We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de eerdere delen. Deze week alweer het dertiende deel.


– Hoofdstuk 6: Ravi –

Geur en zicht maakt mij bezeten
als zij tafels vult met al dit eten
tot mijn oog valt op een gemis
verhip… Mijn beurs vergeten!


-4e verse, “Honger” door Jon Secretum-

Hij droomde van een groentetuin. Een overvolle, kleurrijke tuin met de lekkerste verzameling van alles wat de natuur te bieden had. Ergens wist hij wel dat het maar een droom was, want de vruchten en het fruit waren absurdistisch groot en rijp. Toch likte hij zijn lippen verlekkerd bij alles wat hij om zich heen zag. Midden in die tuin lag hij in een bed van een enorme krop veldsla. Zo knapperig, met de smaak van het helderste water en de zoetste bladeren. Omringd door bosjes vuurrode aardbeien, die bol stonden van het vruchtvlees. Her en der zag hij komkommers, zo groot als zwaarden en bramen zo dik en zo donker dat ze meer zwart zagen, dan paars. De perziken zagen er het meest aantrekkelijk uit, wat een sensuele vorm hadden die vruchten toch.. Hard en stevig, maar zo rijp van smaak. Mierzoet, maar verslavend lekker. Maar niets, maar dan ook niets woog op tegen de enorme watermeloenen die hij plotseling in zijn handen leek te hebben. De geur was buitenaards. Hij rook bloesem, wat vreemd was, met een vleugje jasmijn. Hij werd zich opeens ervan bewust werd hoe licht de meloenen waren, ondanks de omvang. Toen pas merkte hij dat ze zacht aanvoelden, als bolstaande, lederen zakken gevuld met wijn, maar dan zijdezacht?. Goden, wat voelde dat heerlijk! Even twijfelde hij, alsof het taboe was, maar hij deed het gewoon. Hij duwde zijn hoofd tussen die heerlijke, zachte meloenen toen hij plotseling een felle tik tegen zijn hoofd voelde.

“Ga je lekker, goof.” Moppie schaterlachte. Ravi schrok op en hij trok zijn handen terug van haar ontblote boezem. Hij kleurde rood van top tot teen toen hij besefte dat hij als een kitten, wachtend op een tepel melk, haar borsten had gemasseerd en hij kuchte benauwd zijn droom weg. “Sorry, ik… Ik weet niet wat mij bezielde. Waar ben ik?” Ze lachte weer. “Ik ben wel erger gewend, goof. Je bent veilig, in mijn huissie.” Hij lag in haar bed en hij hoefde de dekens niet op te tillen om te voelen dat hij naakt was. Moppie merkte zijn plotselinge preutsheid op en lachte speels. “Rustig maar, goofje, ik heb niets gedaan wat je zelf niet wilde. Maar het had niet veel gescheeld of je was er tussenuit geknepen.” Ravi schudde niet begrijpend zijn hoofd om de laatste deel van zijn groentetuin uit zijn gedachten te krijgen.

