Traditiegetrouw plaatsen we weer enkele verhalen die met ‘ons’ thema in de afgelopen Waterloper Verhalenwedstrijd hoge ogen gooiden. Vorige week konden jullie het verhaal van Sanne Hazeveld lezen, ditmaal mogen we uitpakken met Het verschijnsel van Mynar van Bart Grossman. Hij werd met dit verhaal 33e in de wedstrijd.
Bart werkt als maatschappelijk verzorgende IG in de ouderenzorg. De unieke stemmen en verhalen van de mensen die hij daar ontmoet, helpen bij het vormen van de personages en dialogen in zijn schrijfwerk. In zijn vrije tijd leest hij graag fantasy boeken, speelt hij games en werkt hij aan zijn eigen werelden. Dit korte verhaal is zijn debuut.
Het verschijnsel van Mynar
Bart Grossman
Proloog: De Runenmaker
Met een daverende dreun ramde de Taurus zijn knots tegen de rotsen. Razend zwaaide hij met het kolossale wapen en richtte zich in volle lengte op. Zodoende toonde hij een gehavende vacht met lange scheuren en verwondingen, littekens van oude gevechten. Genezen, maar nooit echt geheeld.
Snuivend en stampend boog de taurus zijn zwijnachtige stierenkop naar voren. Sperde zijn bek en brulde met een oerkreet, zijn scherpe, vergeelde tanden angstaanjagend bloot. Speeksel vloog door de lucht, terwijl hij hysterisch met zijn knots op de grond mepte. De bosgrond huiverde door de brute kracht, terwijl bladeren ritselden onder het geweld.
Zijn ogen fonkelden rood van manie, terwijl hij zich fixeerde op de krijger voor hem. Een brede man, verscholen in een duistere mantel, die als een schaduw om hem heen wapperde. Zijn haren, rood, bewogen als vlammen rond zijn hoofd. Zijn gezicht bleef onaangedaan, slechts zijn ogen bewogen tussen de Taurus en een flesje in zijn hand. De inhoud, een groengele vloeistof, bewoog in een voortdurende stroom, waarbij de kleuren langs elkaar vloeiden.
De krijger vernauwde zijn ogen, richtte een valse grijns naar de taurus en duwde het flesje terug in de houder aan zijn riem. Hij greep het gevest achter zijn schouder en trok het zwaard rustig uit de schede. Daglicht streelde het met runen bedekte metaal en vormde een glinstering van hoop in het duistere woud.
Krijsend in blinde woede stormde de taurus met donderend geweld op zijn bedreiging af. Takken verbrijzelden, stammen knakten als twijgjes in de stormloop, terwijl de knots boven de kop van het monster ronddraaide.
De krijger nam een zijwaartse positie aan, duwde zijn voet in de aarde, versterkte zijn grip op het gevest en ademde diep. Zijn stem beheerst en krachtig: ‘In dag en nacht, strijden de zwaarden. Gesmeed in het licht, zodat duister zwicht.’
De runen op het lemmet lichtten één voor één op, terwijl de knots door de lucht suisde. Plots draaide de krijger weg, waardoor de taurus zijn doel miste. Het kolossale wapen scheerde door de rode haren, die in de draai als een waaier oplaaiden. Even was het monster uit balans, maar herstelde zich indrukwekkend snel. Snauwend haalde hij uit naar de krijger die wegdraaide, van wiens zwaard niet meer dan een vage verschijning was. De wapens klapten tegen elkaar dat door het woud galmde. Opnieuw scheerde het zwaard door de lucht en sneed venijnig over de onderarm van de taurus. Stampend en krijsend uitte hij zijn frustratie en haalde woest uit. De knots vloog langs zijn tegenstander die als een schaduw door het woud gleed. Dreunend trof het wapen de bosgrond, terwijl de krijger met elegante passen door danste, diens zwaard als een vloeiende golf. De punt scheerde over het kuitbeen en reet de huid tot de knie bloederig open. De volgende haal doorkliefde de pezen net boven de hoef. Krijsend en jammerend zakte de taurus door zijn been en maakte een wanhopige achterwaartse slag met zijn knots. Met eenvoud weerde de krijger de slag af en stak zijn zwaard in een vloeiende beweging recht vooruit. Gorgelend en proestend liet de taurus zijn wapen los.
De runen doofden terstond, terwijl de krijger zijn zwaard ruw uit de kop trok. Zijn ogen dof en zonder fonkel stortte de taurus neer en verstierf. Enkel de bladeren fluisterden nog, als een stil eerbetoon aan de Runenwaker, die behendig zijn zwaard terug in de schede schoof. Zonder omkijken, verdween hij als een schim in de schaduwen van het woud.
Hoofdstuk 1: De abdij, het brood, het ongeluk
Het was als de schemer, maar dan midden op de dag. Zwartgrijze wolken raasden door de lucht als een kolkende massa. Het weerlicht vervormde de hemel in macabere silhouetten op wat zich zou ontvouwen. Het daaropvolgende geluid, waren de goden die stenen over de wolken wierpen en zo het lot van de wereld bepaalden.
Elbert, een novice onder de priesters van Kartah, liep onzeker door de smalle abdijgang. Zijn pas aarzelend en onrustig. Aan weerszijden van de gang rezen hoge zuilen die tot de nok reikten. Daartussen grootse standbeelden: priesterlijke afbeeldingen van Kartah, gehuld in een albe, hun gezichten verborgen onder de kap van het gewaad. Hoewel hun ogen zelfs in het weerlicht verscholen bleven, had Elbert het gevoel dat ze hem gadesloegen en zijn zondes niet onopgemerkt bleven. Was het de Heer die elke misstap noteerde, zijn hamer rustend tot de dag des oordeels? Was de donder het oordeel, voor wat hij had gedaan? Was de dreun die tot de funderingen van de abdij doortrilde, Zijn beslissing? Versteend bleef Elbert staan en tuurde benauwd naar het in lood gegoten raam. Zijn gedachten raasden sneller dan de storm, terwijl hij angstig naar het lederen zakje op zijn hand keek. Hij richtte zijn blik terug omhoog, waar de regen omlaag droop als gebroken tranen in het gekleurde glas. Het vormde kortstondige silhouetten, dansend op de grijze muren, geboren uit het lodenraamwerk in het flitsende licht. Was dit de Heer die zijn ongenoegen toonde?
Benauwd snelde Elbert verder door de zijbeuk tot hij bij de viering aankwam, het hart van de abdij. Daar, naast het altaar, stond zijn meester, diep in gesprek met andere priesters, eveneens in zwart gehuld. Op gepaste afstand bleef Elbert staan en ving zodoende het gesprek op dat het drietal voerde.
‘Het is geen voorstel,’ zei Esthon Hamath en keek zijn gelijke indringend aan. ‘Het brood werd gegeten… nadat het gedeeld werd.’
‘Nee…’ antwoordde broeder Abdar scherp. ‘Er werd eerst geproefd. Het was Vaelus’ zijn eerste boodschap aan de apostelen: proef het, eet het en verdeel het aan allen.’
‘Broeder Hamath,’ sprak Gilead, bedachtzaam. ‘Ik geloof oprecht… wat onze broeder hier zegt. Dat je iets niet kunt delen… zonder het eerst te proeven en te eten.’
Hamath schudde het hoofd, zijn antwoord kalm en eenvoudig, alsof hij leerlingen toesprak. ‘De volgorde is essentieel, broeders. De oude taal… wordt verkeerd begrepen. Simpel… door de volgorde van vertalen.’ Hij hief een vinger in een illustratief gebaar, terwijl hij verder sprak: ‘Breek het brood…, om te delen. De deler neemt het voortouw en zo deel je kennis met anderen…, terwijl je gezamenlijk eet.’
Broeder Abdar boog zijn hoofd en sloot peinzend zijn ogen. Een diepe zucht van ongeloof ontsnapte hem, terwijl hij langzaam opkeek. Zijn blik was scherp, maar in zijn gelaat lag verborgen ongemak. ‘Jouw woorden… broeder, leiden enkel tot verdeeldheid,’ antwoordde Abdar met klem. ‘Je tornt aan de fundamenten van ons bestaan. Je kunt het geloof niet delen voordat je het hebt begrepen. Het proeven van het brood komt eerst, dát is de essentie.’
‘Ik spreek niet over verdeeldheid, broeder Abdar,’ kaatste Hamath terug. ‘Maar het is duidelijk dat jij dit kleine verschil, juist in die essentie volledig mist. En dat… dat is veelzeggend.’
