Cryptograal – Mike Jansen

0
81

 Mike heeft Flash Fiction, korte verhalen en langer werk gepubliceerd in verschillende verhalenbundels en bladen in Nederland, waaronder Cerberus, Wonderwaan, Ator Mondis en de Babel-SF en Verschijnsel verzamelbundels zoals Ragnarok en Zwarte Zielen. Daarnaast heeft hij in verschillende King Kong Award en Millenniumprijs jury’s gezeten en bestiert hij samen met Roelof Goudriaan Uitgeverij Verschijnsel.

In 1991 won hij de Rob Vooren prijs voor beste nieuwe auteur en in 1992 de King Kong Award voor beste korte verhaal, samen met Paul Harland. Na een schrijfhiaat van zo’n tien jaar schreef Mike eind 2011 zijn debuutroman, De Falende God, het eerste deel van een breed opgezette dark fantasy reeks. Het tweede deel ‘In Schaduwen van Weleer’ is inmiddels ook verschenen. In 2012 won hij Fantastels met De Koperen Oase. Recent kwam van zijn hand de verhalenbundel Ophelia omarmd uit.

Hij schrijft tegenwoordig regelmatig in het Engels en heeft al zo’n 50 verhalen in de US en UK gepubliceerd. Met Cryptograal deed Mike Jansen mee aan de Trek Sagae schrijfwedstrijd in 2012…

Cryptograal
Mike Jansen

 

Een week geleden woonde hij nog in het getto dat zich de afgelopen jaren rond de stad gevormd had en dat op zijn eigen manier de functie van oogster vervulde. Hij wist dat het niet langer goed kon gaan toen zijn stam door de betonnen laag brak die gewoonlijk de echt oude vuilnisbelten afdekte.

‘Deze nieuwe rijkdom trekt roofdieren aan,’ was zijn argument. ‘We hebben veel meer bewaking en bewapening nodig.’

Het stamhoofd, Herl Midori, schudde zijn grijze hoofd waarbij de neurostimslangen die uit zijn schedel staken zachtjes meeveerden. ‘Je praat onzin, Mojel. Er is een statistisch onbelangrijke kans dat een oogster zich in de komende twaalf maanden bewust wordt van onze rijkdom, zolang we radiostilte betrachten.’

Een week, dacht hij. In het getto is geen radiostilte. Nooit. Hij wist dat het te laat was toen drie dagen later de nachtmannen het getto binnenkwamen. Als wraakzuchtige schaduwen doodden ze alles dat op hun weg kwam, mannen, vrouwen, kinderen, dieren, mecha’s. Ook zijn hutje werd bezocht, maar hij was er al jaren klaar voor en zijn deel van de rijkdommen van de belt van de afgelopen jaren, gecombineerd met zijn afkomst, gaven hem meer snelheid, kracht en verbeterde zintuigen dan zelfs menig nachtman zich kon veroorloven.

Gehuld in het nauwsluitende zwarte uniform van zijn slachtoffer sloot hij zich in de ochtend aan bij de vertrekkende nachtmannen. Hij was de laatste van de zeven die aan boord van de zweevtol werden toegelaten. Het getto rookte op verschillende plekken en Mojel wist vrijwel zeker dat hij de laatste van zijn stam was. Hij voelde een enkele traan langs zijn versterkte titanium oogkas glijden terwijl hij dacht aan zijn stam, zijn familie, zo abrupt en dramatisch beëindigd.

Met de implantaten van zijn slachtoffer die hij in zijn gezichtsholtes plaatste, nam hij de identiteit aan van nachtman Marc Ogilvy. De vele automatische poorten lieten hem zonder problemen door. Lichtjes in de muren snelden voor hem uit en hij volgde ze tot hij bij een stalen deur kwam die opzijschoof toen hij naderde. Op de muur naast de deur was: ‘Ogilvy 431231’ gespoten in gloeiverf.

 Zijn vertrekken in de stad lagen hoog, maar waren ultiem Spartaans. Een bed, een sonocabine, een proteïnetap en een opvallende, metalen kast met enkele dozijnen antieke, papieren boeken. Mojel bladerde nieuwsgierig door een aantal exemplaren. Marc Ogilvy las –of verzamelde- fantastische literatuur en zijn verzameling omvatte grote namen van voorbije eeuwen, Tolkien, Van Vogt, Asimov, Teng en Harland.

