We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1deel 2deel 3deel 4deel 5deel 6 en deel 7. Deze week het achtste deel.

– Hoofdstuk 3 vervolgd –

“Schiet Storm” snikte Aaron. Storm wist dat de man niet blufte, de man was een voortreffelijk schutter. Hij liet zijn boog zakken en zijn hoofd hangen. “Gooi je boog op de grond jongen” zei de kale man met de ooglap, gebiedend. Storm deed wat de man zei. De boog viel op de grond en Aaron schudde zijn hoofd. “Wat doe je?”

“Sorry” zei hij nog, maar excuses vielen in het niets. “Schiet ze neer, Ewoud. We kunnen geen getuigen gebruiken.” De man met de korte baard glimlachte vervaarlijk en hij spande zijn boog. “Sorry jongen, niets persoonlijk. Als we ooit elkaar tegenkomen bij de poort van de Ene zal je me wel begrijpen.” Eigenlijk wist Storm het wel. Het moment toen hij zijn boog uit zijn handen liet vallen voelde hij de machteloosheid. Ewoud trok de pijl naar achter en toen voelde Storm de hitte. De tijd leek haar spel weer te spelen en hij voelde zijn handen gloeien. Een ziedende woede nam controle over zijn geest. Maar het kwam te laat. Ewoud wilde nog iets zeggen toen er iets enorms uit de bossen denderde. Krakende takken, donderende poten en een woedende brul steeg op uit het woud. Net voldoende om de aandacht van de schutter af te leiden.

Een volwassen Rhodeense beer sprong uit de struiken te voorschijn en richtte zich in volle lengte op. Het beest was magnifiek, puur natuur in al haar kracht. De beer brulde met wijd opengesperde muil en het speeksel vloog langs de tanden van de opengesperde kaken. Kon dit… Nee, het kon niet… Maar het was wel zo. De beer die Storm verzorgd had en verdwenen was, torende nu hoog boven Ewoud uit op nog geen drie meter afstand. De plek waar de tak gezeten had, was duidelijk zichtbaar. Maar het bruine gevaarte scheen er geen last van het hebben. Met een woeste zwaai en een snelle stap stond de beer voor de schutter en haalde met de dierlijke dolken de gehele onderbuik van de man open. Ingewanden, huid en botsplinters spoten uiteen door de brute kracht van de beer. De schutter krijste en hield zijn ingewanden in zijn armen. Maar een schot was gelost en de beer brulde jammerlijk. Een kreet die de pijnen van Ewoud overschreden. Een pijl stak uit het oog van de beer die het beest er probeerde uit te wrijven, als een zinloos reflex. Langzaam zakte zijn bruine redder in elkaar. De wederdienst was meer dan Storm ooit terug kon betalen.

“Nee…” hoorde hij zichzelf fluisteren. “Nee” hoorde hij zichzelf zeggen. “NEE!” hoorde hij zichzelf schreeuwen. Hij klemde zijn kaken op elkaar en de vlammende hitte leek zijn handen te verschroeien. Als een oliedoek dat vlam vatte steeg de pijn en hitte door zijn onderarmen richting zijn schouders tot aan zijn nek. Een dierlijke grom ontschoot zijn keel, hij voelde zijn kaken warm worden terwijl hij zijn ogen sloot. Een schreeuw van pijn en woede ontsnapte uit zijn binnenste terwijl hij de brandende pijnscheuten in zijn hoofd voelde. Hij hoorde een vertraagde stem, vervormd schreeuwen “Schiet!” Een gebiedende schreeuw die een ondertoon van angst verried. De beer was dood, waarom dan de angst, dacht hij nog.

Maar pijn nam de overhand. Een withete pijn die zijn lichaam had overgenomen, welke sidderde en raasde als een woeste wervelstorm. Maar de pijn blokkeerde. Hij verloor de controle over zijn geest, zijn zenuwen. Pijn was niet meer, alleen nog wraak.. Hij voelde zijn ogen wijd open sperren en zag één van de halzensnijders een boogpees naar achteren trekken. De andere man trok een zwaard en rende op hen af. “Storm! Wat doe je! De paarden! Aaron zijn stem sloeg over. Storm keek naar zijn handen, maar zag niet de vlammen of schroeiende brandwonden die hij zojuist nog voelde. Zonder dat hij wist wat hij deed hief hij zijn rechterhand en wees met zijn handpalm op de schutter. Hij spreidde zijn vingers en spande zijn spieren in zijn hand. De vlammende hitte verliet zijn geest en vloeide langs zijn hals, zijn schouders tot aan zijn hand en toen zag hij het. Een geel pulserende gloed verliet zijn hand als een brandende pijl, tegelijk met een ijselijke schreeuw. Een sissend, knetterend geluid van energie wat het meeste weg had van een gloeiende bol van vlammen met een wit binnenste. Het licht was zo fel dat je automatisch je ogen beschermde tegen het felle licht. Maar het afschermen hielp de moordenaar niet. De bol van vuur trof hem met een sissende smak in de onderbuik. Alsof de halzensnijder overgoten was met lampenolie vatte de man vlam. Maar de man schreeuwde niet, hij kon het niet.

