We gaan weer verder met ons gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige weken plaatsten we al de eerdere delen Deze week alweer het elfde deel.

– Hoofdstuk 5 vervolgd –

De wind leek mee te huilen. Het leek een tevergeefse jammerklank van bomen die treurden om hun gevallen bladeren, of een uiting van de natuur die zich voorbereide op een strenge winter. Het najaar maakte plaats voor nachtelijke vorst en schamele warmte van de late herfstzon. Vogels begonnen hun vlucht naar beter weer terwijl hier en daar een eekhoorn druk was met het verzamelen met een voorraad, voor mindere dagen. Een veldmuis wijfje stond op haar achterpoten. Geconcentreerd en alert, op de uitkijk naar gevaar. Het vrouwtje wilde terug naar haar woning waar haar jongen wachtten op teken van veiligheid. De jonkies waren vijf maanden oud en geschikt om alleen te jagen of op zoek te gaan naar eten. Maar alsnog waren ze een makkelijke prooi met hun nog maar net ontwikkelde gaven. Het instinct om gevaar waar te nemen ontvingen ze al bij de geboorte, maar het logisch inschatten en risico’s nemen kwam met ervaring. Het vrouwtje waste haar snorharen, een zenuwtrekje wat twijfel betekende, want ze voelde de aarde dreunen. Het waren niet de druppels die de omgeving teisterde met kilte en kou, maar hoefgetrappel ver weg. Ze nam een beslissing. In een vlugge zigzagbeweging rende ze het muizenhol binnen om de jongen te vertellen dat ze nog even geduld moesten hebben of ze zouden vertrapt worden door paardenhoeven. Vier ruiters reden in galop voorbij. Drie van hen waren duidelijk soldaten. Dit werd een oplettende toeschouwer niet enkel duidelijk door het soldatenuniform van de Zeearend van Rhoden maar door de houding van de drie mannen. Zij keken geconcentreerd naar de weg welke langs hen schoot, de omgeving en de lichamelijke seinen die de paarden hen gaven. Eén van hen leek met zijn gedachten heel ergens anders. Het was een slanke jongeman, die zijn gezicht verschool in een zwarte mantel met grote overhangende kap. Blonde plukken haar verraadde zijn lange haardracht terwijl zijn blik een treurig verhaal vertelde.


Storm reed zwijgend. Hij keek voor de laatste keer achterom en zei nogmaals zijn stad, zijn Rhoden, vaarwel. Ook al was Rhoden al dagen niet meer zichtbaar. Samen met drie soldaten van de Hertog was hij al vier dagen onderweg. Ondanks de enorme zadelpijn die Storm enkel vanuit de verhalen van de vestebarakken kende, maar nu jammerlijk in lijve ondervond, genoot hij van alles wat hij zag. Op dag drie hadden ze het Rhodeense Woud achter hen gelaten en werd het landschap veel meer open en gestrekter. ‘s Nachts sliepen ze in eenvoudige tenten en aten ze van alles wat de natuur te bieden had. De open vlaktes van Altor boden wat rust en ruimte. Het zicht was ver en het viertal was wat minder op hun hoede.


Het herfstweer was mild, hier zo vlak voor het naderende gebergte. Het reisgenootschap moest nog een paar dagen voordat ze wat lastiger terrein in de Hopbergen zouden moeten doorkruisen, iets waar Storm naar uit keek omdat hij nog nooit een echt berglandschap had bezocht. De natuur, de vegetatie en het wild wat daar leefde was hem onbekend. Quasi tevreden keek hij om zich heen, terwijl hij zichzelf een spreekwoordelijk schouderklopje gaf. Ach, de reis was niet enkel ‘rozemarijn en vergezichten’ het reizen had zo zijn nadelen. Het meeste moest Storm wennen aan het verse vlees.