Aan een muur hing een driedimensionale replica van een cryptokern en Mojel keek in verwondering naar het spel van licht, schaduwen en lijnen. Hij had eerder gehoord van het Spel der Steden, de zoektocht naar de originele cryptokern die de heilige graal van de Aardgebonden Stadsstaten bevatte. Hij snoof zachtjes. Het sprookje van ruimtevaart, sneller dan licht aandrijvingen, de ongelimiteerde rijkdommen van het heelal.

Hij hoorde een zacht klikken boven zich en zag aan het plafond de metalig glimmende halve bol van een sensorium, een verzameling camera’s en meetapparatuur. Maar hij maakte zich geen zorgen. Als de stad iets van hem wilde, dan was hem dat nu al kenbaar gemaakt.

Zijn eerste nacht in de stad, waar gefilterde lucht een metalige smaak in je mond achterliet, was onrustig, zijn bed was veel te zacht en de geluiden van de stad maakten hem keer op keer wakker. Het ontwaken was bijna welkom. Hij stapte de sonocabine in en met wat puzzelen wist hij de geluidsgolven zo in te stellen dat ze het vuil van zijn lichaam stripten in plaats van zijn huid. Als ontbijt nam hij een paar slokken van de voedzame proteïnebrij die smaakte zoals hij eruitzag.

Een scherm naast de deur lichtte op en het gezicht van een man met een enorme baard werd zichtbaar. Onder zijn baard zag Mojel het gewaad van een Opperste Patriarch. Het sensorium in het plafond maakte iets meer klikkende geluiden en zoemde nu ook lichtjes.

‘Je kunt me Broeder Baard noemen,’ begon hij. ‘Jij hebt dus de plek van Marc Ogilvy ingenomen?’

Mojel knikte.

‘Indrukwekkend. Hij was een van mijn betere nachtmannen.’

‘Heeft dit gesprek nog een doel?’ vroeg Mojel.

‘Marc had bepaalde verplichtingen, werkzaamheden die hij voor mij uitvoerde. Neem jij die van hem over?’ vroeg Broeder Baard. ‘Heb je overigens een naam?’

‘Dat ligt eraan wat ik daaraan overhoud,’ zei Mojel. ‘En mijn naam is Mojel.’

Broeder Baard lachte schamper. ‘Rijkdom, macht, losse vrouwen, wat je maar wilt. Maar jij bent een getto-rat, jij zult wel gewoon willen overleven.’

Mojel kneep zijn titanium oogleden iets toe. ‘Misschien kom ik die baard van je gezicht aftrekken, dat lijkt me een mooi doel.’

Het gezicht op het scherm barstte in lachen uit, een diepe bassend geblaf dat blikkerig klonk uit de membranen rond het scherm. Maar ineens keek hij weer serieus het vertrek in. ‘Ogilvy was een graalzoeker. En zijn opdracht vorige nacht was de plek voorbereiden voor de graaldrager.’

Onwillekeurig keek Mojel opzij naar de voorstelling van de cryptokern.

‘Ja, we weten waar de kern is. Die kennis hebben we lang geleden verworven,’ Broeder Baard grijnsde en Mojel zag dat zijn tanden zilver waren.

‘Als je dat al wist, waarom dan niet eerder iemand uitgestuurd om hem op te halen?’ vroeg Mojel.

‘Invloedssfeer. De Steden zijn afhankelijk van elkaar en daarom moeten ze elkaars kennis delen. Tegelijk zijn ze rivalen voor de beperkte middelen die nog voorhanden zijn.’ Broeder Baard schudde zijn hoofd. ‘De kans was te mooi om de gok niet te wagen.’

‘Daarom moest alles dood in het getto?’ vroeg Mojel.

‘Ook de Stad is gebonden aan regels. We kunnen oogsters niet op ons grondgebied toelaten als er teveel mensen wonen,’ zei Broeder Baard.

‘Ze zaten dus gewoon in de weg? Waarom ze niet verplaatsen?’ vroeg Mojel. Hij merkte dat zijn stem bitter klonk.

