BoekenKorte verhalenHet Hof der Gevangenen - Ella Bells

Het Hof der Gevangenen – Ella Bells

-

We hebben weer een nieuw verhaal voor jullie van de afgelopen editie van Waterloper! Ella Bells haalde met haar verhaal in ‘ons’ thema (De Zwaarden van Dag en Nacht) de zesde plek.

Ella deed voor het eerst mee aan een schrijfwedstrijd toen ze elf jaar was en ze won de eerste prijs. Welke wedstrijd het precies was, dat is ze allang vergeten. Sindsdien heeft ze stapels schriften vol geschreven, maar bijna niemand meer iets laten lezen. Om dat patroon te doorbreken heeft ze afgelopen jaar dit korte verhaal ingezonden naar de Waterloper wedstrijd. Ondertussen werkt ze aan een YA fantasy manuscript en houdt ze een blog bij op www.alsjeschrijft.com


Het Hof der Gevangenen
Ella Bells

Iedere keer als ik een buiging maakte, voelde ik de dolk tegen mijn korset aan drukken. Het stelde me gerust.

Zachte zonnestralen braken door de vitrages en lieten de talloze kleine kraaltjes in de bruidsjurk schitteren. De prinses, nog in haar onderjurk, bekeek zichzelf in de spiegel alsof het een schilderij was. ‘Ik zal je missen, Brenda,’ zei ze tegen mij. 

Dat zult u niet, wilde ik zeggen, voor mij tien anderen. Volgende week bent u mijn naam vergeten. ‘Het was altijd al een tijdelijke aanstelling, hoogheid,’ zei ik in plaats daarvan, mijn gezicht even uitgestreken als het hare. We lachten nooit naar elkaar.

Prinses Idina gleed in het korset dat ik voor haar hield en draaide zich om. Zo geroutineerd mogelijk strikte ik de vetering dicht, strak tegen haar rug. Het was niet meer onwennig, zoals in het begin, maar dit was de laatste keer.

‘Toch vind ik het jammer,’ zei ze voordat ik bij de laatste strik was. 

Het was me een raadsel waar ze haar vriendelijkheid vandaan haalde, hoe ze nog in staat was liefheid op te brengen voor een medemens. Als ík de laatste afstammeling was geweest van de koninklijke bloedlijn, mijn hele jeugd onder toezicht had doorgebracht en desondanks had moeten toezien hoe al mijn familieleden één voor één ontvoerd en, naar alle waarschijnlijkheid, vermoord werden, om vervolgens uitgehuwelijkt te worden aan een volstrekte vreemdeling, dan zou ik de rest van mijn leven iedereen alleen nog maar afsnauwen. En waarom niet? Was mijn prinses maar hard en koud geworden vanbinnen, of hoogmoedig en ijdel, of neerbuigend en gemeen. Was ze maar naïef en verliefd – al was ze maar verliefd op het idéé – alles was beter dan deze droevige, lieve zachtheid. Hoe had ze haar gevoeligheid weten te bewaren? Ik was die al kwijtgeraakt voor ik drie jaar oud was.

Maar ik was ook geen prinses.

Ik pakte de hoepelrok en prinses Idina stapte erin, soepeltjes, zonder twijfel. ‘Heb je hem wel eens ontmoet, op een van je vorige posities?’

Ik stapte snel om haar heen en schikte de crinoline goed zodat ze mijn gezicht niet kon zien. Ik had geen informatie voor haar, niet de soort die zij wilde weten. Prinsen en prinsessen moesten hun tekst en hun danspassen leren en zolang ze dat deden had ik vrij weinig met ze te maken. Normaal gesproken. Het was echter van nationaal, zo niet internationaal belang dat dit huwelijk goed zou uitpakken. En daar had ik wel mee te maken. Het was dus mijn plicht om te zeggen dat mij niets dan goeds ter ore was gekomen wat betreft de prins, de man over wie ik het nu het minst wilde hebben. Als ze geen prinses was geweest – de laatst overgeblevene prinses – maar een barones of zelfs een hertogin, dan had ik gezegd, ongeacht welke prins het ook mocht wezen: het is een mónster, Idina, en mogen de Vleerlingen hem te grazen nemen.

Ik was ouder dan zij en moest dus wijzer zijn. Ik voelde me altijd ouder dan iedereen om me heen, ik ontdekte pas hoe het is om je jong te voelen toen ik haar –  

Het was van essentieel belang dat dit huwelijk goed zou uitpakken. Nog nooit had het Koninkrijk van Argonaud zo dicht aan de rand van de afgrond gestaan. Er gingen allerlei geruchten rond over de Vleerlingen, die het al tijden op het koningshuis gemunt hadden. Dat ze in vleermuizen konden veranderen was natuurlijk een bekende, dat het vampiers waren vond ik ook een leuke, dat ze bloedmagie hadden ontwikkeld en ga zo maar door. Maar ik was niet bang voor de Vleerlingen. Ik was er bijna zelf een geweest.

‘Brenda?’

Ze bedoelde mij. 

Ik zal u ook missen, wilde ik zeggen, maar ik deed het niet.

 

De rest van de koninklijke entourage druppelde binnen. Er was, na zo veel jaren van constante paraatheid voor een inval van buitenaf, bij lange na niet genoeg huishoudelijk personeel over om van de bruiloft het vorstelijke spektakel te maken dat een kroonprinses verdiende. De hele hofhouding, van de grootmeesteres tot de laagste knecht, werkte al zeker een maand tot na zonsondergang door om bij het krieken van de dag weer op te staan. Ondanks deze uitputtingsslag leek iedereen er vandaag de schouders onder te zetten. Dit huwelijk was immers onze enige hoop op een betere toekomst.