Natuurlijk was de jonge jager gewend om vers vlees te schieten en te eten, maar hij was even vergeten dat het besterven van het geschoten wild een cruciaal onderdeel bleek qau smaak en voornamelijk het kauwwerk. Hier in de wildernis hadden ze geen tijd om het vlees smakelijk en mals te laten worden door het weg te hangen en het werk over te laten aan de enzymen in de spiervezels. Karvan had hem wel verteld dat de enzymen na het besterven eiwitten omzetten in andere smaakvolle componenten. Doordat eiwitstructuren en bindweefsel afbraken, werd vlees nu eenmaal veel malser. Ach, hij moest zo nu en dan zijn kaken even ronddraaien om de kramp tijdens het kauwen te voorkomen, maar hij was tevreden. Een gevoel dat hij zich een paar dagen geleden niet had voorgenomen. Want hij miste Rhoden, hij miste zijn vader en voornamelijk het ‘gewone’ leven. Een leventjes dat hij als normaal het geaccepteerd en vooral als vanzelfsprekend. Maar Storm was geen piekeraar. Natuurlijk lag hij wel eens wakker, wachtend op een antwoord op de vragen van zijn geest. Waar zou hij terechtkomen? Kon hij beheersen, wat hij emotievol gecreëerd had en wat was dat eigenlijk? Hij miste zijn maat, de boeken en de onbezorgdheid. Zelfs Myra kwam zo nu en dan zijn hoofd binnen tot zijn wangen ervan kleurden. Zijn leven dreunde nu een ander ritme. Het ritme van de reis.


Een dag bestond uit rijden, rijden en nog eens rijden. Af en toe werd er een kwartier pauze gehouden om spieren te strekken en zere ledematen te zalven. Als ze ’s nachts tegen slaaptijd vlakbij een dorp waren, sliep hij in een bed en startte hij zijn dag met een goede maaltijd. Maar de meeste nachten bracht hij door in de tent.. Alle steden en dorpen die hij enigszins van naam kende, had hij achter zich gelaten en ze naderden Baeren, een grote stad, in noordelijke richting vlak voor de Hopbergen. Het plaatsje werd aan weerszijden geflankeerd door natuurlijk geweld. In het westen lagen de Baernse Bossen, een zeer dichtbebost gebied wat geen tegenstand duldde van de mens. In het oosten rees het Nevelgebergte op wat aanhield tot aan de kustlijn van de Nevelse Zee. De zee en het gebergte dankte haar naam aan de eeuwige nevel, die er hing. Een zwangere luchtvochtigheid die reizigers zowel over land en zee meden als de pest. Storm sliep slecht. Zijn magische uitspattingen die de mannen het leven had gelaten kwamen alleen ‘s nachts nog terug in zijn gedachten. Overdag peinsde hij enkel nog over heden, de toekomst en de pijn in zijn achterste. “Dat vervloekte zadel!”

“Gooi het er maar af en rij vijf meter verder, kijken of je het dan nog steeds vervloekt, zeikerd.” De mannen van de Hertog waren vriendelijke mannen, maar ze hadden geen oor voor gezeur.


Storm keek uit naar de mysterieuze Nicodemus, die onofficieel was omgedoopt tot doodgewaand en ver familielid die hij ging bezoeken. Een kilometerslange tocht tot een onbekende oude man hem kon helpen zijn krachten te doseren en beheersen. Een kracht die alleen scheen te bestaan met extreme boosheid of angst… Of was het opperste concentratie? Hij wist het niet. Dat zou zijn nieuwe leermeester moeten duidelijk maken. De gedachte aan een nieuwe meester, deed hem heimelijk verlangen naar de vestekeuken en de meester-kok. Maar daarna glimlachte hij. Karvan had hem verteld hoe trots hij was op zijn zoon nadat hij het leven van een jonge edelman had gered. Hij zou zijn vestevader missen. Dat was zeker. En echt een held voelde hij zich helemaal niet. Stervende was hij binnen gebracht en nu, na vier dagen reizen voelde hij zich slapper dan ooit.


