We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1deel 2deel 3deel 4, deel 5 en deel 6. Deze week het zevende deel.

– Hoofdstuk 3 vervolgd –

Het was rustig, stil eigenlijk. De hovelingen waren nog geen uur geleden bediend en de afwas was gedaan. Kevin was terug naar zijn gezin en Binnen trof hij Karvan die in een comfortabele stoel was ingedut. Door het dichtslaan van de eikenhouten deur schrok hij op. “Storm, ik moet even weg gevallen zijn.” Storm glimlachte. Karvan was achter in de vijftig, maar ondanks ouderdomsverschijnselen zoals het in slaap vallen tegen zonsondergang, was hij krachtig en scherp bij geest. “Het hoort bij de leeftijd” grapte Storm. De meester-kok wuifde zijn verwijt weg. “Zorg jij nu maar, jongeman, dat er wat te eten op tafel verschijnt voor dat deze oude man ontwaakt uit zijn wat verlate middagdutje.” Storm lachte. “Komt voor elkaar meester-kok” riep hij vrolijk terwijl hij op zoek ging naar wat een geschikt avondmaal zou zijn. De voorraadschuur kraakte en Storm hing het grote metalen hangslot aan de spijker zodat hij het bij sluiting weer terug konden vinden. Het schemerlicht van de maan gaf een schamel zicht in de grote schuur. De geuren van rijpende kazen, gerookte vleeswaren en kruiden vulde zijn neus. “Stoofpot” besloot hij hardop terwijl hij op zoek ging naar ingrediënten. Maar iets of iemand was geschrokken door zijn mijmering. Storm spitste zijn orde als een wild beest wat opgeschrikt werd door een jager. Zo snel als hij kon griste hij het ijzeren hangslot van de spijker en hield het vast aan de ketting terwijl hij het slot liet hangen. Een flinke zwaai met zijn geïmproviseerde wapen moest genoeg zijn om een volwassen vent te vloeren. Hij sloop richting het geluid wat hij eerder hoorde. Het zachte gekreun van de houtenvloer verraadde de indringer doordat hij zijn gewicht verplaatste. “Wie is daar” riep Storm met een zwaar opgezette stem. “Storm?” klonk het vanachter het wijnrek achter in de voorraadschuur. “Aaron?” bracht Storm verbaasd uit. Aaron kwam tevoorschijn van achter een stapel wijnkisten. “Betrapt” antwoordde de jonge edelman beschaamd. “Ik schrok me wezenloos joh, ik dacht dat je een inbreker of een wild dier was.” “Sorry, ik euh…”Stamelde hij, “ik moest wat wijn hebben.” Storm snapte er niets van. “Wacht even, de zoon van de Hertog is hier op strooptocht naar drank? Waarom vraag je niet een fles aan je vader, of pak je een fles uit de privé voorraad van de Hertog?” Aaron schuifelde naar voren als een betrapt kind met een koekjestrommel achter zijn rug. “Vader mag niet weten Storm. Ik heb Helena beloofd een fles wijn voor haar te regelen en ik dacht dat als ik mijn vader bestal hij er achter zou komen en iemand ander de schuld zou geven van diefstal.” Storm gromde. “Een nobele daad dus, dat kan ik nog begrijpen, maar stelen voor een meisje? Of wil je met vertellen dat Helena één van je tantes is?” Aaron glimlachte. “Nee, Helena is de oudste dochter van de Baron van Baarne, een klein gehucht een tiental mijlen Oostwaarts hiervandaan.” “Ken ik haar?” vroeg Storm nu lichtelijk geamuseerd. “Niet persoonlijk nee, maar zij zat ook aan het ontbijt vanmorgen, naast haar vader aan de linkerkant aan de laatste tafel.” Nu wist Storm het weer, hij had Aaron betrapt op een knipoog. Hij was helemaal vergeten te vragen wie dat meisje was door alle spanning aan het hof. “Aha!, ja dat heb gezien, je knipoogde stiekem naar haar voordat ik binnenkwam.” Aaron haalde zijn schouders op. “Ik kan het niet helpen Storm, het zit in mijn bloed.” De enige zoon van de Hertog was net veertien en Storm was dus bijna twee jaar ouder, daarom vond hij het ergerlijk te horen dat de jonge versierder al meer interactie had dan hij twee jaar later. “We zouden de fles leeg drinken op mijn kamer en hopelijk een paar kussen stelen.” Storm moest lachen. “Diefstal en ontucht, zoon