We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloogdeel 1, deel 2, en deel 3. Deze week het vierde deel.


– Hoofdstuk 1, vervolgd –

Storm wreef de slaap uit zijn ogen en hij keek naar buiten. De ochtend was aangebroken en zonder de haan had hij zich zeker verslapen. Met stroeve gewrichten stond hij en opende zijn raam. “Bedankt, Haantje de voorste!” riep hij naar zijn kraaiende bode. Terwijl hij een schone broek en trui aantrok hoorde hij hoe Rhoden ontwaakte. Voor het krieken van de dag was de gewone arbeider al aan het werk om tegen het vallen van de avond thuis te zijn voor het avondmaal. Geluiden van paard en wagen over de straatklinkers, venters die hun waren prezen en de smid die zwoegde op het hete ijzer. Hij hield er van. Storm groette Kevin die de broden uit de oven haalde. De kok keek op. Zijn gezicht en handen vertoonden nog resten deeg van de pasteitjes die hij zojuist bereid had “Goedemorgen, meneer de edelman” grapte hij. “Klaar voor wat manieren en hielenlikkerij?” Storm knikte en maakte een onhandige knix zoals vrouwen aan het hof deden en dit terwijl hij een pasteitje stal.

Kevin was tweeëndertig en werkte al tien jaar in de keuken. Met het geld wat hij daar verdiende onderhield hij zijn vrouw en dochter. “Hoe is het met je dochter?” vroeg Storm. “Een handvol problemen, als ik mijn vrouw moet geloven.” Stom zag hoe trots de kok was op zijn spruit. “Ze wordt volgende zomer drie, maar ze eet nu al als een volwassen bootwerker.” Meteen was Storm in gedachten bij het eten bij de Hertog en zijn gezin. Het ontbijt aan het hof zou langzaam verlopen en hij kon niet maken dat hij als een uitgehongerde jonge wolf zijn eten naar binnen zou schrokken. Dus hij besloot nog een homp brood mee te nemen voor onderweg.

“Waar is Karvan” vroeg Storm.

“De chef is met wat personeel van de Hertog het eten bereiden.” antwoordde Kevin. De assistent kok schokschouderde. “Ik red het hier wel, zorg jij maar dat je niet te laat komt.”

Kevin had gelijk en Storm rende naar het slaapvertrek van Karvan om zich daar op te frissen. De slaapkamer grenste direct aan de grote keuken zodat de meester-kok altijd de mogelijkheid had de adel op zijn of haar wenken te bedienen. Zoals hij verwachtte stond er een tobbe klaar met water en zeep. Het water was inmiddels afgekoeld en gebruikt door de meester-kok, maar hij was allang blij dat hij zich nog even kon opfrissen. Hij trok met een sierlijke zwaai zijn kleren uit en sprong in de tobbe. IJskoud water klotste over de rand en deed zijn hart een slag overslaan. De kou verder negerend waste hij zich met een stuk Rhodeense zeep om de bed lucht kwijt te raken. Al gauw rook hij naar een fleurige bloementuin in de lente. Als een hond schudde hij het water uit zijn haar waarna hij zich afdroogde en zijn vingers als kam gebruikte. Zijn blonde haar reikte tot aan zijn schouders en hij vergooide de gedachte om er een schaar doorheen te halen. Een snelle blik in de spiegel deed hem herinneren aan zijn beginnende baardgroei. ‘Nestdons’ zoals Kevin het noemde. Het scheermes van Karvan lag klaar en in zijn haast vergat hij zowat zijn gezicht in te smeren met scheerschuim. Zoals hij geleerd had schoor hij zich met langzame halen van zijn keel tot zijn kin, tot aan zijn wangen. Ook een snor kon hij niet gebruiken dus hij schoor zijn lippen. Tevreden haalde hij een handdoek over zijn gezicht en kijk hij naar een schone jongen in de spiegel. Hij was klaar om te gaan. Met een nerveuze grom vertelde zijn maag hem de spanning voor het ontbijt aan het hof.