De andere hofdame hielp me de bruidsjurk te pakken. De kapster stalde haar spullen uit voor de spiegel en twee bruidsmeisjes kwamen giechelend toekijken. Ik wilde de prinses verder helpen, met haar sieraden, met haar schoenen, maar toen er op de deur geklopt werd drukte ik mijn kommetje rozenwater in de handen van het eerste beste bruidsmeisje, Lidewij, en was er zo toch meteen bij om te zien wie het was. Oude gewoonte.

Het was de Sikkel die zich voor de gelegenheid Tuur noemde. Vandaag was hij gekleed in zijn Zwaard van Dag uitrusting, een zachtgele mantel met turquoise rand en een blinkend opgepoetst schild in dezelfde kleuren. Zelf had ik nooit een uniform gehad. Ik kleedde me naar mijn omgeving, een keurige jurk die paste bij de rang die ik nodig had, en was daarmee zo goed als onzichtbaar. 

‘Van dageraad tot dauw,’ zei Tuur, wat vreemd klonk uit zijn mond. Toen vroeg hij me iets onbenulligs (‘Kan iemand die verlepte rozen beneden nog wat water geven? Ziet er toch niet uit zo.’) om me te laten weten dat hij zijn positie had ingenomen, en ik antwoordde iets onbenulligs (‘We lopen hier op een strak schema, Tuur. Zoek maar een knecht.’) ter bevestiging dat ik het begrepen had. Achter me hoorde ik de prinses vragen waar Brenda was. Ach, als ze me toch maar één keer bij mijn naam zou noemen… Maar mijn naam, mijn echte naam, die kende ze niet eens.

 

Ik wierp een korte blik over de balustrade naar de ontvangstruimte, waar een lakei zijn laatste ronde deed, plumeau in de aanslag. Ook beneden stonden de Zwaarden van Dag op hun plek. Ik stond mezelf één diepe ademteug toe, streek mijn gezicht weer glad en keerde terug naar de kleedkamer. 

De prinses stond erop dat ik haar zou opmaken, dus ik haalde mijn koffertje met poeders en penseeltjes tevoorschijn. Rustig koos ik de kleuren uit bij de vensterbank, zodat ik regelmatig een blik op de oprijlaan, de brug en de rivier daarachter kon werpen, en volgde ondertussen alle verschillende gesprekken die gaande waren tussen de bruidsmeisjes en een paar bedienden. Iemand was zijn sleutel kwijt. Tuur viel zo te horen in de smaak bij de bruidsmeisjes. Prinses Idina zat toe te kijken, als enige stil te midden van het rumoer, maar ik wist niet of ze ook luisterde. Nog even rustig pakte ik haar kin en zei, ‘Sluit uw ogen, hoogheid.’ 

Vervloekt zij het schema, dit zou zo lang duren als ik het wilde.

Er werd binnen de kortste keren weer geklopt en deze keer liet ik Lidewij open doen, maar het bleek de kok. De derde Sikkel. Ze begon gelijk te schreeuwen over waar de koksmaat was en wie de fazant voor het laatst had gezien, en ik zag Lidewij, het arme kind, al vertwijfeld over haar schouder naar mij kijken, dus ik legde mijn penseel weer neer en excuseerde me.

‘Laat maar zien, Jans, ik loop met je mee,’ zei ik en sloot de deur achter me.

Jans – zo zal ik haar maar blijven noemen – vervolgde haar verhaal op hoogdravende, luide toon (van ‘heb toch zeker niet voor niets een koksmaat’ tot ‘moet ik dan alles zelf doen’) tot we minstens twee gangen verderop waren, want zo goed was ze. Ik wist een keldertje dichtbij waar alleen wat azijn en inmaakpotten stonden en daar volgde ze me naar binnen. Het was er donker, koel en stil.

‘Van avondstond tot morgenrood.’

‘Van morgenrood tot avondstond.’

Jans stopte me een klein, donker flesje amandelolie toe. ‘Je volgende opdracht. Je weet hoe het werkt.’

Amandelolie eruit, flesje weken in heet water tot het etiket loslaat. De boodschap stond op de achterkant geschreven in onzichtbare inkt die alleen verscheen in het licht van een alchemistische vlam, waarvoor ik een tondeldoosje had. Geen probleem.

Ik knikte. ‘Iets te melden?’

‘Het is een gekkenhuis daar beneden,’ zei Jans doodkalm. ‘Ik probeer je al drie dagen te pakken te krijgen. Maar vooralsnog geen complicaties.’

‘Mocht ik je na vandaag niet meer zien…’ Ik stak mijn hand uit. ‘Het was me een genoegen.’

Ze schudde kort mijn hand. De tattoos op onze polsen lichtten kort op en verdwenen weer zodra ik haar hand losliet. Het was een groet geweest, maar ook een test. Jans was wie ze zei dat ze was. 

 

Een golf van onredelijke teleurstelling overspoelde me toen ik, eenmaal terug in de kleedkamer, zag dat de prinses al helemaal was opgemaakt, gevolgd door een schok die als eerst had moeten komen – hadden ze mijn koffertje gebruikt? In een paar stappen was ik bij de vensterbank. Ik graaide alles weer bij elkaar, de potjes, de zalfjes, en zag kans om het flesje amandelolie erbij in te stoppen. Bij mijn volgende blik uit het raam zag ik het schip met de bruidegom en zijn gevolg al aanmeren, maar ze waren uit het noorden gekomen, niet vanuit de zuidwestelijke tak van de rivier, zoals ik had begrepen.