‘Omdat de Stad die verantwoordelijkheid niet wil.’ Broeder Baard klonk somber, maar zijn ogen waren kil. ‘Verplaatsen is verantwoordelijkheid nemen. Het net van wetgeving dat de Steden met elkaar in balans houdt en dat een allesvernietigende oorlog op afstand houdt, voorziet ook in dat soort zaken.’

‘Het recht van de sterkste,’ zei Mojel. ‘Dat begrijp ik wel. En wetten om je aan te houden, hoe krom ook, dat kan ik ook begrijpen. Dat maakt het voor mij niet makkelijker.’ Hij dacht terug aan de gezichten van vrouwen en kinderen die hij onderweg naar de zweevtol gezien had, gezichten in angst vertrokken, alsof ze in een nachtmerrie verzeild waren geraakt.

‘Ik bied je een nieuw doel,’ zei Broeder Baard. ‘Een kans op een toekomst voor de mens. De oogster die eraan komt bevat namelijk de cryptokern. Als we die kunnen bemachtigen…’ Hij maakte zijn zin niet af.

‘Dan zul je hem delen met de andere Steden?’ vroeg Mojel.

Broeder Baard grijnsde weer en knikte zachtjes. ‘Natuurlijk doen we dat. De vraag is alleen wanneer.’

‘Zodat jullie zelf een voorsprong kunnen nemen en de ruimte kunnen bezetten voor iemand anders zelfs maar de Aarde verlaten heeft.’ Mojel zuchtte. ‘Mensen zullen nooit veranderen.’

‘Mensen niet. En de Steden die ze gebouwd hebben, volgen de adagio’s van hun makers, zowel de bewuste als de onbewuste.’

‘En voor mij? Wraak? Alles dat de Stad te bieden heeft?’ vroeg Mojel.

‘We vinden wel een plekje in het Hemels Patriarchaat voor de man die ons de cryptokern brengt,’ zei Broeder Baard. Hij klonk oprecht, voor zover dat bij hem mogelijk was. ‘We hebben zometeen de ruimte, tenslotte.’

‘Waarom deze oogster? Waarom nu?’ vroeg Mojel. ‘En moet ik alleen gaan?’

Broeder Baard zuchtte even diep. ‘Hij was in de buurt. En jouw stam had net een rijke ader aangeboord. Dus grote kans dat deze specifieke oogster bij ons zou landen en zijn werk zou gaan doen. Vergeet niet dat een cryptokern niet anders is dan een elektronisch brein, zoals het brein dat deze oogster aanstuurt.’

‘Dus in plaats van een leeg brein in de oogster plaatsen is er een gevuld brein in geplaatst?’ vroeg Mojel. ‘Ingenieus. Hoeveel mensen wisten daarvan?’

‘Eén teveel, blijkbaar,’ zei Broeder Baard. ‘En dan weten twee het, dan vier en zo verder, tenzij je het in de kiem smoort en ze allemaal het zwijgen oplegt.’

‘Wat is er met ze gebeurd?’ vroeg Mojel.

‘Mensen zijn goede bronnen van proteïne.’ Broeder Baard knikte in de richting van de tap. Mojel voelde zich even misselijk worden. Hij keek langs de tap naar de driedimensionale voorstelling van de cryptokern. ‘De reden dat ik jou wil sturen is zo’n wet van de Steden. Oogsters moeten autonoom hun werk kunnen doen en meer dan één mens aan boord wordt gezien als een inbreuk op de autonomie van de oogsters. De Stedenwetten kennen daar een enkele straf voor, de Exsorptie, waarbij de Stad door andere steden uit elkaar getrokken wordt en gekannibaliseerd voor eigen doeleinden.’

Mojel zweeg een minuut en dacht na. ‘Ik heb toch niet veel beters te doen,’ zei hij. ‘Wanneer landt het ding?’

‘Vannacht komt hij aan,’ zei Broeder Baard. ‘Er komen nog wat instructies naar je toe.’ Het scherm werd zwart.

Mojel ging op het bed zitten en begon een voor een zijn systemen en implantaten na te lopen tot hij er zeker van was dat alles zou werken wanneer hij het nodig had. En dan met name de systemen waarvan hij vermoedde dat de Stad of Broeder Baard niet wisten dat hij ze bezat.

