We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1, deel 2, deel 3 en deel 4. Deze week het vijfde deel.


– Hoofdstuk 2: Ravi –

In het holst der donkere pracht
waar schimmige schaduwen schuilen
daar danst Fures steels haar nimmernacht
tot troosteloos beurzen huilen
- 4e couplet, “Lied der Dieven” door Jon Secretum -

Aan de andere kant van het continent, tegen de eilanden provincie Sombrië en als we dan toch geografisch gedetailleerd zijn; in het havenplaatsje Durum, was het heerlijk weer. Een zwoele zomeravond voor de hoerenlopers, die hun ogen uitkeken naar de normaliter al schaars geklede dames van lichte zede, die nu werkelijk half naakt door steegjes paradeerden. Een zwoele zomeravond voor de restauranthouders, die hun tafels en stoelen buiten op hun terras hadden geplaatst om hun gasten iets meer verfrissing te bieden, naast de met water aangelengde verfrissing die ze uit de tap schonken. Een zwoele zomeravond voor de zakkenrollertjes die makkelijke prooien vonden in de toeristen, die met dit weer geen jassen en tassen met vele zakken droegen, maar dikke geldbuidels, opvallend aan een riem of in een linnen broekzak. Een heerlijke zwoele zomeravond voor de smokkelaars, die dit jaargetijde geen kou en storm moesten trotseren, maar kalm tijdens de schemering de stad binnenvoeren met de benen nonchalant in het water en een snuifje hier en daar, van hun eigen handelswaar. Kortom een heerlijke zomeravond voor Durum en haar twintigduizend inwoners.


Eerlijkerwijs was niet iedereen betovert door het zomerse weer. Min of meer verscholen, bevond zich een jonge dief in de rokerige gelagkamer van de Zatte Zeemeeuw. Het uithangbord van de kroeg sierde ooit trots het portret van een beschonken zeemeeuw die pardoes tegen het bord aanvloog. Nu, aangetast door de tand des tijds en het lakse onderhoud van de eigenaar, was het bord vervallen en kaal. De naam van de taveerne bleef echter wel hangen, figuurlijk gesproken dan. Achterin de Zatte Zeemeeuw, in een donker hoekje van een duistere tent, nam de jonge dief nog een teug van zijn kroes bier. Althans, zo leek het. Zou je beter kijken, dan zou je zien dat de dief de drank niet opdronk. Niet alles, in ieder geval. Nee, hij moest nuchter blijven. Al had hij dat graag anders gezien. De dief poetste behoedzaam zijn messen. Niet dat ze echt vies waren, of slecht onderhouden. Het was een gewoonte geworden, een werkje dat hij uitvoerde terwijl hij de ruimte goed in de gaten hield. Met een leren doek en een wedsteen sleep en wreef hij een lang werpmes tot hij scherper was, dan hij glom. Deze dief verwachte bezoek. De jongen, niet meer dan twintig zomers oud, voelde een naderende spanning. Iets onheilspellends, dat wel. Maar hij kon niet weten dat deze avond, dit bezoek, het kruispunt was van de wegen die zijn lot zouden bezegelen. Alle wegen stonden nog open, maar hoe langer hij zou wachten, des te minder routes er overbleven.

“Nog een biertje, goof?” een jong, blond serveerstertje met rode wangen probeerde hem zo nonchalant mogelijk een nieuw drankje te verkopen. Terwijl een paar dronkaards aan de tafel tegenover een prachtige inkijk kregen in alles wat de serveerster nog meer te bieden had. “Goof?” vroeg de jonge dief. “Is dat nieuw, hier?” Hier, dat was Durum. Een ruwe kustplaats, waar het havengebied nog ruwer was. “Wat had je dan verwacht, cliënt? Is dat beter, heer? Of liever een passende term voor een boef zoals jij? Jatteneur, knakker, knul, peer of pief?” De dief lachte, hij mocht dit meisje wel. “Als ik nou eens gewoon mijn naam geef, mop. Dat maakt het toch een stuk gezelliger, vindt je niet?” Hij knipoogde naar het dienstertje, die schijnbaar toch nog rodere wangen kon krijgen. “Jij komt hier niet vandaan, he?” Hij stak zijn hand uit. “Ravi, jonge dame, tot uw beschikking.” Hij wachtte eventjes, tot ze zijn hand wilde pakken en trok haar hand naar zich toe, zodat ze haar evenwicht verloor en bij hem op schoot viel. Hij reageer zogenaamd erg ontdaan. ”Nou, nou, jonge dame. Je geeft ze een vinger…” Ze wilde direct opstaan, maar bedacht zich eventjes en of dat nu kwam door de bemoedigende blik van de waard achter de toonbank, die vast nog wat extra bier wilde verkopen, of dat het de charmes waren van Ravi de Raaf, jongste volledig lid en meesterdief van het Nieuwpoortse dievengilde de Buldog, kwam. Dat maakte niet uit. “Ze noemen me, moppie” zei ze. Hoe kon het ook anders. “Ik kom inderdaad niet van hier. Nieuwpoort.” Ze leek direct geïnteresseerd. Wat hem deed herinneren dat hij hier helemaal niet was om nieuwe vrienden te maken, tenminste niet met het dienstertje van de Zatte Zeemeeuw. “Doe nog maar een kroes, moppie en maak het een volle.” Hij knipoogde weer en stopte haar een extra koperstuk toe, verkleurd maar echt. Ravi wierp snel een blik op de tas onder zijn stoel. Hij stond er nog.