van de Hertog je zou beter moeten weten.” Aaron lachte mee. “Juist, dus houdt je mond dan leen ik je morgen mijn boog, jij kunt er toch beter mee overweg.” Storm wist dat het waar was. “Slijmbal, nou vooruit haal die fles achter je rug vandaag alsof je moeder je betrapt heeft en maak dat je weg komt.” Aaron keek beteuterd als het kleine kind waar storm over sprak. “Ja mammie.” Het zag er zo stom uit dat Storm wel moest lachen, maar toen bedacht hij zich dat hij zelf het slot van de deur had gehaald. “Wacht eens even hoe ben je door de deur gekomen, zit hier ergens een raam los?” En hij inspecteerde de ramen op braak. “Nee, antwoorde Aaron trots en hij toverde een haarspeld tevoorschijn uit zijn mouw. “Een haarspelt? Hoe doe je dat?” Verrukt dat hij Storm weer is wat kon leren pakte hij het slot van hem af. Hij peuterde wat met de haarspeld in het slot en een zachte klik deed het hangslot openspringen. “Gaaf he, echt een beroepsinbreker.” Storm was veel minder onder de indruk omdat hij wist dat hij het slot zou moeten vervangen naar iets wat minder makkelijk openging. “Oké, genoeg vertoon. Drink die fles leeg met vrouwe Helena en steel een paar kussen, maar drink niet te veel anders ben je morgen bij de jacht niets meer waard.” Aaron knikte en sloeg bemoedigend zijn maatje aan het hof op de schouder. “Bedankt ik zal mijn best doen.” “Wat? Om niet te dronken te worden, of om zo veel mogelijk te kussen.” Aaron maakte een buiging alsof hij voor de koning stond. “Beiden, meester-jager” grapte hij en hij rende de nacht in.


Stom klopte de vos bemoedigend in de nek en het paard brieste enthousiast. Hij had de twee paarden gecontroleerd op blessures, de hoeven schoongemaakt en opgezadeld. Beide waren vossen, het paard dat Storm voor zichzelf had opgezadeld was een lichtbruine vos en het paard van Aaron was donkerbruin tegen het zwarte aan. Een donkere kleur als deze werd in de voskleur koffievos genoemd. De rijdieren waren volbloed Trakehner. Een ras dat zich onderscheidde als een lichter, wendbaarder en sneller paard dan het zwaardere oorlogstype dat tot dan toe gebruikt werd. Om aan deze behoefte te voldoen liet de regent van Sombrië, aan de andere kant van het Westelijk halfrond, de beste fokdieren vanuit het hele rijk komen en startte een uiterst selectief fokbeleid. Echte jachtpaarden. De stalmeester was al op de hoogte van hun jachtpartij en hij had Storm verzekerd dat deze paarden het best in conditie verkeerden. Storm hing zijn boog om zijn schouder, geklemd aan een handige houder aan de pijlenkoker. Hij droeg zijn eigen kortboog bij zich, gesneden uit iepenhout wat een paar fijne eigenschappen bezat voor een kortboog. Het tegen compressie bestendige kernhout was naar de schutter toe gekeerd, en het rekbare, elastische spinthout wees naar voren, zodat een soort composietboog ontstond die toch uit één tak kon worden gemaakt. De boog van Aaron bestond uit taxushout, waar ook de meeste pijlen van gemaakt werden. Het was een boog die qua grote iets langer was dan de kortboog, maar nog niet behoorde tot de langbogen. Het taxushout was daarvoor het best geschikt, dankzij het pittige, buigbare karakter van het hout. Maar ook de es was zeer geschikt als houtsoort, al was het naar Stoms smaak iets te stug. Een zwaard kon hij nog niet voldoende hanteren en zat hem tijdens het paardrijden enkel in de weg. Aaron daarentegen was een excellent schermer, dit wist hij doordat Storm dit enkele malen mogen ervaren in een oefenpotje schermen in één van zijn lessen. Zijn favoriete wapen was een rapier, een relatief slank, scherp gepunt type zwaard. Toch droeg de jonge Edelmans zoon geen zwaard, de Rhodeense wetgeving gaf aan dat jongeren voor hun zestiende geen wapen mochten dragen. Storm gordelde zijn jachtmes om en klom op zijn paard om vanaf de rug van het paard zijn zicht te vergroten. Vanaf de kasteelheerbaan