We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de eerdere delen. Deze week alweer het twaalfde deel.


Storm zag de wereld zoals hij die kende veranderen. De bosrijke omgeving had plaatsgemaakt voor de inmiddels vertrouwde uitgestrekte graslanden met weinig begroeiing, maar een nieuw landschap liet waarschuwend haar kleuren zien. Grijs, hard en ruw. De kapitein had hem verteld dat ze nog uren verder zouden reizen tot Hemels Dak, de start van de bergketen die uitliep tot een enorm berggebied de Hopbergen, met pieken zo hoog dat het leek alsof ze het dak van de hemel raakten. Ze zouden niet door de bergen trekken maar langs een ravijn, dat doorgang bood door een pas van het gebergte richting het Noord westen tot ze Andor zouden bereiken. Storm keek om zich heen. De vegetaties die hij kende was hier onvindbaar. Hier en daar boden wat struiken graafplaatsen voor grondwater, maar dankzij een miezerig regenbuitje was het tentdoek goed voor een primitieve watervanger. De lucht klaarde langzaam op en de hemel vertoonde een regenvrije periode van minimaal een paar uur. “We houden het droog” constateerde Anthony. De mannen gromde instemmend. Michiel leek als enige geen last te hebben van de lange ritten en een nat pak. Hij spreidde zijn armen en leek te genieten van de reis. Iets wat aanstekelijk werkte. De mannen hadden genoeg energie om Storm wat basisbeginselen bij te brengen van de kunst van het zwaardvechten.

Storm hing zijn kleren te drogen en in zijn natte ondergoed en hemd gordelde hij zijn zwaardriem om. “Knoop dat natte lamahaar eens bij elkaar, jongen. Anders zie je geen zwaard aankomen.”

“Ja, heer.” Antwoordde Storm quasi ernstig en hij trok een reep stof van een restpartij om z’n haar te ordenen. “Dat is beter. Michiel, pak je zwaard en wees eens een voorbeeld om trots op te zijn.”

“Dat vraagt ie aan mij” knipoogde Michiel hem toe. “Voetenwerk is even belangrijk als het hanteren van je zwaard” begon hij ernstig. Storm wist dat hij de pijnen van de rit zou moeten negeren. Timo zag het. “Doe je een beetje voorzichtig met hem?” vroeg hij deels plagerig, deels bezorgt. Michiel lachte. “Toen ik zo oud was als hij, zou ik maar wat blij zijn met een gratis zwaardles van een soldaat. De kapitein lachte. “Als je de jonker maar heel laat, we hebben nog een lange rit voor de boeg.”

“Kapteint!”

“Timo, ga jij de omgeving is uitkammen voor wat wild.” De soldaat pakte zijn boog en hij vertrok. De kapitein trok zich terug in de schaduw en bestuurde een landkaart. “Er moet hier ook ergens een kleinere tempel van de Witte Orde zijn. Daar kunnen we eventueel onze rantsoenen aanvullen.”

“Timo vindt altijd wel wat te knagen, Kapitein. Daar heeft hij oog voor.” “Een maag voor, zal je bedoelen.” Daar sprak Anthony geen onwaarheden, de lange soldaat kon eten als hyena in een konijnenhol.

Michiel was bereid voor de strijd en Anthony keek zo nu en dan even toe. “Laten we beginnen, Storm. Ben je al bekend met zwaardvechten?” Storm had wel eens een zwaard vastgehouden, maar daar stopte het dan ook mee. “Niet echt.” “Oké, let op mijn voeten en lichaamshouding.” Storm knikte vastberaden. Michiel demonstreerde een aanvalshouding. “Je begint met aarde maken.” En hij stampte zijn voeten stevig op de grond, uit elkaar om voldoende grip te pakken. “Als je aanvalt met een bovenhandse schijnbeweging is het belangrijk dat je eerst je rechtervoet voor zet.” Terwijl hij sprak lette Storm op zijn voetenwerk. “Je lichaamshouding verandert zodat je aanvaller denkt dat je bovenhandse aanval echt genoeg is om zich te verdedigen. Maar vlak voordat je slaat laat je jouw zwaardarm vallen. Zet je linkervoet voor en zwaai onderwaards naar zijn rechter dijbeen. Voor hem links.”

“Euh, nog eens?”

“Kijk maar gewoon, ik doe het een paar keer voor.”