In die lederen tas bevonden zich een aantal waardevolle artikelen die hij buit gemaakt had op één van zijn missies voor de Bulldog. Deze bende uit Nieuwpoort was zijn thuis, al sinds dat hij een klein jochie was. Al vlak nadat hij op zijn eigen benen kon staan werd hij opgenomen binnen de bende om samen met de straatschoffies op te groeien binnen de ranken als zakkenrollertje voor de Bulldog. Hij was de bende en zijn leiders dankbaar, tot op zekere hoogte, want het leven binnen een straatbende was niet gemakkelijk. Harde lessen als je ondermaats presteerde en het inpikken van je buit als je bovenmaats presteerde, of naast je schoenen liep. Natuurlijk leverde het ook een zekere status en onderdak op, soms als het meezat een goed gevulde maag. Alleen deze keer niet. Ravi had door zijn laatste successen een lastige missie toegewezen gekregen. Een missie die hem bij succes een nieuwe status binnen de Buldog zou opleveren als luitenant. Het was een moeilijke opdracht, een inbraak in één van de schatkamers van het paleis. Zwaarbewaakt, een onmogelijk te kraken slot en een tijdspanne van twee dagen, want de missie betrof een zogenaamd magisch artefact dat de Buldog moest afleveren bij een handelaar die liever anoniem wenste te blijven. Magie, dat was je reinste lulkoek, maar een handelaar die anoniem wilde blijven voor een niet te kraken klus. Als daar je alarmbellen niet van gingen rinkelen, dan was je niet goed snik. Een missie die beleefd geweigerd werd door diverse jatteneurs. Diezelfde missie die Ravi de Raaf uit Nieuwpoort natuurlijk niet kon weigeren.


En daar hing hij, nog geen twee dagen geleden. Een bries waaide hem wat koelte toe terwijl hij ondersteboven onder een kar geklemd hing. Een aangename bries die hem het zweten even deed vergeten. Zijn rapier, Ravi’s wapen naar keuze, was met een dubbel tuig om zijn been en heup gemaakt zodat het wapen met zijn lichaam meebewoog en niet, nu dan, tegen de grond sleepte. Ravi had de rapier als zijn handelsmerk gemaakt, een opvallend wapen dat vaker door de rijke burgerij werd gebruikt vanwege de sierlijkheid en het lichte gewicht. Daarom vond hij het wapen juist zo fijn. Niet perse dat het zo licht van gewicht was, maar dat het eigenlijk niet paste bij een gapper uit Nieuwpoort zoals hij. Maar iedereen die de vergissing maakte en de Raaf en zijn rapier uitdaagde eindigde altijd met en jaap her en der en met wat kleerscheuren.

Zijn middellange ravenzwarte haren plakte tegen zijn gezicht en aan zijn gesproette neus, die wat scheef stond door wat breuken dankzij het bendeleven, hing een zweetdruppel die enorm jeukte. Knap was hij niet. Al omschreven de meeste vrouwen hem als ondeugend, tuig of fout, terwijl ze dikwijls om hem heen hingen als vliegen bij een stroopval. Ze bleven maar plakken. Het was zijn uitstraling, zijn allure en zijn vlotte babbel die ervoor zorgde dat hij met voldoende wegkwam, of er voldoende uitsleepte.