zag hij Aaron lopen. Hij droeg gelijk als Storm zijn boog geklemd aan zijn pijlenkoker welke over zijn linkerschouder gespannen was. Zo kon je in een ogenblik met je linkerhand de boog los klemmen en met je rechterhand over je rechterschouder een pijl trekken. Storm zag de glimlach op Aarons gezicht steeds groter worden en hij zelf merkte dat hij ook glimlachte van oor tot oor. Een blik naar de wolkeloze lucht vertelde hem dat ze een droge dag zouden hebben wat spoorzoeken een stuk makkelijk zou maken. “Bereid voor de strijd?” vroeg Aaron. “Jep, alles is klaar. Ik heb wat brood en kaas meegenomen en een grote waterzak.” Aaron knikte. “Betekent dat ik uit de zelfde zak mag drinken waar jij aan gelurkt hebt?” Storm glimlachte van oor tot oor. “Ja, dus als je niet ziek wil worden, laat je dat” grapte Storm. De jongens stegen op en vertelde de stalmeester dat ze tegen het vallen van de avond terug zouden zijn, met wat zij hoopten een berg van geschoten wild. De zon stond laag aan het hemelgewelf en de bomen vertoonden hun kleurenpracht die de herfst hen geschonken had. Ze reden Noordwaarts richting de Grote kom. Een meer wat veel wild aantrok in de zomer, maar wat ook voor ieder wat wils bracht in de herfst. De tocht richting het Noorden zou hen enkele uren kosten en ze besloten dan ook direct door te trekken zonder te pauzeren of de benen te strekken.


In lichte draf, nam Storm de omgeving in hem op. Het Rhodeense woud was dichtbegroeid, gelukkig had de bevolking honderden jaren geleden al besloten bomen te kappen en een brede handelsroute te verwerven uit het dichte bos. Zo kwam het dat ze zo nu en dan een kar tegenkwamen met handelswaren uit het Oosten. De karren lagen volgeladen met stoffen, etenswaren, kruiden en juwelen welke streng bewaakt per karavaan geleid werden langs de handelsweg die Weg Rhoden heette. Een karavaan bestond vaak uit een aantal menners, huurlingen die zichzelf verkochten als bewaking en de handelaren zelf. Bewakers waren nodig wist Storm, want ook al werden bandieten meedogenloos bestraft, een echte bandiet was ook meedogenloos. En als je een jaarloon in handel moest beschermen tegen een bende halzensnijders, dan kon je beter wat ruwe kleerkasten in dienst nemen. Na drie uur kwamen Storm en Aaron de eerste handelaar tegen. Ze groette de menner die een enkele kar voort dreef getrokken door twee muilezels. De man praatte richting de bok terwijl hij zijn hand opstak ter begroeting. Een breed uitziende vechtersbaas met een kort geschoren hoofd bekeek de twee jongens en ging al vlug weer zitten. Ze vormen waarschijnlijk geen bedreiging voor de handel. De kar trok langzaam voorbij en de menner knikte hen een goede reis toe. Storm zag dat de vechtersbaas verveeld achter de bok op een geïmproviseerde stoel van rollen tapijt zat terwijl twee maten sliepen tussen de handel. De drie huurlingen kregen waarschijnlijk goed betaald voor de lange rit, wat zij weer naar hartenlust konden verbrassen in de Kroon in Rhoden. Storm wierp nog een blik naar achter en aanschouwde het schilderij wat achter hem leefde. De herfst was adembenemend, kleuren als rood, oranje, geel, bruin en groen tekende de natuur en maakte alle bomen uniek. Een schilder kon zijn hart ophalen en al zijn kleuren gebruiken op zijn pallet om een echt herfst decor weer te geven. Het pittoreske gezicht veranderde voor hem in een minder bebost gebied wat zich uitstrekte richting de Kom. In minder dan een half uur zouden ze halt houden voor een korte inspectie aan de paarden en een snelle lunch voor de jacht. “Die knollen zijn topfit” zei Aaron terwijl hij met volle mond de paarden bekeek. “De stalmeester verstaat zijn werk.” De jongens hadden de stop bereikt en waren na het strekken van de spieren de lunch begonnen. “Mooi, dan leiden we ze wat dieper het woud in dan kunnen ze een beetje grazen.” Smakte Storm terug.