‘Brenda, wat vind jij?’ vroeg prinses Idina. ‘Is het mooi geworden?’

Ik draaide me om naar het gezicht van de prinses. Ik bekeek het kritisch, om iedereen een paar momenten in spanning te houden, hoewel ik allang wist wat ik zou zeggen. ‘Beeldschoon, hoogheid.’ Want zelfs een aap met twee linkerhanden kon haar gezicht nog niet lelijk maken.

‘Posities, dames, posities!’ Grootmeesteres Cornelie kwam met haar gebruikelijke bombarie de kleedkamer binnen en klapte in haar handen om haar woorden kracht bij te zetten. Er ontstond een haastig gestommel waarin iedereen haar laatste taak nog probeerde af te ronden. Ik concentreerde me om onder al het kabaal door het geratel van de ophaalbrug, die buiten neer werd gelaten, te ontwaren. Ik had ook trompetgeschal verwacht, maar dat bleef uit. Toen gooide Lidewij vlak naast me een kledingrek om, precies voor de deur naar de trap achterom, en besloot ik me eerst met de chaos binnen te bemoeien. Ik stond erop dat ze de enorme hoepelrokken onmiddellijk uit de weg zou ruimen, maar de grootmeesteres ging op haar strepen staan en stelde dat daar nu geen tijd voor was. Mijn beste argument – het is een veiligheidsrisico, die deur is een nooduitgang – kon ik niet gebruiken, want ik werd verondersteld een hofdame te zijn en wat wisten die van risico’s en vluchtroutes?

‘Ik ruim het direct op zodra ik terug ben, Brenda, het spijt me,’ stamelde Lidewij en ik knikte met tegenzin dat het goed was. 

Lidewij voegde zich bij het andere bruidsmeisje en ik hield de deur voor hen open. Samen trippelden ze de gang op, gevolgd door de rest van de huishouding, die door Cornelie met wapperende handen naar buiten gejaagd werd. Ik bleef rustig staan, stak alleen mijn hoofd even om de deuropening naar Tuur, Sikkel in zijn Sol uniform, maar hij stond er niet meer. Over enkele minuten moesten we allemaal beneden zijn, maar ik liep terug de kleedkamer in, waar de prinses nog voor de spiegel stond. Ze had haar bruidsboeket in haar handen.

‘Tijd om te gaan, hoogheid,’ zei ik.

Haar reflectie vond mijn ogen en ze knikte. 

 

Als ik haar vóór had laten gaan, dan zou ik haar zeker niet hebben kunnen redden. Maar toen de prinses zich naar me omdraaide wist ik dat ik haar blik niet zou kunnen verdragen, dus liep ik als eerste de gang op, waar ik heel in de verte, aan de andere kant van het kasteel, zacht getik hoorde van metaal op metaal. Gedempt geschreeuw. Ik boog me over de balustrade. Voetstappen van tien, twintig, minstens vijftig zwaarbewapende soldaten – twee verdiepingen lager zwaaide een deur open en ze barstten naar binnen. Korte, zwarte mantels tot aan hun ellebogen – Vleerlingen! Hoe was het mogelijk?

Ik duwde de prinses, die vlak achter me stond, terug de kleedkamer in en wilde de deur op slot draaien, maar de sleutel was weg. Ik schoof een stoel onder de klink en rende naar het raam.

‘Wat gebeurt er?’ vroeg prinses Idina.

Het was zoals ik al vreesde. ‘Het kasteel is omsingeld. Ze zijn al binnen. Het was allemaal opgezet spel.’ Mijn stem klonk veel te kalm voor de dodelijke situatie waar we ons nu in bevonden. Ik hoorde iemand aan de klink rammelen.

‘Ze? De – de…’

‘De Vleerlingen. Honderden. Ze zijn hier voor u. Kom mee!’ Ik greep haar hand en wilde haar meetrekken naar de andere deur, maar zag dat die nog geblokkeerd werd door tientallen lagen van kant en zijde.

Lidewij. Ze was een van hen geweest. 

Er klonk gebons op de deur. Prinses Idina rukte zich los uit mijn greep en stapte op de zoom van haar bruidsjurk, waardoor ze bijna struikelde. Ze kon zich met geen mogelijkheid verdedigen. Een tweede bons; de stoel onder de klink kraakte. Ik kon me later niet eens herinneren dat ik een beslissing nam. Mijn handen vonden mijn koffertje, nog bij de vensterbank, klikten het open en rukten het hele voorste compartiment eruit om bij de echte inhoud te komen. Lopertjes, een kleine lantaarn, onzichtbare inkt en een hele rits alchemistische vloeistoffen. Noem ze toverdranken, als je wilt, het is mij om het even. Ze zijn onmisbaar in mijn werk.

Ik pakte twee kleine, identieke flesjes. Helder glas, grasgroene inhoud. Ik stak er een uit naar de prinses. ‘Drink dit, tegelijk met mij.’ Een harde knal tegen de deur. ‘Nú!’

‘Wie bén jij?’ gilde de prinses, en gelijk had ze. Met mijn zilveren ring wreef ik drie keer hard over mijn pols om de illusie op te heffen die mijn tattoo verborg. ‘Zwaard van Nacht,’ siste ik en liet de zwarte maansikkel op mijn pols aan haar zien. ‘Uw bescherming, van avondstond tot morgenrood.’

