Home Boeken Korte verhalen Storm: Oorlogsmagiërs – Deel 2

Storm: Oorlogsmagiërs – Deel 2

5
247

We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de proloog en deel 1. Deze week het tweede deel.

– Hoofdstuk 1, vervolgd –

Oud koning Louis du Mark, die heerste tot het jaar 624 was verantwoordelijk voor het invoeren van achternamen. Storm moest toegeven dat het verwarrend kon zijn als er meerdere dezelfde naam droegen. Sinds een jaar of tien geleden werd iedereen verplicht om de voornaam van zijn vader, achter de eigen voornaam te plaatsen én je zo in te schrijven bij het dorp waar je op dat moment woonde. Dat gold niet voor de adel. Iedereen van adel droeg de vaandelnaam van de koning. Zou hij van adel zijn, dan heette hij Storm Leeuwszoon. Was Karvan zijn echte vader geweest, dan had hij Storm Karvanszoon geheten. Maar er waren maar weinig mensen die zich voorstelde met zowel een voor als achternaam. Het bekte gewoonweg niet lekker.

Zestien jaar geleden te vondeling gelegd in een van de grootste stormen die het Rhodeense Woud ooit had gekend, tenminste dat had zij hem verteld. Die storm was ook de reden dat de handen die hem gered hadden, hem genoemd hadden naar het natuurgeweld waar hij anders aan was overgeleverd. Hij groeide op als weeskind van de Karvan en Vyra, een voorrecht waar hij erg dankbaar voor was.

Storm schudde mistroostig zijn hoofd. Nog een drietal weken en hij dan was hij oud genoeg om van keukenhulp tot koksjongen te klimmen en dan was het afgelopen met zijn gejaag en gestruin. Karvan had het vaak over zijn groei tot koksjongen, zodat hij wat rustiger aan kon doen nu er wat grijze haren begonnen door te komen in zijn slapen. Storm zou zo aan de slag zou kunnen als leerling-kok, iets waar niets mis mee was. Maar hij had altijd gedroomd om hofjager, een functie die te hoog boven zijn stand was. Natuurlijk was hij handig in de keuken en hield hij van goed eten, maar daar was ook alles wel mee gezegd. Nee, hij verlangde meer naar de positie als jachtmeester. Want het woud zat in zijn hart en nieren, de vrijheid die hij voelde wanneer hij één was met de natuur voelde ook natuurlijk.

Storm was zo in gedachten verzonken dat hij de tekens van het woud miste totdat hij er bijna tegenaan liep. Hij gleed uit door een modderplas en zijn voet raakte verstrikt in de verwilderde wortels van een boom tot hij struikelde. Hij smakte tegen de grond en voelde een stekende pijn in zijn onderlip. Een ijzerachtige smaak vulde zijn mond en hij vervloekte zijn onhandigheid en de Godin van het Geluk. Hij wreef de modder uit zijn gezicht en betastte met zijn tong de schade: een tand door de lip. Toen hij opstond en de doorweekte aarde van zijn broek probeerde te kloppen verstijfde hij even. De boom voor hem was volledig ontdaan van boomschors en hij zag de diepe geulen van enorme berenklauwen op ooghoogte. De verse krassen ter grootte van een arm getuigde de aanwezigheid van een beer. Haastig dook hij ineen en speurde omgeving af. Het was de enige aangetaste boom, maar al gauw zag hij voetsporen bij hem vandaan lopen. Zeker tien meter, al maakte de aanhoudende regen het zicht onzuiver. Een duimdiepe pootafdruk ter grootte van Storms laars deed hem huiveren. Hoe had hij zo dom kunnen zijn.