‘Wat probeer je hiermee te suggereren?’ riep broeder Gilead verwonderd. ‘Dat…’
‘Dat degene die het brood deelt,’ onderbrak Hamath de ander, ‘het moment van eenheid bepaalt. Hij is dus degene… die leidt.’
‘Absurd,’ riep Abdar. Hij snoof minachtend, kneep zijn ogen samen en snauwde: ‘En wie ben jij, de breker of de deler?’
Hamath lachte bruusk en zei: ‘Ben je werkelijk zo naïef, broeder? Ontken je werkelijk wie wij zijn? Het is juist de essentie in dit alles, breken en delen… is leiden!’
Met afgrijzen week Abdar naar broeder Gilead, zoekend naar bevestiging van zijn woorden.
Elbert fronste zijn wenkbrauwen en deed een stap dichterbij. Was er nu echt een discussie over brood en… en was er nu werkelijk onenigheid over… de vraag… werd er eerst geproefd voor het verdeeld was of… Elbert zuchtte uit verwarring, wat hem doordringende blikken opleverde. Verschrikt slikkend richtte hij zijn blik omlaag en voelde zich door de grond zakken. Zijn zucht gaf de meesters de essentie dat hij ongeduld vertoonde. Zijn ongemakkelijke uiting, gevormd vanuit onwetendheid, zou hem nu waarschijnlijk een afranseling bezorgen. Wat de werkelijke oorzaak was, had geen belang. Het was zoals de priesters het zagen en niet anders. Elbert slikte een tweede zucht in en besefte dat het kwaad geschied was. Hij kon nu maar beter doorzetten en tonen waarvoor hij gekomen was. Hoe kon een discussie over broodverdeling, nu belangrijker zijn dan… Hij had immers de storm getrotseerd om zijn meester te overhandigen waarom gevraagd was. Onzeker stapte Elbert naar voren en reikte een lederen zakje aan. ‘Ik breng u hetgeen, waarvoor u mij gezonden had.’ Elbert probeerde zich zo eerbiedig mogelijk op te stellen en keek strak naar de grond, terwijl hij het buideltje voor zich uithield.
‘Respectloos,’ merkte Abdar verwonderd op. ‘Slechts enkele zweepslagen… volstaan dit ongeduld niet, broeder.’
Hamath knikte instemmend, waarna hij het buideltje met duim en wijsvinger oppakte, alsof het iets smerigs was. ‘Jouw ongeduld mijn novice, zal streng bestraft worden… en zal zijn zoals broeder Abdar voorstelt.’
Elbert knikte eerbiedig, knielde en boog voorover zodat zijn hoofd de grond raakte, terwijl hij zijn armen spreidde. ‘Ik ben nederig en de uwe.’
‘Vergeef me, broeders,’ merkte Hamath op en kreeg begripvolle, medelevende blikken van de anderen. ‘Lopen,’ sneerde hij zijn novice toe, waarop de jongen opsprong. Eerbiedig liep hij voor zijn meester uit, die hem een tik tegen zijn achterhoofd gaf.
Hoofdstuk 2: De pilaren van het rad
Beheerst duwde Hamath de deur in het slot. In enkele stappen stond hij naast zijn novice. Stil en dreigend. Elbert keek vanuit zijn ooghoeken. De man stond daar. Een exact evenbeeld als de priesterlijke standbeelden in de zijbeuk. De stilte was beangstigend. Een benauwd gevoel op een razende storm, die zich niet ontketende. Hij wachtte en zette zich innerlijk schrap voor zijn straf. Het leek eindeloos. Terughoudend draaide Elbert zijn blik schuin omhoog. Dat moment werd hij gegrepen en hardhandig naar de muur gesleurd. Zijn hoofd sloeg tegen de stenen waardoor hij duizelde.
‘Stommeling, onnadenkend stuk onbenul dat je bent,’ blafte Hamath, terwijl hij zijn leerling door elkaar schudde. ‘In nabijheid van die dwazen. Die…’ Hij draaide weg van zijn novice en beet op zijn onderlip. Geagiteerd boog hij weer voorover en snauwde verder: ‘Je had bijna alles verpest.’ Ruw trok hij de jongen weg van de muur die al struikelend door de kamer stapte. Met een schuwe blik staarde hij naar zijn leermeester, die hem met zijn diepliggende ogen streng aankeek. De irissen draaiden kortstondig naar de hoek van zijn oogkassen. Een veelzeggend gebaar, waar Elbert begreep wat er bedoeld werd. Zonder een woord liep hij naar de aangewezen plek en pakte het boetewapen dat aan de muur hing. Met zijn ogen eerbiedig op de grond gericht, reikte hij de martinet aan en ontknoopte zijn gewaad.
De slag knalde door de ruimte. Verkrampt zakte de novice door zijn benen, zijn keel dichtgeknepen door pijn. Rode, paarse striemen tekenden zich af op de blote, bleke rug. Tranen welden op in zijn ogen en hoewel hij wilde schreeuwen, kwam er geen geluid uit zijn mond. Alsof zijn lichaam zich verzette tegen elke vorm van uiting.
Zonder enig woord, hield Hamath de martinet voor Elberts gezicht. De jonge novice pakte verkrampt het boetewapen en stond moeizaam op. Met trillende armen en benen, hing hij het terug aan de muur, waarna hij naar de werktafel liep. Daar bleef hij zwijgzaam staan en dat leverde hem een kort, waarderend knikje op.
Zuchtend nam Hamath plaats achter zijn werktafel en wierp zijn leerling een scherpe doordringende blik toe. ‘Ik zou je dagenlang moeten straffen, enkel om die Abdar te sussen. Als een van die twee gemerkt had, wat je bij je droeg…’ Hij zuchtte opnieuw en maakte een tikkend geluid met zijn tong. ‘Weet dat ik je spaar jongen, enkel omdat je uitzonderlijk snel je taak vervulde.’ Hij legde het lederen buideltje op de tafel en sprak emotioneel verder: ‘Hoe kon je… Ik had je nog zo gezegd dat je diskreet moest zijn, dat niemand dit mocht weten en toch…’ Teleurstellend schudde de man zijn hoofd en sprak bijna fluisterend. ‘Je hebt mij in de steekgelaten. Ik zag meer in je.’ Hij zweeg kort, waarna hij met verzwaarde stem vervolgde. ‘Maar blijkbaar vergiste ik mij in jou en ben je… gewoon niet waardig.’
Verschrikt keek Elbert op. Hij wilde iets zeggen, maar slikte zijn woorden in. Hij had door schade en schande geleerd dat zwijgen hem behoedde. Geen vergiffenis vragen, geen woorden van spijtbetuiging. Gewoon zwijgen. Je mond houden en eerbied tonen. Niet je ogen sluiten, maar strak naar de grond kijken. Wachtend tot zijn meester verder sprak en hem dan vertelde wat er verwacht werd. Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe de slanke man zijn schrijfveer in de inktpot doopte. In dat korte moment vonden hun ogen elkaar en zag hij de diepte waar vergaarde wijsheid lag. Snel keek hij weer naar de grond. Zoek naar kalmte. Niet je ogen sluiten maar concentreren. Luister naar het gekrabbel van de schrijfveer. Wees nederig. Eenheid met de geest wordt gevormd door kalmte, kalmte wordt gevonden door te concentreren en bereik je alleen door eenheid met je geest.
‘Ik voel je onzekerheid, mijn novice, je vragen zijn als de donder die buiten raast. Spreek!’
‘Ik snap het niet, meester. Wat maakt het breken van brood of het delen, zo belangrijk? Het zorgt enkel voor onrust in mijn gedachten, in plaats van de eenheid die u mij leert.’
Zijn leermeester snoof. ‘Je spreekt over waarden die je niet begrijpt, maar dat is niet wat je onrust baart.’
‘De anderen weten dat ik buiten de abdij ben geweest. U…’ Elbert slikte, maar zijn zin was al begonnen. Straf was het antwoord, als hij zijn woorden verdraaide. ‘U hebt mij iets opgedragen dat tegen de regels in ging.’
Kalm plaatste Hamath zijn schrijfveer in de houder, schoof het perkament wat opzij en boog voorover. Leunend op het tafelblad. ‘Zit.’
Elbert liep naar de stoel bij de werktafel en ging zitten. Met friemelende vingers staarde hij naar het hout. Hij was zich bewust van het feit dat zijn uiting als een beschuldiging werd gezien en bestraft zou worden. Het zwijgen leek zijn vermoeden te bevestigen… of was het een test op zijn geduld? Zonder zijn blik op te heffen, zag hij hoe de man zijn bokaal optilde en een slok wijn nam. Terwijl hij het vocht van zijn lippen veegde sprak hij kalm: ‘Je bent mijn novice, gebonden aan mijn wil. Mijn wet is absoluut en allesbepalend. Als daaraan getwijfeld wordt, is het aan de Hoge Abdij om dat te beoordelen. Nu spreek: wie verspreidt roddels en vuilheden over mijn novice?’
