Zoals aangekondigd beginnen we een geheel nieuw avontuur met jullie: een gezamenlijke wekelijkse leesclub waarbij jullie ook eigen input kunnen geven. Auteur Jeroen Cornelis is druk bezig met het schrijven van zijn manuscript en wil daarbij al in een vroege fase lezers betrekken in het schrijfproces. In het interview met Jeroen kun je iets meer lezen wat hij met al die input doet. Vorige week plaatsten we al de proloog, deze week het eerste deel van hoofdstuk 1:

– Hoofdstuk 1: Storm –

Brul voor de Leeuw; uwer Koning
majestueus waait de banier onvervaard
strijdt voor uw heer, land en woning
tot de roeping van de leeuw is bedaard

-1e couplet, “Brul voor de Leeuw” door Jon Secretum-

Aan de andere kant van het continent deed een schamele bundel zonnestralen haar best om door te dringen tot het dichte bladerdak van het Rhodeense woud. Een ander continent én een ander jaargetijde. Het licht danste een mengsel van kleuren, regendruppels en een enkele luchtspiegeling dankzij de afkoelende herfstwind. Zou je het moment proberen om vast te leggen, dan zou het kunstig zijn. Al was het voorbij voordat je er erg in zou hebben. Zou je het willen beschrijven, dan formuleerde zich een spel tussen zonnige stralen en een pittoresk schilderij. Een zelf bekroond meesterwerk dat te drogen hing in de vochtige lucht van een nog vochtigere schemer. De warme pastelkleuren, nog niet geheel gedroogd, zouden een sprookjesachtige glinstering geven onder de kritische, maar vooral ook warme blik van de schilder.

Die warmte ontbrak eerlijkheidshalve, want de wisseling van het seizoen bracht verandering in het dicht beboste landschap. En niet alleen in de groene eruptie van het woud, die na maanden van regen en zonneschijn, nu droevig bruin en rood gekleurd was. Ook de bewoners van het woud keken mistroostig vanuit hun schuilplaatsen naar het aanwoekeren van het naderende winterweer.

Een plotselinge kille windvlaag deed zijn ogen tranen en sloeg met scherpe stoten in zijn gezicht. Met een snelle veeg, streek hij door zijn lange, blonde haar alsof hij daardoor niet langer gehinderd zou worden. Zijn bruine tuniek was doorweekt door de aanhoudende regen en zijn lijf en ledematen waren verkleumd tot in zijn lederen laarzen. Hij rilde. Ergens ver weg hoorde hij het gekreun van de eeuwenoude eiken. Maar voor het geklaag van de woudreuzen had hij geen oor. Het gejammer van de natuur waaide hem voorbij, want hij had enkel oog voor zijn prooi. Zijn concentratievermogen was versmolten met de strak gespannen pees aan zijn kortboog en de jonge hertenbok op nog geen veertig meter afstand. Het dier snoof onrustig om zich heen en gooide haar kop nerveus in de lucht, wetende dat er gevaar op de loer lag. Maar ze kon het niet plaatsen. Misschien was het de ervaring, dat het jonge beestje miste of de juiste windrichting, tijd en positie die Storm had uitgezocht voor de jacht. Het hertenjong welke hij vanavond vol trots mee zou dragen naar de keuken van de veste. Zijn gedachten waren niet bij de gemeende schouderklop die hij van de meesterkok zou ontvangen, niet bij de heerlijke geur van geroosterd vlees aan het spit, maar hij was één met zijn doelwit.

Hij concentreerde zich terwijl harde druppels zijn zicht vertroebelde en hem plaagde tot hij slecht zag, maar het hinderde hem niet. Vanuit zijn geest voelde iets ontwaken. Een sluimerende alertheid werd wakker in zijn binnenste. Een vlammende kracht die begon als een gloeiende kool op een haardvuur, tot grote likkende tongen die vanuit zijn hoofd zijn lichaam langzaam overnamen. Ongemerkt trok hij zijn gespannen rechterarm, onnatuurlijk ver naar achter en hield zijn adem in. Een zachte fluistering werd hoorbaar door een muzikale streling die de wind speelde op de gespannen pees in samenspel met het ritmische kloppen van zijn hart. Hij voelde het hoogtepunt naderen en hij liet de kracht, samen met zijn ingehouden adem, los. Zijn wijs- en middelvinger ontspanden en een hoge noot vulde het gehuil van de wind een minuscule seconde aan. De pijl van taxushout maakte een rechte lijn, een korte lijdensweg die van schacht tot ganzenveer vloog, tot het met een doffe klap doel trof in de zachte onderbuik van het hert. Hij huiverde..