“Vergiftigd.” zei moppie terwijl ze uit bed stapte. “Het werpmes van één van je ‘vrienden’ was ingesmeerd met wolfskers op het lemmet. Van de plant, denk ik. Niet van de kers, anders was je dood geweest.” Ravi wreef pijnlijk over zijn kuit en zag dat zijn wond was gedicht. “Netjes, he.” Ze draaide trots een pirouette toen hij besefte dat hij met open mond naar haar lichaam staarde. Moppie was met recht een moppie. Volslank, wat haar natuurlijke vormen tot een goed recht deden uitkomen. Ravi schaterde even hardop om zijn absurdistische droom terwijl hij naar haar dansende borsten keek. “Oh, ben je weer terug.” Ze griste de dekens van haar lijf en plotseling lag hij naakt en onbeschut in een vreemd huis, terwijl zij zichzelf tot slaapkamerkoningin kroonde door haar dekens om haar heen te draperen. “De hele plant is giftig, maar de bessen zijn bijzonder dodelijk omdat ze het neurotoxische atropine bevatten.” Het duizelde Ravi opeens weer, alsof zijn geest zich herinnerde dat het vergiftigd was. “Wat zeg je allemaal?” Moppie was duidelijk in haar element, want ze leek het niet op te merken.”Dan stopt je hart met kloppen, goof. Wist je dat dames het in kleine hoeveelheden in hun ogen druppelen teneinde de spiertjes te verlammen, om met hun mooi verwijde en glazige pupillen mannen te versieren? Zou je dat wat vinden, goof?” Ze knipperde plagend met haar wimpers en kroop als een tijgerin over het bed. Hij voelde zijn lijf zich opwinden terwijl ze met haar handen zijn voeten masseerde en langzaam naar zijn bovenbenen omhoog kriebelde. Ze keek blij naar het resultaat van zijn hardheid. Ravi’s blik leek uit het niets onscherp toen het steeds sneller duizelde. “Ik geloof dat ik weer flauw ga vallen.” zei hij terwijl zijn eigen stem opeens heel ver weg klonk. Langzaam werd zijn wereld steeds donkerder, met kleine sterretjes die rond zijn ooghoeken dansten. Ver weg hoorde hij Moppie. “Het gif zal nog wel even in je bloed blijven dus de komende dagen ben je van mij.” en dat was alles wat hij nog hoorde.


Hij wist niet of het minuten, uren of dagen later was. Hij merkte dat hij zich goed voelde, maar hongerig. Hij verlangde naar kaas. Dat had hij vaker op één of andere manier. Een dikke snee brood, met boter en een nog dikkere plak jonge kaas. Een goed teken wist Ravi de Raaf en hij stapte voorzichtig uit bed, langzaam om zijn spieren de tijd te gunnen om te wennen aan wat spierkracht. Het opstaan ging gemakkelijk, dus het waren eerder uren dan dagen. Hij zette een paar stappen. Dat lukte ook wel. Hij dacht aan Moppie en haar naakte lijf. Had hij nu bij haar in bed gelegen? Naakt? Of had hij het gedroomd? Hij voelde zijn wangen warm worden en of dat nu schaamte was toen hij grimassend terugdacht aan zijn meloenendroom of door het beeld van Moppies meloenen, dat deed er niet toe. “Idioot” maande hij zichzelf toe. “Daar gaat je onbevlekte imago.”

“Praat je nu ook al in je slaap, Ravi de Rat… Of was het de Raaf?” Ravi draaide om zijn as en greep naar een verborgen zak met zijn werpmessen, maar realiseerde zich te laat dat hij geen kleren droeg. “Zocht je iets, rattenkop?” Een lange, slungelachtige schurk hield zijn werpmessen in zijn hand. Ravi voelde zich letterlijk en figuurlijk bestolen. “Wat wil je van me?”