Storm wist dat het niet veel betekende voor de adel om zo nu en dan iemand uit te nodigen aan het hof, maar voor hem was het een beproeving. Terwijl Storm door de straten liep, passeerde hij de stadswachten vlakbij de kasteelpoorten. Met een beleefde knik toonde hij genoeg respect voor de mannen van de Hertog. De stadswacht waren in het algemeen aardige mannen, maar ruwe vechtersbazen mocht je in het ongenoegen komen van de wacht. Aan de poorten van het kasteel maakte hij kenbaar dat hij was uitgenodigd door de zoon van de Hertog. Zonder problemen stond hij even later in de ruime hal van het kasteel. Voor hem bevond zich een brede trap die in twee kanten splitsten, naar de vertrekken in het kasteel. Het rode tapijt op de trap zag er nog piekfijn uit en moest sinds kort haast wel vervangen zijn. Een sierlijke, maar reusachtige kandelaar hing boven de trap en zorgde voor berisping van een jonker aan het hof, maar Storm hoorde het niet eens. Hij vroeg zich af hoe die verlichting nu precies werkte. Hij begreep dat de Hertog een nieuw snufje uit het Noorden had gebruikt; zogenaamde brandbuizen. Een buizensysteem dat een brandbare vloeistof leidde naar de kandelaar om daar constant te branden.

“Ik hoop dat je aan tafel minder staart, jonge heer Storm” lachte een jonker hem toe. Storm voelde zich betrapte en sloot zijn mond. “Hoe dat precies werkt weet ik ook niet, maar je kunt het hem vragen. Je wordt verwacht in de eetzaal van de Hertog. Loop je mee?” Het was geen vraag begreep hij, maar hij knikte beleefd en volgde de jonker. De jonge man die hem voorliep droeg typische kledij van een hofjonker. De pofbroek, met maillot een deftig jasje allemaal in de kleuren van Rhoden. De kasteelmuren welke zij passeerden waren bekleed met hetzelfde fluweel, rode tapijt, met aan iedere muur de opvliegende witte adelaar met de gouden achtergrond. De adelaar van Rhoden was een zeearend die je vooral tegenkwam aan de kustrand van het kasteel. Vaak genoeg had Storm de machtige roofvogels met een spanwijdte van wel zes voet zien duiken in de zee, om ze daarna te zien opvliegen met een vette vis als buit. Grote schilderwerken van meester-schilders vertelden verhalen van oude heersers, oorlogstaferelen en prachtige landschappen aan iedere wand van de wandelgangen. In iedere hoek leek een man op wacht te staan. Een lege helm toonde dat het werkelijk enkel een harnas was, compleet met schild en hellebaard. Waarom de poortwachters geen hellebaard droegen, dat was hem een raadsel. Want dat wapen was een vervaarlijke speer met een blad zo groot als een zwaard. De ‘lege’ wachten droegen een ceremoniële hellebaard, versierd met kleine vlaggen waar weer de adelaar in terug kwam.

Storm betrapte zichzelf erop dat hij voor de tweede keer met open mond al het schoon gade sloeg. De jonker zag het ook. “Mooi hè, zelf sta ik er pas bij stil als ik een vreemde aan het hof het zie bewonderen. Gek eigenlijk, hoe zo iets ongewoons, gewoon kan worden.” Storm knikte, hij kon al helemaal niet geloven dat een kasteel gewoon kon worden voor iemand zoals hij. Nadat ze alle traptreden hadden getrotseerd en een aantal gangen waren gepasseerd kwamen ze aan in de eetzaal, welke tevens de ontvangstzaal van het kasteel was. “Wacht hier, jongeheer Storm” en de jonker liep de zaal binnen. Storm zag een enorme tafel in het centrum van de zaal. De tafel was eigenlijk een tiental kleinere eettafels in een vierkant geplaatst met een open ruimte in het midden. Dit zodat iedereen elkaar kon zien met aan het hoofd de Hertog en zijn familie. Storm zag de Hertog aan het hoofd, druk in gesprek met zijn zoon en zijn vrouw. Aan weerszijden van de Hertog zaten raadsheren, kapiteins van het paleis en stadswacht en anderen van adel totdat de kring zich sloot. Aan de tafel het meest ver van de Hertog zat een edelman druk in gesprek met de dochter van de Hertog.