De kaas smaakte zoutig, maar in combinatie met het notenbrood erg lekker, de waterzak was de helft geslonken en ze hadden dus net genoeg voor de terugreis. Ondertussen was de lucht wat voller en donkerder bewolkt en Storm vroeg zich af of hij niet was oliejassen had mee moeten brengen. “Ik denk niet dat we het droog houden” concludeerde ook Aaron. “Ik dacht net hetzelfde.” antwoordde Storm. De paarden bonden ze vast aan een grote eik nog geen mijl van de Grote Kom en ze controleerde de spanning op de bogen. Met zand en geurige bloemen uit de omgeving wreven ze hun kleding in om menselijke luchtjes te laten verdwijnen. Aaron en Storm knikte elkaar toe bij wijze van een stilte overeenkomst en ze liepen verder het bos in. Nadat ze ver genoeg verwijderd waren van de Hoofdweg likte Aaron aan zijn vinger en stak hem in de licht. De wind woei, zoals ze verwacht hadden in de juist zuidelijke richting zodat een prooi de jager niet zou ruiken. Storm nam automatisch de leiding. Met sluipende pas liepen ze verder zodat op vijftig voet afstand aan hun rechterhand de Grote Kom ontsprong en links wat dichter begroeid bos zich bevond. Zo trokken ze tijdenlang tussen water en bos totdat Storm zijn hand ophield als een stop tegen. Aaron hurkte neer en keek naar Storm die wees naar een open plek tenminste honderd voet voor hen, daar zag hij donkerbruine vormen vast worden. Zwijnen. Een kleine rotte, een groep everzwijnen, bevond zich op de open plek. Storm zag twee vrouwtjes van ongeveer drie voet lang met een schofthoogte tot aan zijn knieën, wroetend in de aarde.


Een drietal jongen wachtten ongeduldig tot het volwassen dier iets eetbaars had gevonden. Storm wist dat ze zochten naar eikels, kastanjes, knollen en groene plantendelen, maar ook dierlijk voedsel als aas, regenwormen, insectenlarven en knaagdieren. Hij had ook wel eens verhalen gehoord dat ze ook hertenkalveren ten prooi vielen. Meestal wroeten de zwijnen met hun gevoelige snuit in de bosbodem. Door dit gewroet helpen ze ook moeder natuur een handje. “Aaron” fluisterde Storm. “Wist je dat zwijnen met hun gewroet de mineralen in de ondergrond vrij laten komen waardoor bepaalde zaden beter kunnen ontkiemen.” Aaron maande hem tot stilte. Er was geen mannetje te bekennen, die meestal solidair leefden. Maar het zou niet de eerste keer zijn dat een keiler zijn gezinnetje niet kon verlaten en op de uitkijk stond. Het mannetje heeft in tegenstelling tot het vrouwtje twee gevaarlijke slagtanden, die door jagers “houwers” worden genoemd. Deze slagtanden zijn twee hoektanden in de onderkaak, die naar boven gericht staan. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen omhoog. Over de borstkas heeft het mannetje een duim lange, dikke laag kraakbeen, dat dient als bescherming voor de longen en het hart in gevechten. Everzwijnen werden vaak onderschat. Maar Storm wist wel beter. Met een lengte van gemiddeld tien tot zeventien voet en schofthoogte tot je middel. Denderde er soms een tweehonderd ponder op je af. Dat maakte een mannelijk everzwijn één van de gevaarlijkste prooien voor een jager. Een flinke houw met