“Och, zo onbeleefd?” De man grijnsde een geel gebit vrij en Ravi zag dat het duidelijk een gapper van de straat was. De haakneus, het pokdalige gezicht met borstelige wenkbrauwen. Hij kende deze man niet. “Jij ben niet van de Buldog.” Het was eerder een bevestiging dan een vraag. Ravi had kennelijk een gevoelige onderwerp aangesneden, want het lachen verging de lange man terstond. “Nog niet, Rat. Nog niet. Maar ik weet zeker dat als ik jou dood of levend bij de bende aflever, ik niet hoef te solliciteren. Begrijp je wel.” Hij lachte weer. Ravi’s tweede natuur had de overhand alweer genomen en hij had situatie berekend. Deze smerige gapper wilde in een goed boekje komen te staan om lid van de bende te worden. Maar deze slungel had zich waarschijnlijk niet afgevraagd waarom de bende hem zou graag wilde hebben en waarom dat tot nu toe niet gelukt was. Ravi’s hersenen leken te kraken van de inspanning. Eén tegenstander, alleen gewapend met zijn werpmessen. Maar verder geen zichtbare wapens. Hij zocht zijn rapier. Waar had hij dat kreng gelaten. “Als je klaar bent met lachen om je eigen toekomstdromen, dan wil ik graag mijn spullen terug.” De man had het nu helemaal niet meer. “Hoor je dat, Gruwel, die rat denkt dat hij een kans heeft.” Er klonk wat gestommel uit de kamer naast hem toen Ravi inwendig vloekte. Hij had werkelijk gedacht dat de slungelige man alleen opereerde. De man zag Ravi’s gezicht betrekken en hij leek de vergissing van het gezicht te lezen. “Oh, Ratje toch. Dacht je dat ik je alleen kwam halen? Dat je alleen maar mijn persoontje te hoeven vermoorden als de smerige smies die je bent?” Ravi moest nu in actie komen, voordat de tweede man er was. “Eerlijk gezegd wel, ja.” Hij moest een beweging uitlokken zodat hij hem zijn messen afhandig kon maken. “Maar als hij Gruwel heet, ben jij dan Smeerpijp?” In plaats dat de lange slungel een beweging richting Ravi maakte, vloog de deur met een klap open en voordat hij realiseerde wat er precies gebeurde hing hij in de lucht. Twee mokers van handen hielden hem aan zijn nek omhoog en hij keek wild spartelend in het gezicht van een boze, reus. “Jij moet een beetje respect hebben voor lange Jan.” Dat verklaarde waarom Jan ongewapend was. Hij had een wandelende sloopkogel meegebracht. Ravi gebaarde met een rood gezicht dat hij niets kon zeggen. ”Zet hem maar neer, Gruwel, misschien wilt hij ons vertellen waar al zijn goud is, om ons om te kopen?” De reus wachtte op een antwoord van Ravi en hij knikte moeizaam. De reuzenhanden ontsloten zijn keel en Ravi viel met een klap op de grond. Hoestend en proestend kwam hij overeind. Steun zoekend bij een stoel probeerde hij een tweede plan. “Ben jíj Lange Jan? Die naam heb ik wel eens vaker horen vallen bij Mascha.” De schurk glimlachte. Werkte het? “Dan weet ik niet of ik mij verslagen of vereerd moet voelen, had ik mijzelf al voorgesteld?” Hij stak zijn hand uit. Met een beetje geluk zou hij een razendsnelle worp uitvoeren zodat hij de slungel één van zijn mooie messen tegen de keel kond drukken. “Ravi de Raaf uit Nieuwpoort, aangenaam”

“Bespaar me je gekruip, Ravi de Rat uit mijn poepgat.” Gruwel grinnikte dom. Het bekte ook wel lekker, moest Ravi toegeven. “We weten wie je bent en je krijgt precies tien tellen om te vertellen waar je jouw gespaarde loontje hebt verstopt, dan leveren we je levend af bij die bende van je. Zonder geld ga je ook mee, maar dan knijpt Gruwel die ellendige tong uit je hoofd, snappie?” Zijn gespaarde loon? Ze hadden werkelijk geen idee, maar hun geld geilheid bood kansen.

Snap ik, snap ik. Ik werk mee beste heren jatteneur.” Ravi bekeek het zicht uit het raam. Hoe ver zou het vallen zijn? “Heren, als ik even de tijd krijg om mijzelf te fatsoeneren?” Gruwel keek niet begrijpend naar Lange Jan. “Hij wil zich aankleden, Gruwel. Nou van mij mag je. Dat miezerige piemeltje van je is eerder beschamend voor ons mannen, dan voor jou alleen” Ravi keek gekrenkt naar zijn eigen gekrompen lange Jan, haalde zijn schouders op en knikte beleefd naar zijn kidnappers. Langzaam raapte hij wat kleding bij elkaar. Geen rapier, geen werpmessen. Op de grond lag ook niets. Hij wilde een lade opentrekken om te kijken of Moppie misschien nog een wapen had achtergelaten, maar hij voelde de mokerhand op zijn schouder. Hij draaide zich voorzichtig om en zag Jan langzaam schudden. Terwijl hij de rest van zijn kleren aanschoot, schoten de wildste ideeën door zijn hoofd. Hoe kwamen die twee smiezen hier? Kon hij Gruwel aan? Hij betwijfelde het. Moest hij tijdrekken en wachten tot Moppie terugkwam, of had zij hem juist verraden? Hij moest het weten. “Hoe komen jullie zo aan mij verzeild geraakt, getipt door de één of ander?” Lange Jan vertoonde een gemene grijns. “Nieuwsgierig ratje, ben je.” De reus lachte mee. “Was het iemand van de bende? Of ben ik verraden door één of andere jaloerse dame?” Het kon Moppie niet zijn. Waarom wist hij eigenlijk net. Zo lang kende hij haar toch niet… “Je baas mot je kennelijk uit de Bulldog hebben en dat brengt een plekje vrij voor Jan.” Gruwel leek trots op zijn gap.

