We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5. Deze week het zesde deel.


– Hoofdstuk 2 vervolgd–

Moppie gaf Ravi een lichte duw tegen zijn elleboog. Ze had een bezorgde blik in haar ogen. “Smaakte je bier niet?” Ze had zijn kroes op de tafel van Jaap gezet, misschien om even te polsen of alles goed was. Ravi knikte dankbaar. “En u, meneer? Ook iets drinken?” Jaap pakte een koperstuk uit zijn buidel en wierp het haar toe. “Nee, dankjewel.” Moppie begreep de hint en liep naar een andere tafel. “Vertel, die oude Jaap maar eens hoe je erin geluisd bent, no?” Ravi wist dat hij geen keus had. Of hij kon zijn verhaal doen en hopen dat Zwarte Jaap hem een eerlijke kans gaf om weg te komen, of hij zou dood zijn voor hij zijn verhaal verteld had. Moppie kwam tijdens zijn verhaal nog een keer langs om te zien of de heren dorstig waren, maar beide handen wuifden haar weg. “…en toen ik naar de regent keek, zag ik één van mijn werpmessen in zijn nekwervel steken. Het mes dat ik kwijt was geraakt…” Jaap had het hele verhaal zonder blikken of blozen aangehoord. “Dus het is waar… Iemand probeert jou uit de weg te ruimen. Ik dacht het al, maar ik kon niet bedenken waarom. Waar komt die rivaliteit vandaan, no?” Ravi wist het ook niet. “En nu, Jaap?” Jaap lachte weer. “Nu drinken we samen een biertje, Raaf Ravi en dan geef ik je een kwart uur voorsprong. Daarna moet ik mijn zaken voor de bende afhandelen. Zaken, geen plezier dit keer.” Hij knikte, teleurgesteld maar dankbaar. “Bedankt, Jaap.” hij stak zijn hand uit en stond op. “Dat vindt ik fideel van je, pik. Het had ook heel anders ge…” en verder kwam Ravi niet, want Jaap stond op wat leek om zijn hand te schudden, maar hij trok een jachtmes uit zijn riem en probeerde het in zijn buik te steken, terwijl hij hem bij de hand naar zich toetrok. “Verdomme, Jaap!” hij draaide zich om zijn as, terwijl hij de hand van Jaap nog steeds hard vast kneep waardoor Jaap bijna zijn arm uit de kom draaide en het mes liet vallen. “Zijn er dan geen eerlijke dieven meer?”

Terwijl hij het zei hoorde hij de ironie in zijn retorische vraag. Jaap was vloekend naar de grond gedoken om zijn mes op te pakken, toen de waard van achter zijn toonbank een kruisboog om hen richtte. “Vechtpartijen zijn hier niet toegestaan, Jongelui.” Ravi en Jaap zagen dat de waard geen grapje maakte en bedaarde hem tot kalmte. “Het is al goed, no?!” Ravi liep naar Jaap met een gouden glimlach en sprak de waard bemoedigend toe. “Het was maar een dolletje. Deze jatteneur en ik hebben geen kwaad in de zin, toch Jaap?” En Ravi sloeg Jaap vriendelijk op de schouder en duwde hem weer terug in zijn stoel, de beschutte schaduw van de hoek in. De waard borg zijn kruisboog op en negeerde het stel weer. “Daar komen we goed mee weg, no?” Zei Ravi cynisch. Maar Jaap zei niets meer. Hij keek Ravi alleen woedend aan terwijl hij tevergeefs probeerde om één van Ravi’s werpmessen die diep in zijn luchtpijp stak eruit te halen. Hij gorgelde even, hoestte wat bloed op en zijn woedende blik, rolde omhoog in zijn oogkassen. Jaap zakte onderuit in zijn stoel. Exact zoals Ravi hem daar de eerste keer aantrof. “Haha, juist!” Riep Ravi quasi opgewekt terwijl hij het dienstertje wenkte voor een rondje. “Graag nog een biertje voor mij en mijn maat.” Hij pakte een servetten doek van de tafel, rolde het op als een sjaal en trok het mes uit de keel van zijn collega. De doek draaide hij strak om de keel om de bloeding te stelpen en veegde het af aan de kleding van de dode. “Sorry, Jaap. Maar het is jij of ik, gapt.” De bende zat achter hem aan en hij wist niet waarom. Natuurlijk zou het een kwestie van jaloezie kunnen zijn, of wenste iemand gewoon zijn plek in de Bulldog rangorde. Maar dan had was een gerichte moord gemakkelijker dan een ingewikkeld complot om hem te laten opdraaien voor de dood van de regent. Ravi keek even naar de opaal die hij nog steeds om zijn vinger droeg. Misschien was het artefact toch belangrijker dan hij dacht? Zo belangrijk dat niemand mocht weten van het bestaan? Iedereen zou hem koste wat het kost uit de weg geruimd willen hebben… Ravi vloekte. De bloedrode steen glinsterde vervaarlijk in het duister van de gelagkamer. “Je zou nog wel eens mijn dood kunnen worden.”

