We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1deel 2deel 3deel 4deel 5deel 6deel 7 en deel 8. Deze week het negende deel.

– Hoofdstuk 4 vervolgd –

De dertig koppige bemanning werd onrustig op de tweemaster en al gauw schreeuwde de kapitein nieuwe orders om de zeelui af te leiden. Zijn vrolijke dronk was verdwenen en er klonk ernst in zijn stem door.


De Troost was een klein vaartuig met een lengte van vijftien meter op de kiel en een breedte van ruim vier en een halve meter. Het schip, van origine een handelsvoertuig, gemaakt op snelheid, dankte haar piratennaam aan de troost die je elkaar moest bieden als je het schip kon zien, want troost was alles wat je nog kon geven, aldus de kapitein. Het was een bijzonder snel schip, zeer geschikt voor snelle strooptochten en het inhalen van grotere schepen. Dat kon je gemakkelijk zien aan de grote hoeveelheid zeilen en de kitsgetuigde mast. Dat betekende dat het een tweemaster was, waarvan de kortere mast zich voor het roer bevond om extra wind te vangen. De Troost was aan de grote mast dwarsgetuigd met een grootzeil en een marszeil, terwijl de bezaansmast een latijnzeil voerde met daarboven een vierkant topzeil. Er waren ook voorzieningen voor andere zeilen, maar die waren midden op zee vaak overbodig in rust. Van het koopvaardijschip was niets origineels meer over. Op de scheepsromp waren zware houten platen aangebouwd, verstevigd met staal en de grote officiershut was deels opgeofferd als ruim voor de extra bemanning. De acht kanonnen die van oudsher dienst deden, waren vervangen door zestien kleinere kanonnen. Dat was volgens de kapitein dé truc van ieder piratenschip. De zware, logge negenponders eruit en een dubbel aantal lichtere zesponders aan boord om het zeil van de tegenstander aan flarden te schieten en ze zo in te halen om te enteren. Piraten hadden niets aan gezonken schepen. Een overvolle bemanning, tot de tanden bewapend op een klein schip hunkerden naar nieuwe schepen. Want hoe meer schepen een piratenvloot had, hoe groter de kans op rijk was. Of op muiterij, het was maar hoe je het bekeek..

Het waren barre, maar korte strooptochten voor de Troost geweest. Niets van wat de kapitein had verwacht, na het aanschaffen van een Baken. Natuurlijk waren er wel schepen en schatten gevonden die ze anders nooit hadden gezien, maar ze hadden gewoon pech gehad. En laat Beatitudinem, Godin van Geluk, nu net geen oogje over hebben voor de Troost en haar bemanning.


Het duurde even voordat de eerste zeelui de zwarte haai opmerkten. Je zou denken dat bij het zien van een zeemonster het schip in rep en roer was, maar niets was minder waar. Als een geoliede machine schalde bevelen over het dek en de kanonnen werden geladen, terwijl de Troost in de beweging kwam. De eerste stuurman wachtte op een stevige wind zodat hij de zijde waar de wind vanaf waaide, bakstag kon inhaken voor wind in het fokzijl. Twee man lieten de touwen vieren voor het voorste zeil en terwijl de ra’s klapperden tegen de mast, lieten ze de kluiver los. Het roer ging om en bemanning achter aan het dek hielden de bezaan strak aan. De bakstagen wisselden, de bezaan vierde, en het loefzwaard viel waardoor het fok vol wind ving. De kluiver bolde op en opeens stond de zwarte rugvin oog in oog met acht geladen zesponders die allemaal gericht stonden op het monster dat geen van de bemanningsleden ooit in hun gehele piratenleven hadden gezien.