De Sols, de Sikkels, de Vleerlingen. Het waren allemaal codewoorden. Vleerlingen noemden zichzelf geen Vleerlingen, dat hadden wij bedacht. Zwaarden van Dag hadden talloze codewoorden, Zwaarden van Nacht hadden zelfs codewoorden voor de codewoorden. Uiteindelijk kwam het hierop neer: Zwaarden van Dag, de Sols, waren de grote kerels, de helden, met wie de koning destijds kon pronken op feestdagen en toernooien. Wie veel van zulke jongens in dienst had, stuurde een duidelijke boodschap: je hoeft het niet eens te proberen om ons aan te vallen. Onmisbaar, daar niet van, maar uiteindelijk waren het pionnen. Wat je ook nodig had, waren de spionnen. Zwaarden van Nacht, die problemen snel en ongezien oplosten, voordat het grote publiek ook maar begon te vermoeden dat er iets mis had kunnen gaan. Neem mijn kompaan Tuur bijvoorbeeld. Hij speelde Zwaard van Dag als hem dat de beste positie gaf om alles in de gaten te houden – maar andersom ging dat niet op. Sols en Sikkels waren twee kanten van dezelfde medaille, maar niet inwisselbaar.

‘Waarom wist ik dit niet?’ fluisterde de prinses.

‘Als u had geweten wat ik was, dan zou ik mijn werk niet goed hebben gedaan.’

De angst maakte haar anders zo uitgestreken gezicht levendig en ik kon precies zien wat er in haar omging: ze had geen keus. Ze moest me vertrouwen. Ik was haar enige kans.

Ik knikte naar het flesje in haar hand. ‘Drie, twee, één…’ We dronken tegelijk.

Ik zag haar niet eens veranderen. De stoel knapte onder de volgende stoot, de deur vloog open en de prins, onmiskenbaar met zijn gouden kroon, stapte naar binnen, gevolgd door een stroom van tientallen soldaten in volle wapenuitrusting en korte, zwarte mantels. Ik was niet te missen in mijn stralende, schitterende witte jurk. Ik betwijfelde of de Vleerlingen zelfs maar hadden opgemerkt dat er nog een iets oudere, onopvallende hofdame in het vertrek was. Ondanks de hoge hakken, het adembenemende korset en de gigantische bruidsjurk zou ik me nog kranig verweerd kunnen hebben tegen de soldaten. Hun lange zwaarden hadden weinig nut in de overvolle kleedkamer en ik zou zowel de hakken als de wijde jurk in mijn voordeel hebben weten te gebruiken. Maar ik deed het niet. Natuurlijk niet. Ik moest me mee laten nemen, met weinig tot geen verzet. De prins pakte me op en ik speelde een beetje bang, maar ik hoefde hem amper te overtuigen. Kleren maken de vrouw.

 

De prins gooide me hardhandig over zijn schouder en zeulde me het halve kasteel door. Dus tóch een monster, dacht ik. Ik had gelijk, maar liever had ik het fout gehad. Hier en daar zag ik soldaten bewegingloos op de grond liggen met donkere bloedvlekken in hun zachtgele Sol mantels. De meesten bleken echter buiten voor het koetshuis verzameld te zijn, geboeid en gekneveld. Hun wapens lagen tegen de waterput op een hoop. Een groepje Zwaarden van Dag zonder zwaarden. Wat stelde dat nou nog voor? Tuur zag ik er zo snel niet tussen staan. Hopelijk was hij ontsnapt. Had ik ook moeten doen, misschien. Lang kreeg ik niet om de ravage in me op te nemen. Mijn ontvoerders duwden me zonder pardon een koets binnen met een zestal briesende paarden ervoor gespannen, klaar om te vertrekken. Voordat ik ook maar op adem was gekomen, voelde ik het rijtuig met een ruk in beweging komen.

Geblinddoekt en vastgebonden in een koets die in volle vaart over een hobbelige zandweg raasde was wel de meest pijnlijke manier om mijn nieuwe lichaam te leren kennen. De toverdrank was een Onmiddellijke en Permanente Gedaanteverwisseling, dus niet alleen droeg ik nu de bruidskleding van de prinses, maar ook haar lichaam, van haar blauwe bloed tot haar maaginhoud. We waren ongeveer even lang, hadden min of meer dezelfde bouw, dus het was geen al te groot verschil – toch voelde het, tot in het diepste van mijn ziel, verkeerd. Niet kloppend. Alsof mijn ledematen wel op de juiste plek zaten, maar allemaal een halve centimeter tegen de klok in waren verschoven. Mijn tanden voelden langer, mijn wimpers voelden korter. Vraag me niet hoe, maar het was zo. 