“Of anders je vriend wel.” De waard stond voor hem met één hand op zijn heup en in zijn andere hand een miniatuur versie van de kruisboog die hij zojuist vasthad. “Wat ben jij, jongen? Levensmoe, heel erg zeker van je zaak of een volslagen idioot?” Ravi begreep de man niet. “Je moet wel één van de drie zijn, wil je hier met een zak vol snuisterijen en het meest gezochte artefact van de onderwereld aan je vinger in mijn kroeg binnenlopen.” Ravi verstarde. “Het is al goed, goof. Ik herken een goeie gapper, van een halzensnijder. Al heb je er wel een rommeltje van gemaakt.” De waard doelde op Zwarte Jaap. “Een beetje van alle drie, vrees ik.” antwoordde Ravi. Hij moest van zijn spullen af. Een goede deal zien te sluiten. “En wat wil de waard van de Zatte Zeemeeuw met gezochte glimmertjes?” Hij had de waard aardig ingeschat van die straalde van oor tot oor. “Je hebt geluk of het is je intuïtie. Ik kan je wel afhelpen van je spullen, loop maar mee.” De waard keek niet eens of Ravi wel meeliep en hij besloot maar achter hem aan te lopen. “Bekommer je maar niet om je vriend. Daar helpt onze Moppie je wel van af, net zoals je tas vol glinsterdingetjes.” Ravi vloekte van binnen. Hij had niet eens gemerkt dat zijn tas was gestolen. “Ach, maak je niet druk. Kom verder.” Hij stapte onder de balie van de toog door en liep de keuken in. Er was niemand aan het werk en daar doelde de waard ook op. “Voor de inhoud van de tas kan ik je wat overnachtingen aanbieden en daarbij de volledige bescherming van mijn etablissement.

Niemand zal weten wie je bent en niemand zal weten dat je hier verblijft. Verder kan ik je een buidel met munten geven. Oude, veelgebruikte munten, niet zo nieuw en uniek zoals die in jouw tas.” Ravi keek naar zijn ring. “En de ring?” De waard spuwde op de grond. “Dat ding is vervloekt. De kopstukken van de onderwereld zoeken die ring, die krijg ik aan de straatstenen niet kwijt. Zorg dat je hem minder opzichtig draagt, jonge Raaf.” Ravi schrok. “Ja, je bent in het hol van de Zeemeeuw, zoals we dat graag zelf zeggen. We zijn misschien niet zo groot als jouw Buldog, maar we zijn voldoende georganiseerd om zo aan onze eigen informatie te komen.” Ravi had wel eens eerder van de Meeuw gehoord, maar hij had nooit gedacht dat het zo voor de hand liggend zou zijn als de Zatte Zeemeeuw. “Moppie zal je jouw kamer wijzen, als je zelf geen wensen of vragen meer hebt? Je kunt drie nachten blijven als je je gedraagt. Geen doden meer.” en de waard liep de kroeg weer in. Moppie kwam vrijwel direct de keuken in en trok hem aan zijn mouw. “Meekomen, goof.” Hij hoorde de waard vloeken. “Wat is er?” Ravi zag een bezorgde blik in haar ogen die hij nog niet eerder had gezien. “Vrienden van jouw vriend, hebben hem opgehaald en stellen vragen in de kroeg. Het is niet meer veilig.” Ravi voelde zich alweer bestolen. “Nu al niet meer?! Ik heb een klein fortuin betaald voor een paar nachten veiligheid.” Moppie maande hem tot stilte. “Veiligheid mijn reet. Jij koos ervoor die goof van je te vermoorden in het midden van onze kroeg.” Daar had ze wel een punt. “En nu dan?” Ze twijfelde. “Loop achter me aan, maar je moet snel zijn.” Ravi had geen tijd om te antwoorden want ze sprintte langs hem heen de keuken door. Ravi kon nog net de waard horen zeggen dat er niets te zien was in de keuken toen hij begreep dat het menens was. Hij griste de buidel met geld van de keukentafel, griste een jas van de kapstok en rende achter Moppie aan. Hij zag haar nog net een verscholen achterdeur van de keuken opendoen en door een kier glippen. Ravi versnelde zijn pas en sprong door hetzelfde gat. Snel sloot Moppie de deur en keek behoedzaam om haar heen. “Waar gaan we heen?” hijgde hij opeens.