Het hertenjong beschreef een gemene zwaai en viel levenloos op de grond. Storm van Rhoden vulde zijn longen met frisse lucht en ademde uit. En nog eens, net zolang tot hij zijn hartslag in de rechterzijkant van zijn voorhoofd voelde verminderen en zijn vingers niet langer tintelden. Het voelde alsof hij de hele dag sneeuwballen had gegooid met de jongens uit de veste en ’s avonds voor het knapperende haardvuur zijn vingers ontdooide. Hij bekeek de palm van zijn rechterhand. Even leek het alsof hij een dampende rooksliert zag opstijgen en verdwijnen door een windvlaag. Hij sloot en strekte handen, net zolang tot hij de warmte voelde verdwijnen. Branderig, alsof hij spieren verrekt had. Hoe lang stond hij hier nu? Alsof hij uit een slaapwandeling ontwaakte knipperde hij een paar keer met zijn ogen en liep met zelfverzekerde tred naar zijn prooi. De zon stond laag aan westkant van de hemel, veel lager dan voordat hij het hertenjong in het oog kreeg. De kracht die hij gebruikte om de pees strakker aan te spannen en de pijl sneller te laten vliegen kostte tijd en vooral inspanningen.

Zo lang als hij zich kon herinneren bezat hij een bijzonder concentratievermogen. Een vermogen dat door pure geestinspanning zijn boogkunsten enorm kon verhogen. Ontelbare keren hadden zijn pijl en boog doel getroffen vanuit moeilijke posities en verre afstanden. Storm merkte dat hoe vaker hij deze kracht gebruikte, hij er behendiger en sterker in werd. Kracht? Is het een kracht? Hij wist niet wat het was, maar het was iets abnormaals. Ten eerste besefte Storm dat het een soort van magie moest zijn. Het kon niet anders. Als iemand hem zou betrappen op het gebruik van zijn kracht, dan zou hij als pakketje worden afgeleverd aan de Rode Orde. Met een gulden strik er omheen. Ten tweede was het fysiek gevaarlijk. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij wakker werd, na het verliezen van het bewustzijn, in een donker geworden woud.

Beren, wolven, en woudleeuwen die hem naar het leven stonden waren al spannend genoeg, de angst voor het onbekende was groter.

Hij had besloten niemand iets te vertellen. Wanneer hij joeg met anderen, dan maakte hij gebruik van wat zijn lichaam hem te bieden had. Meer niet, maar hij miste het dan. Macht. Hoe zou hij moeten uitleggen aan zijn dorpsgenoten dat hij zijn spierkracht en uithoudingsvermogen kon vergroten door zijn gedachten te versmelten met de kracht van het vuur? Dat uiterste concentratie, of woede de leidraad was naar een bevredigende hitte? Hij zou branden onder toeziend oog van zijn naasten. Dit was zijn geheim, in ieder geval tot hij het volledig onder controle had.

Terwijl hij verder mijmerde boog hij zich over het hertenjong dat met een geschrokken uitdrukking naar de hemel staarde. Hij hurkte voor het beest en bekeek zijn prooi. De ree zag er gezond uit. Nadat het dier geslacht zou worden, voordat het geschikt voor bereiding was, volgde er altijd een controle van het karkas. Van de organen zoals de longen, de lever, de milt, de nieren en de lymfeklieren.

Enkel een goedgekeurd karkas was goed genoeg voor de veste.