de slagtanden betekende een opengereten buik met ingewanden verspreid over de grond en daar zat Storm niet op te wachten. Hij keek naar de jonge Edelmans zoon of hij iets kon aflezen van zijn gelaatsuitdrukkingen. Aaron beeldde met zijn handen slagtanden uit en maakt een cirkel om zich heen. “Geen mannetje te zien” fluisterde Storm en hij richtte zijn aandacht weer op de everzwijn familie. De jonkies waren van deze lente, maar waren nog altijd getekend alsof ze een pyjama droegen. De horizontale strepen die dienen als camouflage en zouden verdwijnen na drie tot vijf maanden. Omdat de zwijnen maar drie jongen bewaakten wist Storm dat er minstens een stuk of acht waren overleden. Daarom kroop hij terug naar Aaron. “Ze hebben te weinig jongen, zullen we verder zoeken?” Aaron fluisterde terug. “ja, is goed, zal ik ze wegjagen door een stok vlakbij te gooien?” Storm knikte. Ze pakten beide een stok en Storm wachtte met werpen tot hij zou zien of de zwijnen de goede kant op zouden rennen. Ook al waren de vrouwtjes een stuk kleiner dan een volwassen mannetje toch konden nog venijnig van zich afbijten als ze jongen beschermden. Aaron wierp, op ongeveer twintig meter van de zwijnen. De kleintjes hergroepeerden zich in een vloeiende beweging onder de dichtstbijzijnde moeder en de twee vrouwtjes snoven in de lucht. Tevergeefs wist Storm want de wind stond hun kant op en door middel van het zand en bloemblaadjes waren de indringende zweetluchten van het paardrijden verdwenen. Storm gooide een zwaardere stok die op dezelfde plek viel en de everzwijnen zette het op een lopen. Net toen ze wilden opstaan om hun weg richting de open plek te vervolgen schrokken ze op door een geluid wat een mix leek van een grom en een schreeuw. Een struik werd woest door elkaar geschud en een volwassen keiler keek waakzaam en grommend om zich heen. Geschrokken keken de jongens elkaar aan. Verschillende dingen schoten door Storms gedachten, maar twee waren het belangrijkst: rennen of schieten. “Rustig, Aaron…” sprak hij kalm, “we rennen op mijn teken.” Aaron knikt. “Waar na toe?”

“Naar de paarden, naar ligt de speer. Nu!” Aaron sprong als een geoefend hardloper uit zijn gehurkte houding en sprintte richting de paarden. Storm keek achterom terwijl hij achter Aaron aan rende. Het zwijn achtervolgde hen niet, maar liep zenuwachtig heen en weer. “Hij volgt ons niet!” riep Storm en hij keek over zijn schouder terwijl zijn tempo wat liet zakken tot hij naast Aaron liep. Samen sprongen ze over struiken, stronken en langs bomen. “Gaan we zo terug?” vroeg Aaron. “Ja, eerst die speer pakken.” Zijn ademhaling werd wat minder heftig, maar hij voelde zijn hart nog onregelmatig kloppen. Het zwijn was een volwassen mannetje, een geduchte tegenstander wanneer je goed voorbereid met een groep van vier man de aanval opende. Storm wist dat ze geen kans hadden gehad zonder de speer, de pijlen zouden de keiler enkel maar woester maken tot hij verkeerde in een bloeddorstig waas van agressie. Aan het platgetrapte gras zag Storm de route die ze al eerder hadden gelopen en ze zouden snel terug zijn bij de paarden.