De kar waaronder hij hing werd voortgetrokken door een langhoornos, die moeizaam sloffend de zware vracht tilde. Boven op de bok zat een jatteneur van de Buldog, een dame luisterend naar de naam July. Zoals de maand, maar minder droog. Althans, dat zei ze zelf. “Laat me binnen, op last van de regent!” Riep ze naar de paleispoort. Het duurde een aantal minuten tot er een luikje open ging. “Wie is daar en wat moet je?” July reageerde zogenaamd ontdaan. “Nou, nou. Lekker enthousiast voor een soldaat die zijn welverdiende borrel geleverd krijgt.” Dat hoefde de soldaat geen twee keer te zeggen. De poort ging open. “Weet je hoe lang wij al zonder fatsoenlijke borrel zitten?” Ze schudde haar hoofd. “De twee laatste lichtingen zijn twee dorpen verder op overvallen door schorem van één of andere bende.” Ze sprong van de bok, sloeg een zeil opzij en liet een paar vaten drank zien. “Nou, hier lijkt helemaal niets mis mee. Je mag best proeven als je me niet geloofd?” Ravi kon het niet laten om te glimlachen vanonder de kar. “Een klein slokje, jongedame. Om te testen.” July beaamde het. “Uiteraard, meneer. Om te testen.” Ze pakte een houten mok, schijnbaar uit het niets en liet de mok vol stromen met een sterke honingachtige drank. De soldaat rook. “Is het weer mede?” Ze knikte. “Vlierbloesem mede, lang gerijpt en sterk en kruidig op de tong. Niet voor de poes.” De soldaat kiepte de mok achterover en klopte zich proestend op de borst. “Dat is weer even wennen” kuchte hij tevreden. “Laat de kar maar hier staan, wij zorgen wel voor de rest.” July maakte zoals afgesproken wat kortstondige bezwaren en liet zich de kar met mede afnemen. De deur sloot met harde klap en de soldaten wisten niet hoe gauw ze een ton mede naar een eigen barak moesten slepen.

Ravi was ondertussen onder de kar vandaan gekropen en de paleismuur boven de barakken opgeklommen. Als geboren en getogen straatschoffie had hij menig dak beklommen, maar een paleismuur was net even wat anders. Al was er bij ieder modern kasteel altijd wel één of meerdere brand routes ontworpen. Onopvallende inkepingen in stenen, groot genoeg om een voet en een hand in te krijgen, maar klein genoeg om niet op te vallen. Typisch een geval van; als je het eenmaal weet, dan zie je ze overal. Natuurlijk was de architect niet zo dom geweest om de brand route loodrecht naar de vertrekken van de regent te leiden, maar na een klim van een half uur kon hij zijn schat al ruiken. Ravi had duidelijke aanwijzingen gekregen dat het artefact zich bevond binnen een persoonlijke schatkamer van de regent, zwaarbewaakt binnenin de slaapvertrekken van zijne excellentie. Hij mocht alles wat hij kon dragen meestelen, maar als hij zonder artefact terugkwam zouden ze hem zijn levenslang opjagen als een wilde hond. Vriendelijke jongens, die Bulldogs.

Het paleis was één van de grootste ter wereld en één van de drukst bezochte bezienswaardigheden van het binnenland van Sombrië. Door de bevolking werd vaak van het paleis van Sombrië gesproken. Terwijl het meer een kasteel was, dan een paleis. Men sprak namelijk van een kasteel als het gebouwd werd aan het platteland. Het paleis van de regent lag van oorsprong ook op het platteland en de stad is later om het kasteel heen gebouwd en zo door de verbouwingen de allure van een paleis kreeg. In 624 werd bij het dorp Haven een jachtslot van rode baksteen en zandsteen voor regent Louis du Mark XIII opgetrokken. Zijn zoon Louis XIV breidde het uit tot een reusachtig bouwwerk in een achthonderd hectare groot domein. De eerste architect was Lodewijk Vie. In 680, onder leiding van een andere architect werd het kasteel enorm vergroot. Het paleis van de regent, nu een zoveelste Louis – Ravi was de tel kwijtgeraakt- was zeer bekend om zijn weelderige hoffeesten en strenge protocol; het is daarom het symbool bij uitstek voor het strenge maar excentrieke regime van de regent. Het paleis bezat honderd appartementen en dubbel zoveel losse kamers voor één persoon. Men schat dat er dagelijks tussen de 3000 en 10.000 hovelingen in het paleis verbleven, de ene uit nieuwsgierigheid, de andere uit relationele motieven, maar de meeste om hun brood te verdienen. Van al deze weelde en groteske gebouwen, was ergens een schatkamer verstopt in de vertrekken van de regent. Ravi keek naar beneden terwijl hij balanceerde van muur naar embrasure, waar hij zich even schuilhield voor een wachtlopende soldaat. Bij sommige wachters moest hij geduld hebben, zich schuilhouden in de schaduw en de ander lag weg te dommelen in de warme avondzon. Twee keer stond hij met een werpmes in de aanslag klaar om zo nodig de wacht te doden, hoeveel heibel het ook zou geven. Maar keer op keer leek hij geluk te hebben. Ravi klom een laatste dakrand op en liet zich aan de andere kant van het dak door het raam, de kamer van de regent binnensluipen. Hij keek eerst over de rand van het balkon de kamer binnen. Zwaar bewaakt? Hij zag één wacht… Dat was vreemd.