Hij pakte het dier op en gooide het over zijn rechter schouder. De jacht was over. Zijn lederen draagtas was gevuld met bospaddenstoelen, muntbladeren en verse thee. Behalve het verbandpakket van gaas en vers gesponnen wol, dat hij altijd mee droeg wanneer hij alleen op pad ging, was zijn tas gevuld met een rijkdom aan etenswaren. Een gestrikt konijn hing aan zijn riem en bungelde vrolijk mee op het ritme van zijn pas. Een paar fazanten dansten gezellig mee. Tevreden, maar verregend tuurde Storm door de druppels naar de hemel. Wat wolken hadden ruimte gemaakt voor een stukje maan en zij maakte op hun beurt de schemer verdraagbaar op zijn weg naar huis. Het avondeten had hij gemist. Dat zag hij niet enkel aan de stand van de maan, zijn maag knorde klaaglijk om een hertenjong aan het spit. Een half uurtje flink doorlopen, dan was hij binnen de kasteelmuren.

De vestejongen kende het woud van Rhoden op zijn duimpje. Al vanaf de dag dat hij alleen buiten de kasteelmuren van het kleine Hertogdom mocht spelen, verkende hij de natuur. Zijn jacht en ontdekkingsdrift brachten hem al vanaf de kust aan de Zuidzijde, tot aan de Grote Kom, zoals het meer werd genoemd, aan de Noordoostzijde. Een gebied dat zich uitstrekte over een afstand van meer dan vijfhonderd vierkante meter.

Dit zou de derde winter worden die hij voor Karvan zou werken, meesterkok aan het hof. Wat tevens betekende dat hij misschien wel zijn kunsten als jager vaarwel kon wensen. Hij werd geacht een beroep te kiezen. Ach, de kok was niet alleen een allerhartelijkste, goedlachse man. Het was ook nog eens zijn pleegvader. Een pa met een sarcastisch gevoel voor humor en een goed gevormde buik die getuigde van zijn kunsten in de keuken. Karvan was in dienst van Hertog Rorick, een welgerespecteerde positie die dicht in de buurt van het hof kwam. Zijn vader was een hardwerkende man die, zoals hij zelf zei, vanuit de goot tot aan de rang van meesterkok was geklommen door niet alleen zijn pik achterna te lopen. Al was Storm geen rokkenjager, de meesterkok verstond lui lummelen en dagdromen onder hetzelfde regime. Buiten dat was trots op zijn pleegzoon. Iedere dag verse kruiden, paddenstoelen en vlees op de tafel en tot diep in de nacht helpen met de schoonmaak van de keuken. Het enige wat Storm er voor terug verlangde was een goed gevulde buik, af en toe een kroes aangelengd bier en zijn bed boven op de vliering van de voorraadschuur. Een slaapplek die hem overigens weinig nachtrust bezorgde.

Hij was ’s nachts meer bezig met het verjagen van plunderende wasberen, steenmarters en andere kleine roofdieren, dan met het knappen van een welverdiend uiltje. Al met al had hij weinig te klagen. Zoals de meeste jongens, werd van hem verwacht dat hij de keukenkunsten van zijn vader zou overnemen. Een zekere toekomst, maar niet één die hij ambieerde. Misschien was het omdat Karvan niet zijn biologische vader was? Had hij de de keuken als tweede natuur niet in zijn bloed zitten. Bij de gedachten aan zijn vader voelde hij een vreemd gemis. Een dik gedrukt vraagteken. Wie en waarom? Storm was een weeskind van Rhoden. Dit betekende min of meer dat Karvan de verantwoordelijkheid over de jongen droeg en hij de opvoeding verkreeg die een bloedeigen zoon ook zou krijgen. Hij was daar natuurlijk erg dankbaar voor, maar ergens miste hij een bloedverwant.

Er waren wel meer weeskinderen in Rhoden, maar deze waren vaak in dienst van de abdij. Storm was een vrij man en dat hij zijn ouders nooit had gekend, betekende niet dat hij ongelukkig was. Zoals hij zichzelf voorhield, wat je niet kende, kon je ook niet missen. Een verlangen naar het onbekende, dat was wel iets anders. Storm was opgevoed door Karvan en zijn vrouw Vyra, die twee zomers geleden tot groot verdriet van het dorp, gestorven was aan de gevolgen van een hardnekkige knokkelkoorts. Het verdriet had Karvan verwerkt door meer en langer te werken dan ooit. Storm had het geen plaats kunnen geven. Het was een oneerlijke en misselijke dood waarvoor hij de Ene en de tien lagere goden meerder keer vervloekt had. Vyra was een geweldig, lieve vrouw en een moeder voor hem. Zij was het die hem had verteld dat hij als baby te vondeling was gelegd. Andere verhalen vertelden hem weer dat hij als baby gevonden was buiten de kasteelmuren, aan de rand van het woud als een afgedankte zwerfhond. Hoe, dat maakte hem niet uit. Hij droeg net zoals alle vondelingen en onwettige kinderen de naam van de stad of dorp waar hij was grootgebracht. Storm van Rhoden.