Elbert kromp ineen en zei met een lichte trilling in zijn stem: ‘Dat weet ik niet… maar… Jakin… Jakin vertelde het… hij had het gehoord.’
‘Jullie slapen in dezelfde zaal, toch?’ vroeg Hamath en nam nogmaals een slok. ‘Het zijn onze naasten, jongen. Die het snelst vervalste oordelen bezitten.’ Zijn lippen krulden zich tot een gladde glimlach — een zeldzaamheid, wist Elbert. ‘Ik zal je helpen bij dit gerucht… en allen die het verkondigen, bestraffen.’ Hamath doopte de schrijfveer in de inkt en vervolgde zijn monotone gekrabbel op het papier. ‘Nu! Zoek je reinheid op. Je zult haar hard nodig hebben voor je reis naar Galhmere.’
Elberts ogen sperden zich verschrikt open en staarde angstig naar zijn meester. Galhmere? Maar dat was één van de grenslanden binnen het gemenebest! Het was er gevaarlijk en bezeten door monsters. ‘Maar… maar dat is verb…’ Geschrokken schoot Elberts hand tegen zijn mond bij het besef van zijn brutaliteit. Hij sloeg zijn ogen neer en voelde de ijzige blik als een speer op hem gericht. Met kleine, schuifelende passen, gleed hij achteruit tot aan de plek waar hij geacht werd te staan. De stilte die volgde sneed als kou door de kamer, terwijl de storm buiten zijn adem inhield. Alleen het zachte gekrabbel van een schrijfveer doorbrak de stilte.
Tijd verstreek maar leek zich te verwikkelen in een eeuwigheid. Elbert stond met gevouwen handen in zijn gevormde eenheid. Wachtend in stilte. Het bracht hem in onbalans. Duwde zijn aandacht naar de schrijftafel, waar het gekrabbel gestorven was. De schrijfveer stond zwijgzaam in de houder waar de inkt nog vanaf droop. Intussen hield zijn meester een kleine houten zeef boven het perkament. Elberts ogen schoten over de tafel, naar het lederen buideltje, dat geopend was. Werd de brief nu met helmskruid besprenkeld? Maar… het verdoezelde toch enkel geuren, toch geen inkt? Maar waarom… misschien was het om Galhmere? De gedachte bracht zijn rust tot wankelen, de plek gaf hem koude rillingen.
Zij die het betraden en levend terugkeerden, waren voor eeuwig getekend. Kortstondig sloot Elbert zijn ogen om zijn rust te bekrachtigen. Denk aan eenheid, wees rein. De rilling gleed weg, waarop hij zijn rust hervond, zijn blik laag, maar zag vanuit de randen van zijn zicht, de handelingen die zich aan de tafel voltrokken. Het hooggehouden perkament, dat voorzichtig werd opgerold, zorgde dat de vragen terug zijn geest in slopen: Waarom? Waarvoor? Waartoe leidde dit alles? Elbert kneep zijn ogen en zijn mond stevig dicht en ademde voorzichtig uit. Met geperste lippen om zijn rust te behouden, zag hij hoe rode was op het papier druppelde en de zegelring met het symbool van Kartah erin gedrukt werd. Het heilige rad. Een cirkel met vier uitstekende pilaren. Elke pilaar stond voor de fundering van het geloof, waar de pilaar van opoffering het begin vormde. Want alleen door zelfopoffering komt toewijding. De tweede pilaar. Elke novice moest de eerste twee pilaren doorstaan en deze brachten hem… in tijd, naar de pilaar van kennis. Die kon alleen bereikt worden bij volledige opoffering tot toewijding. De laatste pilaar was kracht, het symbool van God hemzelf en het bereiken als eerwaardige dienaar van de heilige Heer. Louter dan mocht Zijn woord onder de plebs verkondigd worden. Enkel de eerwaarde bracht het heilige woord onder de adelen. Elbert had horen zeggen, dat de Hoge Abdij — de hoogst geklede geestelijke van Kartah — zijn taak had verzaakt in het prediken van het heilige woord. Hij begreep maar niet hoe het heilige woord verwaarloosde kon worden. Werd er dan minder gepredikt in het Gemenebest?
‘Je gedachten zijn wederom onrustig mijn novice, ik voel je vragen.’
‘Vergeef mij… vergeef mijn zonde,’ fluisterde Elbert en knielde om zijn toewijding te tonen. Het leverde hem weer een kort hoofdknikje op, waarna de hand van zijn meester hem wenkte. ‘Je moet meer vertrouwen hebben in je kunde, zoals ik vertrouwen in je heb om mij te brengen, waar ik om vraag.’
Elbert tuurde omlaag. Hij wist dat vragen retorisch waren en niet om een antwoord vroegen, tenzij het daadwerkelijk gevraagd werd. Hij twijfelde. Wat dit nu zo’n vraag? Hij keek op toen Hamath de tekstrol uitreikte en zei: ‘In het zuidoosten wordt een eiland geteisterd door een geheimzinnigheid, een verschijnsel dat vernietigd moet worden. Breng dit naar de Runenwaker, Erik van Holtar. Zijn schuld verplicht hem ons te helpen. Zeg hem dat de abdij absoluut wil in zijn taak.’ Hij hief een bevelende vinger en sprak verder. ‘Laat je niet wegsturen. De abdij wil alles weten, jij bent onze ogen. Het zal je naar de derde pilaar leiden, mijn goede novice.’
‘Zoals u wenst, mijn meester’ antwoordde Elbert respectvol.
‘Reis naar Galhmere en volg het pad zuidoost tot je de herberg, de Grijsaard bereikt. De herbergier zal je wijzen waar de Runenwaker te vinden is. Zijn zwaard, de Dageraad, is de sleutel naar de macht die ik…’ Hamath slikte plots, wreef kort over zijn keel voor hij verder sprak. ‘Die de abdij zoekt. Ga nu!’
Elbert knikte en nam met een trillende hand de perkamentrol aan. Snel schoof hij het onder zijn gewaad waar een vreemde geur zijn neus bereikte. Bitter en droog. Even leek het alsof hij niks anders rook en de bittere, droge geur er altijd al geweest was. Maar… helmskruid was toch geurloos, waar kwam de droge bitterheid dan vandaan? Het werd toch gebruikt om geuren te verdoezelen, om de waarheid te verhullen en was daarom verboden? Dit moest een erg belangrijk bericht zijn, waarom nam zijn meester anders het risico? Die gedachte stak hem, want wat had hij gedaan? Hij had zijn meester bijna verraden. Zijn gedachten tolden. Schuld. Vragen. Vragen waarvan hij ze niet durfde te stellen. Wat verscholen lag, moest verborgen blijven. Hij kreeg hier de kans om zich te tonen. De weg naar de derde pilaar was geopend. Spoedig zouden de anderen naar hem opkijken. Hij zou zijn taak vervullen, terugkomen als een toegewijde en dan werd de pilaar van kennis toegankelijk voor hem. Hij was een stap dichterbij. Hij kon de hand van de Heer al in zijn boezem voelen, een geruststelling van des Heres fluistering die op zijn huid ruste.
Hoofdstuk 3: Galhmere
Het was koud. Een strenge kilte die diep onderhuids kroop. Grijze, donkere wolken raasden door de lucht en hulden Galhmere in een grauw duister. Daglicht was schaars, als een vage herinnering. Het landschap vaal, alsof een grijze kwast de wereld achteloos had besmeurd. Het coloriet vervaagd tot woorden uit vervlogen verhalen. Alle esthetiek verdwenen, wat resulteerde in een troosteloos landschap. Zonder ziel.
Voorovergebogen en diep in het zadel gedrukt, keek Elbert schuw om zich heen. Zijn bruine novice-mantel plakte aan zijn lijf en sloeg bij vlagen tegen hem aan. Angst besloop hem en nestelde zich in zijn blik. Hoe kon de wereld zó vervagen, terwijl hij slechts een dag van de abdij verwijderd was? Wat had Galhmere zo verduisterd, dat zelfs het licht van de abdij er geen vat meer op had? De gedachten bezorgden hem rillingen, terwijl de kilte dieper doordrong tot in zijn verkrampte spieren. Nee, het kon niet. Dit was een beproeving op de fundamenten van zijn eenheid. Hij moest in zichzelf blijven geloven. Zijn opoffering was het baken in de storm. Zijn toewijding het kompas dat hem recht hield. Die pilaren waren de kracht van zijn eenheid, zijn geloof. Maar hoe onwrikbaar die gedachte ook leek, twijfel greep hem als een spartelende vis op het droge. Hopend dat de zee terugkwam om hem te halen.