De enthousiaste soldaat begon zijn demonstratie. Het zag er eerlijkheidshalve gemakkelijk en vloeiend uit. “Ga maar naast me staan en kopieer de combinatie.” Storm ging staan in de aanvalshouding. “Goed zo, flink aarde maken, jonker. Anders kom je niet zelfverzekerd over of verlies je evenwicht.” Storm volgde zijn voorbeeld en maakte dezelfde beweging voor de bovenhandse schijnbeweging en liet net zoals Michiel zijn zwaard naar onder suizen naar de benen van de onzichtbare tegenstander. Na een half uur aanvalsbewegingen oefenen zakte hij vermoeid door zijn knieën en plofte op de grond. Hijgend terwijl het zweet van zijn voorhoofd droop keek hij zijn leermeester aan “Niet slecht.” Besloot de jonge soldaat. “Maar alles moet natuurlijk een stuk vloeiender.”

“En sneller” zei Timo die aan kwam lopen met paar geschoten konijnen.

“Eten jongens” zei hij met een grimas. En dat hoefde hij geen twee keer te zeggen. Timo bleek een uitmuntend schutter, een kwaliteit die vooral door zijn kalmte en geduld tot uiting kwam. Maar even veel krediet ging naar Storm die dankzij de vele uren in de keuken een heerlijk maal kon bereiden. Hij maakte het vlees op smaak met laurierblad, tijm en wat peterselie wat in dank werd afgenomen door de soldaten. “Heerlijk” beaamde Anthony. “Heb je die kruiden van huis meegenomen?”

“Karvan heeft ze me toegestoken.” Verklaarde Storm. De kapitein knikte. Hij moest zijn lichaamstaal hebben gelezen om te zien dat Storm geen zin had om verder uit te wijden want Anthony richtte zich weer volledig op het malse konijnenvlees. Na het eten werden zere spieren gezalfd en gemasseerd, de voedselresten op verre afstand van het kamp begraven om geen aasdieren aan te trekken. De regen kwam zoals verwacht later op de avond terwijl Storm probeerde al zijn herinneringen van zich af te zetten en één te worden met de slaap. De slaap die veel te laat kwam.

Hij droomde een onrustige droom over magie, moord en angst wat er voor zorgde dat hij tweemaal badend in het zweet wakker schrok. Hij zag Michiel de wacht houden onder de tentflap. “Ga maar slapen, Storm. Je hebt nog een paar uur voordat het zonlicht doorbreekt.” Maar storm hoorde het al niet meer en hij viel terug in een diepe, droomloze slaap.

De reis verliep voorspoedig. Het gezelschap had de uitgestrekte graslanden achter zich gelaten en via Hemels Dak liepen ze door het ravijn van de Hopbergen. Langs de smalle bergpas, die slingerend door het gebergte liep, kwamen ze zoals voorspeld een kleine tempel van de Witte Orde tegen. Met vier slaapruimtes, een gebedsruimte en een behandelkamer was het de kleinste tempel die Storm ooit gezien had.

Maester Andreas, die samen met één vrouwelijke novice de tempel bewoonde, was vriendelijk en bood hen onderdak en rantsoen aan. Ze sloegen minimaal in en besloten één nacht te blijven om aan te sterken voor de bergrit. Dat bleek geen overbodige luxe.

De Hopbergen waren gigantisch en torenden aan weerskanten boven de bergpas uit. Als je claustrofobisch was, dan was de pas een kwelling. Aan weerszijden dreigde de berg je in te sluiten terwijl het steen in hoogte groeide. Het duurde een dagrit tot ze door de berg waren en het land langzaam weer bos toverde. Vooral het klimmende en dalende hoogteverschil had hen en voornamelijk de paarden helemaal afgetuigd. Nog éénmaal hadden ze de nacht doorgebracht in een rokerige herberg met een minimaal onderkomen. De herberg in Hoboken, wat net na de pas verscheen, heette De Buren, wat enorm geestig moest zijn als je tegen je vrouw vertelde dat je naar de kroeg ging. Ze moesten een kamer delen met z’n vieren, maar Storm was allang blij dat hij zijn reismatras mocht verruilen voor een bed wat afgestaan werd door de twee jonge soldaten. De vier werden voornamelijk genegeerd door de inwoners van de dorpjes waar ze doorheen trokken. Zo nu en dan werd er bij een grotere stad gevraagd naar het doel van de reis of waar het wit met gouden uniform voor stond wat de soldaten droegen. De uitleg dat een jonge edelman begeleid moest worden naar familie in Andor volstond.