Hij keek al een aantal uren tegen de rug van Anthony, een stevig gebouwde veteraan die zijn laatste dienstjaren sleet als kapitein van het stadsleger. Hij was klein van stuk, maar wat de man in lengte miste, maakte hij goed in de breedte. Het aantal uren wat de kapitein doorbracht aan training gebruikte Storm voor zijn nachtrust. Samen met nog twee jongere soldaten, Timo en Michiel, was het best een aangenaam gezelschap. Timo was een lange jongen van vijfentwintig jaar die de rust zelve was, kalm maar alert. Michiel daarentegen was twintig jaar en hield van een lolletje en moest zo nu en dan gewezen worden op het feit dat het geen uitstapje was naar een hoerenkeet in de diepste krochten van de (*placeholder) een stad. De soldaten wisten niet dat hij magie gebruikt had of dat hij iets had meegemaakt waar magie bij betrokken was. Het enige wat de mannen wisten was dat hij de Hertog dierbaar was en dat hij op reis moest om zijn familie te bezoeken in Andor. Waarschijnlijk wisten de soldaten wel dat er meer aan de hand was, maar zoals een echte soldaat betaamde werd de opdracht uitgevoerd zonder verdere vragen te stellen. Anthony keek achterom, en glimlachte. “Je ziet er al een stuk beter uit, jongen. Misschien kan één van ons je bij de eerste stop de beginselen van het zwaardvechten bij brengen met die prikker van je.” De andere lachten. Die prikker, waar Anthony over sprak was het korte eenhandszwaard dat Storm als geschenk van de Hertog had gekregen. Het wapen was nieuw gesmeed, speciaal voor hem gemaakt als beloning voor zijn daden. Hij had de Hertog heel kort gesproken. De man was dankbaar geweest, maar op de één of andere manier terughoudend. Niet meer zo hartelijk als bij het ontbijt aan het kasteel. Storm begreep het wel, ook Aaron leek nog altijd geschrokken door het nare avontuur. Storm had zijn jeugdvriend gezegd zich geen zorgen te maken en hij had hem natuurlijk bedankt voor het redden van zijn leven. Aaron was op zijn beurt verantwoordelijk voor het redden van Storms leven. Hij kende het voorrecht wat hem was aangedaan, want had hij het leven gered van een boerenzoon en de Hertog had gehoord van zijn daden, dan had hij moeten branden. Nu had hij zijn leven. Een leven wat een geheel andere wending zou nemen.


“Wanneer stoppen we?” vroeg hij ontwaakt uit zijn mijmering. De laatste stop was uren geleden en zijn maag verlangde naar een goede maaltijd en zijn achterwerk naar rust. “We rijden nog twee uur door en zetten dan ons kamp op voor de nacht.” Twee uur rijden… Dat was even schakelen. “Michiel, heb je nog appels?”

“Eentje nog, vangen!” Het twee uur rijden werd drie uur en net toen hij Timo wilde vragen waar ze zouden gaan stoppen omdat de pijn in zijn achterste niet meer te harden was kwam het verlossende woord. “Afstijgen!” Als een geoliede machine stopte de drie soldaten en zetten hun kamp op. Storm hielp zo goed als hij kon mee en al gauw stond er een grote tent met vier matrassen en een knisperend kampvuurtje. De paarden briesten, ze waren dankbaar voor de rust en de verse haver die de soldaten in een klein dorpje genaamd Schamel op de kop hadden getikt. De naam voor het dorpje voldeed precies aan de beschrijving van de inwoners en hun huizen. Gelukkig kwamen de soldaten als geroepen die avond.


“Hoe heet dit gehucht?” Anthony schudde afkeurend naar Michiel en zette een snelle draf in tot hij bij de tuin van de jonge soldaat reed. “Hoe klein een dorpje ook is, voor de inwoners is het van groots belang, soldaat.” Dat was Anthony, geen afranseling of scheldpartij, je kreeg een korte levensles of tegeltjeswijsheid voor je kiezen. Werkte vaak beter.

“Schamel.” Timo keek vanaf zijn rijdier op de kaart. “Toepasselijk.” Grapte Michiel en daar kon iedereen alleen maar bij meegrinniken. Het dorpje bestond uit een twintigtal uiterst vervallen huisjes, schuren en wat boerderijen. Een vervallen poort bracht amper bescherming en wachters ontbraken. Er brandde enkel wat licht in wat het leek dat een herberg moest voorstellen. “Pracht en…”

“…Praal.” Timo’s zin werd afgemaakt door een man die niemand had gehoord of zien aankomen. “Welkom vreemdelingen, wat brengt jullie in Schamel?” Uit de schaduw van de herberg kwam een oudere man tevoorschijn. Hij was zeker de zestig gepasseerd, maar breed geschouderd en een trotse houding die Anthony herkende. “Dag, heer. Wij zijn soldaten uit Roden en brengen de jonker Storm naar zijn familie in Andor, op het bevel van de hertog.” Storm knikte beleefd. “Welkom, heren. De paarden kunnen jullie stallen om de hoek, mijn naam is Erin. Ik zal zien of ouwe Nelis nog iets van verfrissingen kan brengen.”