Gezeten op zijn merrie keek Elbert vanaf een heuveltop, onzeker over het gebied dat zich als versteende golven uitstrekte. Bossen tekenden zich af als schaduwen over de vlaktes, met aan de horizon bergen die als pilaren de hemel ondersteunden. Dit land was verloren, waar het licht aan diens eindeloze strijd onderworpen was. Zijn eerdere reis naar Charlêne was voor een novice al een ernstige overtreding, afgezien van het helmskruid. Maar dat alles was niet te vergelijken met waar hij nu was.
Gespannen tuurde hij over de wereld, zoekend naar een verandering in het sombere land. Hier kon de kleinste trilling zich ontaarden tot groots onheil. Waarom hadden de woorden van zijn meester zo simpel geklonken? Alsof hij slechts één pad te bewandelen had. En toch stond hij daar, bij een splitsing, alsof een dolk het pad in tweeën had gesneden. Beide op zoek naar hun eigen bestemming. Geërgerd keek Elbert naar de onstuimige hemel. Hoe kon hij weten welke richting hij op moest, als hij de zon niet kon zien.
Starend naar de twee paden, vroeg hij zich af of dit wel de juiste route was. Zuidoost was hem gezegd, maar waar lag het zuidoosten? Weifelend keek hij over zijn schouder naar het pad achter hem. Hij klakte met zijn tong en duwde zijn hielen in haar flanken. Ze brieste en kwam schoorvoetend in beweging, waardoor de splitsing langzaam naderde. Wantrouwig keek Elbert naar de aftakking, hopend op een ingeving die evenwel niet kwam. Gevangen in die aarzeling draaide hij zich nogmaals om. Onbedoeld trok hij zo de teugels mee, waardoor de merrie mee stapte en hij zo over zijn twijfel werd getild. Juist op het moment dat hij besloot terugkeren, zag hij een glinstering in het duister. Een schim die zich in de grauwheid verschoof. Het was kort, maar hij had het gezien. Angstig trok hij de teugels strakker, waardoor de merrie wild brieste. Ze voelde zijn onrust en hief hinnikend haar hoofd, terwijl ze met haar ogen rolde. Tegen zijn wil kwam ze in beweging, waarbij ze duidelijk de overhand opeiste van haar jonge ruiter. Elbert hield haar kort, zijn blik vastgeketend aan de wereld achter hem. Zoekend naar een tweede glimp. De merrie werd schichtig door de krampachtige, strakgetrokken teugels en voelde het naderende gevaar. Ze hinnikte luid en stampte met haar hoeven. Wederom bewoog iets. Een zwarte vlek, als druipend inkt in het onheilspellende, grauwe landschap. Elbert liet de hengsels vieren, waardoor de merrie onrustig rondstapte. Verwoed probeerde hij haar weer in het gareel te krijgen, terwijl hij nogmaals over zijn schouder keek. Met een trillende stem snauwde hij: ‘Ga dan, dom beest.’ Ruw sloeg hij zijn hielen in haar flanken, waarop ze van haar plek schoot en een willekeurige richting op rende. Het pad flitste onder hen door, terwijl de merrie wild door de streek stormde. In die onstuimige galop verloor Elbert zijn grip op het zadel. Wanhopig klemde hij zich vast aan haar nek, waarop ze versnelde. Hij verkrampte in wat aanvoelde als een dodemansrit. Wind en regen sloegen in zijn gezicht, koud en pijnlijk. Zijn hart bonsde in zijn keel, alsof iets in hem wilde uitbreken. Zijn ogen prikten, maar hij durfde de hals niet meer los te laten. Schuim-bekkend scheerde de merrie door het duister, haar hoeven nauwelijks de grond rakend.
Schokkend en schuddend tuurde hij langs haar hals en zag tussen de manen door iets glinsteren. Een gele punt in het grauw van de wereld als een ster aan de hemel. Verontrust keek Elbert over zijn schouder. Hij zag niks meer. Aarzelend gleden zijn vingers naar de halster en trok ruw aan het leer. Met krijsend gehinnik schudde de merrie woest haar hoofd en verminderde vaart. Haar onrust bleef voelbaar, alsof ze niet zeker wist of ze aan de dreiging ontsnapt was. Elbert klopte haar op de hals terwijl hij schichtig over het landschap tuurde. Was de schim er nog? Waar was hij? Was hij verkeerd gereden of …? Bezorgd keek hij richting de flikkering in het duister, waar het vreemde licht allesbehalve veilig voelde. Maar hij had geen keus en stuurde de merrie erop af.
Het was als een schaduw. Een eenzame, zwarte vlek tussen oude, troosteloze bomen. In de flikkering van het licht verschenen langzaam de contouren van een gebouw. Een bouwsel van ruw en ongelijk gesteente. De ramen, vuil door zand en modder, waren als matglas en hielden het licht beperkt. Het uithangbord dat boven de deur hing wiegde en kraakte zachtjes. De tekst op het bord was vervaagd, maar nog net leesbaar. De Nachtvalk. Elbert zuchtte in onrust en keek beduusd om zich heen. Wat moest hij doen? Het toch al zwakke daglicht begon te vervagen, een duidelijk teken op de aankomende nacht. Hij had geen keuze, terug was te gevaarlijk. Ontmoedigd keek hij naar de herberg voor hem en zei zacht: ‘Misschien weten ze hier ook wel de weg, of weten ze iets over de Runenwaker? Onzeker keek hij om zich heen en stapte naar de stal van de herberg, die enkel verlicht werd door een lantaarn aan de muur.
Hoofdstuk 4: De Nachtvalk
De gelagkamer ademde rauwheid. Een benauwende geur van zweet, brandend hout en tabak. Daartussen aardse geuren, vochtig leer en wol, die overschreeuwd werden door de bittere stank van bier. Brandende fakkels vertoonden nerveuse vlammen, die dansende schaduwen wierpen op de verweerde balken en muren. In het midden brandde een haardvuur waar nauwelijks warmte vanaf kwam. Enkel rook die als een grauwe walm over het plafond dreef.
Aan de ronde tafels zaten ruige mannen met vette baarden, verweerde handen, hun stemmen diep en schor. Hun ogen strak gericht op rollende dobbelstenen, die een aanhoudende resonantie vormden. Rauwe kreten volgden, vloeken werden uitgespuugd, gevolgd door bitter gelach dat de sfeer verzuurde, alsof het elk moment in geweld kon uitmonden. Soms suisde een enkele vuistslag door de lucht, kleine opstootjes die wegstierven als smeulend as. De tendens bleef echter fragiel en had slechts het juiste ingrediënt nodig om te ontvlammen. Een krakende deur leek die ene vonk te zijn. Er viel een stilte, waar alle ogen zich richtten op de ongewenste gast in een bruin abdij gewaad. Als afwachtende roofdieren volgden ze hem, terwijl er op de grond gespuwd werd. Een man met scherpe ogen toonde een vuile grijns en hield een dolk draaiend tussen zijn vingers.
Aarzelend liep Elbert naar de tapkast, waar een norse, gezette man stond. Zijn gezicht had een brede kaaklijn en hoewel het als uitgehouwen steen leek, was zijn grote neus meermaals gebroken. Gebogen en scheef, vergroeid met bobbels. Ongemakkelijk keek Elbert naar de grond en weer naar de man, duidelijk zichtbaar nerveus onder de starende blikken van de menigte.
‘In naam van Kartah vraag ik u onderdak, om uw brood met mij te delen en water van des Here te schenken.’
De herbergier snoof en snauwde: ‘In Galhmere vult je gebed geen maag en wordt iets niet zomaar gegeven.’
Elbert slikte en trilde van angst. Het liefste wilde hij omdraaien en weglopen, maar zei met een trillende stem: ‘Het weigeren van een dienaar van Kartah is als…’
‘Je bent een novice, geen priester,’ snauwde de waard. ‘Geen zilver is geen soelaas. Nu gaat heen dwaas.’
‘Ik ben…’ begon Elbert, maar de woorden bleven steken. Er waren bewegingen in zijn ooghoeken, maar hij kon niet kijken. Hij voelde zich versteend. Nee! Hij moest zijn roeping volbrengen, hij was… ‘Dit is mijn pelgrimstocht, dat maakt mij een dienaar.’
De herbergier trok zijn neus op, rochelde en spoog op de grond. ‘Daar ligt mijn antwoord.’