Het hoogtepunt van de beschaving waar ze doorheen trokken was een fris bad in een luxe herenhuis in de stad Veldor. De sterk geurende zeep zorgde er voor dat ze er niet uitzagen en roken als een stel huurlingen op doorreis. Het eten in Veldor was Storm vreemd, maar smaakte heerlijk. Uiensoep met bier en kalfstong met pruimen. Niet de meest smakelijke combinatie zou je denken, maar de jonker uit Rhoden had het recept ontfutseld bij de waard om later Karvan versteld te doen staan. Ze verlieten Veldor met voldoende voedsel en water, gewassen kleding en een fris uiterlijk om aan de laatste vijftig kilometer van de reis te hervatten.

De avond was aangebroken en op de zevende dag van hun reis legde Storm zijn zwaard naast zich neer. “En” vroeg hij hijgend. “Je bent geen natuurtalent jongen, maar je kunt jezelf verdedigen.” Antwoordde de gespierde kapitein terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wreef. “Als je wat ouder was zou ik je vragen om te solliciteren voor een plaats in de Zeearenden van Rhoden.”

“De opleiding duurt jaren, Storm.” Verklaarde Timo. “Ik weet niet eens zeker of het een compliment is..”

“Dat is het, mannen. Storm vecht al beter dan jullie konden in jullie eerste maanden.” Storm lachte onzeker. “Bedankt, maar ik denk dat het eliteleger niet voor mij is weggelegd.” Zijn lach verdween. “Maar ik zal het in gedachten houden.” Besloot hij om niet af te wijken naar de reden van zijn vertrek uit Rhoden.

Michiel kwam met snelle pas aanlopen. “We hebben bezoek.” fluisterde hij terwijl achter hem een vijftal mannen te paard kwamen aandraven. “Wapens gereed” beval de kapitein. “Maak je klaar voor een eventuele aanval. Storm, ga achter me staan.” Timo kwam uit de tent te voorschijn met zijn zwaard in de hand en drie beukers welke hij uitdeelde aan de soldaten. Beukers waren kleine ronde schilden, wist Storm. Favoriet voor cavalerie en voor de langere reizen werden deze schilden dankzij het lichtgewicht gebruikt. De groep soldaten naderden het tentenkamp terwijl de mannen klaar leken voor een eventuele aanval. Een zwarte leeuw met opengesperde bek omringt door een gele zon schreeuwde van het uniform van de vijf ruiters. Plaatpantser versiert met brullende leeuwen op hun schouderplaten verklaarden hun komst. “Soldaten van de koning” fluisterde Timo hen toe. De vijf man te paard hielden halt bij de tent. “Middag, heren. Wat is jullie bezigheid hier.” Vroeg een breedgeschouderde man op norse toon” Anthony deed een stap naar voren. “Mijn naam is Kanterszoon, kapitein van de Zeearend van Rhoden” Alsof zijn woorden nietszeggend waren wachtte de man, die duidelijk de leiding over de overige vier ruiters had, tot er meer kwam. Maar er kwam niets meer. Anthony stond als een rots voor de vier ruiters met zijn zwaard in de aanslag. “Wat hebben jullie hier te zoeken” Anthony moest voorbereid zijn op dit soort situaties want hij haalde een document te voorschijn. “Van de Hertog.” En hij gaf het papier aan de man. Storm bekeek de soldaten. De mannen moesten al lange tijd zonder een fatsoenlijk bad hebben gereisd. Geen van de soldaten was gladgeschoren of zag er fris uit. De officier deed alsof hij kon lezen of was gewoonweg niet onder de indruk. “Goed kapitein, mijn naam is Slagerszoon, sergeant van het garnizoen de Leeuw van de Koning.” Anthony knikte. “Jullie kunnen verder met jullie reis.” De sergeant draaide zijn paard. “Wij houden jullie in de gaten.” Michiel kon zijn mond niet houden en deed een stap naar voren. “Wat doen vijf leden van het garnizoen van de koning zo ver van de stad?” Slagerszoon dreef zijn paard tot vlak voor tot Michiel. “Geen slechte vraag jongen, al zou je in mijn garnizoen gestraft worden voor je bijdehante gedrag. Wij zijn opzoek naar een stel slavenrondselaars, halzensnijders die mensen gedrogeerd ontvoeren en verkopen op de Afgrond.” De man keerde zijn paard en wilde zijn weg hervatten. Michiel leek echter nog niet geheel tevreden. “Sorry, sergeant dat ik u weer wat moet vragen, maar wat is de Afgrond?” De sergeant lachte en Anthony liep enigszins rood aan.