We reden lang, het grootste gedeelte van de dag, zonder te stoppen. Ik had geen enkel aanknopingspunt over welke richting we op gingen. Ik hoorde slechts het ratelen van de koetswielen over de verschillende wegen en mijn eigen gedachten. De verwisseling was onomkeerbaar tenzij één van ons stierf of we tegelijkertijd het tegengif dronken, waarvan de enige twee exemplaren zich in mijn koffertje bevonden dat ik had moeten achterlaten. Het was te hopen dat de Vleerlingen het voor niets meer dan damesspulletjes zouden aanzien, zoals ik het de afgelopen weken had willen laten lijken. Zolang ik mijn rol speelde hadden ze geen enkele reden om er meer achter te zoeken. Zou Idina (nu ik haar lichaam droeg mocht ik haar voornaam wel gebruiken, vond ik) mijn spulletjes vinden en eruit kunnen opmaken wat er gebeurd was? Ik hoopte dat mijn andere twee Sikkels, de soldaat en de kok, de staatsgreep overleefd hadden. Misschien konden ze Idina vinden en alles aan haar uitleggen. Die kans was bijzonder klein, maar machteloos als ik was in mijn vreemde lichaam, onderweg naar een onbekende bestemming, kon ik niet anders dan me vastklampen aan de kleinste strohalm. Voor verraad hoefde ik in ieder geval niet te vrezen. Niemand die mij kende zou ooit hebben verwacht dat ik mezelf op zo’n belachelijk domme wijze zou laten pakken. Ik had zelf niet eens geweten wat mijn plan was voordat ik het uitvoerde. 

 

Toen ik de koets uit werd gesleurd viel de schemering al in. We stonden op een aftandse binnenplaats. Mijn bewakers werkten stil en efficiënt, zonder bevelen nodig te hebben. Daardoor kon ik ook niet afleiden wat nu de bedoeling was. Ze maakten de touwen rond mijn benen los – de hoepelrok zat vol scheuren en vlekken, en was in de raarste hoeken gekreukeld. Er ging een schreeuwende pijn door mijn benen nu het bloed weer terugstroomde waar het hoorde te gaan. Met wankele stappen lukte het me zelf mee te lopen. Het liefst had ik de hoge hakken direct uitgeschopt, maar zoiets zou beslist niet in een prinses opkomen en dus hield ik ze aan.

Vanuit mijn ooghoeken lette ik op alle mogelijke verstopplekken en eventuele ontsnappingsmogelijkheden. In mijn hoofd begon zich onmiddellijk een landkaart te vormen met belangrijke markeringen: een houten luik zonder slot (waar ging dat heen?), een blinde muur (altijd handig), een verwilderde bramenstruik (pijnlijk voor zowel de vluchtende als de achtervolgende, maar indien nodig heel effectief). In de koets waren zeker twaalf Vleerlingen meegereisd, maar een aantal verliet nu de groep. Blijkbaar verwachtten ze niet dat ik een grote bedreiging vormde in mijn geknakte bruidsjurk. Als ik ook maar één van hun zwaarden te pakken kreeg en dan die smalle doorgang daar in dook, waar ze me niet allemaal tegelijk te grazen konden nemen… Maar ach, waar was ik ook mee bezig? Ik was precies waar ik moest zijn. Er ging een siddering door mijn hele lichaam terwijl ik mijn diepste instincten onderdrukte, mijn ogen neersloeg en me gedwee mee liet voeren door mijn bewakers.

 

We gingen niet naar binnen, zoals ik had verwacht, maar liepen door een poort naar de meest weelderige, overgroeide rozentuin die ik ooit had gezien. Toen ik over mijn schouder naar het bescheiden kasteeltje keek waar het landgoed bij hoorde, begreep ik waar ik was: het Rozenslot. Hier bracht de koninklijke familie haar zomers door toen mijn ouders nog jong waren. In die tijd behoorde de rozentuin tot een van de meest geprezen landgoederen van het hof; de koningin kweekte er magische kruiden, het weer was het hele jaar door op onverklaarbare wijze mild en een huwelijksaanzoek te midden van de feeërieke bloemenzee beloofde een lange en gelukkige verbintenis. Het kasteel was nu al tientallen jaren buiten gebruik en volledig in verval geraakt. Verhalen over rozen hadden plaatsgemaakt voor verhalen over ontvoeringen. Voor zover bekend had niemand in tijden ook maar een stap in de vergeten rozentuin gezet – maar dat bleek dus heel anders in elkaar te zitten. Achter de kantelen zag ik soldaten in donkere, korte mantels af en aan lopen. Hoge waakzaamheid, soldaten die weinig uitleg nodig hadden – als  je het mij vroeg, dan was dit het hoofdkwartier van de Vleerlingen.

We liepen naar een afgelegen stuk van de tuin en ik begon steeds sterker te vermoeden dat ik ter plekke geëxecuteerd zou worden. Ik had me er lang geleden al in berust dat ik zou kunnen omkomen tijdens mijn werk en had me voorgenomen om er niet voor terug te deinzen als het moment zou aanbreken. Dat soort voornemens laten zich niet vergelijken met de ijskoude angst die door je hart glijdt als je je realiseert dat vanaf dit moment je ademhaling een aftelling is, dat je hart niet sneller kan kloppen dan dat de dood hem inhaalt, dat er na deze zonsondergang geen zonsopgang meer zal zijn. 

Dat je eigenlijk nog heel veel had willen doen.

We kwamen bij een beeldentuin en ik werd naar een open plek geleid, een stukje gras waar zich niets bevond en dat er doelloos uitzag tussen de statige standbeelden. Alsof er eentje was weggehaald. Een van de mannen verving de touwen om mijn pols voor ijzeren handboeien. Een ander maakte ze vast aan een ketting met zware schakels die eindigden bij een ring aan een lege sokkel aan de rand van het grasveldje. Als een hond aan de lijn had ik net enkele meters vrijheid.