Hij had toch niet zo veel gerend? Ravi voelde dat zijn blikveld zich vernauwde en plotseling werd hij onwel. “We hebben eerder seconden, dan minuten.” en ze keek hem hoofdschuddend aan. “Oh, oh, oh…” ze wees naar de buitgemaakte buidel en de jas. “Slim en inhalig, de kenmerken van een goede dief.” Ravi grijnsde schouderophalend terwijl hij haar vast greep voor evenwicht. “Ravi… de Raaf, tot… tot uw dienst, vrouwe.” Toen viel hij bewusteloos tegen haar aan. Moppie greep hem met verrassende kracht vast. “Rustig maar, goof, Moppie zorgt wel eventjes voor je. Want jij zorgt ook goed voor Moppie.” Ze opende behendig zijn beurs met een paar vingers, terwijl ze Ravi een steegje in sleepte.

– Hoofdstuk 3: Storm –

Wanneer in volkeren enkel waanzin woont
drijft Deus de continentenstrijd uitéén
hij gebiedt afstand van tirannentronen
en breekt tot mega annum sereen
- Verloren vers, “Volkeren Der Aarde” door Astasius van Langbeek -

Het was muisstil in de bibliotheek tot hij de zware eikenhouten deur krakend open zwaaide. De bibliotheek was een relatief nieuwe ruimte die tegen het kasteel was aangebouwd. Rechthoekig en aan beiden wanden gevuld met boekenkasten die tot twee man hoog reikten. Aan weerskanten was een trap bevestigd aan een metalen constructie, zodat de trap stevig vastgeklemd stond, maar wel te berijden was door de lengte van de kamer. Een vernuftige uitvinding, die door menig kind gebruikt werd als attractie, tot grote ergernis van de aanwezigen volwassenen. In het midden stonden een tiental bureau’s waarvan er één bezaaid lag met boeken en tekstrollen.

Raadsheer Mentoor keek even op van een oud, versleten boek waar hij zich achter leek te verschuilen. De man was het echte stereotype raadsheer. Een tengere, lange oude man, met een witte baard tot aan zijn borst, compleet met borstelige wenkbrauwen en een klein rond brilletje waarin grote ogen huisden.. Diezelfde ogen leken nog tien maal zo groot, door de sterkte van zijn brillenglazen. “Goede morgen, heer” zei Storm, beleefd. Mentoor gromde iets wat leek op een wederzijdse begroeting, maar hij leek al weer weggezonken te zijn in zijn boek. Storm negeerde de raadsheer verder en liep helemaal door tot rechts achterin terwijl hij de trap mee schoof. De laatste keer dat hij hier was had hij een boek gezien over legendes en kleurige boekomslag had hem in zijn dromen bezocht. Het fijne wist hij er niet meer van, maar hij werd wakker met de drang om het boek te zoeken. Storm klom op de trap op tot de helft van de kasthoogte en liet zijn ogen glijden over de kaften en hun titels. Alles stond zo goed als het kon op alfabetische volgorde, al betekende dat enkel de eerste letter van de titel zo werd geordend. De rechterkant bevatte alle titels van de N tot en met Z. Vrachtschepen, Vaandels, Volksgebruiken, volksdansen, Vonken in de smidse, Volkeren der aarde. De laatste was het!