Hij bond een touw dat hij om zijn middel had geknoopt met één eind vast aan de stenen balkon spijlen van de kamer en de andere kant aan zijn riem en aan zijn middel. Veiligheid was alles in dit vak. Als een kat met fluwelen poten sprong hij over de balustrade en landde hij op de tippen van zijn voeten. Hij had bij toeval het juiste raam gekozen, want de bewaker die bij het raam aan de andere kant van de kamer stond, vergaapte zich onoplettend aan het uitzicht. De wacht hoorde een vliegend gezoem, voelde een harde klap en een brandende pijn in zijn nek waar een het werpmes van Ravi uitstak. De man draaide zijn hoofd en keek met grote verbazing Ravi aan, waarna hij het bewustzijn verloor. Voordat de bewaker de grond raakte, had het leven hem al verlaten. Ravi ervoer geen genot bij het moorden, maar heel lang geleden had hij bewust de keus gemaakt na een belangrijke les. Niemand zou zich ooit bekommeren om Ravi de Raaf, dief uit de sloppenwijken van Nieuwpoort. De bewaker zou hem zonder aarzeling hebben gedood en voor Ravi was het ook in zekere zin een leven of dood situatie, al beheerste hij de situatie hier. Hij pakte zijn mes terug en veegde het schoon aan een lederen lap en plaatste het terug in de vakjes in de binnenzak van zijn vest. Eén, twee, drie, vier… Hij miste een mes… Het was niet anders. Geen tijd om zich te bekommeren om verloren goederen. Hij moest verder. Hij rolde de zakken van de bewaker op wat munten en een bos sleutels en hij liep de kamer van de regent verder in. Het touw dat als zekering diende kreeg hij niet los en hij besloot het later los te snijden als hij een verdieping lager was, al moest hij het nu achter zich aanslepen. Het domein van de regent was gigantisch. Hoe hoog ze ook waren in de paleistorens, des te schokkender was de enorme kamer, die grenst aan diverse kamers met in het midden een enorm hemelbed. Nu pas merkte Ravi op dat er een gedaante lag op het hemelbed. Was het de regent? Ravi grimaste. Hoe bizar was het dat hij als inbreker nu door de slaapvertrekken van de regent liep die gewoon een dutje deed in de namiddag. De machtigste man van het rijk. Zou hij snurken? Nieuwsgierig als Ravi was, dwong hij zich te richten op de kern van de zaak: de kluis. Hij sloop langs het slaapvertrek van de regent en verwonderde zich hoe gemakkelijk het hem tot nu toe afging. Afkloppen, Ravi, dacht hij.

