer je dat weer recht te zetten.

Voor onze site is Superhelp interessant. Hoe bent u op het idee gekomen om Superhelp te schrijven?

5 jaar geleden ben ik gevraagd door een educatieve uitgeverij om een boek te schrijven voor groep 6/7. Ik liep al rond met een idee over een jongen die een superheld is, maar dat niet wilt zijn. Ik heb dat toen geschreven, maar de taal waarin je een leesboek schrijft voor een bepaalde leesgroep is niet altijd even interessant. Je kunt het niet heel smeuïg maken, want het moeten niet al te lange zinnen worden, of woorden met te veel lettergrepen. Dat merk je in hoe je het verhaal kunt vertellen.
Het plot van het verhaal vond ik nog steeds erg leuk. Ik dacht: ik moet dat verhaal groter maken, zonder te letten op leesniveau. Ik ben het gaan bewerken en heb het verhaal omgegooid. Er zit een extra verhaallijn in en een ander einde. Bij het schrijven ontdekte ik dat ik het nu op zo’n manier vertelde dat het optimaler was dan puur als leesmethode.

Gaat u nog meer boeken schrijven over Immo de Superhelp?

Het boek loopt goed, de reacties tijdens de kinderboekenweek zijn heel positief. De uitgever zelf had ook al gepolst wat ik van een tweede deel zou vinden. Zodra ik een idee heb voor een tweede deel en het verhaal is leuk, dan wil ik dat ook best schrijven. Maar het gaat alleen gebeuren als ik een leuk idee krijg. Je moet geen tweede deel gaan schrijven, omdat een boek populair is of veel mensen erom vragen. Jijzelf moet weten wat je ermee wil. Anders wordt een tweede deel een sof, zoals je ziet bij veel boeken of films.
Maar voor nu heb ik nog genoeg andere projecten lopen, dus ik moet even de tijd vinden om er eens goed over na te denken.


Superhelp is natuurlijk veel meer fantasy dan bijvoorbeeld negen open armen. Wat schrijft u liever: fantasieverhalen of meer realistische verhalen?

Zoals ik al zei, ik heb niet echt een voorkeur voor een bepaald genre. Ik zoek de juiste vorm voor mijn verhaal. In De hemel van Heivisj gebeuren dingen die in het echte leven minder gauw zouden gebeuren. Daar houd ik wel van. Alleen puur realisme vind ik niet zo interessant. Mijn verhalen zijn net iets groter, gekker dan het gewone leven. Maar het is belangrijk dat ze wel te geloven zijn. Dan maakt het ook niet of het fantasy is.
Ik ben een ontzettend bewonderaar van de fantasyschrijver William Horwood (schrijver van de Duncton boeken). Zijn verhalen zijn zo goed geschreven en de personages zijn levensecht. Dan ga ik me verdiepen in mollen (die de hoofdpersonages zijn in deze verhalen, red.), kun je nagaan. Het is dan zo goed dat ik geloof dat het echt is.

En dat is de essentie van een goed boek. Het maakt niet uit welk genre het is, je moet het geloven. Bij fantasy stappen mensen erin met het idee dat ze open moeten staan, maar het moet alsnog geloofwaardig zijn. Bij realisme ligt het iets anders, daarin is het erg goed uitkijken wanneer je het groter maakt. Dit luistert vrij nauw, en dat maakt het heel interessant.

Hebt u bepaalde rituelen tijdens het schrijven, tijden, plekken bijvoorbeeld. schrijft u iedere dag?

Nee. Schrijven is voor mij gewoon werk. Heel leuk werk, dat wel natuurlijk. Ik ga gewoon zitten en ga beginnen. Dat is heel gemakkelijk, ik kan in de trein werken, of in een café. Voor bepaalde momenten, zoals het afronden van een manuscript, zonder ik me af. Ik zit dan een week lang in een huisje en zie niks of niemand.

Maar het is dus werk en er zit niet echt iets magisch aan. Het enige magische is dat je gaat zitten en je je hoofd vrijmaakt en dat er dan iets uitkomt. Het is verder heel hard werken. Op sommige momenten is dat leuk, soms is het even moeilijk. In dat opzicht verschilt het niet veel met elke andere baan. Er zijn leuke en minder leuke kanten aan het vak.

Je hebt wel veel zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat je ook als je niet zoveel zin hebt, je gewoon tegen jezelf moet zeggen: “Zitten en werken”. Wat dat betreft is inspiratie een wat overschat begrip. Je gaat zitten en begint met schrijven. Sommige momenten komen woorden sneller en soms gaat het wat langzamer. Maar als ik puur zou wachten op inspiratie, zou ik 1 boek per 10 jaar schrijven.

Het meeste plezier beleef ik aan het laatste deel van het schrijven. Ik wil daarbij de bekende auteur citeren: Sjoerd Kuyper. “Het mooiste is niet het boek te schrijven, het mooiste is het boek geschreven te hebben”. Dit laatste punt, het afronden van het manuscript is heel fijn. Het begin is ook heel fijn, omdat alles nog open lig en elk spoortje mag je volgen. Het middenstuk is gewoon ploeteren.

U geeft les aan mensen die willen schrijven. Hoe is dat en wat is het belangrijkste dat je ze leert?

Het is echt heel leuk. Er is een groot verschil tussen schrijven en lesgeven. Schrijven is heel introvert, lesgeven is extravert. Je maakt contact met anderen en helpt ze verder met hun verhaalidee. Dit proces dat je samen aangaat geef heel veel voldoening. Je maakt ook alles mee, de momenten dat het goed gaat en de momenten het vastloopt. Je gaat dan samen kijken hoe je dan weer verder kunt. Dat is een heel boeiend proces. Wat ik vooral probeer over te brengen is dat schrijven gewoon hard werken is en dat je er niet al te zweverig over moet doen. Het belangrijkste is het verzinnen van een idee, maar dat is 25 % van het proces. De rest is de manier waarop je het op papier zet, op zo’n manier dat mensen met het verhaal kunnen meeleven.

Bent u al bezig met een nieuw boek? Kunt u daar iets over vertellen?

Ik ben nu bezig aan verschillende projecten. Ik schrijf een scenario voor een korte film dat begin volgend jaar gedraaid wordt en waarschijnlijk op het Cinekid Festival in première zal gaan. Ook ben ik bezig met een filmbewerking van een boek, maar dat ligt nog iets verder in de planning.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here