“Volkeren der aarde.” Hij sprak het voorzichtig uit terwijl hij het stoffige boek onder zijn arm klemde en hij de trap af sprong. Het boek was minder kleurig dan hij zich in zijn droom herinnerde. De omslag was, donker, aards gekleurd in tegenstelling tot een bijzondere tekening op de voorzijde. Een man, met vier verschillende armen en benen. Allemaal anders gekleurd en gevormd. Alsof de man bestond uit vier soorten mens, maar samen één was. Boven de man’s hoofd fonkelde een gouden halo; een stralenkrans die een heilige in afbeeldingen omgeeft. De stralen schitterden naar de bovenkant van de omslag, waar een tiental handen uit de wolken wezen naar de bijzondere man. Aangekomen aan een bureau sloeg hij het boek open. “Volkeren der Aarde geschreven door Astasius Langbeek”. Het boek was minstens honderd jaar oud en het was een kopie van een kopie, van een kopie zoals de inleiding vertelde. Hij voelde zijn respect voor de materie groeien, al zou hij zich nooit kunnen wijden aan een taak als kopieschrijver. Eén op één een boek overschrijven in dezelfde stijl als het origineel. Een verschrikkelijk belangrijke zaak, erkende hij. Maar veel saaier, kon een professie niet worden. Storm las verder. “Wees vroom, mens. Want u bent slechts het jongste, aldus het laatste schepsel gecreëerd en geschapen door Deus, de almachtige,de Ene God. De Mensheid is geen superieur ras, getogen uit heldendaden en liefde. Wij zijn niets meer dan de jongste kinderen van de Ene God, wees vroom! De Ene schiep de mens als laatste naar zijn eigen zwaktebeeld, want zijn liefde vloeide voor uit zijn eerste schepping.

Deus creëerde als eerste de Elfir, die de Hoogst Geborenen werden genoemd, geschapen naar zijn evenbeeld. Statig, sterk en schoon. Nadat de Elfir in het Noordwestelijk gedeelte van de aarde waren ontwaakt uit een man en een vrouw trokken zij verder door naar het Noorden, voorbij de Witte Zee. Vele honderden jaren later pas ontwaakten in het verre oosten van de aarde de Mensen. Zij migreerden later ook naar het Noordoosten. Toen de Elfir en de Mensen elkaar ontmoetten werden de mensen door de Elfir het Lagere volk genoemd. Een duidelijke rassenscheiding ontstond, met uitzonderingen daargelaten. Mensen die de Elfir het meest gunstig gezind waren, leefden vele jaren tussen de Elfir en aldus geschiedde een ander volk; het Middenvolk. Een ras met zowel de goedheid van de Elfir evenals de zwakte van de mens. Het middenvolk verliet de Elfir om verder westwaarts te trekken en daar hun eigen koninkrijk te stichten, daar de Elfir erg gesteld waren op hun eigen gebruiken, normen en waarden. Het middenvolk zou uitgroeien tot het grootste volk op aarde, maar de mens verdeelde zich. Een deel van het mensenras kon niet leven met het feit dat zij nooit half of geheel Hoogst Geborenen zouden zijn. Zij weigerden op te trekken met Hoog- of Middengeborenden en verwijderden zich van alle gebruiken ende trokken ver, ver weg van het Mens en de Elfir, Oostwaarts. Zo op zichzelf gericht dat de sluimerende afkeer groeide. Zij trokken diep de groene en ongetemde wildernis in opdat hun geest, alsmede hun uiterlijk versmolten met de natuur. Hun uiterlijk verandere van de andere vokeren. Hun huid vertoonde groenige schutkleuren en hun bouw veranderde ongekend musculair. Hun kaken dierlijk benig en tanden gehoekt als sabels. Zij werden het Laagste Volk of Gorgûn genoemd. Deus, de Ene god sprak tot de Hoogst Geborenen toen zij het Laagste Volk leerden kennen en hij gaf toe, dat het zijn hand was die de Gorgûn geschapen had.

Woedend besloten de Elfir zich te ontzien van hun God en vertrokken uit het zicht van hun schepper. Deus erkende dat er te veel verschillen waren tussen de rassen die ontstonden en hij besloot Lagere Goden te scheppen, voor hulp en deze voor ieder ras toegankelijk. De Ene God schiep tien Lage Goden gelijk het aantal vingers aan zijn handen. Zo schiep hij de volgende Goden. Diligitis, de Godin van de Liefde. Artis, de God van de Handel en Winst. Aequor, de God van de Zee. Beatitudinem, de Godin van het Geluk. Fertilitatis, de Godin van de Natuur en Vruchtbaarheid. En Bellum, de God van de Oorlog.