Ik maakte mijn lippen nat met mijn tong – ik had sinds die ochtend niets meer gedronken – en vroeg schor, ‘Waarom…’

De soldaten keken me niet eens aan. Nadat ze zich ervan hadden verzekerd dat mijn ketens goed vast zaten, vertrokken ze. Ik bleef achter in de tuin, op mijn veldje. Wilden ze me hier laten verhongeren? Het was een milde nazomeravond, buiten slapen zou op zich geen probleem vormen. Het gras kriebelde, maar had een zachte onderlaag van mos. Ik wilde niet slapen, maar het gebeurde toch.

 

De volgende ochtend kwam de Vleerling-prins hoogstpersoonlijk naar me toe. Ik zag hem al van verre aankomen in zijn lange, zwarte mantel. Hij had een karaf in zijn handen, die hij naar me uitstak. Zijn huid was lijkbleek, zijn lippen bloedrood. Ik kon zien waar die eeuwige geruchten over vampiers vandaan waren gekomen. Maar goed, vampiers bestonden niet. Hoopte ik. 

‘Idina Argonaud,’ zei hij slechts. Zijn accent vervormde haar naam en het ontging me niet dat hij geen titel had genoemd. Wat de Vleerlingen betrof was Idina geen prinses meer.

In de karaf zat een stroperige drank. Ze wilden me dus in leven houden. De prins wachtte tot ik hem helemaal leeg had gedronken. Ondanks mijn honger en dorst kreeg ik het maar traag doorgeslikt. De smaak was me onbekend en ik vroeg me af of er alchemistische componenten in zouden zitten. Voordat ik mijn keel had kunnen schrapen om een vraag te stellen, nam de prins de karaf terug en liep weg. 

Ik had alle tijd om na te denken, maar dat stond me niet aan. Mijn blik gleed lukraak over de standbeelden om me heen. Bij daglicht kon ik meer details ontwaren en het duurde niet lang voordat ik hen herkende als de leden van de koninklijke familie. Huiveringwekkend genoeg droegen de beelden allemaal de kleding waarin ze voor het laatst waren gezien. Idina’s achternichtje in haar nachtjapon, haar oom compleet met houten pijp. De beeldhouwer van de Vleerlingen had oog voor detail en een vreemd gevoel voor humor.

Na een uur of twee was ik wel uitgekeken op mijn stenen gezelschap en voelde ik de onwelkome gedachten steeds dichterbij kruipen. Ik zat nooit graag stil, bleef liever bezig, maar dat ging hier niet. Ik overwoog om alsnog enkele ontsnappingsmogelijkheden uit te werken, bij wijze van goede oefening, maar betwijfelde of ik me over de teleurstelling zou kunnen zetten dat ik die vervolgens niet kon uitvoeren. Tenslotte verviel ik toch in gemijmer.

 

Op de tweede dag kwam de prins met opgewekte pas weer een karaf brengen en natuurlijk had ik tegen die tijd de gedachte toegelaten dat ik hier niet tussen de beeltenissen van prinsen en prinsessen zat, maar hun versteende lichamen. Honger was daarentegen altijd al mijn zwakke plek geweest en het zag ernaar uit dat dit voorlopig mijn enige bron van voeding zou zijn. Voor ik mezelf kon tegenhouden, had ik de karaf al aangepakt en dronk ik. De vloeistof plakte aan mijn gehemelte. De prins had de karaf alweer weggenomen voordat ik het spul goed en wel had doorgeslikt. 

De rest van de dag controleerde ik mijn vingers en tenen op de eerste tekenen van verstening, maar ze zagen er nog normaal uit en ik kon ze zonder moeite bewegen. In de verte zag ik soldaten af en aan lopen. Ook zij hadden de pas erin, alsof ze goed nieuws hadden gehad. Heel soms hoorde ik stemmen vanaf het kasteel, een uitroep, een bevel, maar hoe goed ik ook luisterde, ik kon ze niet verstaan.

 

Dacht ik aan mijn ouders? Natuurlijk dacht ik aan mijn ouders. Alle gevangenen denken aan hun ouders. Ik dacht aan mijn ouders die aan hun ouders dachten terwijl ik Zwaard van Nacht leerde spelen en al hun geheimen inruilde voor een nieuw bestaan. En waar lag mijn loyaliteit na al deze jaren? Vroeger, toen ik mezelf nog niet dat soort vragen stelde, lag die vanzelfsprekend bij mijn vader en moeder. Zij werkten voor de voorlopers van de Vleerlingen. Alle zes de Sikkels die dat over mij wisten waren ondertussen om uiteenlopende redenen om het leven gekomen – en niet door mijn toedoen, voor de duidelijkheid. Dit was gewoonweg een gevaarlijk vak. En toen ik bij mijn ouders vandaan werd gerukt was ik toch van kant veranderd? In eerste instantie was ik vastbesloten geweest om het te haten Zwaard van Nacht te zijn. Toen gaven ze me te eten. Warm eten. Binnen de kortste keren had ik mijn vorige leven achter me gelaten. Ik was niet geroofd, ik was gered; bij de Vleerlingen zou ik nooit een toekomst hebben gehad. Ik had me bij de goede partij aangesloten. Door de jaren heen had ik mezelf ervan overtuigd dat mijn keuze de juiste was geweest – dat ik überhaupt een keuze had gehad. Nu ik hier moederziel alleen in een beeldentuin zat, hakken allang uit, armen om mijn knieën, zag het er toch naar uit dat de Zwaarden van Dag en Nacht het onderspit moesten delven. Had het zin om blindelings te blijven vechten voor de verliezende partij? Wat bleef er nog van mij over als mijn jarenlange trouw wegviel? Ik was mijn ouders nooit vergeten, maar ik had er het beste van gemaakt. De sikkel op mijn pols had mijn pad verlicht naar een bestaan waar ik trots op kon zijn, al wist bijna niemand wat ik precies deed. Was ik vastbesloten Zwaard van Nacht te blijven tot in het graf, een graf dat ik zelf gegraven had? Tot aan mijn eigen zonsondergang?