Jeroen Cornelis: Beste Lezer, na de kleurrijke start met de proloog starten we met de introductie. Vaak in een boek waar je eventjes doorheen moet. Dit gevoel hoop ik de lezer niet te geven. We moeten de hoofdpersoon leren kennen aan het begin van zijn epos. De groei die hij later doormaakt moet immers natuurlijk zijn en indruk maken. Vragen die ik jullie persoonlijk zou willen stellen: Wat vinden jullie van het gedicht/lied aan het begin van het hoofdstuk? Ieder hoofdstuk kent een eigen schrijfsel om wat sfeer te maken. Hoe ervaren jullie Storm? De omgeving? Het feit dat er soms cursief stukken tekst instaan; gedachten. Van hem of de schrijver? Komen jullie nog fouten, of grammaticale onduidelijkheden tegen? Geef ze gerust aan. Welk gevoel hebben jullie na deze ‘intro’ van hoofdstuk één? Hoe denken jullie dat Storm eruit ziet en qua karakter is? Misschien nog veel te vroeg. Laatste vraag; de naam van zijn pleegvader: Karvan. Passend? Het is een verbastering van Kevin, een Kok in de familie.

6 REACTIES

  1. Ik vind het gedicht mooi,lijkt een loflied voor de heer van het land waar het verhaal zich afspeeld.De omgeving is op magische wijze vormgegeven je ziet alles zo voor je.Wat Storm betreft hij lijkt mij een avontuurlijke jongen met een geheimzinnige achtergrond,toch heb ik het gevoel dat ik hem al een beetje ken .Kan niet wachten tot het volgende hoofdstuk.

    • Wat leuk om te horen, Vera! Fijn dat het gedicht in de smaak valt; dit doe ik ieder nieuw (echt) hoofdstuk. ( Inside information: wist je dat ieder versje uit een heel gedicht/lied komt dat ik ooit heb geschreven.) Iedere zaterdag een nieuwe post en dit is pas deel 1 van (ik geloof) 50. Groetjes en bedankt voor je reactie.

  2. Mooi stuk! Het is voor mij hier en daar lastig lezen (zie mijn feedback hieronder ;)) maar ik vind dat je o.a. dankzij het beschrijven van de jacht en de natuur een goed eerste beeld schetst van de wereld waarin Storm leeft. Je gebruikt mooie beeldspraak, vooral ook om de magie te schetsen die Storm produceert. Hier en daar mag het wat mij betreft wat ‘scherper’ om het duidelijk te houden en de lezer niet te verliezen.

    De eerste alinea vind ik lastig om door te komen. Ik heb hem nu een paar keer gelezen, maar begrijp nog steeds niet helemaal wat je bedoelt. Kan licht regendruppels dansen? En een ‘luchtspiegeling dankzij de afkoelende herfstwind’? Ik heb geen idee wat ik me daarbij moet voorstellen.
    ‘Zou je het moment proberen om vast te leggen, dan zou het kunstig zijn.’ Ik denk dat ‘om’ er niet tussen hoort. En wat is er kunstig aan het moment proberen vast te leggen? Of bedoel je dat het eruit ziet als een kunstwerk als je het eenmaal hebt vastgelegd?
    Zoals je het beschrijft, is het een beeld dat de aandacht vasthoudt, iets wat langer duurt dan een oogwenk (ook al is dat alleen in je eigen verbeelding), maar de zin ‘Al was het voorbij voordat je er erg in zou hebben’ doet dat gevoel gelijk teniet.
    ‘Een spel tussen zonnige stralen en een pittoresk schilderij’ klopt mijns inziens ook niet met ‘het willen beschrijven’ van dat wat je ziet. Daarbij weet ik ook niet wat ik me erbij moet voorstellen.
    Kortom: het lijkt iets moois te zijn, maar ik zie het niet voor me door de ingewikkelde zinsconstructies. Ook vind ik het gebruik van ‘je’ persoonlijk niet mooi. Ik zou ‘men’ gebruiken. Dus: ‘Zou men het proberen vast te leggen, dan ….’ Hoewel ik dat wel zoveel mogelijk zou vermijden, omdat het de lezer uit het verhaal kan trekken. Het voelt een beetje alsof je de vierde wand doorbreekt. Ik zou er zelf voor kiezen om het alleen te beschrijven. Zoiets als: ‘Het was als een meesterwerk van warme pastelkleuren met een licht dat door de regendruppels danste. Het droogde langzaam, in een vochtige schemer, met een sprookjesachtige glinstering onder de kritische, maar vooral warme blik van de schilder.’ O.i.d.