Hij keek met een verbaasde blik en open mond waar vlammen uitschoten naar een jonge man met lang blond haar welke een masker leek te dragen, zo verwrongen van emotie. De vlammen waren kort, maar hevig en toen ze verdwenen waren, net zo snel als ze gekomen waren, was de man door zijn knieën gezakt. Een rokend gat ter grootte van een vuist in zijn onderbuik werd zichtbaar. Heel even stond iedereen vastgenageld aan de grond. Storm was door de klap van de kracht achterover geslagen en krabbelde overeind. “Storm!” Aaron huilde, niet wetend wat er zojuist gebeurd was. Storm stond op, het masker onveranderd. Hij voelde dat de blinde haat maar minimaal was afgenomen en zijn handen voelde hij heter en heter worden.

Duivelskind!” Schreeuwde de man met de ooglap “Je hebt hem vermoord met je heksenstreken.” Met getrokken zwaard rende hij op hem af. En daar stond Storm, met trillende benen en opgeheven arm, hijgend. De man kwam als een barbaar op hem afgerend, met een maaiend zwaard en oerkreten, maar hij verroerde zich niet. “Doe iets!” riep Aaron. Storm voelde zijn woede toenemen. Wie waren deze mannen die zomaar over leven en dood mochten beslissen. Zijn kaken verstrakte zich. Die moordenaar moest boeten! En met die gedachte richtte hij ook zijn andere hand op, beiden gericht op één doelwit. Met een schokkende beweging schoten er twee brandende vuren uit zijn handen beiden gepaard met de dierlijke schreeuw van pijn en blinde haat. Storm sloeg door de terugwaartse kracht achterover en de vuurballen suisden vervaarlijk hun eigen weg. Heel even was het stil, bijna kalm. Tot twee mannen tegelijk tegen de grond sloegen. Storm beefde over zijn hele lichaam, zijn adem schokte en hij voelde warme tranen sissend over zijn wangen glijden. De hitte ebde langzaam weg, gelijk met zijn energie. De tweede rover steunde met handen en knieën op de grond terwijl zijn kleren rookte en smeulde. De man met het lange zwarte haar zakte naar de grond terwijl hij krijsend naar een weggebrand been wees. “Duivel!” spoog de man. Hij probeerde nog zijn andere brandende been te doven, maar door het slaan werd het vuur heviger en na wat scheldwoorden die opgingen in gehuil en geschreeuw verloor de rover brandend het bewustzijn. De man met de ooglap smeulde alleen nog.

“Ze zijn dood, Storm,” hoorde hij Aaron concluderen. Hij huiverde. “Dood…” hij proefde het woord alsof hij het voor het eerst hoorde. Maar zijn stem klonk droog als schuurpapier. Hij probeerde op te staan, maar hij trilde over zijn hele lichaam. Alle kleur was onttrokken uit zijn gezicht. Wat was hij moe. “Ik ben zo moe.” Zei hij tegen niemand in het bijzonder. Hij wankelde en toen werd alles zwart voor zijn ogen.

– Hoofdstuk 4: Yaela –

Trots danst daar de wanhoopswapper
geschaarde botten aan de horizon
gepaard met angst in zeemansbenen
en gevloek in bangelijk jargon
-3e Vers , “Aan Piraterij Ten Onder” door Jon Secretum-

Een zwarte rugvin sneed door het water. Het doorkliefde golven en trotseerde wind en weer, want de zwarte haai was op jacht. Het prehistorische beest was oppercarnivoor en leefde niet voor niets bovenaan de voedselketen, zonder natuurlijke vijanden.