Storm kende de jongedame enkel van gezicht én wat voor gezicht: Myra was beslist de mooiste dame van het hof. Prachtig zwart, licht krullend haar tot over haar schouders. In het midden van haar gezicht sierde een elegant wipneusje, twee grote felblauwe ogen een smalle kin en hoge jukbeenderen. Wimpers die vlinders jaloers maakten om de sierlijke slagen die zij sloegen. Ja, Storm had beslist een zwak voor de dochter van Hertog Rorick. Myra was klein van stuk, met een bijzonder mooi gevormd lichaam al verschool het hofleven al het moois in hoepeljurken en ander hofgespuis. Ze leek minstens even oud als haar broertje waardoor ze vaak als tweeling werden aangezien. Myra was werkelijk waar een prachtige verschijning, de natte droom van menig puber en de eerste prijs als huwelijkskandidaat. Achttien jaar jong en binnen de kortste tijd gehuwd met één of andere suffe edelman. Naast Myra zat een andere hofdame, een schoonheid die dromerig naar de zoon van het hof staarde. Een mooie blonde meid, maar haar natuurlijke schoonheid verbleekte in de schaduw van haar vriendin. De hofdame keek even naar Storm toen hij in het zicht was, maar ze liet algauw haar blik weer op Aaron rusten. De jongen keek op en herkende de kokshulp van de vestkeuken en hij glimlachte van oor tot oor en maakte met zijn wenkbrauwen een knik alsof hij iets in zijn schild voerde. Aaron draaide langzaam zijn hoofd en knipoogde dik naar de hofdame die bijna van haar stoel leek te vallen. Storm proeste, wat leek op een ingehouden hoestbui die hem bestraffend werd weggewuifd door de jonker. Het meisje herpakte haar hoflessen en er leek niets gebeurd. De jonge edelmanszoon had hem wel eens vaker verveeld met zijn verhalen over rokkenjagerij en zijn eeuwige versiertips, maar nu was hij levende getuige geweest van zijn charmes.

Aan de rijen van tafels ontbrak er één, de lege plaats diende duidelijk als ingang zodat je zou kunnen doorlopen tot aan de tafel van de Hertog. Alsof hij ooit zo dichtbij zou mogen zitten. Waar zou hij eigenlijk mogen zitten? Naast Aaron? Of was dat te veel eer? Was het een rangenkwestie misschien? De jonker schraapte zijn keel. “Jonge heer Storm, kind aan huize Karvan, meester-kok van kasteel Rhoden.” Storm schrok op uit zijn mijmering toen hij zijn naam en titel hoorde vallen uit de mond van de hofjonker. Hij stapte de zaal in niet wetend wat van hem verwacht werd. “Doe toch niet zo informeel, je laat die jongen schrikken.” De Hertog was ooit zelf opgeklommen uit de lage adel en tactisch gehuwd, waaruit zijn begrip duidelijk naar voren kwam. De jonker en Storm kleurden beiden egaal rood tot in de nek en de hofhouding wist beleefd met wat lachjes en bemoedigende blikken proestte het uit van het lachen. “Kom verder, Storm en als we toch informele gebruiken hanteren dan is meester-jager geen slechte titel, denk je niet?” Storm knikte beleefd en liep naar de kring van tafels in tot aan de tafel van de Hertog en zijn gezin. Hij maakte een buiging, diep genoeg om zijn respect te tonen en diep genoeg om niet voorover te vallen. “Dank u excellentie, dat ik ben uitgenodigd om hier in het kasteel te mogen ontbijten in uw aanwezigheid en die van uw familie en vrienden.” De Hertog knikte tevreden. “Ga naast mij zitten. Storm” zei Aaron en hij wees op de lege plek aan zijn linkerzijde. Storm deed wat de jonge Hertogszoon hem opdroeg en ging aan tafel zitten. Direct werd hij op zijn wenken bediend. Een wit tafellaken, althans zo leek het, diende als servetten, zilver bestek werd hem gebracht en een grote kelkachtige mok werd hem aangereikt. “Koffie, heer Storm?” vroeg een bediende. Aaron knikte naar de hulp en wuifde hem dankbaar weg. De tafel was rijkelijk gevuld met etenswaren; gerookte ham en verscheidene vissoorten, kazen en fruit. Ook aan drank ontbrak er niets, al was Storm niet gewend om wijn te drinken bij het ontbijt, toch sloeg hij niets af.