De andere vier Goden zijn onbekend gebleven en doen hun werk zonder dat wij, het middenvolk van hun bestaan afweten. Maar mensen blijven dwaas en creeren eigen waanbeelden, die zij later tot de vier ontbrekende goden hebben gekroond. Men durft alleen maar te gissen of er werkelijk een God van de Magie, God van de Dood, God van de Dieven en een God van de Onderwereld zijn geschapen. De mens noemde hen Magicae, Mortem, Fures en Inferis. En waar namen geschonken worden, begint een leven.

Men denkt dat, zoals wij de Goden vragen om ons te zegenen voor Liefde, de andere Goden worden gesmeekt om hen niet te zegenen. De Zes, zoals wij hen noemen kwamen in beraad en zij vroegen de Ene God om de volkeren te scheiden. Dit zodat ieder volk apart in vrede kon leven. Dues ging akkoord, want hij zag dat de drie volkeren niet met elkaar kon leven. De Elfir wilde hun rust, de Mens wilde meer leefruimte en de Gorgûn wilde overheersen. De Ene God gebruikte zijn kracht nogmaals en bewoog het land, hij spleet de aarde en liet Aequor de gaten vullen met zijn water.

De Hoogst Geborenen kregen een continent in het Noordwesten van de aarde. Afgescheiden van de andere volkeren, door zee en door aarde. Zij kregen toestemming om zich te mogen verplaatsen waar zij wensten zonder enig kwaad te doen. Het Middenvolk kreeg het middendeel van de aarde toegewezen. Zij kregen toestemming om zich te uit te breiden in vele volkeren over het gehele midden deel van de aarde. Deus spleet het middendeel van de aarde in vele kleinere eilanden en schiep zo Mid Aarde. Maar het Middenvolk mocht niet zonder toestemming zich verspreiden tot de rest van de wereld en het continent van de Hoogst geborenen. Ook kregen zij de waarschuwing zich niet te verspreiden tot de aarde van het Lage volk. Want dit volk werd verbannen tot het meest zuidelijke deel van de aarde en afgescheiden door zeeën en aarde. Het Lage volk zou zowel goed als kwaad kennen, maar zich niet mogen mengen tot andere volken daar het kwaad, kwader was dan bij de andere volken, zo staat geschreven. De Ene god richtte zich enkel op de Hoogst Geborene en gaf hen middelen van magie en een lang leven om hen tot hoeders te maken van de Hoge Aarde. Het Middenvolk viel in de smaak bij de zes lagere Goden. Hij gaf hun volk beperkte toegang tot magie of ontnam het hen geheel, daar zij er misbruik van konden maken. Het volk werd niet gezegend met een lang leven, maar een gemiddeld lang leven en de belofte hen bij te staan. Het middenvolk werden de hoeders van Mid aarde. De Ene God sprak af te assisteren wanneer dit nodig mocht blijken. Ook zei hij sommige hoeders van Mid aarde magie te verlenen alsmede een lang leven wanneer hij dit nodig achtte. De Laagst Geborenen viel in de smaak bij de vier onbekende goden. Wij weten niet of zij beschikken over magie en een lang leven, de Gorgûn is net zoals de vier goden onbekend gebleven.

Storm klapte het boek dicht en hij zuchtte. Vaker had hij gehoord over de schepping, maar het nu te lezen met zoveel uitgebreide informatie dat bracht meer vragen bij hem op dan antwoorden. De zucht was niet ongehoord gebleven en hij hoorde Mentoor zijn boek sluiten. “Meer vragen dan antwoorden, neem ik aan?”

“U mag niet meer raden, raadsheer.”

“Ik denk dat een ieder die dat boek leest er zo over denkt, jongeman.” Hij knikte wat afwezig, nog in gedachten toen het doordrong. “U ook?” De man glimlachte. “Ook een raadsheer heeft raad nodig.” En dat kon Storm alleen maar beamen. “Mag ik u wat vragen stellen?” “Voor zover het in mijn macht te antwoorden.” Storm nam het boek onder zijn arm en sprinte naar het bureau van de raadsheer.