“Dat is al een stuk beter, jongen. De Afgrond zijn wat schiereilanden op een dag of twee varen van de kust. Voornamelijk piraten. Vraag je kapitein maar naar de rest” Besloot hij terwijl hij Anthony toeknikte en zijn paard manoeuvreerde. “Uitrijden! Goeiedag heren.” En de vijf ruiters verdwenen even snel als ze gekomen waren. “Michiel!” bulderde Anthony. “Moet je nou weer die eeuwige loslippige smoel van je opentrekken? De reden dat jij mee bent op deze tocht is om je een beetje discipline bij te brengen.” Michiel keek beteuterd naar een onzichtbare plek op de grond en hij was zo fatsoenlijk om te blozen. “Sorry, Kapitein.”

“Het is al goed, als je maar de volgende keer je smoelwerk houdt.” Storm verborg zijn glimlach met zijn handen. “Goed mannen, ik wil vannacht twee man op wacht dus ik wilde Storm vragen om ons bij te staan.” Storm keek de kapitein verbaasd aan. “Ik zal niet tegen je liegen, Storm. Ik verwacht niet dat je even scherp blijft als de mannen hier, maar het zou fijn zijn als je Michiel een beetje wakker kunt houden.” Timo proestte in lachen uit. Anthony grijnsde. “Ja ik heb je wel zien dommelen. Nou vooruit in de benen!”

“Hoogstens knikkebollen, Kap’tein.” Maar niemand besteedde aandacht aan het leugentje van de jonge soldaat.

De nacht verliep voorspoedig. Storm wist dat Anthony hem op wacht had geplaatst omdat ronselaars in de buurt konden zijn en omdat twee nu eenmaal meer hoorden dan één. Ondanks de gedachte dat er ergens een bende halzensnijders rond zwierf kreeg Storm het toch voor elkaar om zo nu en dan in te dommelen en dan weer wakker te schrikken. Michiel had hem gevraagd of hij iets heftigs had meegemaakt in zijn jeugd. De reden hiervoor bleek omdat hij in zijn slaap praatte over een hevige hitte en dode mensen. Storm had tegen hem gelogen, niet omdat hij de jonge soldaat niet vertrouwde, maar om hem zichzelf te beschermen. Tenminste dat hield hij zich voor. Praat er met niemand over, had Mentoor gezegd. Dat zou hij dan ook doen. Behalve met Nicodemus natuurlijk, Nicodemus zijn verloren oudoom.

Hoe meer ze naar Andor trokken, hoe milder het weer werd. Het leek wel alsof de seizoenswisseling hier veel langzamer ging. Bossen werden groener, stortbuien veranderden in motregen en hier en daar leek de zon wolkendek te doorbreken. Ze passeerden wat meer kleine dorpjes die welvaart genoten van de grote handelsstad. Voornamelijk landerijen en akkers welke gepaard gingen met een kleine gemeenschap van huizen en boerderijen. De invloed van Andor was duidelijk te zien. Huizen werden groter, akkers leken beter onderhouden en de mensen en dieren zagen er welvarender uit. Maar omdat het reisgenootschap een strak schema aanhield reden ze de hele dag door tot aan de Koningsheerbaan van de stad van de Leeuw. Karvan en Mentoor hadden niets overdreven. De enorme stad werd zichtbaar terwijl ze de brede baan bereden richting een steeds groter wordende stadsmuur. De muur omtrok de gehele stad zonder enige opening, behalve dan de vier stadspoorten. Genoemd naar de vier windstreken en zwaar bewaakt in weer en wind.

Ze naderden vanuit Poort West, welke grensde aan boerendorpen en landerijen. Bij eventueel gevaar konden alle mensen die buiten de stad leefden hun toevlucht maken tot de stad waarna de gigantische poorten hun deuren sluiten. En gigantisch dat waren ze. Mechanische deuren zo hoog als huizen schonken doorgang aan volgeladen karren, ruiters, ossen en ander vee. Iedere poort werd bewaakt door een tiental gardisten welke oplettend in de gaten hielden wie hun stad betraden en voor welke reden.