 

De eenzame hoogten van de stad gaven hem een ongeëvenaard uitzicht op het roestige staal van de buisconstructies van de oogster ver beneden hem die als een monsterachtig metalen insect op het getto was neergedaald. Stof en roet werden de lucht in geblazen waar de vanadium kaken van de invoermonden het afval van voorbije eeuwen vermaalden en het binnenste van de oogster binnenvoerden waar de waardevolle materialen van elkaar gesplitst werden.

Spookachtig licht en groenblauwe steekvlammen schoten met regelmaat uit verschillende openingen aan de voor- en zijkanten van de oogster waardoor het een demonisch creatuur uit de duistere geschiedenis van de mensheid leek. Mojel staarde in ontzag naar de kilometerslange, gesegmenteerde stalen ruggengraat van de infernale machine.

Midden op de rug was er een open plek, een platform met toegang tot het binnenste van de oogster. Zelfs autonome machines hebben soms onderhoud nodig, dacht Mojel terwijl hij naar het uiterste puntje van de richel liep waarop hij geklommen was. Hij grijnsde en vouwde de oersterke titanium draagvleugel met bijbehorend mono-canvas uit. Met zijn buik tegen het gebouw schoof hij de buizenconstructie over zijn rug tot hij contact maakte met de memotalen op zijn rug die versmolten met de draagvleugel en binnen enkele seconden voelde hij de kracht in zijn vleugels.

Als een donkere wraakengel liet hij zich achterover van het gebouw vallen. Hij voelde de luchtstromen langs zijn vleugels gaan en manipuleerde ze zo dat hij op het laagste punt precies een van de warmte-uitlaten van de Stad kon meepakken om zichzelf in een strakke parabool naar de oogster te laten schieten. Het gevoel van vrijheid was overweldigend en zelfs de grauwe lucht, de grijze kolossen van de Stad en het dode land rondom konden zijn maniakale glimlach niet wegnemen.

Als een donkerder streep door een donkere lucht naderde hij de oogster. Met wat geluk zouden de sensoren hem te laat opmerken zodat eventuele afweer nutteloos werd. Hoewel hij uit zijn ooghoeken enkele geschutskoepels zijn kant op zag draaien, wist hij dat ze niet op tijd zouden zijn, daarvoor was zijn snelheid te groot.

Op het laatste moment sloeg hij de vleugels wijd uit en hij voelde hoe de memotalen met een bijna fysieke steek van pijn protesteerden onder het geweld van de plotselinge luchtweerstand.

Naast het toegangsluik liet hij de vleugel los en vouwde hij de titanium constructie netjes in elkaar. Hij verwachtte hier terug te keren. Een enkel luik met een groot draaiwiel verleende toegang tot het binnenste.

Ondersteboven keek Mojel de gang door. Meerdere maglevbuizen vervoerden wagons heen en weer met een immense snelheid. Tussen de buizen lagen onderhoudscorridors en kleine mecha’s reden af en aan. Hij luisterde zorgvuldig de radiosignalen af en bekeek de visuele signalen die de machientjes elkaar gaven. Binnen enkele minuten vertrouwde hij erop dat hij voor een onderhoudsmecha door kon gaan en liet hij zich naar beneden zakken.

Enkele honderden meters kopwaarts kwam hij bij een laadstation. Met meer dan zijn gebruikelijke voorzichtigheid observeerde hij de routine tot hij zeker wist dat hij mee kon liften in de richting van de kop en de locatie van de besturing van de oogster. Een nieuwe lading wagons diende zich aan en de verlaadkraan schoof een module in een van de wagons. Er was net genoeg ruimte voor hem om tussen twee kratten te zitten. Hij haalde een kleine zuurstoftank uit een van zijn zakken en gebruikte die zodra de lucht uit de compartimenten werd gezogen. Zijn titanium oogleden sloten zich en beschermden zijn ogen terwijl hij zijn handen op zijn oren drukte.

Een kort, misselijkmakend gevoel gevolgd door het geluid van binnenstromende lucht vertelde hem dat hij op de plaats van bestemming gearriveerd was. Zodra de module uit de maglev gehaald was, begaf hij zich weer tussen de onderhoudsmecha’s en liep naar het commandocentrum van de oogster.