“En iets te eten, goede heer.” Floepte Michiel eruit. Hij kreeg antwoord van de zwiepende teugels van Anthony, waardoor zijn paard naast de jongen stond. “Vergeef me de brutaliteit van deze jongen hond. U weet hoe de reis kan zijn, als ik mij niet vergis.” Erin lachte oprecht. “Zeker kapitein, maakt u zich geen zorgen. We zijn allemaal jonge honden geweest. Kom keffers, er is ook nog wel wat soep.” Michiel haalde lachend zijn schouders op alsof hij wilde zeggen dat het wel gewerkt had.


De mannen stegen af en Timo stalde de paarden. In de Pracht en Praal was het alles behalve wat de naam beloofde en mocht betekenen, maar het was warm, droog en ouwe Nelis had inderdaad soep, brood en wat lauw bier. Anthony was in gesprek met Erin, achterin de herberg en de jongens zaten aan de toog. Ze genoten van een vettige, zoute kippensoep luisterend naar de sterke verhalen van heer Nelis, de schrik van het Hoopdal, als ze de verhalen moesten geloven. Ouwe Nelis was majoor geweest, gediend in de jonge jaren van de Leeuw; koning Ingmar. Zou je het Timo vragen, dan was hij vooral kletsmajoor, maar hoe dan ook genoten de mannen van wat sterke verhalen naast de kruidige kippensoep met bospaddestoelen. De grote buik schudde hevig, toen Storm hem vroeg of hij niet bang was geweest tijdens de belegering van Andor. De stad had onder vuur gelegen toen een afvallige bastaardprins zijn onwettige claim op de troon opeiste. “Ik had geen tijd om bang te zijn, jongen. Toen de noodbel klonk was de aanval al in volle gang.” Soldaten, vrienden waar ik mee gediend had stonden me naar het leven en steegjes waar ik herinneringen had van natte zoenen en een enkele snelle wip, lagen bezaaid met lijken.” Eventjes blikte Storm terug naar een kortstondig ziektebed en zijn onwerkelijke nacht met Myra toen de deur van de herberg opensloeg. Drie mannen gekleed in een rode habijten, stormde de deur binnen. Storm stootte zijn kom soep om, Michiel trok zijn zwaard en Timo klemde zijn zwaardhand om het gevest.

“Niemand beweegt, wie zijn zwaard laat zingen, zingt zijn laatste nood voor de Ene!” Het was geen loos dreigement, het was een terechte waarschuwing. De man die gesproken had was duidelijk de leider, of Maester zoals de Rode Orde hun leiders noemde. De sjerp van de Maester sierde mistroostig zwart van kleur en was gewikkeld om het plaatpantser van de Orde broeder, hetgeen de hoogste rang in de orde vechtkunsten verklaarde. Hij was lang, verscholen in een gezicht bedekkende, suikerbrood helm. De enigszins lachwekkende naam dankte de helm aan de conische vorm die je aan een suikerbrood deed denken. Afgezien daarvan onderscheidde het hoofdpantser zich van andere helmen door het scharnierende vizier. Het was versierd met een dreigend, roden kruis dat de gehele voorkant bestreek. Maesters droegen de helmen overal en werden zelfden afgezet, waardoor de stem van een Maester een herkenbare, ijzeren klank droeg die een sinistere angst aanjoeg.


Waar de twee andere broeders enkel lederen wapenuitrusting droegen, was de Maester gehuld in plaatharnas, dat zijn meest kwetsbare delen beschermde, maar hem vrij genoeg liet om goed te kunnen bewegen tijdens een gevecht.

De andere twee mannen waren Novicen, met hun maagdelijk witte sjerpen die hun habijt bijeen hielden. Een novice was een tijdelijke rang binnen de orde. Alleen geschikt voor iemand die voor zijn intrede in de Rode Tempel, een proeftijd doormaakte tijdens het noviciaat. De orde stelde deze proeftijd verplicht voordat men tijdelijke geloften kon afleggen. Voor het noviciaat stond in principe een jaar, maar jongeren die de proef niet doorstonden konden net zolang novice blijven tot ze geslaagd waren voor de Ene God.

Wat de twee novicen te kort kwamen aan dienstjaren voor de Orde, maakten ze goed met hun felheid en overgave voor de Rode tempel. Beiden hadden ze een gespannen kleine kruisboog onder hun kledij tevoorschijn gehaald en richtte een ieder op de gewapende soldaten van de Hertog. “Kom, broeders. Waarom zo vijandig? Wij zijn simpele soldaten in dienst van de Hertog Rorick uit Rhoden, op doorreis naar Andor. Waarmee kunnen wij u van dienst zijn?”