Een slanke man kwam naast hen staan en lachte bruusk. ‘Geef hem toch wat hij vraagt, dat brood van u is toch te smerig en de regenton stroomt over.’
Geërgerd keek de herbergier naar de man, die met een punt van zijn dolk tussen zijn bruingele tanden poerde. ‘Ben je werkelijk zo achterlijk dat je niet begrijpt wat hij vraagt? Het kan me niks schelen, ik deel niks!’ brulde hij en wierp Elbert een blik van minachting toe. ‘Voor niks komt de zon op,’ snauwde hij verder. ‘Kwam,’ verbeterde hij zich schouderophalend, terwijl hij zich tot de dolkdrager wendde. ‘Of ben jij soms vergeten wie die ellende veroorzaakt heeft?’
In een flits stak de dolkpunt in een neusgat van de waard. ‘Beweer jij nou dat ik achterlijk ben?’ vroeg de man en keek met ijzige, doordringende ogen naar de herbergier, terwijl Elbert angstig een stap naar achteren deed. ‘Misschien moet ik meer met die neus doen dan breken. Waarschijnlijk herinner je dan weer dat niemand vergeet wat die priesters gedaan hebben’ De man trok ruw de dolk uit de neus, waardoor bloed omlaag droop en het witte schort besmeurde. De herbergier duwde een hand tegen zijn neus en keek naar het bloed dat over zijn hand droop. Zijn ogen flitsten fel tussen de dolkdrager en Elbert, die nog een stap terug deed. ‘Ik… ik bedoelde…’ stammelde Elbert en keek verschrikt van de dolk naar het bloed. ‘Begreep u… dan niet wat ik u vroeg, ik… ik zoek enkel de weg, de richting…’
Met een bulderende lach, wierp de waard zijn hoofd achterover en riep: ‘Ik zei toch dat je achterlijk was, dacht je werkelijk dat hij om brood…’
Een vuistslag onderbrak de herbergier abrupt. Zijn logge lijf klapte tegen de vloer, waar hij bleef liggen. De dolkdrager grijnsde, maar zijn ogen spuwde vuur, toen hij zich weer op Elbert richtte. Hij boog voorover en zei met een ijzige kalmte: ’Welke richting?’
‘Ik… ehm ik…’ Begon Elbert.
‘Ik, ik, ik,’ reageerde de man op een spottende en jammerende toon. ‘Spuug het uit, wat zoekt gij hier?’
Elbert kromp ineen en zei met trillende stem: ‘Ik…. Zoek Erik van Holtar, de Runenwaker.’
De gelagkamer viel abrupt in een doodse stilte en Elbert merkte hoe alle ogen zich op hem richtten. Hij slikte moeizaam terwijl zijn ogen onrustig door de ruimte schoten. Zijn blik eindigde weer bij die van de dolkdrager die Elbert bij de kraag greep. ‘Wat mot de abdij van de laatste wachter van Galhmere?’
‘De Runenwaker?’ siste iemand.
‘Ik zeg het je, ze begeren de Dageraad,’ bromde een ander, waarna een kroes neerklapte op de tafel en dobbelstenen uitrolden tot ook die zwegen. Niemand sprak meer. Met zijn doordringende ogen keek de dolkdrager Elbert aan. Het was alsof de man zijn keel dichtkneep en hij niet meer kon spreken. ‘Ik heb een brief,’ zei Elbert hees.
‘Een brief?’ gromde de dolkdrager. ‘Een vonnis bedoel je.’
‘Nee, hoe komt u daarbij?’
‘We weten wat die brieven brengen,’ onderbrak de man hem fel. ‘Woorden over zegens en verlossing, maar niet meer dan loze woorden. Beloftes van vrede, maar alles wat Kartah achterliet was as.’ Ruw trok hij Elbert naar zich toe. ‘Galhmere was een schittering, nu allen nog nacht. Grauw als as.’ De man duwde de dolkpunt tegen Elberts neus en snauwde verder: ‘Spreek op, wat staat erin?’
‘Ik ben… enkel gevraagd het… het gaat enkel hem aan.’ Jammerde Elbert en sprak met trillende stem verder. ‘Het bericht is verzegeld, mij is niet gedeeld waarvoor.’ Hij kreeg een kleur door zijn eigen bedrog en hoopte dat de man zijn leugen niet opmerkte.
‘Denk je dat ik de leugens van Kartah niet opmerk, jongen. Hun verdraaide waarheden die altijd in hun belang uitkomen.’
‘Ik zweer u, ik heb enkel een brief, bedoeld voor de Runenwaker,’ riep Elbert huilend omdat hij voelde dat zijn leugen was ontdekt. Hij toonde de verzegelde tekstrol, maar duwde hem snel weer terug onder zijn mantel.
‘Hij liegt,’ sneerde iemand vanuit de gelagkamer.
‘Nee man. Kijk, zijn broek druipt,’ riep een ander lachend.
Een rauw gelach vulde de gelagkamer, dat samensmolt met rollende dobbelstenen.
De dolkdrager bleef hem roerloos aanstaren, maar zijn hand liet de kraag van de jongen los. ‘Je liegt, dat weet ik.’ Bromde de man en uitte een vals lachje. ‘Ga maar zuidwaarts. Volg het pad tot waar de tweelingberg als verraders samenkomen. Daar in de diepte van het woud zult gij verslinden worden.’
Bevreesd en rillend stapte Elbert achteruit. Hij struikelde half en zonder ook maar een keer om te kijken, snelde hij onder luid hoongelach de herberg uit.
Hijgend en snikkend leunde Elbert tegen de staldeur. Was het waar wat de man gezegd had? Was Kartah… Nee, dat kon niet. Onzeker trok Elbert de kap van zijn mantel over zijn hoofd. Had de abdij de Runenwaker iets aangedaan? Was het de schuld waar zijn meester over gesproken had? Nee, daarbinnen waren monsters met leugens die hun schulden en zonden, die ze zelf hadden veroorzaakt, nu op anderen afschoven. Elbert duwde de staldeur open en keek weifelend naar het duister. De lucht was koud en kil, donker, alsof het ademde. In de verte waren nog net de contouren van een woud te zien.
Wankelend door twijfel in zijn geloof liep Elbert naar zijn merrie. Het dier oogde onrustig. Ze schudde haar hoofd en schraapte met haar hoef over de grond. Hij reikte met een kalmerende hand naar haar hals en streelde haar manen. Haar gehinnik klonk als een bevestiging, alsof ze zijn keuze begreep, waarop hij de teugels los maakte. De merrie volgde Elbert door de stal, tot ze bij de roestige olielamp kwamen. Bedenkelijk staarde hij in de diepte van de nacht, voordat hij weer naar de lamp aan de haak keek. De nacht zou zonder licht een onmogelijke reis worden, maar zijn angst voor de monsters binnen was groter dan het gevaar dat de nacht te bieden had. Hij tilde de olielamp van de haak en stapte de duisternis tegemoet.
Hoofdstuk 5: Weerlicht en schimmen
Stapvoets liep de merrie over het drassige bospad. Elbert zat half ineengedoken in het zadel en hield de lantaarn omhoog. Schuw keek hij om zich heen. De wind suisde als een lange adem. De werveling stuwde de takken voort tot klauwen die wild om zich heen grepen. Bij elke verschuiving duwde hij de lichtbundel het duister achterna. Het ontlokte schaduwen die een akelige dans vertoonden. Daardoor werd het woud benauwend: verwrongen bomen, takken, morbide schimmen in het wankelende licht.
De regen werd een eindeloze stroom. Een onrustige ruis, onderbroken door het ritmische getik op het bladerdek. Een kort, schel licht sneed door de druipende bladeren en wierp een weerspiegelend schouwspel in de duisternis. Schaduwen rezen op, als sinistere wezens, die weer verdwenen in het nachtelijke zwart. De lucht kraakte en daverde, als een rollende strijdwagen die de hemel openscheurde. Bevreesd door het onweer en diens verschijningen, probeerde Elbert het duister met zijn lantaarn te verdrijven. De gloed van de olielamp kwam niet verder dan de voorste rij bomen, die als wachters langs het pad stonden. Soms schrok hij van de merrie als ze brieste en haar hoofd hief.