De corridor rond de ruimte was aardedonker en leek voor zijn aangepaste ogen te trillen met energiestromen en detectiesystemen. Hij vroeg zich af wat voor verdedigingsmechanisme de oogster intern nog had, maar hij nam het zekere voor het onzekere. Langzaam absorbeerde hij de patronen, analyseerde tot hij de oogster echt begreep en voedde zijn interpretatie naar de memotalen op zijn rug, armen en benen tot hij het signaal terugkreeg dat zijn lichaam als een schaduw door de corridor zou bewegen.

De cryptokern lag volledig geïsoleerd in een tank met amniotische vloeistof waarin slechts een enkel, klein kijkvenster was aangebracht. Mojel scheen een lichtje naar binnen. Talloze ragfijne zilveren draden hielden een onregelmatig gevormde bol op zijn plek.

‘Tijd om te sterven,’ fluisterde hij naar het brein van de oogster. ‘Maar eerst vertel je me wat ik wil weten.’ Hij opende een onderhoudspaneel en liet de memotalen in zijn vingertoppen versmelten met de communicatiepaden van de cryptokern tot hij één werd met het systeem en hij zijn eigen, geavanceerde systemen hun werk kon laten doen. Hij grijnsde smerig bij de gedachte dat Broeder Baard meer zou krijgen dan waarom hij gevraagd had.

Met zijn vingers op de systemen sommeerde hij de talloze mecha’s van de oogster, die inmiddels stilgevallen was. Een diepe stilte daalde neer over de machine. Maar in het radiospectrum was het een drukte van belang en de radiosignalen die vanuit de kern naar de mecha’s werden gestuurd waren compact, maar duidelijk en voor iedereen met rudimentaire kernkennis goed leesbaar. Om het af te ronden plaatste Mojel een overlevingsprogramma, aanvalsroutines en logische bommen in elk van de machines.

‘Gaat heen, vermenigvuldigt u.’ Hij grijnsde om zijn eigen woorden.

De mecha’s leken even besluiteloos en begonnen zich toen te verspreiden door het levenloze karkas van de oogster.

Mojel opende de tank en liet de amniotische vloeistof weglopen. De organische buitenkant kon wat hem betreft sterven, hij was alleen geïnteresseerd in de echte, metalen cryptokern die eronder lag. Met een ruk trok hij de bol los en begon hij aan de terugweg naar het onderhoudsluik.

Halverwege kwam het signaal dat het retrovirus gesynthetiseerd was. Hij stopte even en keek naar de bal in zijn handen die de toekomst van de mensheid bevatte, nu duizendvoudig gekopieerd in de vele mecha’s die hij uitgestuurd had. Hij wist dat hij tijd voor ze moest kopen, ze de kans moest geven buiten de invloedssfeer van de Stad te komen en dat hij speciaal voor dit doel gecreëerd was. Zijn autonomie was tegelijk zijn kracht en zijn zwakte. Hij wilde leven, hoe leeg dat leven ook was zonder de mensen die hij als familie had aangenomen.

Hij knipperde met zijn ogen toen hij besefte dat zijn maker ook deze reactie voorzien had en hij bewonderde de nauwkeurig uitgebalanceerde gevoelens die hem tot dit moment brachten. Hij was in veel opzichten gelijk aan de mecha’s die hij uitgestuurd had, een drager van een boodschap, maar waar de mecha’s een boodschap van hoop met zich meedroegen, een uitweg voor de mensheid, was zijn boodschap er een van dood en verderf.

Hoewel fatalisme bij hem was ingebouwd, wist hij dat het retrovirus op zich voor hem niet dodelijk was. Misschien zou Broeder Baard hem nog verbazen. Hij activeerde het virus en voelde vrijwel direct zijn lichaam warm worden op de plekken waar de nanomachines hun werk begonnen om aan zijn DNA te sleutelen.

Bij het luik werd hij opgewacht door de zes nachtmannen van het Patriarchaat. Mojel liet zich boeien en meevoeren.

 

‘Je voortgang door de oogster was verbazingwekkend, heer Mojel,’ zei Broeder Baard. Hij liep heen en weer voor de eenzame, metalen stoel waarin Mojel geplaatst was, zijn handen geboeid achter zijn rug.

Op een werkbank die belicht werd door een enkele, felle lamp, lag de cryptokern, nu ontdaan van alle organische resten. Licht weerkaatste in vreemde hoeken van de kern, alsof het bij het bereiken van het metaal in een rare bocht werd gewrongen en vervolgens in stukjes alle kanten op werd gestrooid.