Beren hadden al vaak genoeg reizigers verrast, met het resultaat voor dood achtergelaten te worden. Een beest zo groot als deze kon hij toch niet over het hoofd hebben gezien? De sporen liepen in noordoostelijke richting. Wat voor woudloper ben ik, dacht hij, als ik van alle dieren een beer over het hoofd zie. Hij pakte zijn jagersbuit bij één en zwaaide het hertenjong over zijn schouder. Nu, wakker geschud, vol adrenaline liep hij met een behouden tred verder. Aan de pootafdrukken te zien was het beest zonder twijfel volwassen. Aan de hoogte van de klauwsporen in de boom, leek het hem ook nog eens een uitzonderlijk grote beer te zijn. De gevelde boom had misschien wel zijn leven gered. Behalve de irriterende regen was dit wel het laatste wat hij kon gebruiken. Hij wilde naar huis. Even zijn buit tonen bij de Meesterkok, schone kleding aan en aan tafel. Een woeste brul verstoorde zijn hallucinaties van hertenbout aan het spit. Het was een beer, geen twijfel mogelijk! Storm smeet zonder nadenken zijn ballast van zich af en zette het op een lopen, weg van waar het geluid had geklonken. Hij stopte even, spitste zijn oren en luisterde. Eén, twee, drie, vier, vijf. Niets! Hij rende verder. Weer klonk een diepe brul. Luister. Storm stopte. Dit was geen oerbrul van een aanvallende beer. Het was anders. Het leek meer een schreeuw van onmacht. Een klaagzang. Hij luisterde. Een grom klonk van verder weg en was bij nader inzien niet levensbedreigend.

Weer klonk een brul. Angstaanjagend? Zeker, maar het klonk eerder zielig. De jagersbuit! Hij waagde het erop. Hij sprintte door het natte bos, ontweek takken, plassen en prikkelstruiken en daar zag hij zijn prooidieren liggen. Terwijl hij alles weer om zijn schouder knoop won zijn nieuwsgierigheid het van zijn angst. Hij had nog nooit een beer van dichtbij gezien en hij had zeker nooit van de kans durven dromen er een te doden. Hij speurde de grond af en volgde de diepe voetsporen. Weer hoorde hij het diepe kreunen door het woud. Storm rende langs laaghangende takken, sprong over kuilen en modderplassen tot hij oog in oog stond met de grootste beer die hij zich ooit had kunnen voorstellen. Het grote mannetje zat rechtop tegen een boom terwijl hij met zijn poten zo groot als harken wanhopig leek te wrikken aan zijn linker achterpoot. Storm durfde niet te bewegen. Zijn hart bonkte in zijn keel. Het beest had hem niet gezien en had duidelijk alleen oog voor zijn poot. Voorzichtig sloop hij dichterbij. Terwijl hij met zijn linkerhand de takken opzij duwde pakte hij met zijn rechterhand zijn jagersmes. De beer was zeker twee keer zo groot als hij en zijn kop was zo groot de achterkant van een paard. Weer brulde de beer. Het geluid klonk vol van woede en vermoeidheid. Nog iets dichterbij. Door de achterpoot van de beer stak een scherpe tak met de dikte van een bezemsteel, de lichtbruine vacht was donkerrood gekleurd rond de scherpe punt van de tak. Het beest moest er in volle vaart dwars door heen gerend zijn en nu zat het machteloos te wrikken aan het uiteinde van de tak. De beer zou de stok er nooit uit krijgen zonder te veel bloedverlies en dat zou zeker zijn dood betekenen. Storm deed een voorzichtige een laatste stap dichterbij, maar hij was zo overdonderd door het schouwspel dat hij te laat merkte dat hij op een kleine tak stapte, welke brak onder zijn gewicht. De beer schrok op, brulde en probeerde te verzitten in iets wat een aanvalspositie moest lijken, maar viel al snel terug in zijn zittende pose. Hij gromde vervaarlijk, probeerde een klauwende beweging te maken, maar algauw trok hij zijn poot piepend terug. Het beest wrikte opnieuw aan de tak die zijn dood zou betekenen. Storm en de beer keken elkaar aan en terwijl de beer een jammerlijke brul liet horen werd Storm vervuld van medelijden. “Stommeling,” dacht hij hardop. “Dit zal je dood worden” Zei hij meer tegen zichzelf dan tegen de beer die hem met een schuin hoofd aankeek. “Gaat het, jongen?”, zei hij langzaam, alsof het beest het dan beter zou begrijpen, terwijl hij nog langzamer dichterbij sloop. De beer gromde.

Ken je dat? Een moment van inkeer? Zelfreflectie dat je diep in de ogen terug staart? Dat moment ervaarde Storm. Wat was hij in Godensnaam aan het doen? Hij leek compleet gestoord. Waarom zou hij zijn leven wagen voor een beer? Hij moest hier weg. Storm draaide zich om en zette twee, misschien drie passen toen het beest brulde. De beer leek zijn twijfel aan te voelen want de brul was dwingend. Verstijfd bleef hij staan en keek om. Even voelde hij zijn hart een slag overslaan toen hij de rij met goudgele dolken zag glimmen. Eén beet en hij was zijn arm kwijt, dat was zeker. Storm schudde zijn hoofd en ondanks het levensgevaar waar hij zich in bevond stak hij zijn jagersmes terug in de schede. Hij concentreerde zich op zijn ademhaling en telde zijn hartslagen. Deze beer had hulp nodig. De beer zou sterven zonder zijn hulp. De beer had hem nodig!