Uren gleden voorbij terwijl de reis door het woud gestaag vorderde. Elbert voelde dat er iets niet klopte. Het donker en het dichte woud verhinderden elk zicht op de Tweelingberg. Wat hem vooral opviel, was dat het pad vlak bleef, terwijl het allang omhoog had moeten lopen. Die gedachte onthutste hem en leidde tot een onzekere conclusie: die monsters hadden hem naar een verkeerd pad verwezen. Plots trok hij aan de teugels en kwam de merrie snuivend tot stilstand. Ze hief schichtig haar hoofd en brieste. Dat was overigens het enige geluid dat hij hoorde. Er klonk geen geritsel meer, geen ruisende wind, geen donder op het weerlicht. Zelfs de aanhoudende regen kletterde niet meer. Alleen de onrustige ademhaling van de merrie, die verstijfd op het pad stond. Bevreesd keek Elbert om zich heen en tuurde met de lantaarn tussen de bomen door. Hij fronste en stak zijn neus in de lucht bij een zachte brandgeur. Het had een diep accent: licht bitter, droog en houtachtig, dat de muffe geur van het woud versterkte. Hij klakte met zijn tong, waarop de merrie gestaag verder liep. Toen zag hij het. Daar, in de verte, verscholen tussen de bomen, brandde een warm stil licht. Geen flikkering als dansende vlammen, maar stil. Niet ademend, maar wachtend tot het gevonden werd.
Nieuwsgierig tuurde Elbert naar het zwijgende licht terwijl de merrie gestaag doorliep. Haar hoeven klakten dof op de vochtige ondergrond, vermengd met het gesmoorde gekraak van verweekte takjes en bladeren. Het licht werd groter, terwijl een schaduwachtige schim zich aftekende in het nachtelijke duister. Het warme schijnsel was echter te zwak, alsof het door iets gedempt werd. Als licht door matglas. Langzaam werd alles duidelijker. Zichtbaar. Een verouderd huis van ruige stenen, onregelmatig, met een rauw dak van verweerd riet. De rook vanuit de schoorsteen was nauwelijks zichtbaar. Een bewegende schaduw in het donker.
Elbert liet zich voorzichtig uit het zadel glijden en bond de teugels aan een stevige boomtak. Met een bonzend hart keek hij naar het gebouw. Was dit waar hij woonde? Was de stilte zijn werk? Onzeker stapte Elbert naar het huis en klopte op de houten deur. Het kloppen verstierf in de stilte, alsof iets het geluid opslokte. De tweede maal bonkte Elbert op de deur, wat eveneens vervloog. Bescheiden duwde hij de deur open, omdat er geen reactie kwam.
Het was binnen van een raadselachtige schemer, een vreemd licht, afkomstig van enkele fakkels en het haardvuur. De houten muren en vloer droegen een eeuwenoude wijsheid die ze verborgen hielden. Alsof ze de eeuwen doorstaan hadden, hun herinneringen af te lezen in de nerven van het hout. Vlak voor de haard stond een brede stoel, als een zetel, waar een grote brede man in zat. Hij keek bedenkelijk naar de dansende vlammen, terwijl hij rustig zijn pijp rookte. Elbert stapte voorzichtig door de kamer en schraapte zacht zijn keel. Langzaam bewoog de grote man in de stoel, zijn stem zwaar als een rollende donder: ‘Wat mot je?’
Elbert deed een stap dichterbij en kreeg een beter beeld van de brede man in de stoel. Zijn rode haar glom in het licht alsof hij in brand stond. Zijn ogen waren scherp, zijn gezicht zag er verweerd en doorleeft uit. Elbert slikte en zei onzeker: ‘Ik zoek de Runenwaker, Erik van Holtar, ben u.…’
‘Wat mot je,’ brulde de man opnieuw.
Elbert dook ineen en stak een tekstrol voor zich uit. ‘De abdij heeft uwe assistentie nodig.’ Achteloos pakte de grote man het perkament uit de jongen zijn handen en rook aan het papier. Het had de geur van mirre en wierrook, maar er lag iets diepers, iets onherkenbaars in het papier. Vanuit zijn ooghoeken nam hij de jonge knul in zich op, die hem angstig aankeek. Zijn mantel was doorweekt van de regen en hij was duidelijk nog maar net volwassen. Erik snoof luid en bromde wat binnensmonds dat de oproep van de abdij der priesters altijd problemen betekende… en bloed. Net wanneer zijn ogen de eerste woorden in zich wilden opnemen, legde hij het papier opnieuw tegen zijn neus. Doordacht nam hij de geur in zich op. Er was iets merkwaardigs, een andere geur. Een die hij nooit eerder had opgemerkt bij een oproep van de abdij. Hij keek bedenkelijk vanuit zijn ooghoeken naar de jongen. ‘Geef mij je hand,’ beval Erik, waarop Elbert zijn hand trillend naar hem uitstak. Hij greep de jongen ruw bij zijn pols en snoof aan zijn hand. Bedenkelijk schudde de man met zijn hoofd. Duwde het papier weer tegen zich aan en haalde diep in door zijn neus. Daar was het… hij rook het, diep weggezonken in de vezels van het perkament. De diepere betekenis die hij niet meteen opmerkte. Angst. Een bevestiging van zijn vermoedens. Met een norse blik las hij de inhoud van de brief. Plotseling spuwde hij op de grond en vervloekte in stilte de Abdij van Kartah. De schaduwen verdommen het, dat ze nu zijn schuld opeisen! Hij had het geweten toen hij ze om hulp vroeg en was voor ze gewaarschuwd, maar hij was te jong en te naïef geweest voor het advies van anderen. Net als de jonge knul die daar bibberend stond, onduidelijk… angst of kou. ‘Werken hun heilige geschriften niet?’ sneerde Erik hem toe.
Elbert kroop angstig ineen, verstandig genoeg om niet te reageren op de retorische vraag. Hij richtte zijn blik naar de grond, terwijl de krijger opstond en in het licht van de vlammen torende. ‘Zeg de abdij dat het is afgehandeld.’
De jongen schudde zijn hoofd, zijn keel gesloten en zei stamelend: ‘Mijn meester wil… absoluut.’
Erik blafte een hoongelach en zei: ‘Ga weg! Zeg je meester. Wat gedaan moet worden is gedaan.’
Elbert stapte achteruit, zijn blik op de krijger, die dreigend in het licht bewoog. Zonder een woord draaide hij om en snelde de stille storm weer in.
Getergd stapte Erik van Holtar naar een oude eikenkast. Hij trok de deur open en keek bedenkelijk naar de spullen op de planken. Hij schoof het een en ander opzij en keek naar een flesje dat achter in de kast stond. Een groengele vloeistof bewoog als in een oneindige stroom en vloeiden langs elkaar heen. Nimmer had hij zo veel behoefte aan het gebruik van het elixer, als nu. Wat hem te wachten stond, was hem dan ook nooit eerder gevraagd. Hij had monsters en beesten bevochten, waar zijn zwaard de Dageraad keer op keer getriomfeerd had. Vastberaden stopte hij het flesje in de lederen houder aan zijn riem en stapte naar zijn slagzwaard. Hij bekeek het wapen dat gesmeed was in het eerste zonlicht en bewerkt in het zuiverste maanlicht. Een eeuwenoud artefact dat hem door de druïden was geschonken om het onoverwinnelijke te trotseren. Zachtjes liet hij zijn hand over de runen glijden die in het metaal gegraveerd waren. Ze hadden hem op de duisternis in de wereld gewezen, maar konden hem niet zuiveren van zijn eigen gevormde leed. Nu werd hij voor het lot geworpen, het onmogelijke gevraagd. Wat kon hij doen, waar de priesters van Kartah in gefaald hadden? De magie van het zwaard was niet gesmeed om tegen verschijnselen te vechten. Hij had geen keuze, moest aan de roep voldoen. Dat was zijn schuld. Het was zijn vloek die hij over zichzelf had afgeroepen, doordat hij hulp aan Kartah had gevraagd. Hij had zijn les geleerd, maar niet verwacht dat de priesters hem nog zouden vinden. Kalm stapte hij naar de hoek van zijn kamer, waar een afbeelding van de afgoden stond. Hij knielde met één been neer, met zijn zwaard in beide handen. Eerbiedig keek hij naar het heilige geschrift dat voor hem op een krukje lag. Zijn stem sterk en zwaar:
Goden in stenen ende storme,
Die waken over wout ende berch.
Ik kniecke tot u, arbidig ende ghebeoden.
Als wortelen diep in den aerde,
Sal mijns eren in trouw, de uwe sijn.
Laten uwen runen tot mi spreken,
Daer duysternisse sal breken.
Leidt mi door vuren, waar ghevaeren waken,
Daer ik uwer vreden altoos moghe bewaken.
Erik sloot zijn ogen en drukte zijn voorhoofd tegen het zwaard. Met een gehard en zelfverzekerd gezicht stond hij op. Schoof de Dageraad terug in de schede en hing het over zijn schouder. Met grote passen stapte hij naar de buitendeur, griste zijn zwarte mantel van de muur en zwierde die als een waaier om zich heen.