Toen de gehele tafel gedekt was begon de Hertog. “Mijne heren en dame, welkom allen en eet u smakelijk.” Iedereen hief zijn glas en Storm deed hetzelfde. De vrouw van de Hertog, vrouwe Natalja, boog wat voorover en hief haar glas nogmaals naar Storm en gaf hem een knipoog. Vrouw Natalja was een mooie vrouw in het begin van haar dertiger jaren, haar ravenzwart haar wat gekruld tot over haar schouders viel danste mee in haar bewegingen. Ze droeg een lichtblauwe jurk die uit één stuk leek gesneden met eveneens lichtblauwe Opalen in een ketting die haar hals sierden. Hij zag donkerblauwe edelstenen fonkelen in haar oren die overeenkwamen met donker blauwe ogen die eveneens leken te stralen. Een kopie van haar dochter, al was de vrouwe vriendelijk gerijpt door de tand des tijds. “Staar niet zo naar mijn moeder” fluisterde Aaron hem toe. “Eet eens wat.” Aaron had gelijk, als een lompe boer was hij weer vervallen in een staar. “Sorry” fluisterde hij. Aaron lachte. “Storm” begon heer Rorick, “wat fijn dat je kon komen.” De formele beleefdheden kwamen hem weer te boven. “Het genoegen is geheel aan mijn kant, excellentie.” Aaron keek hem lachend aan. Hij had zijn vriend nog nooit zo horen praten en imiteerde hem als een zot zonder geluid. “Ik begreep van mijn zoon dat je een vakkundig jager bent.” Dat was misschien wat overdreven, maar Storm aanvaarde het compliment met glunderende ogen. “En omdat je hem vaak begeleidt in de jacht leek het ons niet meer dan normaal je eens uit te nodigen aan het ontbijt.” Aaron hief zijn beker als een extra proost met en Myra lachte naar hem. Ze lachte gewoon naar hem. Wat een lach, volle lippen die een rij ivoor witte tanden omlijsten als een pronkstuk van een schilderij. “Ik heb begrepen dat jullie morgenochtend het woud in trekken op zoek naar wild.“ Aaron redde hem uit een gênante positie door voor hem te antwoorden.

“Ja vader, dat klopt. Wilde zwijnen, fazanten en misschien nog wat ander wild, toch Storm?!” Hij verschool zijn gezicht in de beker met wijn. “Prachtig, zoon. Het zou fijn zijn weer is te genieten van een stukje zwijnenvlees. Wild hoort nu eenmaal bij de herfst, vindt je niet Storm?” Hij voelde een lichte prestatiedruk opkomen. “We zullen ons best doen u niet teleur te stellen, excellentie.” erkende Storm. “Oh jullie hoeven niet speciaal voor mij op zwijnenjacht hoor, jongens” verzekerde de Hertog hen. “Het zijn niet de makkelijkste prooien. Hoe zou jij een groot zwijn aanpakken Storm, een beer welteverstaan?” Een beer was een mannetjeszwijn en Storm wist dat ze behoorlijk gevaarlijk konden zijn. “Van een afstand zou ik pijl en boog gebruiken en mocht een beer te dicht bij komen dan zou ik het zwijn opvangen met een zwijnenspeer, mocht ik het geluk hebben.” De zwijnenspeer was een gewone speer, maar met een rond stuk hout bevestigt onder het blad van staal. De houten cirkel moest het zwijn opvangen zodat het beest zichzelf niet ondanks het spiesen doorrende en de speerdrager op zijn beurt gespietst werd op de slagtand van het zwijn.