Storms mond viel open van verbazing en Timo zag dat Michiel dezelfde ervaring ondervond. “Wacht maar tot je binnen de stadsmuren bent.” Waarschuwde hij lachend. Een gardist vroeg hen af te stijgen en hun paarde met de hand mee te leiden. Een andere gardist droeg een groot boek en een ganzenveer. “Namen” vroeg hij zonder groet. Anthony stapte naar voren en gaf de namen en reisdoel door aan de gardist die alles opschreef in zijn boek. “Andor wenst u en uw soldaten een veilig verblijf toe.” Storm keek Anthony verbaasd aan. “Ze denken dat wij jouw soldaten zijn en dat jij een edelman bent die bewaking nodig heeft.” verklaarde Anthony uit terwijl ze de stad betraden. Een andere gardist hield hen halt toe. “Heren kunnen jullie lezen?” vroeg hij terwijl hij wees naar een groot bord vol met stadsregels. “Ja” antwoorde Storm. “Mooi, dan vraag ik jullie de wetten van Andor te lezen zodat jullie de regels handhaven.” De regels waren simpel, geen moord, diefstal, oplichterij, magie of de algemene orde verstoren. Ook stonden de straffen direct naast de overtreding vermeld zodat je wist wat je te wachten stond. De doodstraf voor magie deed hem even treuzelen. “Gedraag je dus, Michiel.” Grapte Timo hem toe. /p>

De drukte van de stad was overweldigend. Bij binnenkomst van de stad werd men direct aangesproken door venters die van allerlei waren aan te bieden hadden en door bedelaars die van alles nodig hadden. Storm wist even niet waar hij moest kijken en even leek te verdwalen in de menigte. “Volgen!” riep Anthony en Storm was dankbaar dat hij de kapitein achterna kon lopen. Aan weerszijden van de straat waren winkels. En niet één van iedere ambacht, maar allerlei dezelfde winkels naast elkaar. “Hoe kunnen ze nu nog winst maken?” vroeg Storm wijzend op twee bakkerijen naast elkaar. “Er is te veel vraag naar het product wat ze aanbieden om maar één bakkerij in de straat te houden. En zo kunnen ze samenwerken. “Legde Timo uit. Zoveel handel was Storm niet gewend en hij bedacht direct de mogelijkheden om hier een keuken of taveerne te beginnen. Een ruwe duw bracht hem uit zijn dagdromen en direct vervloog zijn drang om in deze drukte te leven. Overal liepen mensen. Met een verscheidenheid aan huidskleur, kledij en stand. Anthony liep voorop en de rest volgde hem met de paarden in de hand. Zo nu en dan zag Storm dat de kapitein iemand aansprak en dat hem met gebaren de weg werd gewezen. “Verderop kunnen we de paarden stallen” riep hij over de menigte uit. Terwijl ze de brede straat verlieten en wat smallere straten in liepen verminderde de drukte wat en na een kwartier duwen en verontschuldigen roepen bereikten ze een herberg met stallen. Ruiters Rust vertelde een uithangbord. Een opgewekte jongen met rood krullend haar nam één voor één de paarden mee en stalde ze. “Voor een zilverstuk worden ze geroskamd en voor een goudstuk worden ze geroskamd, krijgen ze verse haver en repareren we de ijzers indien nodig.” Timo liep naar de jongen toe en greep hem in zijn kraag. “Luister jongen, we mogen er misschien wel uitzien als vreemdelingen die graag worden opgelicht, maar als je Andors wetten verzaakt geef ik je maar wat graag aan bij de stadswacht.” De jongen slikte. “Sorry Heer, ik moet me vergist hebben.” Timo liet de jongen los en hij herschikte zijn kleding. “Wat ik bedoelde is voor een koperstuk worden ze enkel geroskamd en voor een zilverstuk krijgen ze een grote beurt.” Michiel grimaste. “Dat lijkt me te duur. We zoeken wel een ander.”


