Dit is een verhaal uit de bundel De ring van Ardek en andere griezelverhalen, die bij Uitgeverij Macc gaat verschijnen. 

Station Nimmerdor en de Maanlicht-express
Tais Teng

Locatie: Park Nimmerdor, Amersfoort

 

Uit: Buitenplaatsen en Lustoorden in de Provincie Utrecht, door Gert van Doevekamp, Uitgeverij Heem & Beemster, Amersfoort, 1ste druk, 1968

 

Toen ik in de zestiger jaren in Utrecht Nederlandse Taal en Letterkunde studeerde, bleek Amersfoort de dichtstbijzijnde plaats waar ik een kamer kon vinden. Angela was mijn onderbuurvrouw en we waren min of meer bevriend. Niet dat Angela mijn vriendin was: veel verder dan een haastige kus die op haar wang afschampte, kwam ik niet.
‘Daar zijn we hier niet voor,’ wees Angela mij terecht en ze had natuurlijk gelijk. We waren op een maanloze nacht in het bos van Rhijnauwen naar lichtgevende paddenstoelen aan het zoeken. Volgens Angela vormde zo’n elfenkring vaak een toegang naar het Elfenrijk. Die nacht vonden we niet één paddenstoel maar na zo’n anderhalf uur begon we voetstappen te horen die ons steels volgden. Hulststruikjes ritselden met hun lederachtige bladeren. Toen er in de verte een ijl zingen begon, kneep Angela mij in de arm en fluisterde: ‘Ik geloof dat we beter kunnen vertrekken.’

 

We sprintten terug naar de parkeerplaats en sprongen op onze fietsen. Pas na het derde stoplicht hield het zingen op en soms hoor ik het nog wel in nachtmerries waaruit ik met een schreeuw op mijn lippen ontwaak. Er was een refrein in een onbekende taal dat zich in mijn brein verankerde: ‘Pridite ko mne, i ya otrublyu pal’tsy i pal’tsy nog i posazhu ikh v ogorode.’
Jaren later vertelde Google Translate mij dat het Russisch was en zoveel betekende als: ‘Kom naar mijn huis en ik zal je vingers en tenen afhakken en in mijn moestuin planten.’

 

Waarschijnlijk had Angela meteen begrepen waarover het lied ging. Ze was wat de Engelsen fey zouden noemen. Er is geen goed Nederlands woord voor. Angela beschouwde elke open deur als een goud-omrande invitatie. En verboden waren al helemaal de rode stierenvechterslap. Als ze een bordje met VERBODEN OP HET GRAS TE LOPEN zag, trok ze meteen haar bergschoenen met klimijzers aan om eens goed op het gazon rond te stampen.
Angela geloofde in letterlijk alles; Atlantis en Mu, dat de goden kosmonauten waren, aardstralen en afkloppen op hout. Uiteraard ook in vliegende schotels. Ze beweerde met eentje meegereisd te zijn en ik geloofde haar half. Ze had een vulpotlood van een grijzig metaal dat klopte als een hart zodra je het oppakte, en haar joints waren zo sterk dat ze onmogelijk van de aarde afkomstig konden zijn.
Genoeg over Angela. De lezer heeft waarschijnlijk een redelijke indruk zo.

 

Angela belde die kerstnacht om half elf bij mij aan. Toen ik opendeed, rukte de storm mij de deur bijna uit de handen.
‘Gert my boy,’ zei ze, ‘De maan is vol en de wind krijst in de schoorstenen. Ik wed dat dit zo’n nacht is!’
‘Je bent knettergek. Er viel net een kastanjeboom op de auto van buurvrouw Geertje en alle fietsen zijn de gracht ingewaaid.’ Ik fronste. ‘Wat voor nacht bedoel je?’
‘Nou, het is windkracht elf en volle maan. Ik wed dat de spook-express naar Kesteren vannacht rijdt. Je stapt in op halte Nimmerdor en dan reest het door, eerst naar Kesteren en dan naar verderop. Je weet wel: het Verdronken Land van Saeftinghe, Blijdemansdorp en Negenkarcke.’ ‘En dan?’ Doorvragen was vaak verstandig als het om een uitstapje met Angela ging.
‘De gietijzeren poorten van de Hel. Je weet wel, roodgloeiend en er staat in grote letters op: Laat alle hoop varen, al wie hier binnentreedt. Maar we stappen uiteraard een halte eerder uit.’
Een spook-express naar de Hel. Er zijn dingen die je beter niet kunt doen, maar waar je de rest van je leven spijt van hebt als je ze afslaat. Een nachtelijke excursie met Angela viel daaronder. En ik had nooit eerder met een spooktrein meegereden.
Ik sputterde een laatste protest. ‘Ik ken Nimmerdor. Ik hardloop er soms en als ik een ding weet, is dat er geen treinhalte is.’
‘Er was er een keer eentje, voor een feest op 3 juli 1889 en wat was, blijft altijd wel ergens doorgaan.’ Ze opende haar handtasje. ‘Ik heb kaartjes.’
Tja, toen viel er niet meer onderuit te komen. Dit was beslist een unieke kans en ik had al de eerste aantekeningen voor ‘Buitenplaatsen en Lustoorden in de Provincie Utrecht’ gemaakt. Volksverhalen zijn in dat soort boeken de broodnodige krenten in de pap.