Hoofdstuk 6: De vuurtoren-wacht
In de storm en donder, bewoog de Runenwaker als een schaduw door de nacht. Zijn hengst schuimbekte van inspanning, terwijl het landschap als schimmen voorbijgleed. Met grote, geruisloze passen snelde het paard over kronkelende zandpaden. Door verwilderde bossen waar herinneringen aan vervlogen gevechten verborgen lagen.
Het was avond, met de ondergaande zon aan de gezichtseinder, toen Erik de kuststreek Aedrall bereikte. Vanaf een hoge klif keek hij naar het eiland Mynar dat vlak voor de kust lag. De donderstorm gaf het eiland een macaber aanzicht, versterkt door het weerlicht. Met samengeknepen ogen keek Erik naar de rotsachtige kust die verzwolgen werd door de golven.
Te midden stond een vuurtoren. Een stenen constructie met een houten aanbouw, waar een zwak licht flikkerde. Kalm stapte Erik uit het zadel en bond de teugels losjes aan een boomtak. Hij tikte de hengst op de hals en zei: ‘Voor het geval onze wegen scheiden, oude vriend.’
Met stevige passen liep Erik naar de hangbrug, die de enige verbinding vormde. Hij staarde bedenkelijk naar het eiland en liet zijn hand rusten op het gevest van zijn zwaard, alsof hij zich ervan verzekeren dat het er nog was. Bedenk Erik, klonk een zachte stem vanuit zijn diepste herinneringen, dat het gemaakt is vanuit het puurste licht en dat het beschermt tegen de verschrikkingen, niet tegen wat we achterlaten als we vergaan. Hij ademde diep, terwijl hij het glazenflesje uit de houder haalde. Trok de kurk met zijn tanden los, spuwde die weg en dronk de groengele inhoud in één teug op. Met een rauwe grimas en een vloek, voelde Erik de vloeistof langs zijn slokdarm glijden. De warmte van moed gleed dieper zijn lichaam in, nestelde zich in zijn maag, waarna het zich door zijn lichaam verspreidde. Meer kon hij niet doen. Behalve hopen, dat de priesters van Kartah verstikten in hun bedrog en zondes.
Met een standvastige blik stapte Erik de lange hangbrug op. Het hout en de touwen kraakten onder zijn gewicht en zwierden op zijn bewegingen als door de harde wind. Zeewater kolkte, als een woest wezen dat met hoge golven naar hem greep. Behoedzaam en onbuigbaar liep Erik over de wankelende brug en bereikte al gauw de overkant.
De verzwakte deemstering aan de horizon, verzwolgen door de storm, verlichtte vaag het pad naar de vuurtoren. De door het noodweer gevormde duisternis werd geregeld verdreven door het blakende weerlicht, alsof het laatste daglicht nog kortstondig standhield. Ruw bonkte hij op de deur, duwde haar zonder geduld te verspillen open en stapte naar binnen.
‘Halt,’ klonk een hese stem, waarop een magere man in versleten kledij uit de schaduw stapte. Zijn gezicht trilde van angst, maar zijn diepliggende ogen verborgen iets dat niet bewoog. Hij hield een smalle stok voor zich ter verdediging. Een waardeloos dreigement naar de krijger voor hem. Erik mepte de stok uit zijn handen en zei rauw: ‘Wat doe je hier?’
‘Ik… ik ben Esthon en woon hier,’ stammelde de magere man.
Erik snoof en zei: ‘Ga weg, als jij je leven liefhebt.’
‘Ben… ben jij gestuurd door de… abdij?’
Erik antwoordde niet. Met vastberaden kalmte nam hij de ruimte in zich op, zijn zintuigen op scherp. De dreiging was voelbaar als een doordringende geur. Hij knikte kort en zei: ‘Waar is het?’
Esthon aarzelde in zijn antwoord, zijn lippen trilden kort alsof hij zich op iets bedacht: ‘Waar is de ander?’ vroeg hij plots.
Erik trok vragend een wenkbrauw op. ‘Welke ander?’
De magere man verstarde, even van zijn stuk gebracht. Angst tekende zijn gezicht, maar in zijn ogen lag een kil en strak contrast. ‘Je gaat mij toch niet vertellen dat je alleen gekomen bent?’
Erik negeerde de opmerking. ‘Waar is het?’
‘Het waant zich enkel boven,’ antwoordde Esthon. ‘Het licht van de toren gaat niet meer aan. Het wordt direct gedoofd.’ Hij stapte achteruit en wees naar een deur. ‘Het is daar, ik durf er niet meer heen. Er is enkel nog ijzigheid en verderf.’
Erik snoof als reactie en pakte de kaars van tafel. Ruw trok hij de aangewezen deur open en vervolgde zijn weg langs een wenteltrap omhoog. Het was stoffig, alsof de trap in geen jaren gebruikt was. De deur boven opende met luid gekraak. De ruimte was klein en werd grotendeels ingenomen door een grote olielamp, met een roestige achterwand. Het rook muf, een zure, weeïge geur van oud spek. Erik duwde de kaarsvlam tegen de verkoolde pit van de olielamp. Het verouderde linnen was droog alsof de olie niet meer in de stof was opgenomen. Langzaam, heel langzaam en met veel rook, verscheen dan eindelijk een kleine flikkerende vlam. Het bracht tevens een mechanisme in werking, waardoor een ratelend geluid door de ruimte galmde. Een klap, waarna de achterwand traag begon te draaien. De vlam werd groter en het licht weerkaatste vanuit de roestige achterwand zoals een zonnestraal de duisternis doorbrak. Meer gebeurde er niet.
Erik uitte een zucht en keek zwijgend om zich heen, terwijl het geratel van het mechanisme doorging. De lichtstraal sneed door de nacht en draaide houterig over de woeste zee, waar het zijn weg over land vervolgde. Vragend keek Erik naar de groter wordende vlam, die een ranzige oude geur verspreidde. Er was echter iets anders, iets merkwaardigs. Er ontstond geen warmte. De ruimte bleef kil. Niet door de woeste wind die buiten raasde en door de kieren floot. Maar door iets ijzigs, iets doods. Een windvlaag gleed door de ruimte als een winterse vrieskou en Erik zijn hand op het gevest legde, zijn ogen waakzaam. Rustig trok hij de Dageraad uit de schede, bij het zien van een blauwe glinstering. Een gloed… als dun spinrag dat zich in de lucht vormde. De draad verbreedde en vertakte zich. Het vormde zich tot een geheel, waaruit het ontplooide tot een duim en wijsvinger. Heel gestaag gleden ze naar de vlam, naar de brandende pit en… De Dageraad flitste als het weerlicht door de vuurtoren, gevolgd door een ijzige krijs. De schreeuw verstierf in het geratel van de draaiende olielamp. Meerdere draden ontstonden rondom de brandende pit en vervormden tot handen die naar de vlam grepen. Opnieuw sloeg Erik toe en liet zijn zwaard door de ruimte flitsen. Kreet na kreet volgde en vervaagden tot woeste uitingen in een vergeten taal. Het kaatste af tegen het glas, de muren en dreef tot in de aanbouw van de vuurtoren.Stilte, benauwde, ijzige stilte.