“Betekent dit dat wij het volk van Mid Aarde zijn en dat er ook nog Elfir en andere slechtere volken leven?” De raadsheer lachte om het enthousiasme van de jongen. “Dat hoop ik wel jongeman, anders zijn wij het Lage Volk. Zeker geen Elfir anders leefden we langer en konden wij magie gebruiken.” Zo had Storm er nog niet over nagedacht. “Wij denken al heel lang dat wij het Midden Volk zijn, zoals er al tempels bestaan voor de Zes, dunkt mij.” “Maar wij hebben ook tempels voor de Ene God” Mentoor knikte. “Ja dat klopt, omdat we toch hopen dat hij af en toe over ons waakt, zoals je las.” Storm dacht na. “Maar dat zou betekenen dat sommige van ons op Mid Aarde een heel lang leven hebben en magie kunnen gebruiken.” Mentoor ging staan. “Dat denk ik wel, jonge man. Maar denk je niet dat als iemand magie gebruikt en dit wordt opgemerkt door de Rode Orde, hij niet direct wordt verbrand als heks of heksenmeester.” Storm polste de oude man. “Ja, dat denk ik wel, dus u denkt dat ze er wel zijn maar zich verborgen houden?”

“Niet per se verborgen, maar hun talenten, die houden ze verborgen. En het dunkt mij dat als ze heel erg lang leven ze niet op één plaats kunnen blijven. Denk je niet?” Soms kon een antwoord zo logisch klinken dat de vraag opeens dom leek. “Ja, dat denk ik ook.” Antwoordde storm. “Waarom is de Rode Orde tegen magie?” Meteen bedacht hij of de Raadsheer geen heksenmeester kon zijn. Hij kleedde zich als één, dacht hij. Een toga, een witte baard, precies een magiër. Waarschijnlijk zag Mentoor de gelaatsuitdrukking van Storm veranderen. “Als je denkt dat ik een magiër ben, Storm. Dan zit je fout. Ik ben bovendien hier geboren. Zoals de meeste ouderen in Rhoden wel weten. En als ik magie kon gebruiken, had ik je allang in een kikker verandert.” Storm’s gezichtsuitdrukking veranderde. Mentoor proestte het uit. “Laat je niet beetnemen, jongen.” Geen magiër, wel een oude dwaas dacht Storm. “De Rode Orde handelt vanuit angst, jongen. Ze zijn bang voor magie en roeien alles uit waarvoor ze bang zijn.”

“Stom, toch? Om alles dood te maken waar je bang voor bent?” Mentoor knikte. “Zeker, Storm. Maar als jij een poema tegen het lijf zou lopen in de bossen, zou je het dan afschieten?” Storm dacht na. “Ja.” Hij haalde zijn schouders enigszins machteloos op. “Ik begrijp waar u naartoe wilt. Ik zou het doden, omdat ik er bang voor zou zijn.” Mentoor antwoordde niet, maar knipoogde alleen maar en verstopte zich weer achter zijn boek. Storm verbleef de gehele dag met zijn neus tussen de boeken, onderwijl de oude raadsheer hem bijstond met kennis en nieuwe vraagstukken. Met een hoofd vol verhalen, kennis en antwoorden liep hij tegen het vallen van de avond de keuken binnen.


Jeroen Cornelis: Beste lezers! We gaan verder met Ravi en zijn avontuur. Tenminste, een klein stukje. Want zoals bij veel boeken voorkomt, springen van we van de spanning van het ene hoofdstuk en personage, zo maar naar een nieuw hoofdstuk en een ander personage. Hoe ervaar je dat? In hoofdstuk 3 van mijn manuscript (deel zes op FW) nemen we een duik in het ontstaan van de wereld waarin Storm leeft. We leren meer over Goden, lagere Goden en de volkeren. Ik ben benieuwd naar jullie mening. Volgen jullie de uitleg die Storm geeft uit het boek? Wekt het je interesse, ook na de schakeling van de spanning van het ene hoofdstuk naar de ander? Bedankt voor het lezen! Groetjes Jeroen

2 REACTIES

  1. Jeroen ik vind het een goede tactiek om van Ravi’s avontuur direct over te schakelen naar Storm houdt er lekker de spanning in.Leuk vers trouwens in het begin van hoofdstuk drie.De uitleg over het ontstaan van de wereld de Goden en de volkeren in het boek dat Storm leest is boeiend en leerrijk. De Elfir doen me zelfs een beetje aan elfen denken.Het is mooi om te zien hoe je verhaal groeit.Groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here