Broeder Baard liep naar de werkbank en nam de kern in zijn rechterhand. ‘Nog bedankt hiervoor, overigens.’

Mojel grijnsde. ‘Graag gedaan hoor.’

‘Wat ik me afvraag. Waarom leek het allemaal zo eenvoudig? Alsof je het al vele malen geoefend had…’ Broeder Baard kwam weer voor hem staan. ‘Is dat zo?’

‘Niet dat ik weet,’ zei Mojel. ‘Het leek de beste manier.’ Kun je trainen wat in je genen verankerd ligt?

‘Ik wist wel dat er iets bijzonders aan je was,’ zei Broeder Baard. ‘Niemand verslaat zomaar een nachtman en Ogilvy was een van de beste. En nu heb je je laten vastnemen en ook daar heb je een bedoeling mee. Ik vroeg het je al eerder: wat wil je?’

‘Dat de mensheid de ruimte in kan,’ antwoordde Mojel. ‘Je mannen in de schaduwen zullen bevestigen dat ik de waarheid spreek.’ Hij zag hoe Broeder Baard omkeek naar een verduisterd deel van de ruimte. Voor Mojel was het zo helder als daglicht.

‘Jij bent veel meer dan je lijkt, nietwaar?’ vroeg Broeder Baard. Hij draaide de cryptokern om en om in zijn handen. ‘Maar wie, of wat, heeft je gestuurd, dat is nog veel belangrijker, iets als jij kan alleen maar gefabriceerd zijn. Was het een van de andere Steden?’

‘Maakt het iets uit? Je hebt de kern. Ontcijfer de boodschap en vertrek. Er is veel te doen daarboven.’ De oplossing is inmiddels toch buiten de grenzen, zoveel tijd is er wel voorbijgegaan.

Broeder Baard sloeg Mojel in het gezicht, hard. De titanium kassen en oogleden vingen de klap op en Mojel lachte de patriarch in zijn gezicht uit. Het had het gewenste resultaat. Broeder Baard gebaarde naar een van de nachtmannen en de eerste klap werd gevolgd door enkele dozijnen slagen met een wapenstok in zijn gezicht en op zijn hoofd.

‘Het lijkt erop dat ik je niet meer nodig heb, Mojel,’ zei Broeder Baard uiteindelijk. Hij trok een stukje loshangende huid van Mojels wang waarbij hij de titanium kaak blootlegde. ‘Want uiteindelijk ben je niet meer dan een soort halve mecha met wat vlees erover.’

‘Mecha’s hebben opdrachten. De mijne is uitgevoerd,’ sliste Mojel door gehavende tanden. ‘En sommige hebben gevoel en ik ben blij met wat ik gedaan heb.’

Broeder Baard kwam nog even voor Mojel staan en klopte op de cryptokern. ‘Vandaag de Stad, morgen het Hemels Patriarchaat dat zich verspreidt door het universum.’ Hij knikte naar zijn nachtmannen. ‘Gooi hem in de tank. De schoonmakers vissen morgen de metalen deeltjes wel uit de enzymen.’ De nachtmannen gehoorzaamden hem en voerden Mojel met zich mee.

 

Een simpele ronde buis van een halve meter doorsnee voerde naar de tanks. Zonder plichtplegingen tilden de nachtmannen hem erin en lieten hem naar beneden glijden. Met een plons raakte Mojel de vloeistof en onmiddellijk voelde hij hoe de substantie zijn vlees begon te verteren.

Hij voelde hoe vloeistoffen zijn lichaam verlieten, doordrenkt van het retrovirus dat zich nu een weg begon te banen door de tank en de buizen en die meeliftte op de voedingsstoffen die naar het proteïnetapsysteem voerden.

Zijn laatste gevoel was een lichte euforie dat hij al zijn opdrachten had uitgevoerd en dat de duizenden mecha’s met de ruimtevaartoplossing zich inmiddels verspreid hadden tot ver buiten de grenzen van de Stad.

Broeder Baard zal verbaasd zijn wanneer zijn bevolking sterft. En verandert. En weer tot leven komt. Zijn laatste gedachte voor hij oploste was een beeld van Broeder Baard, belaagd door een dozijn Mojels. Dat plezierde hem.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here