“De één zijn dood, is zijn ander zijn brood.” beaamde hij. “Nog een speciale reden?” hij haalde de ring van zijn vinger en stak hem in zijn broekzak. “Had het iets met een artefact te maken?” De koppen van beide schurken toonden eventjes verbazing. Toen hebzucht en dat bleef bij de één wat langer hangen dan de ander. “Een artefact, zeg je?”

“Een magisch, artefact mijn beste rammer.” verbeterde Ravi hem. Hij besloot niet te vertellen dat het een ring was. “Nee, dat zegt me niets. Vertel daar eens iets meer over?” Als het nog geen algemeen nieuws was, dat Ravi het artefact had gestolen voor de anonieme opdrachtgever, dan was dit waarschijnlijk de reden dat hij dood moest. Hij moest leveren en sterven en het geheim van het artefact met zich meedragen. Belachelijk. Al het krediet dat hij had opgebouwd binnen de bende leek teniet gedaan te zijn. Iemand wiste zijn sporen uit. “Nou, vertel dan. Wat is dat waardevolle dinges dan?” Hij moest deze domme dieven voor zich zien te winnen en uit de inhalige klauwen van de Buldog ontsnappen. Ravi haalde zijn schouders op. “Bendegeheim, heren. Dit artefact is zo kostbaar, dat mag niet gelekt worden. Begrijpen jullie wel toch?” Gruwel leek teleurgesteld, maar Lange Jan bleek niet zo snel omgeluld als hij. “Ik begrijp je wel, maar Gruwel, die heeft het niet zo op geheimen, toch Gruwel?” De reus begreep dit seintje wel en hij stapte dreigend op hem af. Ravi hupte met nog maar één been in een broekspijp en zag het risico op beurse plekken en botbreuken op hem af deinzen. “Nou, misschien kan ik het jullie brave gappers wel vertellen. Maar dan jullie moeten het wel geheim houden.” “Wat geheim houden?” Moppie kwam binnenlopen met een stralende lach op haar gezicht die direct als sneeuw voor de zon vertrok toen ze Ravi’s geschrokken blik zag. “Wegwezen.” gebaarde hij. “Gruwel, nodig deze dame eens uit voor ons gesprek,” Moppie had de clue te laat te pakken en Gruwel pakte het meisje op met één hand en wierp haar met een ruwe worp voor zijn voeten. Maar Moppie kwam verbazend goed terecht en van onder haar rokken trok ze een korte dolk te voorschijn. Ze draaide in een schijnbeweging van de grote dief weg en wierp in dezelfde beweging het mes richting het gezicht van Gruwel. Opeens gebeurde alles heel snel. Gruwel brulde en greep naar zijn gezicht, waar de dolk half uit zijn wang stak. Een niet dodelijke wond, maar wel een enorm bloederige. Lange Jan gilde verrassend hoog en commandeerde Gruwel het tweetal te doden. Maar de reus was veel te druk met zijn gehavende wang. Ravi aarzelde geen moment en rukte een stoel vanachter het bureau vandaan om het raam aan diggelen te slaan. Hij veegde in eenzelfde beweging met de poten de achtergebleven scherven uit alle hoeken en wierp de stoel naar Lange Jan toe. “Springen, Moppie! Of heb je nog meer verrassingen onder je rokken?” Ze lachte even en greep zijn uitstekende hand stevig beet. “Hier gaan we.” zei Ravi tegen niemand in het bijzonder en hij sprong het raam uit. Hij hoorde nog net “Spring er achteraan, Gruwel!” roepen toen hij met een smak op de kinderkopjes terechtkwam. Moppie viel boven op hem en hij hoorde zijn eigen ribben kraken. Hij vloekte, rolde op zijn zij om overeind te komen, maar kromp kermend ineen.. Moppie keek omhoog en zag te laat de reus met een bloedend gezicht uit