“Oké, grote jongen. Als je me aanvalt, dan heb ik niets om na te vertellen.” Hij pakte een stuk touw uit zijn reispakket en begon het af te wikkelen. Hij moest zijn veiligheid boven alles stellen. Die kaken moeten op elkaar blijven en die poten…. “Waar ben ik aan begonnen?” Het was de vraag van vandaag. De vraag die hij zichzelf wel vaker stelde, maar dit keer wat het oprecht een gewetens stelling.

De beer bewoog zijn gewonde poot, waardoor hij jankte. “Houd die poot stil.” Het beest bewoog zijn poot nogmaals. “Domkop, nu doe je het zelf. “ Storm wist niet zeker of de beer de domkop was, of hij pratend als een klein kind tegen een beer, maar hij had geen troeven meer. “Laat me je alsjeblieft helpen.” Terwijl hij het zei voelde hij het gewicht van de waarheid niet aan zijn lippen voorbij gaan. Hij meende het met heel zijn hart, maar beren verstonden nu eenmaal geen Storms, hoe kinderlijk uitgesproken dan ook. Het beest was uitgeput en liet zich half verdoofd van het bloedverlies langzaam achterover vallen. Zou het sterven? Hij kon het niet in zijn hart laten om het nu de rug toe te keren. Idioot. De beer stopte met grommen en liet met een sidderende zucht zijn kop zakken. Voorzichtig deed Storm nog twee stappen dichterbij en hij keek de beer recht in de ogen. Hij wist niet zeker of het recht aankijken van een wild dier een machtsstrijd ontketende, maar zijn blik werd beantwoord met… Warmte? Verslagenheid? Nee, hij las hulpeloosheid in zijn ogen. Storm knielde langzaam neer voor de beer. Oke, dit was stap één. De bizarste stap één ooit, maar hoe kreeg hij het touw er omheen. Hij suste en maakte een grote lus, met een stevige mastworp. Hij trok de lus iets verder uit elkaar en viste naar de snuit van de beer. Het beest ademende snurkend. Langzaam bracht hij zijn touw naar voren, omsloot de neus en kaak van de reus en begon met de knoop aan te trekken. Hij suste de beer zachtjes toe, die alles toeliet. “Goed zo, je doet het goed jongen.” De knoop was dicht. Niet te strak, maar de beer zou zijn kaken niet kunnen opensperren. Hij had geen touw meer over voor de poten. Goden! En nu? Hoe kreeg hij een tak uit het bovenbeen van het beest? Storm kroop tot vlak voor de beer en hij sprak langzaam op een haast kindvriendelijke toon: “Als je wil dat ik je help zal je mij een teken moeten geven, want ik ben niet van plan je te helpen en het daarna niet na te kunnen vertellen.” Niets. Natuurlijk niets. Idioot. “Het gaat pijn doen, beer. Maar zonder mijn hulp ga je dood.” De beer snoof en langzaam stak Storm zijn hand uit tot vlak voor de neus van het beest. Hij rilde van spanning. Het beest snoof de mensenlucht van zijn hand en opende een paar centimeter zijn muil, tot het touw strak stond. Even voelde hij zich als versteend en kneep zijn ogen dicht, bang voor wat komen ging. Hij kon zich niet terugtrekken, iedere plotselinge beweging zou hem fataal kunnen worden. Maar… Maar de pijn bleef weg. In plaats daarvan voelde hij een vochtige, warme tong likken aan zijn vingers en hij opende zijn ogen. Als een moeder die zijn jongen verzorgde likte de beer de palm van zijn hand. “Goden” fluisterde Storm. Teken genoeg, dacht hij en stond langzaam op en positioneerde zich zodat hij genoeg ruimte had om de tak te verwijderen. De beer bleef hem likken. Hij trok zijn hand langzaam weg. “Dit gaat veel pijn doen” En hij keek het beest meelijwekkend aan. “Ik ga de tak uit je been trekken en het daarna verbinden zodat je geen infectie oploopt.”