 

Hoe Angela precies reed heb ik later nooit meer goed kunnen reconstrueren. Dat ons de dakpannen om de oren gierden en we twee keer in de sloot geblazen werden, is daar niet vreemd aan.
De wind viel abrupt weg en we fietsten door onder een schoongeblazen hemel vol fonkelende wintersterren. Een wit gebouw voorbij, een oprijlaan die door marmeren beelden geflankeerd werd en daar lag Station Nimmerdor.
‘Nu zijn er paar zaken die je moet onthouden,’ zei Angela. ‘Wie er hier opstappen, dat zijn waarschijnlijk de zielen van vadermoordenaars, jonge-katjes-verdrinkers en onverbeterlijke Gods-naam-ijdel-gebruikers. Klets gewoon met ze mee en laat niet doorschemeren dat je anders bent.” ‘Dat is een. En verder?’
‘Eet en drink niets van wat ze je aanbieden. Geen smakelijke sprits of botervette spoorpunt. Geen gratis kop hete chocolademelk. Maar dat spreekt vanzelf.’

 

De meeste passagiers zaten prima in het pak, de mannen in colbertjes en vlinderdas, de dames in bloemetjesjurken, maar dat lag eigenlijk wel voor de hand. Niemand gaat met een Swiebertjes-outfit de grafkist in. Geen ziel zag er bleek uit: een lijk wordt blijkbaar geschminkt met blozende appelwangetjes en hun zielen nemen dat mee.
Een locomotief gleed uit het bos tevoorschijn en stopte, wolken fosforescerende stoom blazend, naast het perron. De deuren schoven open en een warm lamplicht viel naar buiten.
Kaarslicht en muziek, ging het door mij heen. Alles om de zielen orderlijk naar binnen te lokken. En inderdaad, daar klonk al een vrolijk kerstlied, een en al tinkelende arrensleebelletjes en engelachtige kinderstemmetjes.
‘Stap in, stap in,’ zongen de Leidse Sleuteltjes,
‘Reis met ons door
Naar ’t Winterwonderland
Waar de sneeuwpoppen breed glimlachen
En de roodborstjes kwinkelieren
onder tere glittersterren!’
‘Dat nummer kende ik nog niet,’ zei Angela. ‘En ik ben een fan.
Dikkertje dap en zo. Cool.’
Zodra we naar binnenstapten, veranderde het lied echter.
‘Reis met ons door
Naar ’t ijzige Infernoland
Waar de sneeuwpoppen honend grijnzen
En de vleermuizen krijsen
Onder een stekend spinnenogenzwerk!’
Angela liet zich op de pluche bank zakken.
‘Geen wonder dat ik het nummer niet kende. Ze moeten het speciaal voor deze treinrit gecomponeerd hebben.’
Een man die even massief gebouwd was als een walrus, plofte op de bank tegenover ons neer.
‘En wat brengt jullie hier?’ vroeg hij. ‘Twee gelieven?’ Hij knipte met zijn vingers en wees naar Angela. ‘Jij vergiftigde je man en met erfenis reisden jullie naar Hawaii? Alleen stortte het vliegtuig halverwege neer.’
‘Was het maar waar,’ zuchtte Angela. ‘Ik verdronk een nest katjes omdat ik horendol van hun gemiauw werd.’
‘Ik, eh, ik gebruikte Gods naam ijdel toen ik op mijn duim sloeg,’ zei ik vlug. ‘Ik wist niet dat Hij mij letterlijk zou nemen.’
De man grinnikte. ‘Dat goede ouwe godverdomme.’ Hij boog zich naar voren, zijn onderkinnen zwabberend. ‘En hoe stierven jullie? Jong zo te zien.’
‘We waren op weg naar onze bruiloft,’ zei Angela en een moment hoopte ik dat onze kus toch nog een vervolg zou krijgen. ‘Een vrachtwagen ramde onze auto en we belandden ondersteboven in de gracht. Met de vrachtwagen bovenop ons.’
‘Tja. Dat was waarschijnlijk te kort om je alsnog te bekeren.’ ‘Ik zat achter het stuur,’ zei ik. ‘Ik had beter op moeten letten.’ Angela giechelde. ‘Een beetje dronken waren we wel! Tja, een bruiloft. Wat wil je?’
‘En u?’ vroeg ik. Lul met ze mee had Angela mij aangeraden.
‘Ik was een menseneter, een kannibaal. Geen rechercheur wist mij op te speurhonden. Geen agent had ooit iets door.’ Hij spreidde zijn handen. ‘Ik stierf aan een hersenziekte. Ik wist best dat het eten van rauwe hersenen onverstandig was, maar ja, ze zagen er altijd zo heerlijk uit. Roze drilpuddingen met een licht zilte smaak. Eerst de hersenen, dan plakjes lever die ik overigens wel met rode ui opbakte. Vingers en tenen leg je op de gril.’ Hij likte zijn dikke lippen. ‘Ik wist natuurlijk altijd al dat ik een keer in de Hel zou belanden, ook al stond er niets over mensen oppeuzelen in de Tien Geboden.’