hetzelfde raam springen. “Wegwezen, Moppie!” Schreeuwde Ravi nog, maar het was te laat. Gruwel stortte ter aarde, door het enorme gewicht van de man brak hij te veel botten. De reus brulde. Uit zijn benen staken stukken botsplinters en de zijn rug stond in een onnatuurlijke stand. Met verbazingwekkende kracht sleepte Gruwel zich aan zijn armen naar voren en stak hij de dolk, die hij kennelijk uit zijn eigen wang had getrokken, diep in de buik van Moppie. “Nee!” hoorde Ravi zichzelf schreeuwen. Gruwel stierf, maar zijn laatste gruwelijke daad was de moord op het moppie dat Moppie heette. Nee! Ze was nog niet dood! “Moppie!” Wat moest hij doen? Haar jurk kleurde dieprood en haar stem brak. Vlucht… Ravi de Raaf uit Nieuwpoort.” Hij schudde zijn hoofd terwijl hij tranen voelde prikken. “Ik laat je niet achter.” Hij scheurde het stuk kleding om de wond kapot om de schade te bekijken. Hij durfde de dolk er niet uit te trekken, maar om het lemet heen gutste het bloed er al uit. Hij scheurde zijn shirt kapot en draaide het om het mes heen. “Houd druk op de wond om het mes heen, Mop!” Moppie schudde haar hoofd. Had ze dan al zoveel bloed verloren? Hij keek naar de grond die rood gekleurd was.” Vecht! Schreeuwde hij niet begrijpend. “Ik ga hulp halen.” Heldhaftig wilde hij gaan staan, maar hij kromp ineen en viel naast haar op de grond. Zijn ribben moesten gebroken zijn. Moppie lachte. “Mijn gevederde held. Hier, ik heb nog één verrassing onder mijn jurk.” Ze overhandigde een bloederige geldbuidel. “NIets daarvan, ik breng je naar de waard.” Ze zuchtte en hoestte bloed op. De wond was te diep en hadden haar longen kapot gemaakt en wist hij veel wat nog meer. “Ik red het niet. Ga!” Ze duwde hem krachteloos weg en hij probeerde op te staan. De ribben deden hem happen naar adem en hij greep naar zijn middel, alsof vasthouden zou helpen. “Onzin, ik breng je naar de Zeemeeuw.” Protesteerde hij. Maar toen hij hortend opgestaan was, zag hij dat Moppie niet meer leefde. Hij knielde voorover en viel in een onhandige omhelzing. Deels door het gemis en deels door de pijn. Hij voelde met zijn wang tegen haar mond of hij haar zoete adem nog voelde. “Moppie…” Geen ademhaling, geen hartslag. Hoe lang moest hij voelen? Hij telde…voelde… niets. ”Goden verdom me!” vloekte hij naar geen god in het bijzonder. Ze was goed voor hem geweest, maar meer tijd om te rouwen kreeg hij niet. Er klonken opgewonde stemmen aan het eind van de steeg, waarin hij op zijn knieën was gevallen. “Daar is die Rat, grijp hem! Ze hebben Gruwel vermoord!” Niet nog meer straatvechters. Ravi dwong zich op te staan en de buidel met geld vast te houden, maar zijn ribbenkast deed hem sterretjes zien. Ondertussen kwamen er vier ruig uitziende mannen aanrennen, met Lange Lang op de achtergrond. Ravi had zich toch een beetje vergist in Jan, want de lange dief bleek meer leider te zijn dan hij had verwacht. ach, misschien was het een momentopname. ”Steek ze neer! Laat ze bloeden!” Hier kon Ravi zich niet uit redden. Hij was ongewapend, op de dolk na. Maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de dolk uit Moppie’s boezem te trekken. Soms, als een situatie uitzichtloos lijkt, dan verschijnt er een minder uitzichtloze oplossing. Dat moment bood zich aan. Een derde partij kwam het speelveld binnenmarcheren.