Storm stopte. “Rook!” hij snoof. “Een kampvuur.” Hij keek Aaron aan. “De paarden!” De jongens reageerden als ware jagers en lieten zich vallen op de kleverige ondergrond. Het de hele dag nog niet geregend, maar de grond was nog vochtig van vorige avond.”Mijn goeie tuniek” klaagde Aaron. Maar hij maakte zich nu niet druk om zijn kleding. Voorzichtig tijgerden ze verder richting de plek waar ze de paarden hadden vastgebonden rond de eik. Nu zag hij het, kleine rookpluimen verraadde een kampvuur rond de plek bij hun paarden. Terwijl ze langzaam verder slopen zag hij een drietal mannen rond een vuur zitten. Toen ze dichterbij kwamen kon hij duidelijk zien dat de paarden onrijklaar waren gemaakt. De zadels lagen op de grond en de bitten waren verwijderd. Dit betekende niet veel goeds. Alleen iemand met kwaad in de zin zou een rijder belemmeren weg te komen. “Hadden we maar naar mijn vader geluisterd.” Jammerde Aaron. “Als het rovers zijn en ze herkennen mij als zoon van de Hertog dan kunnen we het wel schudden.” Storm maande hem stilte toe, maar Aaron had gelijk. De Hertog had hen duidelijk gezegd niet verder dan een uur rond te trekken omdat de handelsroute simpelweg niet veilig genoeg was voor een edelman zonder bescherming. Een ruwe lach schudde Storm uit zijn mijmering. Een stevige vechtersbaas met lang donker haar sloeg zichzelf op zijn dijen. “Ze hadden ieder geval humor” dacht hij nog bitter. Naast de zwartharige man zaten nog twee potige kerels rond een kampvuurtje waar een konijn of gevogelte braadde. Het waren zeker vechtersbazen. Ze droegen allemaal donkere kleding, van bruin tot gehavend zwart. De man die met de rug naar hen toe zat had een kaal geschoren hoofd en ze een zwarte, dunne band rond zijn hoofd wat verraadde dat hij een ooglap moest dragen. De derde man leek ook al recht uit het gevang te komen. Een korte donkere baard, kort geschoren kapsel en twee donkere ogen leken hen recht aan te kijken. De man lachte en draaide zijn gezicht weer richting de langharige man waardoor een boog gebonden op zijn rug zichtbaar werd. De andere mannen droegen beiden een zwaard en op de manier hoe ze eruit zagen wist Storm dat zij het staal niet sierlijk, maar wel dodelijk zouden hanteren. Ze waren op tien meter afstand genaderd toen hij zich platter op de grond drukte en keek of Aaron hetzelfde deed. En dat deed hij. Wat struiken zorgden er voor dat ze onzichtbaar moesten zijn. Storm fluisterde: “Volgens is het gespuis.” Aaron knikte. Hij kon zien dat je jonge Hertogszoon alle kleur uit zijn gezicht had verloren. “Kijk! Er liggen daar mensen op de grond!” Het waren overduidelijk lijken. Twee lichamen, die waarschijnlijk ontdaan waren van al hun bezittingen naast hun levens. Storm vloekte. “We blijven hier liggen tot ze weggaan. Als ze de paarden meenemen dan hebben we pech.” Hij zag Aaron ineenkrimpen hij bedacht zich hetzelfde. Het zou een lange tocht terug worden, met nog een langere preek als ze moesten melden dat ze én niet geluisterd hadden naar de raad van de Hertog én ze de paarden kwijt waren. “We kunnen niets doen he?” vroeg Aaron op fluistertoon. “Nee, halve gare! Anders liggen we er straks naast. We blijven tot ze weggaan en hopen dat ze de paarden achterlaten.” Maar hij wist dat ze dat niet zouden doen.

Een kwartier verliep langzaam en zeker als je alleen maar kon wachten. De mannen hadden gegeten en het leek of ze wilde weg gaan totdat Storm hoefgetrappel hoorde. Iemand kwam met hoge snelheid aanrijden en de mannen hoorden het ook. Als een geoliede machine stonden de mannen op en twee trokken hun zwaard terwijl de derde man met het kort geschoren haar en baard een boog te voorschijn haalde. Ze wisselden wat korte blikken en liepen naar de rand van de weg waar ze ineen doken.