De kamer van de regent was prachtig. De inrichting was strak, bijna zakelijk. Met een bureau, een tweetal bankstellen waar de regent waarschijnlijk zijn gasten ontving en een enorme rij van boekenkasten die tot de nok toe gevuld waren. Zou de regent alle boeken gelezen hebben? Het klonk als een tijdrovende klus, maar misschien was de regent beter in de letterkunde dan hij. Ravi kon wel wat lezen, dat wel. Zaken die er toe deden, maar hij was nooit als kind onderwezen. De kluis van de regent was geen geheim. Niets verscholen, niets geheime deuren of sloten. Enkel een enorme, zware kluis, ingebouwd in een muur. Ravi betaste het staal. Hoe ze ooit dit ding hier naar boven hadden getild was hem een raadsel. Het slot was geen standaard slot, een twee sleutelslot. Eén sleutel zou zich vast hier ergens in de ruimte bevinden. Wellicht in het laatje van het bureau en de ander waarschijnlijk om de nek van de regent. Of aan een sleutelbos die hij altijd bij zich droeg. Het maakte Ravi niet uit. Hij was zonder op te scheppen één van de beste slotenbrekers van de regio. Tenminste als hij zijn mede jatteneurs moest geloven. Ravi droeg een bosje met slotenpikgereedschap bij zich dat hij al jaren met veel ziel en zaligheid onderhield, want het had hem al uit veel penibele situaties gered. Voor een tweesleutelslot had je minstens drie pennen nodig om het slot open te krijgen. Twee om de draai van de sleutels te imiteren en een derde om de juiste tandwieltjes te laten bewegen bij de juiste spanning en buiging. Zou je geen meester in het slotenpikken zijn, dan was dit met recht een uitdaging. Ravi besloot het lot niet te tarten en liet de regent waar hij lag. Hij sloop naar de kluis en begon zijn klus. Omdat er met twee sleutels tegelijk geopend moest worden om een deur te openen, moest hij met in zijn ene hand een pen het slot forceerden tot er een cilinder bewoog, in zijn andere hand een tweede pen om het slot openen. Daarnaast stuurde een derde pen aan die hij tussen zijn tanden geklemd hield, zodat alles exact in de juiste positie bleef steken. Een frustrerend kat en muisspel waar engelengeduld voor nodig was. Al na een paar minuten stond het zweet op zijn voorhoofd terwijl hij minuscuul, aftastend te werk ging, met de flinterdunne pennen die een verlengstuk van zijn vingertoppen leken,. Zo voelde hij het mechanisme langzaam bewegen tot het weggleed.. Klik! Dat was het tweede slot dat opende en met zijn voet duwde hij de kluis op een kiertje zodat hij zijn inbrekersspullen kon opbergen. De deur was loodzwaar en ging langzaam, alsof iets tegenwerkte, open; Ravi keek eerst over zijn schouder. De gedaante in het bed bewoog niet. Hij keek om zich heen en nam eigenlijk voor het eerst de kamer secuur door. Maar één bewaker… Beide ramen open, geen traliewerk voor de ramen. Alle kamerdeuren stonden op een kier… Nee… Hij moest geen doorgestoken kaarten zien waar ze niet waren.

De kluis was dicht en het had hem zeker een kwart uur gekost om de kluis te kraken. Ravi liet alle waarschuwingen die hem het raam zouden moeten uitjagen varen en duwde de kluis verder open. De berg met goud was overweldigend. De jonge dief had nog nooit zo veel goud bij elkaar gezien. Het moesten duizenden munten zijn. Goudstaven, zilveren bokalen, juwelen met edelstenen. De rijkdom die altijd ongrijpbaar was, lag nu hier voor het grijpen. En dan te bedenken dat dit enkel de privékluis was van de regent zelf. Hij scande de kluis voor het artefact en zag het in een hoek op een verhoging staan. Een stenen hand met gespreide vingers diende als juwelenstandaard, maar alle vingers waren leeg behalve de ringvinger. Daar ringde een zware witgouden ring met een grote roden opaal en een aantal kleinere edelstenen eromheen. Precies zoals de generaal, Marsha, leider van de Bulldog, had beschreven. “Een ring die je stoutste dromen zal overtreffen. Wit goud, met een enorme rode steen in het midden, omringd door kleine steentjes. Die motten we hebben, Ravi. Denk erom, alleen de ring. De rest mag jij hebben.” Met een paar stappen was hij bij het standaard en ontdeed de hand van de ring die hij direct om zijn eigen vinger schoof. Zo kon hij de ring in ieder geval niet kwijtraken. Ravi opende drie geldbuidels en vulde ze met munten, kleine sieraden en edelstenen. Niet te zwaar en veel van waarde. Hij keek nog één keer of hij iets over het hoofd had gezien. Een gouden dolk! Ach, waarom niet. Hij stal een met edelstenen bezette dolk met gesp en al en bond de buidels op zijn lichaam. Hij vervloekte zichzelf dat hij geen rugtas had meegenomen, de rijkdom die hij hier had gezien zou hij nooit weer zien. Dat wist hij zeker. Maar de jonge dief mocht niet klagen. Hij had een klein fortuin in zijn buidels, hij propte nog wat in zijn schoenen en zijn ondergoed. Daarbij wist hij nog niet hoe rijkelijk hij beloond zou worden voor de ring. Ravi sloop de kamer door en was midden in zijn mijmering over het verstoppen van zijn buidels en het geheimhouden van zijn snuisterijen, toen hij schrok van een geur. Een geur die hij eerder niet had opgemerkt omdat hij handig werd gemaskeerd door zoete oliën. Het was een geur die iedere man of vrouw van de straat herkende. Het was de geur van de dood.