Meeuwen krijsten nog waarschuwend, maar niemand had er oren naar. De zwarte haai was op rooftocht, want hij had zijn prooi al gespot en niemand kon hem stoppen. Misschien de mens, zou je denken? Maar ook zij waren nietig. Kleine schepselen met hun houten vaartuigen en stalen pantsertjes die eerder irriteerden dan beschermde langs zijn ivoren, gehaakte tanden. Want deze jager, die veel weghad van zijn kleinere neef; de witte haai, was een geschubde moordmachine die een lengte van wel achttien meter kon bereiken. Met een muil die twee meter kon opensperren. Zeldzaam op zee en diegenen die ‘de zwart dood’ hadden gezien hadden geluk, als hij of zij het tenminste nog na kon vertellen. En zij zag het. Ze zag het eerst aan de dolfijnen die plotseling rechtsomkeert maakten, als een geschrokken schol zeeharing die uitweek voor een Nico. De dolfijnen die eerst vrolijk mee sprongen en lenig hun kunsten lieten zien op het ritme van het applaus van de bemanning die toekeken, hangend aan de gezouten reling. Zij speurde over de zee, al dagen, nee weken, nee maanden spitste zij haar oren voor vreemde melodieuze tonen die zeedieren soms maakten. Ze vernauwde haar blik tot spleetjes om de weerspiegeling van de zon te onderscheiden op de golven toen ze de rugvin spotte. Ze grijnsde en dat had ze al een hele lange tijd niet meer gedaan, een eeuwigheid leek het. Nee, was het.

Ze hoorde ver weg iemand schaterlachen. Een zieke uitbundige lach die eerder angst aanjoeg dan plezier kenmerkte. Het duurde even voordat ze realiseerde dat zij het was. Het schelle, geluid deed pijn aan haar keel, maar ze kon niet stoppen. Begon ze gek te worden? Wellicht, wat zou het ook… Ze was gedoemd.


Yaela was gevangen genomen door de Rode Orde en verkocht aan de Orde van het Baken. Pure slavernij wat gedoogd werd als het enigszins een Orde ten goede kwam. Dagenlang was ze bespogen, uitgescholden en behandeld als slachtvee. Nu stond ze al de hele dag in de brandende zon te wachten op de keuze die haar geboden zou worden. Was het een keuze? Nee, eigenlijk niet.

De verdrinkingsdood was misschien iets minder pijnlijk. Aan de haven stond een kraan waarmee de kooien van de gevangenen werden opgetild en ondergedompeld werden in de zee. Een ter dood veroordeelde werd schreeuwend aan het water gegegeven. De kooi werd geopend, er werden keien naar binnen geworpen, gesloten en het zakte. Geschreeuw werd gegorchel en geluid werden bubbels die borrelden tot er geen lucht meer in het lichaam huisde. Na een aantal minuten werd het weer omhoog getakeld. Al tweemaal vandaag werd er een kooi omhoog getakeld waarbij de heks of heksenmeester nog niet verdronken was. Dit leidde tot geschokte reacties vanuit het publiek en een paar speerstoten in de kooi. Het bloedende lichaam werd nogmaals ondergedompeld om te sterven aan bloedverlies en een verdrinkingsdood.

“Ik zal hem dienen.” Was haar antwoord. Ze wilde niet sterven, zeker niet nu en hier. Haar kooi werd geopend en ze werd overgeladen naar een grote kooi met wielen waar meerdere jongens en meisjes hun rit naar de tempel van het Baken opwachtten. Fluisterende goedbedoelde woorden en beleefde knikjes ontving ze en het voelde warm, ook al was het van gedoemde lotgenoten. Kennelijk was ze de laatste, want de kar vertrok voor een korte samengeperste rit naar de dichtstbijzijnde tempel. Ze koesterde het landschap, de dorpjes en de wegen die ze onderweg aan haar voorbij zag gaan. Want ze zou lang geen land meer zien. Eenmaal bij de tempel aangekomen zag ze dat er niets heiligs was aan deze plaats. Het had meer weg van een marktplein, dan van een heiligdom. Gevuld met piraten, zeerovers en een enkele kapitein van een koopvaardijschip. Een Baken was te koop voor iedereen, want het bracht enorm veel geld op. Geld dat de tempel, de Rode Orde en het rijk ten goede kwam. Onzachte handen boeiden haar en ketende haar vast aan één van de rijen met palen. En zoals runderen bekeken en geknepen werden op de markt, zo werd zij onderworpen aan gulzige blikken. Naakt en onbeschut bekeken ogen haar deels van lust, deels van afgunst. De lust was geen dierlijke lust, maar een machtswelling naar de rijkdom van de magische ogen van een Baken.