Yaela kende de snelle manoeuvres van het schip en haar kapitein. Zij wist dat de Troost als één van de snelste schepen kon draaien. Zij had het beeld van het draaiende schip al gestuurd voordat de kapitein de orders kon geven en nu gaapten de bemanning naar een leeg stuk water, waar zojuist nog een enorme zwarte vlek in het water had gelegen. De haai gaf een euforische stoot van energie vrij, toen ze de Troost van onder ramde. Als een reuzen stormram viel de bemanning als marionetten over het dek en dankte Yaela voor het eerst in haar leven de touwen die strak om haar naakte middel waren gebonden. Niets is zo angstig als een onzichtbare vijand, niets is zo eng als een onzichtbare zwarte haai. De tijd leek even te bevriezen en Yaela zag het schouwspel als een toneelmeester, vanaf een bijzondere plaats in het geheel. De negen meter lange haai sprong vanaf de voorsteven uit het water en lande schuin op de boeg. Hout brak alsof het dunne twijgjes waren en het schip maakte direct water, terwijl de haai over het dek het water in gleed. De bemanning die ze tegenkwam beet ze venijnig naar en Yaela zag hoe de kaak van de haai openklapte en stoere piraten ontdeed van lichaamsdelen. Het bloeddoorlopen dek vormde een macabere bühne waarbij het schip schuin naar voren helde, terwijl de enige uitweg voor de glijdende en schuivende bemanning, ivoren tanden waren. Yaela wist het en dus wist de zwart haai het. De zwarte dood was nog nooit zo effectief geweest. Het prehistorische monster steunde en wachtte op de kapotte voorsteven van het schip tot het nog meer helde en water maakte, tot de bemanning naar beneden schoof. De achtersteven stak ruim twee meter boven water en het zou niet lang duren tot het schip doormidden zou breken, of zou zinken. Van de dertig koppige bemanning waren nog twintig man op het schip. Sommige jammerden, sommigen gooiden wapens, tonnen met pekelvlees of andere gebruiksvoorwerpen naar de haai, maar allemaal hielden ze zich vast aan het beetje Troost dat ze nog konden vinden. Yaela lachte alleen maar, ze lachte om de angst waarin zij leefden, dat die angst eindelijk te lezen was op de gezichten van de bemanning die haar maanden lang verwaarloost. Ze zag gezichten die eerst spottend, afkeurend of minachtend naar haar hadden gekeken, die gezichten keken nu in doodsangst naar haar en haar haai. Toen hoorde ze hen roepen. “Zij doet dit!” en “Dit doet die heks! Vermoord haar, dan laat die haai ons met rust!” Yaela wilde stoppen met lachen en haar touwen losmaken, want dit had ze niet voorzien. Ze had gedacht dat de bemanning zich lang genoeg om de haai zou bekommeren en niet om haar krachten. Drie piraten klommen in de ra’s en via de touwen omhoog. Ze moest iets doen, anders zou ze heel anders om het leven komen, dan waar ze vrede mee had gesloten. Een snelle beet van de haai, of een zachte verdrinkingsdood, oke. Maar neergestoken worden en doodbloeden in een kraaiennest, daar had ze niet voor getekend. Ze sloot haar ogen en zocht naar de ziel van de haai. Ze voelde hoe haar lichaam en haar geest niet langer geteisterd werden door aardse lasten. Ze verzamelde beelden van dikke zeerobben, die in het wand omhoog klommen. Vetgemeste robben die daar lui, lagen te bungelen om uit de touwen te worden gevist. “Je gaat eraan, zeegleuf!” hoorde ze en de beelden verdwenen. Overleven ging voor concentratie, zo bleek het, maar het was voldoende. Ze zag hoe de haai zichzelf terug liet glijden in het water, hoe ze dook. Eén van de bemanningsleden was op armlengte van haar geklommen en hij zag hoe hij vol lost naar haar naakte lichaam keek. Ze moest tijdrekken. “Wil je me niet nog even lekker nemen, voordat je me dood. Die rothaai is toch weg.” De piraat leek eventjes van zijn apropos. Hij knipperde met zijn ogen, zocht de haai en keek daarna verlekkerd naar haar stevige, kleine borsten. Yaela kreeg met moeite haar benen een beetje verder uit elkaar en ze pruilde haar lippen. “Kijk maar tussen mijn benen, kletsnat, door jou.” Ze lachte hardop toen ze hem zijn lippen zag aflikken. Hij lachte met haar mee, terwijl hij een hand in zijn broek stak om zichzelf bloot te geven. Maar Yaela had er geen oog voor. Met open mond staarde ze naar het negen meter lange gevaarte dat vanuit een rechtopstaande sprong uit het water was geschoten. De haai was nog geen halve meter met opengesperde muil van de piraat verwijderd, die nog steeds met zichzelf bezig was. Kippenvel kroop van haar tenen tot over haar rug en hij wilde nog iets ranzigs zeggen over haar harde tepels, toen de kaak van de zwarte haai openklapte en met een harde schok, de kop en schouders werden verwijderd van de halfnaakte piraat. Met zijn geslachtsdeel nog in zijn hand, tuimelde het romploze lichaam uit het kraaiennest, de diepte in. De haai brak met zijn val de mast en daarna het schip. De Troost kraakte en kreunde alsof het haar ruggengraat had gebroken. Yaela voelde hoe de mast balanceerde en langzaam in elkaar zakte. Even trok ze woest aan de touwen, maar gaf het al snel op. Ze zocht met haar gedachten de haai en versmolt haar gedachten met het roofdier om nooit meer te ontwaken als mens.