“Zeer goed Storm, zo zou ik het ook doen. Al ben ik misschien een minder schutter dan jij.“ Storm bedankte hem. “Het zou een eer zijn, mocht ik u morgen bijstaan in de jacht.” Hij lachte vriendelijk om zijn voorstel. “Dat zou ik graag willen jongeheer, maar helaas heb ik weinig tijd. De handel met de overzeese landen ligt wat stil door het noodweer van afgelopen maanden en ik heb mijn handen vol aan werk aan het hof.” Vrouwe Natalja viel hem bij. “Wat de Hertog bedoelt, is dat hij te oud is voor de jacht.” Storm slikte, maar Aaron lachte de ongemakkelijkheid direct weg. De Hertog keek zijn vrouw aan met een jongensachtige grimas rond zijn mond. “Juist, ook dit speelt gedeeltelijk mee.” De rest van de tafelgenoten die in een gesprek verwikkeld waren keken even verbaasd op naar het tafereel wat ze overduidelijk gemist hadden en vielen terug in hun gesprekken. Het ontbijt duurde bij elkaar ruim twee uur en Storm was opgelucht toen hij het kasteel mocht verlaten met een volle buik en een hoofd vol nieuwe indrukken. De Hertog en zijn gezin hadden de hele maaltijd gepraat met Storm over de jacht en het werk wat hij verrichtte voor Karvan, evenals zijn toekomstplannen. Dat hij een beroep als jachtopziener ambieerde was geen verrassing voor de Hertog, maar zijn tweede keus als soldaat had hem wel verbaasd. Aaron was opvallend rustig geweest tijdens de gesprekken, dat was iets nieuws voor de jonge edelman die Storm alleen kende als de praatgrage avonturier. Storm keek uit naar de jacht, ook al moest hij zijn vrije dag er voor opgeven die hij anders zou hebben doorgebracht in de bibliotheek in het bijgebouw van het kasteel. Er waren nog een aantal boeken die hij had zien staan waar hij nog niet aan toe was gekomen. En net toen hij de titels probeerde te herinneren terwijl hij het kasteel uitliep hoorde hij Myra roepen. “Storm, wacht even!”

“Wat is er?” schreeuwde hij terug. Stomkop! ‘Wat is er’ roep je toch niet tegen een dame. De poortwacht keek ook al geërgerd door de twee schreeuwende jongeren. Myra stond hijgend voor zijn neus “Je mag de bibliotheek in van vader.” De lach op haar gezicht verraadde dat ze Storm er een plezier mee zou doen. “Nu? Vandaag werken daar toch mensen?” Op doordeweekse dagen was de bibliotheek een werkvloer voor geleerden, adviseurs en voor dienaars van verschillende tempelrordes. De bibliotheek was zo groot als de voorraadschuur van Karvan en stond vol met meer dan vijfhonderd boeken. Storm was enkel toegestaan op zondag omdat hij dan niemand in de weg zou lopen. “Ja, dat klopt, maar omdat jullie morgen gaan jagen en ik wist dat jij dan je biblitotheekochtend zou missen heb ik het het vader gevraagd.”

“Wat lief” wist hij oprecht uit te brengen. “Ik ben ook best wel lief, jagersjongen.”

Knipoogde ze er plagend achteraan. Nu moest hij iets zinnigs zeggen! Iets slims en gevats. “Ja…” JA? Waarom zij hij alleen ‘ja?’ Hij had iets moeten zeggen als dat hij daar nog wel achter wilde komen, of dat hij ook lief kon zijn. “Jij bent leuk, Storm.” En ze kuste hem vluchtig op zijn lippen. Het gebeurde zo snel, zo onverwacht dat hij niets kon dan stamelen.

“Ik…ik..”

“Weet je waarom ik je leuk vind? Omdat jij écht bent. Niet zo gemaakt en gekwiekst als die edelmannen met hun gevatte opmerkingen en spelletjes. Jij bent écht, Storm.” En dat was dat. Storm stond aan de grond genageld en zij draaide zich om en rende terug het kasteel in, met haar lippen en al. Die volle lippen hadden zijn stamelende lippen geraakt. Gekust… “Gaat het, jagersjongen.” De wacht pieste bijna in zijn harnas van het lachen om het prille geluk wat hij zojuist aanschouwd had. “Ik, euh..”