Er bestond geen enkele twijfel dat, op het moment dat de Vleerlingen er lucht van kregen dat ik niet hun beoogde doelwit was, ze me onmiddellijk zouden ombrengen. Eventueel zou er nog een ondervraging en desnoods een marteling aan vooraf gaan, zo ging dat. Dus zo lang ik hier zat, op mijn veldje tussen mijn zogenaamde stenen familieleden, werkte mijn list. En ik wist dat Idina nog leefde. Steen of geen steen, als zij stierf veranderde ik terug in mezelf. 

 

De volgende ochtend had iedereen haast. Ik zag het meteen, maar kon niet achterhalen waarom. De flarden van stemmen die de wind soms naar me toe blies, nog altijd onverstaanbaar, klonken ook sneller en hoger. Was er iets gebeurd? Hadden ze Idina ontdekt? Toen de prins mijn drank kwam brengen hield ik hem goed in de gaten. Terwijl hij wachtte tot ik de karaf tot de laatste druppel naar binnen slokte, bekeek hij me afstandelijk. Afgezien van het feit dat ook hij ongeduldiger leek dan de dag ervoor, leek hij zich niet bijzonder voor me te interesseren. Toch bekroop me een onheilspellend gevoel. Het duurde even voordat ik het kon plaatsen. De prins keek naar me alsof ik niet echt mens was, maar meer… een pop. Een prinsessenpop. Pas toen hij weg was realiseerde ik me dat ik vroeger ook zo naar Idina gekeken moest hebben. Ik had niet verder gekeken dan de rol die ze moest spelen, het stuk in het schaakspel dat ze voor mij moest zijn. Toen ik ontdekte wie er achter die façade van schoonheid en goede manieren zat, zij die getroffen was door zo veel soorten pijn, maar nooit besmet was geraakt met bitterheid, was er in mij een onverwacht grote genegenheid voor haar gegroeid. Van alle mensen die ik had ontmoet, was Idina de enige die ik met overtuiging een goed mens zou noemen.

De tijd leek sneller te gaan als ik aan Idina dacht. Tijdens mijn korte aanstelling als haar hofdame had ik dit soort gedachten amper toegelaten. Er waren immers veel belangrijkere dingen die mijn aandacht nodig hadden. Nu had ik zeeën van tijd om alles wat ik weggestopt had opnieuw te overwegen. Respect? Uiteraard. Bewondering? Ook. Wederzijdse affectie… onbeslist. Maar laten we wel wezen, ik zou niet met iedereen van lichaam gewisseld zijn. Zelfs al was deze prinses dan een politiek onvervangbare schakel, ik had in het verleden altijd mijn eigen hachje eerst gered. Zelfs ten koste van de mensen die ik lief had. Anders kom je nu eenmaal niet ver als spion. Niettemin had ik, op dat cruciale moment toen de Vleerlingen binnenvielen, gehandeld zonder er een moment bij na te denken. Het was de eerste keer in mijn leven dat mijn instinct iemand anders op de eerste plaats zette.

 

De dag daarop – de vierde, de vijfde? – zat ik na mijn stroopdrank weer in het gras te peinzen. Er zat vast wel iets van magie in die drank, want ik raakte al mijn besef van tijd kwijt. De folteringen waar ik voor vreesde bleven uit. Ik herinnerde me dat de Vleerlingen de meeste Zwaarden van Dag gevangen hadden genomen. Ze hadden ze ook allemaal kunnen afslachten; de Vleerlingen waren tenslotte ver in de meerderheid geweest. Ronduit vakkundig hoe ze dat hadden aangepakt, eigenlijk. In hun positie zou ik nooit overwogen hebben om hen in leven te houden, misschien omdat ik, om eerlijk te zijn, altijd een beetje op de Zwaarden van Dag had neergekeken. Nu herinnerde ik me dat oude gezegde, dat een zwaard van zichzelf niet goed of slecht is, maar dat het gaat om de daden die je ermee doet. Ik was zelf ook een Zwaard geweest. Wat had ik gedaan?

De Vleerlingen lieten me aan mijn lot over en ik verviel tot urenlang voor me uit staren, waarin er niets gebeurde en ik aan niets probeerde te denken. Het duurde die dag tot na het middaguur voordat ik me ervan bewust werd dat er wel degelijk een blik op mij was gericht. Ik was de hele dag nog niet van mijn plek gekomen en het stenen achternichtje van Idina staarde me recht aan. Had ze toevallig altijd al mijn kant opgekeken? Ik stond op om de andere standbeelden te bekijken en ondervond met een schok dat ik in het middelpunt van de belangstelling stond. Alle standbeelden hadden hun hoofd naar mij toegedraaid. Een vlinder scheerde rakelings voorbij, sneller klapwiekend dan ik kon volgen – en toen begreep ik het pas. Mijn bewakers waren niet sneller gaan lopen; ik was langzamer gaan leven. Ik werd niet versteend. Ik werd vertraagd.