Uit haar ooghoek zag ze een meisje vastgebonden aan de mast, met kraaiennest en al naar beneden storten, terwijl het houten gevaarte begon te zinken. Ze dook onder en zag woest spartelende mannen met zwaarden naar haar zwaaien en prikken, maar het deed haar niets. Ze wilde schaterlachen, maar ze maakte een euforische sonar die onmiddellijk werd beantwoord door haar kleinere soortgenoten. Het schouwspel veranderde in een bloedbad en verheerlijkt snoof ze de geur van het rode vocht op. Even werd ze woest, dan zag ze een beeld van een tijgerhaai die haar prooi wilde afpakken. Met enkele slagen van haar machtige staartvin ramde ze de tijgerhaai, die angstig wegvluchtte voor zijn meerdere. Ze wist niet waarom, maar het naakte vrouwelijke schepseltje dat bewusteloos in het water dreef was van haar. Niet om te eten, maar om te houden, al was ze wel benieuwd hoe het zou smaken. Weer een soortgenoot die het op dat mens gemunt had. Woest greep ze een spartelende piraat en ontdeed het van een bovenlijf. Ze bracht de dunne benen naar haar kleine familieleden die het dankbaar kaal vraten. Ze echode een waarschuwing door het water met een beeld van het vrouwelijke wezen. “Zij is van mij!” Ze begrepen het wel, maar vergaten het te snel door de geur van zoveel bloed in het water. Haar soortgenoten werden wild, zo wild en roekeloos dat een grote witte haai van drie en een halve meter haar probeerde te bijten in haar onbeschermde buik. Maar ze waren vergeten dat zij de koningin van de zee was. Honderden jaren oud, met een schubachtige protectie waarvan de haai schrok toen hij zijn tanden niet in haar buik konden vasthouden. Ze draaide zich ondersteboven en beet met gemak de haai zijn staart af. Bewust liet hij haar eventjes leven, terwijl het paniek beelden verspreidde onder haar soortgenoten.

“Genoeg!” dacht ze en ze zwom naar het zinkende vrouwmens en droeg haar op haar brede rug, net iets boven het water. Het mens het zuurstof nodig, wist ze. Hoe dat wist ze niet, maar ze besloot het aan land te brengen, hoe lang dat ook zou duren.

Dagen later, ver van de de bewoonde wereld spoelde ze aan op een eiland. Proestend van de overmaat aan zuurstof die brandde in haar longen probeerde ze te vluchten naar het water, maar haar staartvin werkt niet. Haar spieren deden pijn van het stilliggen en ze hapte in het water toen plotseling twee sterke armen haar uit het water tilde. “Rustig maar meisje” kalmeerde een stem haar. Ze probeerde een beeld of een geluid te echoën, maar haar klank vond geen water om het te verspreiden. Ze maakte een diep, kuchend geluid en ze voelde pijn in haar keel. Ze probeerde woest te bijten, maar de armen pakte haar steviger vast. “Welkom in Wachthoek, bijtertje. Wat is jouw verhaal?.” Ze trapte naar de man. “Goden! Jij bent een woeste! Kalm, kind! Je bent in goede handen.” De man keek achterom, naar een eeuwenoude tempel, verscholen in de jungle. “We zullen wel wat moeten doen aan die lange haren, zeekind. Want de Rode Orde tolereert geen meisjes.”


Jeroen Cornelis: Beste Lezers, in dit deel zijn jullie getuige van een woeste aanval op het schip de Troost. Graag hoor ik jullie reacties omtrent de aanval, de beleving op het schip en ‘magie’ die de hoofdpersoon uit dit stuk gebruikt. Alvast bedankt!

3 REACTIES

  1. Dit deel staat boordevol actie.De aanval van de haai is spectaculair,het is alsof ik zelf in de kile ogen van het kijk en de ivoren tanden voel.De angst van de bemanning op het piratenschip is goed voelbaar.Hoe Yaela haar magie tentoon spreidt door de haai steeds beelden door te sturen is geweldig.Dit is een zinderend deel.Groetjes Vera.

  2. Dit deel staat boordevol actie.De aanval van de haai is spectaculair,het is alsof ik zelf in de kile ogen van het dier kijk en de ivoren tanden voel.De angst van de bemanning op het piratenschip is goed voelbaar.Hoe Yaela haar magie tentoon spreidt door de haai steeds beelden door te sturen is geweldig.Dit is een zinderend deel.Groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here