“Twee koperstukken, heren. Dan is ieders paard als nieuw.” Timo gooide de jongen de munten toe welke hij handig opving. Terwijl het reisgezelschap het stof van hun kleren afklopte van de lange reis en naar binnen gingen zag Storm dat de kapitein de jongen nog iets toe stak. De kapitein zag Storm kijken. “Een fooitje zodat hij Timo vergeet en de paarden goed behandelt.” De krakende deur van de herberg sloeg dicht en Storm betrad de donkere ruimte. Een rokerige geur van tabak en etenswaren kwam hem tegemoet en hij voelde zijn maag knorren. Het was rustig in de herberg, een aantal gasten zaten aan de toog diep in gesprek met de barmeid die ondertussen de glazen afwaste en droog maakte. Ze wierp een korte blik naar de nieuwe potentiële klanten om zich daarna weer te richten op het gesprek. Het was nog een paar uur voor etenstijd maar de kapitein besloot dat een goede maaltijd geen slecht idee zou zijn. Ze namen plaats aan een ronde, eikenhouten tafel en een ander dienstertje liep naar hun tafel. “Goede dag heren, wat kan ik voor u doen.” Blij om toch nog een vrolijke stadsbewoner te ontmoeten bekeek Storm het meisje glimlachend. Ze was waarschijnlijk nog geen vijftien jaar oud, al was dat moeilijk te zien door de felrode lippenstift en de opgemaakte ogen. “Wat heb je op het vuur?” vroeg Anthony en Storm hoorde zijn maag wederom klagend grommen. “We hebben kip, rund, wat everzwijn, maar het meeste is koud. Met een uur gaat de kok weer aan de gang, maar groentesoep is warm.” Michiel knikte goedkeurend bij het horen van warme soep en Storm had ook wel trek in een warme maaltijd. “Graag voor iedereen een portie kip en een kop soep.” “Drinken?” vroeg ze. “Ik denk dat iedereen wel een biertje lust?” Iedereen knikte en het dienstertje vertrok. “Zo” begon de kapitein. “We hebben het allemaal zonder kleerscheuren gered.” Storm knikte. “Na het eten slapen wij vannacht in deze herberg als ze nog wat kamers vrij hebben en dan verlaten we Andor voor de terugreis.” Storm wist dat de soldaten niet zouden blijven, maar na zeven dagen intensief rijden, zwaardvechten en grappen maken was hij gehecht geraakt aan de kapitein en zijn mannen. “Geen zorgen Storm, we zetten je na de maaltijd af bij die oom van je zodat je niet verdwaald raakt of erger.” Hij knipoogde. Storm keek verbaasd op bij het horen van het bezoek aan zijn oom, maar hij verborg het snel. Hertog Rorick had natuurlijk gezegd dat hij op bezoek ging bij zijn oom. ‘Vandaar dat ze hier verder niets over hadden gevraagd’ bedacht hij zich. “Gelukkig maar” wist hij uit te brengen. “Ik moet er niet aan denken in mijn eentje door de stad te lopen. Ik zou direct verdwalen.” Bracht hij lachend uit. Anthony zag dat de jongen die hij een week op sleeptouw had genomen, moeite had met de gedachte om alleen achter gelaten te worden. Het bier werd gebracht en de kapitein bracht een toast uit. “Storm, jongen.” hij ging staan. “Ik hoop dat je mag vinden wat je zoekt in het leven en mocht dat het soldatenleven zijn, dan zal ik je persoonlijk aanbevelen.” En de mannen proosten. De kip en soep werd tegelijk opgediend en Storm genoot van het vers bereide avondmaal. Er werden nog een aantal kroezen bier gebracht terwijl meerdere gasten langzaam binnen druppelden. Michiel vertelde nog een aantal sterke verhalen en Storm begon steeds meer te wennen aan de bittere smaak van het bier. “…en toen vonden ze Jaap in zijn ondergoed gekneveld in de stallen!” Michiel gierde nog het hardst om zijn eigen grappen. “Nou die kerel heeft zijn streken wel afgeleerd.” Een paar gasten keken om naar de jonge soldaat die duidelijk een paar kroezen te veel had gedronken. Anthony zag het. “Genoeg Michiel, anders word je er nog uitgegooid.” En nu konden de andere drie hun lachen niet meer inhouden. Storm veegde de tranen uit zijn ogen en probeerde zo serieus mogelijk zijn dankzegging te betuigen. “Mannen, ik wil jullie bedanken voor de begeleiding naar deze prachtige stad en ik hoop dat ik jullie binnenkort weer eens kan bezoeken als ik terug ben in Rhoden.” Timo zag dat Storm wat emotioneel werd door de drank en klopte hem hartelijk op zijn rug. Deels om zijn woorden te beamen en deels om hem wakker te schudden uit zijn gedachten. De avond was gevallen in Andor. Het massale drukke in de winkelstraten had plaats gemaakt voor rust en orde. De stadswacht liepen hun patrouille in groepen van vier en controleerde de straten op het gespuis wat in iedere grote stad te vinden was. Dieven, straat schooiers, oplichters en zakkenrollers die overdag zich verstopten tussen het gewone publiek of zich verscholen in hun holen als wilde dieren. Door hier en daar de weg te vragen kwamen ze uiteindelijk aan bij een nettere woonwijk in de stad. De huizen zagen er verzorgd uit, onlangs geschilderd en allemaal in dezelfde grijstinten. De meeste woningen waren voorzien van een kleine voortuin waar een kleine bloesem groeide, weliswaar zonder bloem. “Nummer?” gromde de kapitein. “eenenvijftig zes ”antwoordde Timo nadat hij een formulier controleerde. De eerste cijfers stonden voor het huisnummer en het laatste voor de wijk was hem verteld. Ze liepen door wijk zes en de huizen aan de linkerkant van de straat vertoonde alle even nummers. Aan de rechter kant liepen ze al achterin de veertig. “We zijn er bijna.” zei Michiel tegen niemand in het bijzonder. Aan zijn wankelende tred te zien zou hij morgen wakker worden met een stevige hoofdpijn. Niet erg prettig als je de hele dag op de rug van een paard moest hobbelen, dacht storm. Nummer eenenvijftig zag er net zo uit als alle andere huizen, iets wat Storm betreurde. Hij had toch verwacht dat een beoefenaar van magische kunsten een sprookjesachtige woning zou bezitten. Een smal pad van een meter of drie leidde hun haar de voordeur. Een grote metalen klopper diende als bel en Anthony dreunde er drie keer mee op de deur. Welhaast meteen zwaaide de deur open en een breedlachend gezicht heette het reisgenootschap hartelijk welkom. “Heren, wat brengt jullie bij de oude Nicodemus?”