Storm wenkte Aaron en hij kroop verder tot de grote eik waar de paarden stonden. Deels beschut, deels vrij van zicht door de concentratie op de naderende ruiter stonden de jongens op en maakten hun paarden los. “Geen woord.” gebaarde Aaron. De koffievos herkende zijn berijder en hij brieste enthousiast. Vlug drukte Storm zich tegen de bast van de boom en keek voorzichtig wat de drie mannen deden. Het geluid van hoefgetrappel nam toe en hij kon een persoon te paard dichterbij zien komen. De man met de boog greep een pijl uit zijn koker en spande zijn boog terwijl hij een pijl aanlegde. Storm herkende de kleren van de ruiter als een koerier van Rhoden. De goud-witte cape leek achter de ruiter aan te fladderden terwijl de koerier zich dicht tegen de hals van zijn paard aan drukte. Aan het tempo te zien waarmee de koerier reed moest hij wel iets heel belangrijks te melden hebben of hij vervoerde iets waardevols. Een flink gevulde buideltas werd zichtbaar en tot zijn schrik hoorde hij de kaal geschoren man een bevel geven wat zijn maag deed omkeren. “Schiet hem van zijn paard. Ewoud, geen getuigen.” De man met de zwarte baard moest Ewoud zijn want hij grinnikte terwijl hij de pees van zijn boog naar achter trok. “Daarom reis ik zo graag met jou, eerst schieten, dan vragen.” Aaron greep Storm bij zijn arm. “Hij gaat schieten!” siste hij. “Ik weet het, wat wou je doen dan? Schieten?!”

“Ja!” Aaron pakte zijn boog. Storm duwde zijn boog naar beneden. “Als we missen, gaan we eraan.” De koerier was op steenworp afstand genaderd toen ook hij de drie mannen in het oog kreeg. De ruiter nam een seconde de tijd om zijn belagers in te schatten en greep met een vloeiende beweging met zijn linkerhand naar zijn broekriem. Een glinstering van metaal kondigde een werpmes aan, de ruiter hief zijn hand naar achteren in een krachtopbouwende werpbeweging. Maar het was al te laat. De pijl trof de ruiter in zijn keel. Heel even keek de koerier verbaasd naar de pijlschacht die uit zijn keel stak en liet zijn werpmes vallen. Een korte schreeuw eindigde in gegorgel terwijl de man naar zijn bloedende keel greep in een poging het bloeden te stelpen. De koerier verloor zijn evenwicht en viel van zijn paard dat ongestoord verder rende. “Nee!” hoorde hij Aaron gillen. “Peter!” Hij zag de drie mannen opkijken van hun slachtoffer welke op zijn rug lag terwijl hij bloed ophoestte. De man met het lang zwarte haar steeg op uit zijn gehurkte pose wees links naast de plek waar Storm stond. Storm snapte het niet en verdoofd draaide hij zijn hoofd naar links en hij zag Aaron. Deze stond met gespannen boog gericht op de schutter. “Jullie hebben Peter vermoord.” Aaron verplaatste zijn benen wat verder uit elkaar en trok zijn pees naar achter. “Peter?” vroeg hij nog achteloos. Een schot werd gelost en de pijl leek door de tijd bespeeld. Alsof alles tien seconden langer leek te duren zag Storm de pijl door de lucht zweven en hij zag de wind er mee spelen. De pijl week af, scheerde langs het hoofd van de schutter en trof trillend een boom aan de overkant van de weg. En terwijl de pijl in de bast van de boom bleef steken stopte de langzame motie van tijd. Aaron zakte snikkend door zijn knieën toen hij zag dat zijn pijl doel miste en Storm ontsnapte uit zijn versteende houding. Snel pakte hij zijn boog van de houder en greep een pijl. Tot zijn spijt zag hij dat de man met de korte baard hetzelfde deed. “Ik zou het niet doen jongen.” Zei de man met een cynische ondertoon. “Je hebt gezien wat er is gebeurd met je vriend Peter en hij was een bewegend doel. Eén verkeerde beweging en ik pin je vast aan de grote eik daar.”


Jeroen Cornelis: Storm en Aaron gaan het woud in, op jacht. Maar behalve wild komen ze heel wat andere obstakels tegen. Hoe beleven jullie het woud, de jacht. De paarden en informatie over de dieren. Graag lees ik jullie tips en reacties! Groetjes Jeroen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here