“Zwijg, loonslaaf.” Spoog de Maester Anthony toe. De holle, metalen klank maakt de belediging nog grilliger “Als de orde spreekt, luister je naar het woord van de Ene.”

“Duidelijk, eerwaarde.”

“Kijk, Jongerius, het woord van de Ene betekent iets voor deze soldaten. Laat jullie kruisbogen zakken, dan bergen deze Godvrezende mannen hun wapens weg.”

De tempelaar had niets gelogen. De novicen lieten hun bogen iets zakken en Anthony gebaarde dat de Michiel en Timo hun zwaarden moesten wegbergen.

“Waard, breng ons je beste wijn en vertel me of deze soldaten hebben gesproken over een heks die hier in de regio ronddwaalt.”

“Natuurlijk, heer.”

“Waard! Welke kleur heeft mijn habijt?” Ouwe Nelis wist niet waar de broeder naar toe wilde met zijn vraag en antwoorde weifelend. “Euh… rood, heer.”

“Juist en dragen heren het rood?”

“Nee, heer… Euh..” De blonde novice sprak spuwend. “De rang van een bevelhebber binnen de orde is Maester. Maar broeder of eerwaarde volstaat. Kies er één, zwijn of je zal boete doen.” De Maester leek in zijn nopjes door de bespottelijke opmerking van zijn leerling. “Wij zoeken een heks. Ze heeft de gedaante aangenomen van een jonge vrouw van nog geen twintig jaar. Ze is het laatst gezien in Schamel, nog geen halve dag geleden. Zeg eens, waard. Heb jij een jonge vrouw gezien? Zwart, lang en vuil haar. Puntige oren, lange nagels en een boek vol vuige spreuken rechtstreeks uit de krochten van de onderwereld?”

“Nee, eerwaarde.” Stotterde de waard.

“Nee, natuurlijk niet. Een heks kan zich prima verbergen, ook zonder medeweten van een simpele burger. Bezwaar dat wij deze tent even doorzoeken?”

“Nee, eerwaarde ga uw gang.” De Maester blafte korte bevelen naar zijn leerlingen en zij liepen op de toog af. Michiel keek vragend naar Anthony die kort zijn hoofd schudde. Timo keek verbaasd naar Storm die met een lijkbleek gezicht staarde naar zijn omgevallen kop met soep. “Wat is er met jou?” De Maester schopte met zijn bepantserde rijlaarzen tegen de kruk van Storm waardoor hij uit zijn staar schrok.

“Niets, broeder.” antwoordde Michiel. “Ik vroeg jou niets, hond. Open je mond nog eens ongevraagd en je zal eindelijk de kracht zien de de Ene mij geschonken heeft.” Storm trilde. Zijn handen jeukten en zijn gedachten kronkelden. “Nou?!”

De blikken stem klonk holler en leek op te gaan in de ruis van zijn gedachten. “Ben je doof, jongen? Is hij doof?” Niemand reageerde.

Storm hoorde de woorden ergens wel, maar ver weg. Hij voelde de lucht om zich heen wervelen toen de Maester hem een oorvijg wilde geven. De hand van de man bewoog zich met een immense snelheid, een onnatuurlijke kracht van jaren intense training en perfectie, maar de orde dienaar mistte. Storms hand schoot plotsklaps naar voren en greep de hand van de verbaasde broeder. Met zijn kaken geklemd op elkaar, ontspande Storm even.

“Nee, Maester.” Antwoordde Storm terwijl hij met een trillende hand, de oorvijg had opgevangen en de arm van de broeder zo draaide zodat het leek alsof de mannen elkaar vriendschappelijk een hand gaven. “Ik ben niet doof, enkel uitgeput door de reis. Het spijt mij als ik u beledigd heb.” Storm keek de man niet aan, maar de verbaasde blik sprak boekdelen. De man kuchte, alsof hem een naar hoestje dwars zat, maar protesteerde niet. Want niemand had geweten dat de eerwaarde hem een slag tegen zijn hoofd had willen geven, niemand behalve hijzelf. Niemand had gezien hoe Storm de klap opving, hem draaide naar een warme handdruk. En niemand zou het te weten komen. De Maester ademde uit, een zucht met een metalen ruis. “Goed, jongen. Rust wat uit terwijl mijn leerlingen de herberg doorzoeken.” De man had zich herpakt. Michiel keek Storm vragend aan, maar geen van de andere aanwezigen hadden iets opgemerkt. “Wat is jullie reisdoel?” Vroeg de orde man aan de kapitein.

