‘s Koonings Jaght – Anne West

0
360

Anne West debuteerde in 2004 met ‘De Aardmagiër’, het eerste deel van de vierdelige fantasy serie ‘De Macht van het Zwaard’. In 2006 volgde ‘De Vuurdraken’ en in 2008 ‘De Koningskronieken’. Daarnaast schreef ze een aantal korte fantasyverhalen, die zijn gepubliceerd in bundels en in het Pure Fantasy magazine. Naast deze fantasyboeken heeft Anne West inmiddels ook diverse chicklits op haar naam staan waaronder ‘Blijf Af!’ en ‘Lekker is dat!’  In het najaar van 2015 verschijnt haar roman ‘Achter de geraniums?!’ waarin ze haar ervaringen met reuma heeft verwerkt. Anne West is in het dagelijks leven praktijkopleider in de zorg en geeft daarnaast schrijfworkshops.

Met ’s Koonings Jaght werd Anne West 7e bij de Paul Harland Prijs 2013. Het verhaal speelt zich af in de wereld van ‘De Koningskronieken’.

 

‘s Koonings Jaght
Anne West

 

‘Hier!’ Met een klap zette de vampier de beker voor hem neer.

‘Ngl ngl?’

‘Hè?’

‘Ngl ngl!’

De vampier rolde met zijn ogen. ‘De volgende keer stem ik op die partij die vindt dat iedereen die onze stad bezoekt onze taal moet spreken.’ Demonstratief keerde hij hem de rug toe. Somber staarde de man naar het rode goedje in de beker. Hoe moest hij dat in vredesnaam opdrinken zonder rietje?

 

Veiligheid in veelheid was in deze stad een makkelijk te bereiken doel. Prooi 232 voelde zich verdwijnen in de wirwar van wezens in de straten. Buiten de stad was hij een opvallende verschijning geweest. Ogen staarden hem overal na. Hier was hij niet uitzonderlijker dan de rest. Het was een vreemde ervaring. Hij voelde zich bijna gewoon. De wereld om hem heen was echter onbekend en bizar. Talloze huisjes stonden schots en scheef door elkaar, in de open goten dobberden rattelijken als plezierbootjes op het meer voor het koninklijk paleis. Rumoer bereikte hem zonder dat hij er iets van verstond. Deze stad was een bruisende wereld vol geluid en leven. Zijn oren, gewend aan de stilte van zijn kooi, deden pijn.

‘Hé!’ Iemand tikte op zijn schouder.

Hij schrok. Gevonden.

Voor hem stond een lange, magere vampier. ‘Kijk.’ Hij gooide zijn mantel open. De binnenkant hing vol met tanden. ‘Weerwolftanden. Die brengen geluk. Wil je er één?’

‘Ngl.’

‘Zie je deze? Dat is een linker hoektand. Die zijn goed tegen economische crisissen. Weet je wel hoeveel ik er daarvan heb verkocht de laatste tijd? En een rechter hoektand, kijk, dat is die, die helpen tegen de goden. Handig, want in deze stad zijn de goden altijd tegen ons en…’

‘Ngl.’

‘Je bent een man van weinig woorden, hè, dat hoor ik al. Hoe komt het eigenlijk dat je geen lippen hebt?’

‘Ngl!’

‘Nou, nou, je hoeft niet gelijk zo te dreigen, hoor. Het was maar een vraag.’ De vampier trok één van de tanden los. ‘Hier, gratis en voor niks. Deze beschermt tegen kwade machten uit het buitenland.’

Prooi 232 pakte de tand aan. Hij kon hem goed gebruiken. Voor het eerst doelloos sinds zijn vlucht dwaalde hij rond. Een maand was verstreken. Wat er ook zou gebeuren, hij had zijn eer behouden. Met het schaamrood op zijn kaken dacht hij aan de jacht op Prooi 231. Binnen een uur had de koning hem te pakken. Zelden had hij de opzichter zo kwaad gezien. ‘Een schande voor mijn stallen, een schande!’ had hij gekermd. De man was nog net niet het meer ingelopen. Prooi 232 zwoor dat hij de eer van de stallen weer zou herstellen. Zijn vlucht was spectaculair geweest, al zei hij het zelf. Technisch gezien was hij de eerste drie dagen niet eens gevlucht. Hij had gewoon in het meer gelegen. Soms tussen het riet, soms onder water ademend door een holle rietstengel. De koning was de landsgrens al over toen hij het water uitkwam en voor het eerst van zijn leven de wereld introk. Een wereld die hem beangstigde en die hij niet begreep. Zelfs de strengste training had hem niet kunnen voorbereiden op wat hij aantrof in deze stad. Alles was vreemd, alles was… Hij drukte zich tegen de muur. Nee, dit was onmogelijk. Geschokt keek hij de straat in. Het was slechts een flits geweest, een glimp van die fel witte haren. Zijn overprikkelde brein speelde spelletjes. Hij keek nog een keer. Ze was weg. Nee, ze was nooit geweest. Of toch wel? Een zoete zomer geur verdreef even de stank van de stad. Hij werd terug geslingerd in de tijd. Terug in het paleis, terug in zijn kooi.