“De Troost, mijn beste gapper.”

“Kom, kom, Broeder. Het was maar een vriendelijk koosnaampje, meer niet. Hoeveel kost dit meisje?”

“Alles wat waarde heeft.” Daar ging haar troost. Van troosteloosheid, naar het piratenschip de Troost, het was alsof de zelfs de Goden haar uitlachten.


“Wat valt er te lachen, achterlijke zeekut!?” Het was geen vraag, eerder een ergernis die overigens de rest van de piratenbemanning deelde. Een tweede zeebonk trok zijn dolk en maakte obscene gebaren terwijl hij over het loeftij spoog.. “Houd je kop dicht, zeeheks, anders neuk ik je er een paar nieuwe gaten bij!” Ze hoorde het al niet meer, ze hoorde niets meer behalve haar lach om de wraak die hen te wachten stond. De bloedwraak waarvoor ze had gebeden. Die gebeden hadden haar veranderd, want zo was ze niet. Ze was niet het Baken wat ze nu was. Een iel meisje, getergd door zon, wind en regen dat naakt, vastgebonden stond aan de top van de mast. Hoog boven in het wand stond ze tot tranen toe te lachen. “Je mot een nieuwe hebben, Kap’tein. Volgens mij is deze stuk.” En zo werd er over haar gesproken, alsof ze een ding was. Een baken was in de volksmond ook een ding. Een magisch gebruiksvoorwerp dat voor één keuze stond in haar leven, als ze gepakt werd. Of eigenlijk twee keuzes. Een verdrinkingsdood of een verbrandingsdood of als je wilde leven, dan kon je kiezen om te dienen. Een naakt en onbeschut leven, waarbij je het merendeel vastgebonden stond aan de mast om de bemanning te waarschuwen voor vijandige schepen, stormen of zeedieren die een gevaar konden zijn voor het schip waar je aan gebonden werd. Het ‘binden’ was een duister ritueel, maar het werd gebracht als een reiniging van datzelfde duister. Je werd door de Orde van het Baken, een broeder, gebonden aan een schip waardoor je niet kon sterven of verraad kon plegen zolang het schip overleefde. Een bizarre en onnatuurlijke magische verbintenis die op de één of andere reden wel geoorloofd was, ook door de Rode Orde, die niets accepteerde op het gebied van magie. De meeste meisjes kozen, als ze voor de keuze stonden, voor het leven en bonden zich aan het schip. De truc was om je vol overgave te binden aan het schip, de kapitein en de bemanning zodat je waardevol bevonden werd. Dan leefde je een enigszins acceptabel leven. Maar als je door een piratenkapitein bemachtigd werd, gekocht of gekaapt, dan wachtte je een leven van ont-eringen, zweepslagen, verkrachting en natuurlijke ontberingen. Het piratenleven voor een Baken was een hel. Behalve misschien als je de verhalen moest geloven van ‘de zwarte piraat’, die samen met zijn geliefde Baken Medusa een vloot van het rijk, medepiraten en een zwarte haai trotseerden en versloegen. Hij droeg een sabel geslepen uit het ivoor van een tand van de haai en zij droeg een geschubde jurk van haaienleer.

Yaela was geen heldin, geen mythe of legende. Nog niet, of nooit niet, als je het haar zou vragen. Zij was op zesjarige leeftijd verstoten door haar stamhoofd met de naam de Weduwnaar. Later begreep ze waarom hij zo heette, gezien het groot aantal weduwen dat bij de stam leefde. Ze werd verstoten omdat ze magische vermogens had ontwikkeld en net zoals bij vele volkeren, stammen en steden stond magie kaarsrecht in verbinding met het duister, Inferis, de god van de onderwereld. Wat men niet begreep, dat vreesde men. Dat gold zeker voor een kind dat met dieren kon communiceren. Gelukkig voor Yaela vond de Weduwnaar dat ze gezien haar leeftijd nog niet ter dood veroordeeld mocht worden. Hij had besloten dat ze tot haar zestiende dienst mocht doen als slaaf voor de stam. Na haar zestiende verjaardag of als zij gebloed had en volwassene mocht worden berecht, dan zou ze worden verstoten. Tot op de dag van vandaag vroeg ze zich af wat erger was geweest. De dood op haar zesde of alle trauma’s die ze had meegemaakt tot haar veertiende levensjaar en later. Ja, Yaela werd op haar veertiende levensjaar al verlost van de stam, niet omdat ze volwassen was, maar omdat ze een magische verbinding had gecreëerd met een roedel wolven. De leider van de roedel, Grijsvacht, had haar opgenomen in de groep en hij had van Weduwnaar, een weduwe gemaakt waarna de roedel het gehele dorp afslachtte. Het was gruwelijk, maar de wolven lieten geen getuigen achter. Ze leefde maanden bij de roedel. Eerst alleen om de winter te overleven. Later omdat de lente zoveel voedsel bracht. Toen de zomer omdat de roedel haar vertrouwd was gebleven. Het was een bizarre, weelderige tijd, want ze floreerde binnen de wolvengemeenschap terwijl de dieren zagen dat ze anders was, maar ze accepteerden haar. Want deze mens communiceerde als een gelijke. Eerst alleen via magische gedachten, later door gewenning waren grommen, toonhoogten en uitdrukkingen voldoende om mee te draaien in de roedel.