Jeroen Cornelis: Storm reist met de drie soldaten naar Andor. Hij leert wat basisbeginselen van het zwaardvechten, wat soldatenhumor en komt aan in Andor. Graag hoor ik van je hoe jij als reiziger het verhaal beleefd en daarnaast zoek ik een betere naam voor “De Afgrond.” Ik ben benieuwd naar de reacties. Groetjes Jeroen

4 REACTIES

  1. Een afgrond is waar je invalt en niet zo makkelijk meer uitkomt. Een put maar dan landschapbreed.

    Als je er naartoe en doorheen kunt trekken is het geen afgrond maar een kloof, vallei, canyon. Of op zee een trog (denk aan de Marianentrog bij de Filipijnen.)

    Eilanden voor de kust zijn ei-landen of zandbanken. Desnoods zandgronden, hoewel die aan land zijn. Gecombineerd met Afgrond wordt het de Aflanden, de Afbanken.

    Of De Afgronden, meervoud. Dat neemt in ieder geval het beeld weg dat het iets dieps is waar je met je boot in kunt vallen, sowieso een eigenaardigheid op volle zee.

    • Hi Manfred! Wat fijn dat je meedenkt aan een andere naam voor de Afgrond! In het verhaal is de afgrond een plaats waar slavenhandelaren en piraten de dienst uitmaken. Niet perse een echte afgrond. Het gaat dus echt om een naam voor die onheilspellende plek. Maar ik vind er een paar gave tussen zitten, bij je suggesties! Ik kom er op terug! Bedankt.

  2. De reis van Storm en de soldaten is perfect weergegeven evenals het veranderen van het landschap en Storms les in zwaardvechten.Je ziet als het ware alles door de ogen van de personages.De afgrond waar sprake van is de plek waar piraten en slavenhandelaren de dienst uitmaken is best wel goed gevonden,je zou kunnen stellen dat het wel degelijk een soort afgrond is voor de slachtoffers van die piraten en slavenhandelaren die op deze plek verzeild raken.En dan de stad Andor je ziet de immense stadsmuur zo voor je geestesoog opdoemen.Samen met Storm en zijn escorte ervaar je de drukte van de straten als ze de stad binnen gaan via de West poort.Het was weer een heel leuk deel om te lezen groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here