“Wij brengen de jonker van Rhoden naar zijn oom in Andor, eerwaarde.”

De novicen kwamen terug van hun kortstondige strooptocht met norse blikken en een fles wijn. “Niets, Maester.”

“We vertrekken.” En dat was dat. De ordemannen vertrokken met een buitgemaakte fles van de beste wijn van het huis en een verbouwereerde Nelis, die meer dan een angstige wind door zijn broekspijpen had laten wapperen. De deur sloeg dicht en Erin leek opeens weer aanwezig.

“Jullie hebben geluk gehad.”

“Wij hebben geluk gehad.” Verbeterde ouwe Nelis. “Die rode klootzakken pakken alles wat ze willen!”

“Ssst! Niet zo hard, idioot anders komen ze terug.” Maar ze kwamen niet terug. “Ik moet jullie bedanken.”

“Erin, niet doen.” De waard had klaarblijkelijk zijn ballen weer teruggevonden. “Ach, barst. Soldaten onder elkaar, toch?” Hij knikte vragend naar Anthony die knikte. “Ze zoeken mijn dochter.”

“Is jouw dochter de heks?” De oorvijg kwam dit keer van Timo en raakte Michiel precies waar het bedoeld was. “Klungel.”

“Sorry…” Maar Erin lachte. “Ze is zeker geen heks, jonge soldaat. Maar wel magisch goed met kruiden. Al maakt dat de Rode Orde niets uit.”

“Waar is ze?” vroeg Storm afwezig. “Dat kan ik je helaas niet zeggen, jonker. Veilig, dat wel.”

Michiel was nog niet uitgevraagd. “Waarom gaf je de man een hand, Storm? Kende je hem?” De warmte trok uit zijn ledematen en hij schudde zijn handen om het gevoel terug te krijgen. “Nee, maar het leek mij het beste om te doen op dat moment.”

De kapitein leek zijn woorden voorzichtig te kiezen. “Het heeft goed uitgepakt, maar vergeet niet dat deze Rode broeders hun leven wijden aan de vechtkunsten en het uitroeien van alles dat hun God afkeurt. Een simpele handdruk kan je leven eindigen.”

De mannen kregen een extra portie soep, de grootste paddenstoelen uit de ketel en een extra kroes bier, maar er werd niet meer gesproken over de orde of de dochter van Erin.

Storm kon zijn gedachten er maar moeilijk van afzetten. Hoe had hij de klap van de broeder gevoeld? Hoe had hij de lucht voelen veranderen? En wat als hij meer gedaan had dan alleen de klap opvangen? Had de broeder het gemerkt? Heel even had hij een angstige blik gezien in de ogen van de man, verscholen achter zijn pantser. Of had hij zich dit ingebeeld? Hij moest op zijn hoede zijn, dat wist hij. Maar hoe controleerde je iets, wat ongecontroleerd kwam?


Jeroen Cornelis: Beste Lezers, in deel 11 op FantasyWereld vertrekt Storm vanuit Rhoden richting Andor. Lees mee hoe hij op reis gaat met de drie soldaten. In de tekst vinden jullie ergens een * met daarbij de tekst “Placeholder” hier zou een goede naam moeten komen voor een passende naam voor de Onderwereld of Hel. Ik ben benieuwd of jullie fantasie en creativiteit hier een leuke en vooral passende naam voor heeft. Laat de naam achter in de comments en ik zal de beste gebruiken in het boek!

2 REACTIES

  1. Je voelt de emoties die Storm meemaakt zo van de pagina’s spatten.Enerzijds zijn droefenis omdat hij zij thuisstad Rhoden moet achterlaten anderzijds zijn vreugde om de reis en het onbekende.Het moet een hele belevenis zijn voor een jongen die nooit ver van zijn thuisstad en het woud dat hij kent is geweest.De drie soldaten die Storm begeleiden lijken me moedige en vrolijke kerels.Ik kan ze mij gezeten op hun paarden zo voor de geest halen.De reis die het viertal maakt en hun gesprekken komen levendig voor.Een naam voor de placeholder zou misschien Santhury kunnen zijn het is maar een idee.De confrontatie tussen de Maester en Storm in de herberg van Nelis is spannend.Ik kijk vol spanning uit naar Storm’s verdere avonturen.Groetjes Vera.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here