“Laat maar, jongen. Geniet er maar van, voor je het weet is ze gekoppeld aan iemand boven onze stand.” Poef! Weg luchtbel, roze wolk, of droom die uit elkaar spatte. “Nou, kijk niet zo sip. Je bent verdorie gezoend door de dochter van de hertog, Goden hebbe zijn ziel. En nu maken dat je wegkomt.” De wacht gaf hem een speelse tik tegen zijn achterste en Storm rende als een dolle lentebok naar de bibliotheek.

Zijn gedachten schoten heen en weer tussen volle lippen en kasten vol boeken. Geen abnormale dag voor een lezer zoals jij zou je misschien zeggen, voor hem was het een feestdag. Hij was zo in gedachten verzonken dat hij Kevin te laat opmerkte en frontaal tegen hem opknalde toen hij een steegje inschoot. “Kan je niet uitkijken, boeren boterhammenzak!” Beiden krabbelenden ze van de grond om te zien wie de dromenverstoorder van de ander was, toen ze elkaar herkenden. “Kevin! Sorry, het is mijn fout, ik…” Maar Kevin lachte al van oor tot oor. “Oelewapper, ik heb morgen een bult die ik gisteren nog niet had.” Hij wreef pijnlijk over zijn voorhoofd en ook Storm voelde zijn hoofd bonken. “Waar ga je in naam der goden heen in dat tempo?”

“Ik ga boeken kussen..” Wat zei hij? Zei hij dat echt? “Lippen, lezen! Euh.. sorry! Ik ben een beetje in de war, denk ik.”

Kevin hield het niet meer, maar wuifde de stommiteit van de keukenjongen weg. “Ga jij maar met je neus in de boeken, jongen. Maar haal die lippen maar uit je hoofd, van wie ze ook waren.”

Storm grijnste als een labiele tomaat. “Zeg maar niets tegen Karvan, ik moet gaan.” . “Dus jij hebt weten te regelen dat je vandaag wat geleerden mag lastig vallen?”

“Ja, maar hoe dat hoor je nog wel een keer. Volgens mij is alleen raadsheer Mentoor er vandaag, dus ik zal niemand lastigvallen.” Kevin kende Mentoor wel. “Die ouwe geitenwollensok mag je zo veel lastig vallen als je wilt, je zoekt het maar uit.” Storm groette de chef die alleen maar lachend zijn weg kon vervolgen.”

Mentor was een oude man die tegen het einde van zijn loopbaan als raadsheer liep, maar nooit uit de boeken kon blijven. Al had hij ze allemaal al verscheidene keren gelezen. Iedereen grapte dat Mentoor’s ouders helderzienden moesten zijn geweest omdat de naam Mentoor, van Mentes afstamde wat raadsheer betekende. Storm rende het pad af, langs de Kroon richting de bibliotheek. Aaron had geen liefde voor boeken vol geschiedenis, legendes en romantische ballades uit vorige eeuwen. Wie wel eigenlijk, behalve oude vandagen? Ach, ieder zijn deugd: besloot hij al rennend.


Jeroen Cornelis: Beste lezers, bijna is (het originele) hoofdstuk 1 ten einde. Dan is het tijd om een nieuw hoofdpersoon te leren kennen! Maar nu eerst. Storm is uitgenodigd aan het hof. Hoe ervaren jullie het diner, het respect naar de Hertog en zijn familie? Kan je enigszins ervaren hoe het er aan toe zou gaan? Verder ontluikt er (wellicht) een kortstondige eerste liefde voor Storm, hoe ervaar je dit als lezer. Ook zijn stunteligheid tegenover de dame en Kevin de Sous Chef.  Kan jij je als lezer hier in vinden? Wordt er gegrinnikt?

5 REACTIES

  1. Opnieuw een fantastisch deel in een mooi verhaal.Het diner bij de hertog gaat er deftig toch gezellig aan toe,als je ziet wat er allemaal aan eten is zou je er honger van krijgen.Ook de ontmoeting tussen Storm en Myra is mooi.Kortom goed bezig,sta te popelen om het volgende deel te lezen.Groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.