    In alinea drie introduceer je de persoon om wie het gaat, maar dat is vrij plotseling. Van de bewoners die vanuit hun schuilplaats naar het weer kijken, zijn we ineens bij iemand wiens ogen tranen door een kille windvlaag. Moet hier niet nog een overgang tussen? Of anders een witregel?

    Kijk nog eens naar de plaats van komma’s. Je hebt die bijvoorbeeld tussen ‘veeg’ en ‘streek’, maar daar hoort geen komma. En na ‘het jonge beestje miste’ hoort juist wel een komma. Met de zin ‘Maar ze kon het niet plaatsen.’ verandert je van het perspectief van Storm naar dat van het hert.

    Ik zie dat je veel gebruik maakt van het woord ‘maar’, terwijl dat vaak niet nodig is. Bijvoorbeeld: ‘Hij concentreerde zich terwijl harde druppels zijn zicht vertroebelde en hem plaagde tot hij slecht zag, maar het hinderde hem niet.’ Als je ‘Het hinderde hem niet.’ apart zet, dus zonder ‘maar’, komt het sterker naar voren.
    Ik zie meerdere grammaticale foutjes (zoals ‘Meerder keer’) of een punt te veel/een woord te veel. Kijk daar nog eens goed naar.

    Als laatst wil ik zeggen dat ik het wel een erg lang stuk vind. Niet qua hoeveelheid tekst, maar qua hoeveelheid informatie. Je geeft erg veel weg in één hoofdstuk. Je vertelt over zijn magie (mijn complimenten om hoe je die naar voren brengt), over hoe hij jaagt als hij met anderen is, zijn gedachten over zijn kracht/magie en dat het zijn geheim is, voor wie hij werkt, het werk dat hij doet, zijn slaapplaats, de verwachting van zijn ouders en wat hij daarvan vindt, wat hij ervan vindt dat hij zijn biologische ouders niet kent, Vyra en hoe hij en Karvan beide op haar dood reageren … Het is heel veel en dat is niet nodig in een eerste hoofdstuk. Geleidelijk aan vertellen laat een grotere indruk achter. Vertel bijvoorbeeld dat hij terugkeert en Karvan aantreft, terwijl die nog steeds aan het werk is. Storm hoort ook zijn buik knorren. Laat Karvan Storm een ‘vondeling’ noemen, waarna Storm zoiets zegt als, ‘De vorige keer noemde je me anders een afgedankte zwerfhond, omdat ik … etc.’ Laat Storm een opmerking maken over Vyra en laat Karvan reageren (of niet reageren en zijn werk vlug weer oppakken), waardoor duidelijk wordt dat ze is overleden en dat Karvan daarmee omgaat door harder en langer te werken. Dan gaat het leven! 

    Ik vind de schuingedrukte zinnetjes weinig toevoegen, behalve de laatste, ‘Storm van Rhoden’. Dat maakt het krachtiger. Het gedicht/lied aan het begin van het hoofdstuk vind ik leuk! Hou dat er vooral in. Karvan vind ik ook een mooie naam. Tof ook hoe je naar het goddelijke verwijst als ‘de Ene en de tien lagere goden’.