De lucht sloeg hem voor zijn oren, het was zo overdadig aanwezig dat hij zichzelf hardop vervloekte dat hij dit niet eerder had opgemerkt. Hij was misleid door zijn hebzucht. Hij rende naar het bed van de regent, sloeg de deken open en bedekte direct zijn mond. De man die in bed lag was dood. En of het de regent was of niet, dat kon hij niet zien door de door de bood betaste uitdrukking op het gezicht. Het lijk was wat bleek met blauwe bloeduitstortingen. Er was een gevecht geweest met een verse wond in zijn nek. Duidelijk later toegebracht met… “Bij de zes Goden nog aan toe” Hoe kon het ook anders: Ravi’s missende werpmes! Zijn gedachten tolden door zijn hoofd. Hij was belazerd! Ze wilde hem uit de Bulldog, erger nog, ze wilden hem op heterdaad betrapt laten worden van de moord op de regent. Hij moest hier weg! Ravi wilde zijn mes lostrekken, maar het zat onmenselijk vast. Hij vloekte. Omdat hij niet aan het smerige lijk wilde blijven trekken liet hij het mes los en zocht de snelste route hiervandaan. Weg van het lijk, weg van de val. Een raam had er nog nooit zo mooi uitgezien. Hij checkte zijn buidels, zijn gesp en toen brak de deur in spaanders open. Het hout vloog hem langs zijn oren en soldaten drongen de ruimte binnen. “Halt, moordenaar!” Ze hadden het lijk nog niet eens kunnen zien en ze riepen al moordenaar. Ravi bedacht zich geen moment, hij nam een aanloop richting de soldaten, trok zijn vier werpmessen en wierp ze al rennend in één hand richting de soldaten. Drie troffen doel, waarvan er twee in het harnas van de soldaten bleven steken en één in een dijbeen. De soldaat kermde het uit van de pijn en dat was precies wat Ravi nodig had: afleiding. Hij maakte een schijnbeweging en liep van de groep soldaten, recht op het balkon af, sprong omhoog, zette zich af met één voet op de balustrade en sprong naar beneden. Heel even bleven de soldaten met open monden kijken tot één van hen wees op het touw. “Hij ontsnapt! Grijp het touw!” Het touw dat Ravi als zekering had vastgeslagen om zijn middel en om de spijlen van het balkon waren nu zijn redding. Hij dook naar beneden tot de klap van het strakgetrokken touw met tegenhield. Hij proestte van de kracht die op zijn middel werd uitgeoefend en verloor bijna het bewustzijn toen hij tegen de paleismuur van twee verdiepingen beneden botste. Ravi vocht tegen de sterretjes en dankte de Goden om zijn hebzucht. Hij pakte de gouden dolk en sneed het touw door, waardoor hij zeker vijf minuten voorsprong had gekregen. Tenminste dat dacht hij. Twee soldaten schreeuwden uit het raam boven hem dat er een moordenaar was ontsnapt. Ravi wist dat onopvallend klimmen langs de kasteelmuur geen optie meer was en hij bekeek in paniek zijn mogelijkheden. Nergens water te bekennen, geen vijver. Geen vlaggenmasten om langs te glijden, niets. Opeens zag hij het, een hooischuur of ieder geval iets dat er op leek. Een stal waar wat paarden stonden met een schamel dak en hopelijk voldoende stro om zijn val te breken. Hij kon niet anders. “Daar! Ik zie hem!” Een kruisboogschicht suisde langs zijn been, een klein gat achterlatend in muur. Hij wachtte geen seconde langer of de schietkunsten zouden verbeteren, bad tot de God der Dieven en sprong zijn wanhoop tegemoet.