Maar in het paarseizoen was het over. Mannetjes vochten om Yaela, drongen zich op. Terwijl vrouwtjes haar afsnauwden, beten en hapten. Het was een onnatuurlijke en onacceptabele situatie die een hoogtepunt bereikt had. Ze moest de roedel verlaten. Ze gebruikte haar magie om de dieren toe te spreken. Maar het was geen gesprek geweest, een toorn van een woedende jonge vrouw. Een alfa vrouw die haar roedel toesprak en hen tegen natuurwetten in tot rust maande. Onbegrip, angst en respect vloeiden door elkaar bij de dieren. Ze was geen van hen en ze zou de roedel verlaten. Er werd urenlang gejankt, zowel door de wolven als door Yaela. Ze had opnieuw een familie verloren. Ze zwoor bij zichzelf zich nooit meer te binden aan een dier.

Een belofte die ze een aantal dagen voor haar achttiende verjaardag moest breken. Ze kon niet anders, had ze zichzelf voorgenomen. Maar ergens wist ze, dat het een leugen was. Yaela leek haar verstand te verliezen door de verbinding die ze had gemaakt met het prehistorische dier. Wekenlang had ze fragmenten opgevangen van een oppermachtig wezen dat rond zwom in de diepe wateren van de Donkere Zee. Voorzichtig had ze getracht om losse, dierlijke gedachten te sturen naar het beest, want zo werkte het. Met mensen kon je volzinnen en verhalen delen in gedachten. Met dieren waren het gedachten of korte woorden gepaard met beelden, zodat je ze kon trainen. De zwarte haai had niet gereageerd op de beelden waar Yaela gemarteld werd, verkracht werd of nachtenlang slapeloos huilde. Het beest leek immuun voor compassie en daarom bad ze tot wraak. Ze bad tot Magicae en smeekte haar om hulp. Of de Godin luisterde, of dat de opperste concentratie voldoende was, dat wist ze niet. Ze voerde het beest waar het enkel om gaf. Beelden van afgehouwen lichaamsdelen, bloed dat water rood kleurde en ingewanden die in zee plonsden als hapklare brokken. Haar prooi hapte toe en dagelijks voerde ze haar haai beelden. De één nog gruwelijker dan de ander en die gedachten hadden haar nog meer beschadigd dan ze later zou weten, maar het was nodig. De ‘zwarte dood’ was haar enige kans op een beter leven of een snelle dood.


Jeroen Cornelis: Beste lezers, we zijn al weer begonnen met deel 8 op FantasyWereld. In dit deel zijn we getuige van de ongecontroleerde magie van Storm en introduceer in een nieuw hoofdpersoon. Een jonge dame. Uiteraard ben ik weer zeer benieuwd naar jullie reactie: kort, uitgebreid, alles is welkom. Bedankt!

2 REACTIES

  1. Ik heb weer met plezier zitten lezen.Het deel waar de beer uit het woud komt denderen en Storm tracht te beschermen is mooi en goed gevonden.Jammer dat hij het niet overleefd.Hoe Storm nadien de controle over zijn magie verliest is schitterend beschreven.En dan een nieuw hoofdstuk waar weer een pracht van een vers prijkt en een nieuw personage wordt geïntroduceerd een vrouwelijk dit keer wat ik tof vind.Het begin van Yaela’s verhaal gebonden aan de mast van het piratenschip terwijl de zwarte haai hen volgt zie ik zo voor mij.Evenals haar verleden dat een stukje beschreven wordt.Ze lijkt mij een sterk persoon ondanks alles wat ze al heeft meegemaakt.Benieuwd hoe het haar verder zal vergaan.Groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here