 

Het was een heel geleidelijk proces. Een aantal weken heb ik me bezig gehouden met de vraag waar de Vleerlingen ons voor nodig zouden hebben. Waarom hadden ze alle standbeelden bewaard? Was de prins nog iets van plan? Tot er op een dag een soort optocht langs snelde. Tegen die tijd kwam een rustige wandelaar op mij over als een voorbij zoevende vlieg. Echte vliegen merkte ik niet meer op. De groep bezoekers was voor mijn gevoel dus in een flits voorbij, maar aan de decadente kleding en formele opstelling kon ik opmaken dat het een defilé betrof. Het nieuwe koningshuis was geïnaugureerd, misschien betrof het wel het bezoek van een buitenlands staatshoofd. Ik kon er niet langer omheen: deze hele beeldentuin was puur een kwestie van machtsvertoon. Wij standbeelden waren levende geschiedenis, een tentoonstelling van de verslagen vijand. De Vleerlingen hadden ons enkel en alleen vertraagd zodat ze zich over ons konden verkneukelen.

 

Na een maand of twee haalden ze mijn kettingen eraf. Tegen die tijd kostte het me een halve dag om een stap vooruit te zetten. Ik ben toen nog een keer tot de rand van mijn veldje gekomen, waarna een groep soldaten me terugschoven naar het midden, waar ik was begonnen. Het had me meer dan een week gekost om tot de rand te komen en al dat werk werd in een kwartiertje tenietgedaan. Sindsdien sta ik stil.

 

Ik sta stil en denk aan Idina. Zij is het waard mijn trage gedachten aan te wijden. Er zijn vele mogelijke scenario’s. Het feit dat ik hier nog sta is mijn grootste en belangrijkste hoop. Misschien is ze het platteland op gevlucht en doet ze eenvoudig werk, als melkmeisje bijvoorbeeld. Zou ze zich zo snel hebben kunnen aanpassen? Het zou voor haar het veiligst zijn, maar ze zou wegkwijnen, daar ben ik van overtuigd. Iemand als Idina heeft veel meer te bieden. 

 

Ik stel me voor hoe ze ontsnapt is, in het buitenland haar identiteit onthult en in ballingschap leeft terwijl ze in het geheim nieuwe bondgenootschappen aangaat om later haar rechtmatige positie terug te winnen. Hoeveel jaar zou dat kosten? Hoeveel oorlog moet daarvoor gevoerd worden? Misschien is het al voorbij als ik één keer met mijn ogen heb geknipperd. Een halve hartslag oorlog, is dat het waard? 

 

Zo ver komt het niet, natuurlijk. Niemand zal Idina geloven als ze zegt dat ze een prinses is. Ze zal zich moeten voordoen als iemand van het volk en anders belandt ze in het gesticht. Wat nog steeds beter zou zijn dan dat ze hier zou staan. Ik weet niet of ze begrijpt wat er is gebeurd, dat ze haar lichaam pas zal terugkrijgen als ik sterf, en op dit tempo… Misschien is ze door de schok wel daadwerkelijk haar verstand verloren. Er is niemand die het haar kan uitleggen en ik sta hier stil. 

 

Ik probeer aan de goede scenario’s te denken en niet aan de slechte, zoals dat ik als hofdame altijd een dolk verborg onder mijn kleding en wat Idina daarmee gedaan kon hebben toen ze die in haar eigen zij voelde prikken. Dat soort gedachten probeer ik zo snel mogelijk weg te drukken. Binnen een paar maanden in ieder geval. 

 

Zou een van mijn Sikkels Idina ooit herkennen? Zou die haar lang genoeg in leven laten om zich te realiseren dat ik géén verraad heb gepleegd, dat ik het niet ben, dat Idina wel een sikkel op haar pols getatoeëerd heeft, maar geen Zwaard van Nacht is? Dat ze de wachtwoorden niet weet, de foefjes niet kent, dat de jarenlange training volledig afwezig is, dat moet toch allemaal niet zo moeilijk te achterhalen zijn.

 

Is het moeilijker een Zwaard van Nacht te zijn of er géén te zijn? 

Er geen te willen zijn, er geen geweest te zijn, 

al die codes, codewoorden voor de codewoorden, Zwaard van dit of dat was niet genoeg, 

Vleerlingen noemen zichzelf geen Vleerlingen, dat hebben wij bedacht, 

gedaanteverwisselingen, gedachteverwisselingen, 

ik weet uiteindelijk best voor wie ik hier sta, voor wie ik besta, 

noem het instinct of liefde, het is mij om het even…

 

Zolang de kans bestaat dat ik Idina’s vrijheid betaal met mijn vertraging sta ik stil met hart en ziel. 

 

Elke hartslag die ik hier doorbreng staat gelijk aan duizenden hartslagen die zij leeft.

 

En op een dag zal ik terug in mezelf veranderen.

 

De Vleerlingen ontdekken dat ze prinses Idina nooit te pakken hebben gekregen.

 

Dat ze al die tijd een Zwaard van Nacht tentoongesteld hebben.

 

Wat ze dan met me doen, maakt me niet uit.

 

Want als ik mijn eigen lichaam terugkrijg, 

 

is Idina er niet meer.

 

Het zal

 

op dit tempo

 

niet lang 

 

meer duren.

 

Stil sta ik

 

met hart

 

en ziel.

 

Dag

 

en

 

nacht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen

BoekenBoeken

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Schrijf je in voor de FantasyWereld nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws en onze winacties

Recente reacties

CozyFantasy.nl

Interviews, artikelen, recensies en winacties rondom cozy fantasy