De val leek lang te duren, zo lang… Hij overzag opeens alles. De soldaten, de stal met het schamele dak, met vlakbij de poort. Zijn val was alles behalve zacht. De munten en edelstenen die hij als gulzige hals in zijn ondergoed had verstopt, sloegen hem nu in zijn eigen edelstenen. Hij vloekte toen hij met zijn rug op het dak terecht kwam van de stal. Het dak was zeker brak, maar niet rot genoeg om in één keer door te breken. Pas toen hij versuft wilde opstaan zakte hij erdoor. Geluk was aan zijn zijde, want hij landde precies in een hooibaal waardoor hij naar de staldeur tuimelde. Zijn hele lichaam deed pijn, maar hij moest door. Ravi stond op en hoorde stemmen van soldaten. Ze zochten hem. Alsof het beest tegen hem praatte, brieste een paard aanvallend naar hem. Ravi herkende de Destriër. Dit paardenras uit Destrië, een ontembaar gebied, met moeilijk tembaret paarden werd jarenlang opgeleid en kostte een klein vermogen. Hij was toch al bont en blauw, dus wat bijtwonden riskeerde hij maar. “Zin om te rijden, strijdros?” sprak hij zichzelf meer moed in dan hij het paard een vraag stelde. Ravi klom behendig op de rug van de hengst en schopte de hendel van het hok open. Een seconde verklaarde hij zichzelf voor gek, toen hij als een oorlogsheld de stal uit galoppeerde. Kruisboogschichten vlogen om zijn oren en edelstenen prikte hem in zijn edele delen en zijn voeten, maar hij aanvaarde het allemaal. Soldaten sprongen uit de weg en Ravi voelde zich geweldig. Hij galoppeerde op de paleispoort af, niet wetend hoe hij het er vanaf zou brengen. Er doorheen maar, bedacht hij zich. Hij maakte meer vaart en negeerde alles wat er om zich heen gebeurde. Tot een schicht zijn rechterbeen schampte. Zijn vel lag volledig open en hij voelde dat er bot op zijn scheen bloot lag. Ravi schreeuwde kort, maar hevig. Paniek betekende de dood. Geconcentreerd klemde hij zijn hoofd dicht tegen de hals van de hengst om zich een kleiner doelwit te maken. De paleispoort naderde. Hier hield het avontuur op. Nee! Nee, dat kon niet. Hij stuurde het paard richting de scharnieren op de poort en drukte zich in het zadel. “Je kan het, verdomme!” Heel even voelde hij zich één met de Destriër. “Hijaaa!” spoorde hij de strijdros aan en toen reed hij frontaal tegen de paleispoort aan. De klap was overweldigend, maar het beest gaf geen kik. Tweeduizend pond dreunde door de zwakste schakels van de poort die krakend zijn meerdere erkende in de oorlogsros. Ravi vloog door de klap van het paard af en belandde enkele meters verder op onzacht op de kinderkopjes. De hengst brieste wild en liep onrustig rondjes over de binnenplaats terwijl Ravi versuft de bescherming opzocht van de nauwe straten van Durum.

“Kijk eens, goof” er werd een kroes bier voor zijn neus gezet. Inderdaad tot aan de nok toe vol. “Je bent een engel, moppie.“ Ze knipoogde en ze kwam iets dichterbij. “Zie je die goof daar rechtsachter?” fluisterden haar volle lippen. Ravi deed net of ze een grap vertelde en lachte hard terwijl hij op zijn zere been sloeg. Hij wilde ineenkrimpen, maar zwakte kon hij al helemaal niet tonen. Hij vloekte, half van de pijn, half vanwege zijn onoplettendheid. Had hij nu echt ontspannen zitten terugdenken aan zijn kluiskraak bij het paleis? Had hij zo zitten mijmeren dat hij die man niet had zien binnenkomen? Of zat hij er al voordat hij binnenkwam. Achterin zat een man van de Bulldog bende, Ravi kende hem. Zwarte Jaap. Jaap was één van de weinigen die zowel zijn voor- als zijn achternaam had gekregen van de bende. Zwart, niet perse vanwege zijn huidskleur, maar vanwege zijn voorkeur voor zwarte kleding en het werken in het holst van de nacht. En zijn voornaam door de enorme jaap die hij van mond tot oor had opgelopen in een messengevecht. Jaap was een verkenner van de bende en een gewetenloze halzensnijder. Ravi bad tot de God van de Dieven dat Zwarte Jaap hem een eerlijke kans zou geven. Ook al waren het minuten. Er zat maar één ding op. Er op af.

“Wat moet jij hier, Jaap?” Jaap glimlachte zijn hagelwitte tanden bloot. “Dat, mijn beste gapper. Dat kan ik beter aan jou vragen, no?” Op de één of andere manier moest er altijd een vragende ontkenning aan het einde van zijn zinnen klinken. ‘Vragende Jaap’ was beslist geen slechte naam geweest. “Ik doe wat zaken voor de bende, jij?” Jaap liet helemaal niets merken wat op ongeloof of iets dergelijks zou moeten lijken. “Zaken voor de bende? Wij hebben jou al een hele poos niet meer gezien, no? De raaf is gevlogen, of zie ik dat verkeerd?” Jaap was geen verkeerde goof en een prima jatteneur, als hij tenminste aan jouw kant stond en daar was Ravi helemaal niet zo zeker van. Hij besloot de waarheid maar te proberen. “Ik ben erin geluisd, Jaap.” Jaap schoof hem een stoel toe en hij nam plaats. De man leek zich van geen spanning bewust en pakte een klein metalen doosje uit zijn binnenzak. Snuif, wist Ravi. Jaap opende het doosje en haalde er een klein lepeltje uit. Daarmee groef hij in het doosje tot er een klein bergje wit poeder op het lepeltje lag. Hij bracht het met een knipoog naar zijn neusgat, terwijl hij het andere afdekte met zijn vrije hand. Hij snoof hard en het poeder verdween. Even was het stil. Zwarte Jaap snoof nog een paar keer, alsof hij zeker wilde zijn dat al het snuif uit zijn neusgat was verdwenen en hij vervolgde zijn gesprek. “Zo, waar was ik?” Ravi had veel mensen kapot zien gaan aan het witte poeder, maar hij had nog nooit gezien dat iemand zonder te blikken of te blozen een dosis snuif tot zich nam.