Esthon staarde afwachtend naar de deur. Zijn vingers bewogen zenuwachtig, trillend, alsof hij ingehouden verwachtingen beteugelde. Het ijzige gehuil verstomde tot een zacht gefluister, in een ritmisch patroon. De angst op zijn gezicht, maakte plaats voor voldoening en zijn lippen vormden een gemene grijns. Hij herkende de wind en wachtte. Zijn diepliggende ogen op de deur gericht. Traag, heel traag gleed zijn hand naar een kledingstuk dat over de stoel lag. Rustig stak Esthon Hamath zijn armen in de zwarte albe en liep naar de deur. De scharnieren kraakten zacht – een fragiel spinsel dat de stilte doorbrak, doortrilde en verdween in het gelispel van de wind. Met een soort ingetogen zekerheid, beklom hij de trap. Een eentonig geratel weerklonk en vormde een samenspraak met de wind. Het werd luider, toch gedempt. Een kilte gleed door de trapgang omlaag en vormde boven een ijzige kou. Voorzichtig duwde Esthon de deur open waar de kille lucht als bevriezing aanvoelde. Het licht vanachter de deur, was verblindend, na de duisternis van de trapgang. Knipperend met zijn oogleden en met een hand wrijvend in zijn ogen, keek hij de ruimte in. Het geratel klonk luider, met een constant onderbreking, alsof het een slag oversloeg. Bedachtzaam stapte Esthon verder en zag iets op de grond liggen. Opnieuw toonde hij een valse grijns en keek voldaan naar het lijk op de grond. De huid van de Runenwaker was grauw, zijn rode haren dof en zonder glans. Zijn rechterhand nog om het gevest van het zwaard ‘Weet je,’ begon Esthon, ‘het voelt gek, omdat ik niet weet… of ik je dankbaar moet zijn of medelijden met je moet hebben.’ Een smerige lach vulde de vuurtoren, rauw en zonder emotie. Hij knielde neer naast de krijger, zijn ogen sluw op het zwaard gericht. Zijn stem was kalm, vlak en onbewogen — maar doordrenkt met onwrikbaar, autoritair gezag. ‘Niemand zal mijn wil ondermijnen. Allen zullen buigen, de macht van de Dageraad is van mij!’ Hij pakte het wapen beet. ‘Kartah is je dankbaar, je schuld is ingelost.’ Maar de vingers van de krijger klemden zich om het gevest. Stevig en koud, alsof ze versteend waren. Getergd trok Esthon aan de vingers en snauwde: ‘Dan snij ik ze los.’ Woest trok hij een dolk uit zijn gewaad maar keek verbaasd om, door een zacht gefluister. In dag en nacht, strijden de zwaarden. Gesmeed in het licht, zodat duister zwicht. De runen van het zwaard lichtten één voor één op. Een zwak blauw licht. ‘Abdij schoft,’ sneerde een zware stem. Met een flitsende beweging schoot het zwaard naar voren. Van schrik reageerde Esthon als een vis op het droge. Happend naar lucht zag hij hoe de Runenwaker overeind kwam. ‘Ik rook de bitterheid van verraad. Je zwakke poging van Helmskruid kon dat niet verhullen.’ Erik trok het zwaard ruw terug. ‘Mijn schuld is verlost…’ sneerde hij naar de priester die naar de grond zakte. Er gleed een ijzige kilte door de ruimte en met zijn zwaard in de aanslag keek hij afwachtend om zich heen. De kou vervloog echter langzaam op de warmte van de olielamp als dauw bij de ochtendzon. Met gefronste wenkbrauwen keek hij terug naar het levenloze lichaam. ‘Illusies,’ bromde de Runenwaker. ‘Niets meer dan jullie duivelse magie.’ Met een snelle houw sloeg hij een gat in de olielamp, waardoor vloeistof op de vloer gutste. Zonder aarzeling liet Erik de kaars in het spoor van olie vallen en liep weg. Kalm, maar met een verzuurde blik verliet Erik het gebouw, terwijl vlammen gretig om zich heen grepen. Hout kraakte, waar rook kolkend de hoogte in reikte. Bij het begin van de hangbrug bleef hij leunend staan. Plots boog hij voorover en braakte een groengele vloeistof uit. Proestend wreef hij over zijn gezicht en keek naar het gebouw dat als een baken van vuur de lucht in rees. ‘Galhmere zal zijn licht hervinden,’ bromde Erik binnensmonds. ‘De Dageraad zal strijden en de schaduw van Kartah doen verdrijven.’ Met priemende ogen stapte richting zijn viervoeter, die met rollende ogen en stampend zijn drift liet merken.
Hoofdstuk 7: Het oog van Kartah
Gestaag liep Elbert door de lange abdijgang. Zijn gedachten waren een stormvloed van twijfel. Elke stap bracht hem dieper in het doolhof waarin hij zich verloor. Zijn innerlijke eenheid was slechts een illusie; waarom was hij nooit standvastig? Hij had zich laten wegsturen. De Runenwaker op zijn woord geloofd. Nagelbijtend vroeg hij zich af: hoe hij dit moest verklaren? Hij kon het onmogelijk verzwijgen. Zijn meester zou elke leugen opmerken en de waarheid uit zijn ziel trekken. Hij kon dan beter de martinet van de muur pakken. Piekerend stapte Elbert verder en keek vervreemd om zich heen. De hal leek smaller, alsof de standbeelden een stap naar voren hadden gedaan. Hij voelde hun bedrukking. Hoe hun verscholen ogen met hem meebewogen. Het voelde anders, niet beoordelend, maar een vorm van minachting, als verwijt op zijn falen. De stilte, de kille schaduw van de abdijgang, voelde alsof zelf het licht hem de rug toekeerde. Was het Galhmere die hem getekend had? Of was dit een onderdeel van zijn tocht naar de derde pilaar? Was falen een onderdeel om waardig te zijn? Alleen zijn meester had antwoord op die vragen.
Elbert zuchtte en liep de viering op, waar verschillende gestaltes bij het altaar stonden. Hun bewegingen meer dan onrustig en opdringerig.
Zijn ogen naar de grond geslagen, voorzichtig en met vervalste hoop onopgemerkt te blijven liep Elbert verder. Gestaag en dicht langs de muur. Er zouden vragen komen, als hij opkeek of maar een moment stilstond. Wat was zijn taak, had hij aan al zijn verplichtingen voldaan? Waarom was hij niet bij het gebed?
Een schrille stem klonk als een zweep door de viering. ‘Waar is hij?’ Elbert schrok. Hij had de stem eerder gehoord en keek vanuit zijn ooghoeken naar het Altaar. Daar zag hij de Hoge Abdij, herkenbaar aan diens zwarte mijter met gouden randen. De oude man snauwde iets, waarop Elbert versteende bij wat hij hoorde.
‘Waar is Esthon Hamath?’ brulde de Hoge Abdij.
‘Spoorloos, uwe heiligheid,’ antwoordde één van de priesters. Elbert herkende de stem van meester Abdar die onrustig doorsprak. ‘Hij is al dagen niet meer gezien.’
Wat was er gebeurd? Waarom was de Hoge Abdij zo woest? Vroeg Elbert zich af.
‘Hoezo, is hij al dagen verdwenen…’ snauwde de geestelijk leider.
‘Jij daar,’ klonk plots een rauwe stem. ‘Jij bent toch…?’ Elbert keek verschrikt om en zag meester Gilead op hem afstappen. ‘Waar is je leermeester?’
Wijselijk genoeg liet Elbert zich naar de grond zakken, spreidde zijn armen en liet zich voorovervallen. ‘Ik kan u geen antwoord geven op uw vraag. Ik ben nederig en de uwe.’
‘Leugens, zoals zijn meester,’ klonk de stem van Abdar. ‘Hij is een onderwerping van Hamath, hij was het die helmskruid in de stegenbuurt kocht.’
‘Nee,’ riep Elbert en kneep zijn ogen harder dicht. ‘Ik heb gedaan, wat gevraagd was. Ik heb mijn meester gediend, zodat de dreiging in Mynar kon worden afgehandeld.’
‘Dreiging? Waar heb je het over?’Riep de Hoge Abdij verbaasd.
‘Niks dan leugens,’ siste Gilead. Hij stapte naar de novice toe en greep de jongen ruw bij zijn kin. ‘Maar de waarheid brandt dieper.’ Met zijn doordringende blik staarde hij diep in Elberts ogen. Gileads pupillen werden groter tot zijn ogen een kolkende zwarte massa vormde. Gevangen in die blik, voelde Elbert dat een ijzige kilte zijn lichaam binnendrong. Toen werd het zielenvuur uit zijn geest gezogen. In wanhoop keek de jonge novice naar de priester, waarbij zijn gelaat verstarde en verbleekte door angst.
‘Hij weet niks,’ merkte Gilead op en liet de novice ruw los. ‘Enkel vage verschijningen, iets over een brief naar de Runenwaker en een zwaard in de dageraad.’
Abdarverstijfde.‘Het zwaard met de runen, de Dageraad. Wat…’
‘Durfde hij werkelijk,’ snauwde de Hoge Abdij, ‘deze goddeloze opzet te beramen… en mijn soevereiniteit te tarten?’
‘Geen twijfel,’ antwoordde Abdar verschrikt. ‘Niets minder dan verraad.’
‘Nee,’ siste de Hoge Abdij. ‘Ondermijning. Dit smeulde al langer. Vind Hamath! Ik wil die godslasteraar zien branden in de vuren der verdoemenis.’ Woedend hief hij zijn vinger. ‘Niemand toornt aan de funderingen van Kartah! Niemand staat boven Zijn wet!’
Zijn blik sneed richting Elbert, zijn vinger priemend: ‘Jij… jij zal je onderwerpen en gereinigd worden.’ Met pure verachting verliet de geestelijk leider de viering, terwijl de novice in ontreddering zijn zuilen zag afbrokkelen.