Zes stadswachten onder leiding van een onderofficier kwamen nietsvermoedend de straat inlopen. Ravi zag de bende halzensnijders die op een aantal meters afstand genaderd waren, geschrokken inhouden. Ravi stond theatraal op. “En dat, mijn beste gappers, is dan dat.” Woedend zag hij Lange Jan twee vingers opsteken en de hoek omslaan, alsof hij niets met de situatie te maken had. Maar de jateneurs van Jan liepen langzaam maar zeker door, met verscholen wapens. Ravi liep langzaam achteruit. Als hij moest kiezen tussen het gevecht of een gevangenisstraf dan wist hij het wel. Maar hij kon het niet laten om de gappers een beetje te plagen. “Nou, wie durft het op te nemen tegen een smies uit Nieuwpoort? Jij misschien?” Hij wees op de grootste man. Ondertussen was de stadswacht dichtbij genoeg om de situatie juist in te schatten. “Kijk of die vrouw nog leeft en arresteer het tuig!” Het was een emotieloos bevel. De stadswacht liep met getrokken sabels richting de bendeleden die halsoverkop maakten dat ze weg kwamen. “Dag gappers!” riep hij de vluchtende meute toe. “De hartelijk groeten aan die Lange!” Maar de mannen keken niet meer om of op, de stadswacht staakte de korte klopjacht. Zij wisten wel beter dan de binnenstad, steegje in steegje uit, achter straattuig te rennen. “Ze is dood.” zei hij tegen de onderofficier. “En wie mag jij dan zijn?” Ravi wilde een sierlijke buiging maken, maar zijn ribben onderbraken hem. “Ravi, uit Nieuwpoort, heer,” Ondertussen waren de stadswachten weer in formatie, achter hem opgesteld, “Ik ben geen heer” spuwde de onderofficier. “En jij bent niemand meer dan moordenaar. Arresteer hem.”


Eigenlijk kon het hem niets meer schelen. Hij was gebroken, letterlijk en figuurlijk want de dood van Moppie raakte hem meer dan hij verwacht had. Raar eigenlijk, want hij kende haar nauwelijks. Toch, haar goedlachse onbevangenheid, haar ontwapende lach en haar hulp zou hij niet vergeten. Althans, dat beloofde hij haar in gedachten. De stadswacht sleepte hem mee naar het gevang. Daar zou hij ongetwijfeld opgehangen worden voor een moord die hij niet gepleegd had. Ravi lachte hardop. “Wat valt er te lachen, zwijn.” Hij kreeg een harde duw in zijn ribben en hij kreunde. Toch was het lachwekkend. Ravi de Raaf, die meer diefstallen, moorden en andere bende gelieerde streken op zijn naam had staan, werd opgehangen voor een moord op zijn Moppie. Lange Jan moest eigenlijk nog boeten. En de Buldog ook, ratten waren het. Hij riskeerde zijn leven, niet voor niets natuurlijk, maar wel uit opdracht van… Van wie eigenlijk, Mascha? Het was een doorgewinterde smies van het ergste soort, maar hij had altijd een soort dievencode. Een soort eer gehad. Hij vertrouwde de bendeleider wel, maar macht, rijkdom en roem waren drie gekke dingen. Het veranderde iemand. “Doorlopen,” Ravi herkende het bureau van de stadswacht direct al was er nog nooit binnen geweest. Een statig gebouw, hoog en breed dat gezag uitsprak. De getraliede ramen hielpen ook een eind. Eén keer eerder was hij ooit, weliswaar kort, opgesloten geweest. Hij had de bewaarder kunnen strikken voor een grove beloning die hij nagekomen was. De beste man had nog nooit zoveel goud gezien, maar het scheelde hem een strop. Nu zou het wat lastiger worden. Wilde hij het wel? Kon het hem nog iets schelen? Maar hij voelde het in zijn tenen. Een gapper uit de goot, besteel je niet zomaar van zijn brood. Tegeltjeswijsheid dat hij ergens had opgepakt.