Jeroen Cornelis: Beste lezers, een nieuw hoofdstuk en een nieuw personages. Nou ja, nieuws. Voor de oplettende lezer was Ravi al aan bod gekomen bij de proloog. Kruip eens in de huid van deze jatteneur uit Nieuwpoort en laat je leiden door de straten van een bruisende stad en een spannende roof. Ik ben benieuwd naar jullie reacties!

3 REACTIES

  1. Mooi gedicht in het begin van het hoofdstuk.Leuk om Ravi te introduceren en ook het havenplaatsje Durum.Het lijkt me een boeiende plaats.De roof zelf is adembenemend.Vanaf dat je in de kamer van de regent bent voel je een zekere dreiging en weet je dat er iets niet klopt wat de spanning alleen maar doet toenemen.Hoe Ravi de kluis kraakt is beeldend weergegeven evenals zijn ontsnapping aan de soldaten.Het begin van hoofdstuk 2 is meer dan geslaagd.Op naar het vervolg.Groetjes Vera.

  2. Mooi! Dit deel vind ik lekkerder weglezen dan de delen over Storm.

    Mooi gedicht/lied!

    Bedoel je een ‘eilandenprovincie’ of tegen de ‘eilanden van provincie…’?

    ‘en als we dan toch geografisch gedetailleerd zijn’ zou ik weglaten, het maakt het doorlezen lastig.

    Mooie inleiding naar de dief in de Zatte Zeemeeuw! En dat hele stuk over Ravi leest lekker weg, er zit een goede opbouw in.

    “Ik kom inderdaad niet van hier. Nieuwpoort.” Het is in eerste instantie niet duidelijk dat Ravi dat zegt.

    Welke ‘harde lessen als je ondermaats presteerde’ zijn dat dan? Voorbeelden zouden een mooie toevoeging zijn.

    “Magie, dat was je reinste lulkoek, maar een handelaar die anoniem wilde blijven voor een niet te kraken klus.” Die zin klopt niet. Ik denk dat er na ‘lulkoek’ een punt moet komen.

    “En daar hing hij, nog geen twee dagen geleden.” Je gaat nu ineens naar het verleden. Dat is verwarrend, vooral in combinatie met de ‘en’. Ik zou er zoiets van maken: “Daarom hing hij, nog geen twee dagen geleden, ondersteboven onder een kar geklemd.”

    Kan Ravi zien wat July’s handelingen zijn van onder de kar? Kan hij zien dat ze ergens een houten mok vandaan tovert en die met een honingachtige drank vult?

    In de uitleg over het paleis spring je hier en daar naar de tegenwoordige tijd.

    Bij de wacht in de kamer ga je ineens naar het perspectief van de wachter: hij “hoorde een vliegend gezoem, voelde een harde klap en een brandende pijn in zijn nek …”

    “Afkloppen”, is dat in Durum ook een soort ritueel, zoals in veel landen op Aarde, of kan je creativiteit iets anders verzinnen? 🙂

    Ik heb mijn twijfels bij zijn vlucht op het paard. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat een hengst (die ook nog eens aanvallend naar hem briest) niet gaat bokken als iemand ineens op zijn rug springt. Ook vraag ik me af of een paard frontaal op een poort zal botsen. En of een paleispoort, dat toch bestand moet zijn tegen fikse krachten, wel door een paard kan breken. Of heb ik verkeerd begrepen dat hij door de poort heen breekt? Daarbij: is het paard opgezadeld of staat hij ‘kaal’ in de stal? Want dan is het onmogelijk om te sturen. En na zo’n avontuur denk ik dat een paard eerder in paniek door zal rennen dan op de binnenplaats rondjes lopen.

    Het stuk dat hij in de kroeg zit, zou ik op een volgende regel zetten, dus met een witregel ertussen.

    ‘No’ vind ik raar in een Nederlandse, fantasy tekst.

    Heel tof, Ravi’s avontuur in de kamer van de regent en zijn vlucht van het paleis! Er zitten wat slordige zinnen tussen en grammaticale fouten, maar die haal je er vast nog een keer uit. Verder heel leuk! Ik zag het goed voor me.

    Groetjes, Rowan

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.