Zijn vrienden hadden hem eens moeten zien zitten. Als een bezorgde vader zat hij een conversatie te voeren met een wild dier dat er om bekend stond zonder pardon je nek te breken als een twijgje aan een tak. Hij verplaatste zich op zijn rechterknie terwijl hij met zijn linkerknie zijn gewicht langzaam plaatste op het gewonde been boven de wond. De beer gromde. Klonk het instemmend? Hij keek nog eenmaal in de ogen terwijl hij de tak vastpakte bij het uitstekende gedeelte. Twee bruine ogen keken hem oplettend aan en hij zette zich schrap voor wat komen ging. Mocht de beer zich bedenken dat had hij minder dan een seconde om zich uit de voeten te maken, hij aarzelde. Storm zou zich om kunnen draaien en de natuur haar werk laten doen, maar hij kon het zichzelf niet vergeven. “Nu beslissen”, fluisterde hij zichzelf toe. Weer greep hij het uitstekende stuk van de tak en telde af. “Eén, twee” , hij zou tot tien tellen, bedacht hij, om zonder reden wat tijd te rekken. Hij drukte zijn rechterknie wat harder tegen de poot van de beer. “Drie, vier, vijf.” Hij zou een harde ruk geven en zich naar achteren laten vallen, of opzij springen, of een salto naar achter. Kon hij wel een salto? “Zes, zeven, acht.” Hij kon zich af zetten met zijn linkerbeen en dan naar links springen, zich laten rollen, in een vloeiende beweging al rennend opstaan. “Negen, tien!” terwijl hij de laatste tel uitschreeuwde, trok hij met een verticale ruk de tak uit de been van het beest. De beer jankte. Een oorverdovende jammer klank, die meer weg had van geslagen vechthond dan van een drie meter hoge, wilde, beer. Storm bleef stokstijf zitten. Als een stenen beeld zat hij in gehurkte positie, te staren naar de beer die zijn pijnlijk actie totaal negeerde en de wond begon schoon te likken. Tevergeefs, want de wond was een groot gapend gat van een vuist dikte en braakte bloed. Het moest nú gedicht worden! Hij trok zijn buidel los van zijn riem. De paddenstoelen en kruiden schudde hij uit de tas tot er een leren buideltje uitviel. Vluchtig bekeek hij wat er nog over was aan verband en hij kwam al snel tot de ontdekking dat hij veel te weinig had om de gigantische poot van het beest te omwikkelen. Hij had net genoeg om twee keer de poot af te wikkelen met het verband, maar te weinig gaas om de wond te bedekken en het bloed te stelpen. Hij keek zich heen tot hij wat mos vond, vlak bij de boom waar de beer tegenaan zat. Hij greep zoveel mogelijk mos bij elkaar, plaatste het stuk verband om de wond enigszins schoon te houden en duwde het mos er tegenaan. Het verband was net lang genoeg om het gekunstelde verband strak op zijn plaats te houden, maar hij zou nog wat klimop kunnen zoeken om het extra te verbinden. Hij rolde het verband uit in een zwiepende beweging en keek naar de beer die er nu al zwakker uitzag door het bloedverlies. De beer kreunde hartverscheurend. “Ik met het verder verbinden, jongen. Het spijt me!”, probeerde hij, maar zijn uitgestoken hand werd met een snelle kopstoot weggeslagen en hij voelde een aantal tanden langs zijn hand schrapen. Storm vloekte en greep naar zijn hand. “Als ik niets doe dan bloed je dood!” De beer brieste. “Als ik je niet verbind, dan had ik je net zo goed kunnen laten lijden met die verdomde tak in je poot” Storm leek even vergeten wie of wat hij voor zich had, maar het kon hem niets schelen. Hij waagde zijn leven voor een wild beest en het enige dat de eigenwijze bosbeer hem terug gaf was argwaan met een striemende pijn in de palm van zijn hand. Storm wilde opstaan, maar een vragend gekreun met een opgeheven beerepoot deed hem aarzelen. Zachtjes zette de beer zijn poot op Storms schouder en kreunde weer, vragend. Hij zuchtte: “Goed dan. Maar als je me nog een keer een schram bezorgd laat ik je alleen achter.” De beer gromde goedkeurend en Storm verzorgde zo snel als hij kon, de wond. Hij haalde het drukverband los, maakte een kompres met mos, pijnverzachtende kruiden en een vette zalf die het bloed zou helpen stollen aan beide kanten. Hij verbond de poot opnieuw strak, maar niet te beklemmend, zodat de circulatie niet gehinderd werd. Al gauw ontdekte hij dat het bloedverlies niet zou stoppen als hij het geheel niet strakker kon afbinden. Geen klimop te vinden, geen touw meer over. Riem! Hij gespte zijn riem los en bond het strak genoeg om de bloeding te doen stoppen. Weer een grom van pijn. Hij moest het touw nog lossnijden. Te snel pakte hij zijn mes en bij het zien van het staal protesteerde het beest. Maar het was te zwak. Hij suste de beer kalmte toe en steeds zachtje het touw door. Even opende het zijn muil. De tanden bleven beangstigend, maar het bleef erbij. Storm keek de beer in zijn ogen. “Beer, je moet onthouden dat je bij het aanbreken van de dageraad de riem doorbijt.” Het beest begreep het niet. “Dit”, zei hij en trok zacht aan het leder, “is een riem. Nu zorgt het er voor dat je bloed minder hard door je dijbeen stroomt, maar als je het te lang laat zitten doorbloeden je ledematen niet genoeg.” Storm zag de vragende blik van de beer. “Dit bij zonlicht kapot bijten” , hij tikte op de riem. Meer kon hij niet doen, besloot hij. Met zijn vervuilde handen veegde hij het zweet van zijn voorhoofd en keek tevreden na de verbonden wond. Hij had verdorie een wilde beer verzorgd.