Een gevoel borrelde op, diep verscholen, met de drang om te ontsnappen. Was het wraak? Nee, hij wilde gewoon een verklaring. Waarom wilde de Buldog hem dood of levend terug? Maar Jan moest dood. Dat kon later.

Ze hadden hem gewoon naar de ring kunnen vragen, toch? “Verdomme!” De ring! “Houd je bek, straatrat.” Hij kreeg een stomp in zijn nek en hij zakte door zijn hoeven. “We zijn er. Gedraag je maar een beetje, want de onderofficier is slecht gestemd vandaag.” Ravi knikte terwijl hij met zijn hand in zijn zak voelde. Hij voelde het koude edelmetaal tegen zijn vingers en schoof de ring om zijn vinger. Een golf van oplichting overviel hem. Hij wilde de ring afleveren bij Mascha. Uiteindelijk zou hij de trofee misschien zelf houden, maar hij wilde meer weten over het mysterie van het artefact. Hij had het altijd lariekoek gevonden, magie en alles, maar als er een gewaardeerd bendelid -zoals hijzelf- voor gedood moest worden en het nieuws van de ring werd stil gehouden in de onderwereld, dan was de opdrachtgever een bijzondere.

“Naam?” Hij werd voorgeleid bij de onderofficier in een apart klein kamertje. Alsof hij moest biechten voor de Ene. De man staarde ongeïnteresseerd over de rand van een enorm boek. Vast vol met namen van gappers die hij ooit wel eens gekend of van gehoord had. “Geen naam? Wil je er eventjes over nadenken in het schavot?” Ravi herinnerde de waarschuwing van de wachter over het humeur van de onderofficier te laat. “Sorry, officier. Ik was onder de indruk van uw bureau.” Het leek iets te helpen. “We hebben het dit jaar helemaal verbouwd. Je hebt geluk, de cellen zijn vernieuwd en verstevigd.”

“de Raaf, officier.” Krullende letters legde zijn gestolen familienaam vast. “Voornaam? Of heeft is dit je artiestennaam?.”

“Raven.” De man keek hem aan met opgetrokken wenkbrauw. “Raven de Raaf. Nou we hebben wel een mooi vogelkooitje voor je. Veel plezier met uw verblijf en nu opkrassen.” De man had waarschijnlijk een carrière als cabaretier misgelopen.