 

Buiten schilderde de volle maan het landschap zilver. Waarschijnlijk waren we onze gewone wereld al uit gereden want ik zag koeien door de hemel vliegen, een losgerukte molen met fanatiek draaiende wieken. Geen aardse storm woei half zo hard en het vreemde was dat ik er niets van hoorde, hoewel de raampjes op een kier stonden.
‘De volgende halte is het Verdronken Land van Saeftinghe,’ borrelde een stem uit luidsprekers. ‘Zij die zich moedwillig van het leven beroofd hebben door verdrinking dienen hier uit te stappen.’
De trein stopte naast een dobberend houten platform. Langs de rand stonden lieden met touwen om hun nek, brokken beton of een loodzware twaalf-persoons gaarkeukenpan in de handen. Uit de deinende golven stak een drietal kerktorens omhoog.
Ik merkte dat ik overeind kwam en mechanisch naar de deur begon te lopen.
‘Dat geldt niet voor jullie,’ zei de kannibaal en greep mijn pols vast. ‘Jullie reden niet expres de gracht in.’
De druk verdween en ik had mijn benen weer terug.
Angela boog zich naar mij toe. ‘Verzin niet te veel,’ fluisterde ze.
‘Blijkbaar geloofde iemand ons.’

 

Iets voorbij Blijdemansdorp kwam de rail-catering langs. ‘Spoorpunten en gloeiend hete koffie, zo zwart als een dropnikker!’ riep de verkoper. Hij duwde een gietijzeren karretje voor zich uit. ‘Roomsoezen als blonde deernen, tompoezen roze als de tepels van je buurvrouw die je nooit hebt mogen aanraken!’
‘Ik trakteer!’ riep de kannibaal en even later stonden er koppen stomende koffie op het tafeltje, tompoezen en voor onze medereiziger een bakje gefrituurde vingers.
Angela nam een ferme slok van haar koffie en zette haar tanden in een tompoes.
‘Maar je zei…’ sputterde ik.
‘Zulke verboden gelden niet voor mij,’ zei ze, een veeg glazuur op haar wang. ‘Bovendien at ik al elfenbrood en dronk ik honingdauw in Xanadu.’ Ze gaf een tik op mijn vingers toen ik naar mijn gebakje reikte. ‘Jij niet!’
Buiten hingen er drie manen aan de hemel en het was duidelijk dat onze volgende halte, Zevenkarcke, wel heel ver van de-landen-die-wij-kennen moest liggen.
Angela boog zich naar het raam, wees. ‘Daar! Shit! Al weer weg.”
‘Wat?’
‘Een draak. Hij trok een wagen met een man met een ooievaarskop.’
De kannibaal knikte. ‘Wie verre reizen doet, kan veel verhalen.’
De luidspreker klikte en opnieuw kwam de borrelende stem de cabine invloeien.
‘Wij lopen enigszins achter op het schema. Daarom zien wij ons helaas genoodzaakt de volgende haltes over te slaan: Zevenkarcke, Niemandsverdriet, Lestekans. Wij rijden direct door naar de Hellepoort.’
‘Krijg de vliegende tering!’ vloekte Angela en griste haar pukkel uit het bagagerek. Ze greep mijn hand vast en sleurde ons uit de cabine. ‘Wat?’ riep ik. ‘Hoe?’
‘We gaan niet naar de Hel,’ zei Angela, ‘omdat ik nu aan de noodrem ga trekken,’ en voegde daad bij woord.
Een gegier als het gekrijs van een leger verontwaardigde demonen en de trein kwam tot stilstand.
Angela wrikte de stalen deur open en we renden het talud af.

 

Voor ons lag een weide van zilveren gras waarin koeien met veel te veel poten graasden. De horizon was bezet met windmolen, honderden, duizenden windmolen met wieken in de vorm van esdoornbladeren. Het kostte ons twaalf maanden om de weg naar Amersfoort terug te vinden. Ik zou graag vertellen dat we als goede vrienden uit elkaar gingen, maar dat was niet het geval.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.