    Sorry, misschien ben ik een beetje te kritisch! Ik hoop dat in elk geval dat je er iets aan hebt. Zoals gezegd, vind ik dat je heel mooi vertelt en echt een andere wereld neerzet. Ik ben heel benieuwd naar het volgende hoofdstuk!

    Groetjes,
    Rowan

    • Rowan! Er is zeker geen “sorry” nodig! Sterker nog, dit is exact waar ik op hoopte. Wat fijn! Ik kruip vanavond achter mijn PC en ga je, vooral bruikbare, tips meenemen en verwerken. Je complimenten koester ik uiteraard. Wat een kunde, dankjewel.

      Graag tot veel meer reacties!

      Jeroen

  3. Beste Jeroen, daar ben ik weer met een wagonlading kritiek (hihi). Nee hoor, geintje, maar ik moet zeggen dat ik wel veel kleine taalfoutjes alsmede interpunctiepuntjes ontdekte. Daarover later.
    Het gedicht is prachtig en een goede zet om dat ieder hoofdstuk weer terug te laten komen. Een soort vast ijkpunt. Misschien zou je kunnen overwegen (maar misschien heb je dat al gedaan) alle gedichtjes bij elkaar een soort verhaal te laten vormen. Een verhaaltje binnen een verhaal dat iets van de puzzel blootlegt.

    Het deel zelf. De eerste helft van dit deel leest een beetje pompeus voor mij. In die zin dat het lijkt alsof je het verhaal in een schitterende vertelstijl wilt vertellen met veel toeters en bellen. Heel omschrijvend en op beeld gericht. Dat element is trouwens niet verkeerd want de lezer moet zich een beeld kunnen vormen van wat je schrijft en tekent. De tweede helft is wat eenvoudiger opgezet, maar daarom niet minder mooi. Iets eenvoudiger taalgebruik wat de helderheid ten goede komt. Je schept wel met dit hele deel een echte wereld, vind ik. Een mooi ingekleurde wereld wat mij betreft zoals het een Fantasywereld betaamt.
    Het begin van de introductie van de hoofdpersoon is inderdaad vrij plotseling, maar ik vond het wel een mooie overgang. Misschien een overweging om direct de naam Storm te laten vallen zodat we gelijk weten hoe de beste man heet. dus dan zou de constructie als volgt zijn: ‘Een plotselinge kille windvlaag deed Storms ogen tranen’ Zoals ik al zei: slechts een overweging.

    De korte schuingedrukte zinnetjes zijn duidelijk gedachten. Ik gebruik dat zelf ook vaak in mijn verhalen dus: top.
    Aan de ene kant voel ik wel met Rowan mee dat je veel in korte tijd vertelt. Je zou in bijvoorbeeld allerlei dialogen op later tijdstip kunnen uitspinnen. Aan de andere kant is het, naar mijn smaak ook weer niet zo erg omdat we nu wel weten hoe de zaken liggen. Zorg er wel voor dat je niet te veel stukken met grote ‘infodump’ inbouwt. Het is tenslotte een verhaal dat langzaam opbouwt en de lezer moet af en toe wat te raden en in te vullen hebben.
    Dus samenvattend zou ik willen zeggen dat ik dit een goed eerste deel vond. Echt Fantasy-achtig plus bovennatuurlijk randje. De gave van Storm heb ik in ongeveer eenzelfde vorm wel eens eerder langs zien komen in andere verhalen, maar het is een intrigerende; ik zou wel willen weten wat hij hier nog meer mee kan doen, maar dat lezen we vast later wel. Dat hij erdoor in moeilijkheden gaat komen, is bijna wel zeker want magie is verboden in deze wereld. Mensen maken echter altijd impulsief fouten en dus moet het wel een keer mis gaan. Maar da’s de intrige van het verhaal.
    Laat ik zeggen dat het behoorlijk potentie heeft. (sprak de eenvoudige ondergetekende krabbelaar)
    Veel succes met de volgende delen.

    Dan de taalpuntjes die ik wilde aankaarten. Ik ben geen taalpurist; laat dat duidelijk zijn, maar er zitten al met al behoorlijk wat kleine slordigheidjes in.

    Een gemene zwaai? Hoe moet ik me dat voorstellen?