“Wacht, wat is mijn straf?” Hij hoorde toch te horen te krijgen hoe en wanneer hij ter dood veroordeeld zou worden? Dan wist hij hoeveel tijd hij nog had om te werken aan een ontsnapping. “Kennelijk heb je ook iets goed gedaan, Raaf. Want de waard van de Zeemeeuw heeft zich gemeld.” Een flankje hoop verscheen in zijn ogen en de stadswacht zag het. “Ah, jij dacht dat dit het was voor je? Je hebt geluk. Nou ja, geluk? Het was je lief, die dame.” Ravi kinkte bedroevend, weer herinnerd aan de dood van Moppie. “Ja, officier.” De man gaf Ravi een vriendschappelijk vuist tegen zijn schouder. Ravi wist niet waarvoor hij gewaarschuwd was, want hij mocht deze gap van de stadswacht wel. “U bent zo kwaad nog niet, officier. Voor een smeris, wel te verstaan” Er spleet een valse glimlach van het gezicht van de officier en Ravi besefte te laat dat hij in een sadistisch spel verwikkeld was. “Weet je wat ik nu het meest jammerlijk vind? Dat we allemaal die natte pruim van die hoer van jou niet meer mogen proeven. Is het niet mannen!” Er brak voorzichtig gelach uit om hen heen. Deze man die hem willens en wetens kwetste met de dood van zijn vriendin terwijl hij wist dat hij onschuldig was. Gore klootzak… Ravi slikte zijn woede in en inplaats te protesteren en besloot het op een lachen te gooien. Hij lachte keihard mee, wat de schofterige stadswacht niet had zien aankomen. “Wat is er jongen, gek van verdriet?” De onderofficier sloeg op zijn benen van het lachen en daar wachtte Ravi op. “Weet je wat, klootzak. Ik vind het hier zo leuk, ik blijf nog wel even!” Hij griste de ravenpen uit de losse vingers van de officier en stak het scherpe uiteinde van de veer diep in het linkeroog van de gierende man. Hij voelde hoe de scherpe punt de iris van het oog doorboorde en het vocht uit zijn oogkas spoot. Hij gilde, een hoge schorre gil waar verbazing, afgrijzen en pijn tegelijkertijd uit op te maken was. Zijn mannen hadden niets door en dachten dat hun leidinggevende het uitbarstte van het lachen en besloten mee te lachen. Een bizar schouwspel waarbij de officier naar zijn oog greep waar de gitzwarte inkt uit de pen zich mengde met het waterig rode bloed uit zijn oog. “Mijn oog! Verdomme, mijn oog! Goddeloze idioten, smijdt die moordenaar in de dodencel!” Het lachen was abrupt gestopt. Alleen Ravi lachte nog. Mooi he, ouwe gapper. Zo had je je blik stevig op het papier en zo heb je een pen stevig in je oog.” De wachters sleurden hem weg uit het voorgeleidershok. “Dat zal je leren om vermoorde vrienden belachelijk te maken. Wat kan er geen knipoogje af?!” De onderofficier hoorde het niet eens, hij was alleen maar aan het gillen met de veer nog uit zijn oogbal puilend. “Euh, Chef.” Opperde één van de wachten. “Er is geen plek meer in de dodencel. Alles zit vol.”

“Dan vervoer je hem maar naar Andor, idioot. Daar zal hij zeker binnen een dag hangen!” Andor, de koningsstad. Iets uit de richting van zijn doel, maar wat zou het hem ook. De stadswacht die hem wegsleurde schudde afkeurend om de daad van de dief uit Nieuwpoort. Ravi zag het.“Bedankt mijn gap” zei hij tegen dezelfde man die hem gewaarschuwd had voor het humeur van zijn leidinggevende. “Het was inderdaad een gehumeurd mens.” Hij trok Ravi mee door een paar gangen en deuren tot ze buiten stonden. Een kar met een getraliede huif stond klaar. “Ah, mijn rijtuig?” De wacht negeerde zijn sarcasme en gooide Ravi in een kleine cel in de kar. Eventjes bleef hij staan in de opening “Je bent gestoord, Raaf. Maar dit verdiende die klootzak al een tijdje. Helaas maakt dit van jou toch een schuldige moordenaar en zal je met een paar dagen hangen.” Ravi haalde zijn schouders op. “We zullen het zien, mijn gapper. We zullen het zien.”

“Goeie reis, Raaf.” en de menner schreeuwde de paarden in beweging waardoor zijn schokkende cel op vier wielen begon met rijden. Andor, dacht hij. Hier komen we.


Jeroen Cornelis: In deel dertien zeggen we eventjes Storm gedag. We gaan terug naar onze meesterdief. Ravi maakt weer heel wat mee. Van liefde, geweld, wraak en gevangenschap. Komt het nog wel goed met deze goedlachse gapper. Graag hoor ik weer jullie mening, tips en vragen over dit lange deel. 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here