De regen had geholpen om het meeste bloed weg te spoelen en was voor het eerst in de lange dag echt nuttig. “Je zal voorlopig rustig aan moeten doen.” Hij keek om zich heen en zocht zijn geheugen af naar dierenvoedsel. Zaden, noten… bessen! Beren eten bessen, niet vaak, maar iets beters wist hij niet. Ja, vis natuurlijk, maar er was in een dag lopen geen water in de buurt. “Oké, ik ga wat bessen voor je zoeken zodat je de eerste dagen niet omkomt van de honger, maar daarna moet je naar eigen voedsel gaan zoeken. Morgen zal je al kleine stukken kunnen lopen, maar je moet je poot wat rust gunnen.” Terwijl hij zijn laatste zin uitsprak zag hij de beer vermoeid in elkaar zakken. Het beest had door de pijn geen slaap kunnen vatten en wie weet hoe lang het al tegen de boom zat. Storm pakte zijn spullen bij elkaar en liep de weg terug richting het hertenjong. Waar was het? Hij keek achterom, wie had dat kunnen verzinnen, hij had een beer gered. Ongelooflijk, een beer! Storm was nu al drie keer hetzelfde pad heen en weer gelopen en hij wist het zeker. Een kleiner roofdier was er vandoor gegaan met zijn buit. Een sleepspoor liep door dichtbegroeid struikgewas vol van netels. Oh, wat baalde hij hiervan! Alle moeite voor niets! Te laat voor niets! Nou, behalve het redden van een beer dan. Hij grimaste trots.

Het enige wat hij straks aan Karvan kon geven was een sterk verhaal waarin hij een wilde beer redde van een langzame lijdensweg. Woedend stampte hij de weg af die hij eerder had gelopen toen hij een rode bessenstruik vond. Vluchtig plukte hij zoveel mogelijk bessen en borg ze in zijn heuptas. Met een goed gevulde buidel liep hij half vloekend, half in zichzelf pratend naar het pad welke hem naar de beer leidde. Hij keek naar de hemel. De maan was zo goed als verdwenen achter de wolkenzee en hij miste zijn gids in de nacht.

De vallende schemer was zijn gedachtegang geheel ontschoten. Hij verhoogde zijn tempo en klom door het dichte woud tot hij de gemarkeerde bomen herkende die de beer had gebruikt om zijn nagels te scherpen. Het licht was bijna geheel verdwenen achter de horizon en een rode gloed verhaalde zijn haast. De stadspoorten zouden vast gesloten zijn en Karvan zou doodongerust zijn. Het was niet de eerste keer dat hij te laat bij de stadspoort arriveerde en dit zou hem vast en zeker weer een vervaarlijke klim langs de stadsmuren opleveren en een nog vervaarlijkere preek van de meester-kok. Hij zuchtte, niets leek hem mee te zitten. Toen hij licht hijgend aankwam op de open plek waar hij de beer had verbonden lag er enkel nog een bloederige tak, een stuk touw en een verspreide inhoud van zijn buidel. “Ondankbaar beest” Wat had hij dan verwacht. Een grom en een knuffel? Natuurlijk was hij was ook wel gerust dat de beer op eigen krachten op zoek was naar voedsel en uiteindelijk verscheen er een grimas op zijn gezicht toen hij zich bedacht dat hij eigenlijk had gehoopt op een verrukte reactie van de beer als hij met de buidel vol bessen aan was gekomen. Storm raapte de overgebleven verbandmiddelen bij één en verving de bessen. Hij had onderweg al gefantaseerd over een tweede confrontatie met de beer die uiteindelijk zouden leiden tot een opbloeiende vriendschap met een wild beest. Ach, hij had ieder geval een goede daad verricht richting moeder natuur en hij vertrok op een snelle draf richting de veste. Zonder hertenbok, paddenstoelen of kruiden, maar met een schoon geweten als buit.