    Ben het met Rowan eens dat er komma’s staan op plaatsen waar ze niet horen bv. ‘Ongemerkt trok hij zijn gespannen rechterarm, onnatuurlijk ver naar achter’
    Maar hier: ‘Alsof hij uit een slaapwandeling ontwaakte knipperde’ hoort er wel eentje tussen ‘ontwaakte’ en ‘knipperde’
    eveneens hier: ‘Zo lang als hij zich kon herinneren bezat ’ na ‘herinneren’
    en hier: ‘die hem naar het leven stonden waren al spannend’ – na ‘stonden’
    Deze kan ook: ‘Dat uiterste concentratie, of woede de leidraad was’ – achter ‘woede’.
    Yep, ook deze: ‘Terwijl hij verder mijmerde boog hij zich over het hertenjong’ – na ‘mijmerde’.
    Nog eentje: ‘Het enige wat Storm er voor terug verlangde was’ – na ‘verlangde’
    Dit is een tweeledige: ‘Vyra was een geweldig, lieve vrouw’ – de komma weghalen en dus ‘geweldig lieve vrouw’ of zeggen: ‘geweldige, lieve vrouw’. Ik zou voor het eerste kiezen.

    ‘En niet alleen in de groene eruptie van het woud, die na maanden van regen en zonneschijn,’ . volgens mij is het: ‘het woud dat…’
    ‘Het hertenjong welke hij vanavond vol trots mee zou dragen’ >ik zou hier van ‘welke’ dat maken. Eventueel als je ouderwets taalgebruik op prijs stelt, kun je nog zeggen ‘hetwelk hij vanavond…’
    ‘niet bij de heerlijke geur van geroosterd vlees aan het spit, maar hij was één met zijn doelwit.’ >‘maar’ vervangen door ‘want. Maar geeft namelijk de indruk van een tegenstelling en want benadrukt juist dat zijn gedachten alleen bij zijn prooi waren.
    ‘terwijl harde druppels zijn zicht vertroebelde en hem plaagde’ > ‘vertroebelden’ en ‘plaagden’ vanwege meervoud van ‘druppels’. Eventueel zou je ‘en hem plaagde(n)’ ook nog weg kunnen halen.
    ‘Vanuit zijn geest voelde iets ontwaken. ’ > voelde ‘hij’ iets ontwaken.
    ‘Hij voelde het hoogtepunt naderen en hij liet de kracht,’ > ik zou hier de tweede ‘hij’ weglaten. als zijnde woordherhaling.
    ‘Hij sloot en strekte handen,’ > strekte ‘zijn’ handen
    ‘De zon stond laag aan westkant van’ >‘de’ westkant
    ‘Ontelbare keren hadden zijn pijl en boog’ > persoonlijk zou ik ‘boog weglaten want die treffen geen doel. Alleen pijlen. Dus je kunt misschien ‘pijl’ vervangen door ‘pijlen’.
    ‘Enkel een goedgekeurd karkas was goed genoeg voor de veste.‘ >deze zin kun je het beste direct achter de vorige zetten en dan de volgende zin op een nieuwe witregel met inspringing.
    ‘Wat wolken hadden ruimte gemaakt voor een stukje maan’ >wat wolken vind ik een heel aparte benadering van bv. een deel van de wolken had plaats gemaakt voor… Maar da’s persoonlijk.
    ‘Een gebied dat zich uitstrekte over een afstand van meer dan vijfhonderd vierkante meter.’ > klopt dit wel? vijfhonderd vierkante meter is slechts vijfhonderd meter in het vierkant dus een halve kilometer in het vierkant. Dat zijn een paar voetbalvelden in het vierkant. Misschien bedoelde je ‘kilometer?’
    ‘Buiten dat was trots op zijn pleegzoon.’ >was ‘hij’ trots op….
    ‘Had hij de de keuken als tweede natuur ’ > twee keer ‘de’

    • Hey! Wat fijn dat je zoveel tijd en moeite steekt in mijn verhaal. Ik heb er weer heel veel van opgestoken en aangepast in het originele document. Zo fijn om deze input te krijgen! Heel, heel, heel erg blij mee! Held!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.