Jeroen Cornelis: Beste lezer, we zijn bij een stuk aangekomen waar ik een haat/liefde verhouding mee heb. Er wordt veel uitgelegd, wat enigzins later nog wordt uitgebreid in een minder vertellende wijze én Storm helpt een beer. Vooral het laatste beestje maakt mij soms twijfelen. Glijd ik hier niet te veel richting Young Adult? Uiteraard is het fantasy, maar is dit stuk te ongeloofwaardig? Ik heb vaker gedacht om het te schrappen. Waarom niet? De beer komt nog terug, als een duveltje uit een doosje. Dat deel vind ik namelijk wel erg mooi. Graag hoor ik jullie mening, reactie en tips om dit deel beter te laten vloeien. Of (en dat mag natuurlijk net zo graag) hoor ik positieve geluid over dit deel.

5 REACTIES

  1. Jeroen,eerst en vooral wil ik je complimenteren met het vervolg van je verhaal,het is opnieuw een pareltje.De confrontatie tussen Storm en de beer vind ik mooi al heb ik hier wel een kleine opmerking,de beer laat Storm vrij gemakkelijk begaan om hem te helpen, terwijl een dier dat gewond is uiterst gevaarlijk en onvoorspelbaar is.Voor de rest is het een mooi verhaal niets op aan te merken.Ik zou zeggen doe zo verder.

  2. Dankjewel, Vera! Fijn jouw reactie weer te treffen. Bedankt voor de mooie complimenten en bedankt voor de tip. Ik moet dat geheel nog eens flink onder de loep leggen.

    Fijn weekend! En tot volgende week.

  3. Hallo Jeroen
    De referentie naar het jaartal, hangt in de lucht. Geef er een kader bij. Welk jaar is het nu? Welke koning heerst nu?
    ‘Zou hij van adel zijn?’ Zo slaat het nergens op of is dat een tip van de sluier?
    ‘Het bekte gewoon niet lekker’ Is een beetje grof taalgebruik.
    ‘Hij groeide op als weeskind van Karvan en Vyra.’ Dit klopt niet. Hij groeide op bij Karvan en Vyra of hij groeide op als kind van Karvan en Vyra.
    Het verhaal over de beer is zo veel te lang en ongeloofwaardig. Tenzij het met zijn magie, met zijn kracht of gave te maken heeft, maar dan moet je daar ook aandacht aan geven of het op z’n minst benoemen.
    Je maakt veel taalfouten, vergeet woorden of slaat woorden en komma’s over en dat komt slordig en nonchalant over. Als je graag wil dat andere mensen er energie in stoppen… Het maakt voor mij geen fijne indruk.
    Ik blijf je verhaal interessant en boeiend vinden en ik ben benieuwd hoe het verder gaat.

    • Beste Josse, dankjewel voor je input! Ik heb weer een aantal punten van je mogen verwerken in het manuscript. Ik moet je helaas gelijk geven in taal- en typefouten. Wellicht kan je je voorstellen dat wanneer je grote lappen tekst schrijft, het in je hoofd goed klinkt en staat. Wanneer ik het teruglees haal ik er regelmatig zaken uit, maar alsnog blijf ik er zelf overheen lezen. Daarom zal ik zeker, wanneer het een definitieve versie betreft het uit handen geven bij een redacteur of uitgever welke het laat redigeren. Nu zit al mijn tijd en inzet in het schrijven, schrappen, herschrijven en vooral verder gaan. Ik hoop dat je toch nog getriggerd blijft om verder te lezen. Bedankt voor je eerlijkheid!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here