‘Dit klopt niet.’ Ze rukte aan de tralies.

‘Ngl.’

‘Je bent opgesloten als een dier.’

Hij bestudeerde haar zoals ze op de grond zat voor zijn kooi. De woede in haar ogen begreep hij niet.

‘Je bent een mens. Net als ik.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Kijk dan!’ Ze overhandigde hem een handspiegeltje. Hij keek. Ze had ongelijk. Hij was niet zoals zij. Haar gezicht was gaaf, mooi. Haar volle lippen deden hem denken aan de rode wijn die hij op de verjaardag van de koning bij zijn eten kreeg. Zijn lippen….Hij betastte zijn gezicht. Zijn lippen waren weggesneden. Net als zijn tong en zijn wangen. Zijn gezicht leek in niets op dat van haar. Hij schudde zijn hoofd en gaf de spiegel terug.

‘Prooi….nee, je verdient een naam. Heb je nooit een naam gehad?’

Haar vraag prikkelde zijn geheugen. Ooit had hij ergens anders geleefd. Vaag herinnerde hij zich een kamer. Een haard brandde, stemmen spraken, een vrouw dekte hem toe. Een naam, uitgesproken met liefde en warmte. Hij herinnerde zich de klank, niet het woord.

‘Ik zal je een naam geven.’ Haar vastbesloten houding deed hem glimlachen. Een naam. Deed het er iets toe?

Ze las zijn gedachten. ‘Het maakt je een individu. Het maakt je mens.’

Hij was geen mens, hij was een prooi. Waarom kon ze dat niet accepteren?

‘En mensen spreken een taal.’ Haar slanke vingers maakte een minuscuul gebaar. ‘A.’

Hij deed het na. Aan het eind van de nacht kon hij de naam spellen die zij hem had gegeven. Ranaël.

‘Zie je wel.’ Door de tralies stak ze een hand naar hem uit. ‘Je bent een mens.’ En door die blik in haar ogen geloofde hij haar. Voor één heerlijke seconde.

 

‘Hé!’ De schreeuw haalde hem terug naar het heden. Schichtig keek hij om zich heen. Niemand lette op hem. Hij haalde diep adem. Hij mocht zijn concentratie niet verliezen. Krampachtig haalde hij het beeld van Prooi 24 voor zich. Zijn grote voorbeeld, een legendarische prooi. Anderhalf jaar wist hij uit handen van de koning te blijven. Anderhalf jaar. Als dank voor deze prachtige prestatie had de koning, nadat hij hem had gedood, een portret van hem laten maken. Die eer was nog geen enkele prooi ooit te beurt gevallen. Kopieën van het portret hingen in elke kooi in de stallen. Prooi 24 was de standaard, het doel dat elke prooi wilde bereiken. Ook Prooi 232. Hiervoor was hij geboren, opgeleid, getraind. Niemand zou hem van dat doel afhouden. Ook zij niet.

Hij sloop een steegje in en beraadde zich op zijn volgende actie. Deze stad was een interessant jachtgebied. Hier zou hij het kat en muis spel maandenlang kunnen volhouden. Boven hem hing een bord. ‘Herberg,’ spelde hij moeizaam. Ze had hem leren lezen, hem over de gebruiken buiten zijn kooi verteld. Nachten lang. In een herberg kon hij slapen. Hij greep naar het bundeltje om zijn middel. Elke prooi kreeg een standaard hoeveelheid geld mee om voedsel voor te kopen. Hij had nog nauwelijks iets gebruikt. De natuur had hem gegeven wat hij nodig had. Dat ging in deze vervuilde stad niet lukken. Hij klopte op de deur.

‘Ja?’ Een hoofd verscheen uit het raam naast de deur.

‘Ngl.’

‘Allemachtig,’ zei het hoofd dat kaal was en voorzien van een paar onnatuurlijk grote, zwarte ogen. ‘Hé, Kronor, doe die deur open. We hebben een gast, een echte gast.’ De ogen namen hem nieuwsgierig op. ‘En ga je ons ook echt betalen?’

Prooi 232 hield het bundeltje omhoog.

‘O, bij de nevelen in Altar. Hij heeft geld bij zich! Hé, Kronor, het is nog een betalende gast ook. Schiet een beetje op.’ De man stak een hand uit het raam. ‘Ik ben Offes, de waard.’

Prooi 232 staarde naar de hand.

‘O, jij komt natuurlijk uit zo’n land waar je geen handen mag schudden, toch? Maar dat geeft niet, hoor. Daar hebben wij alle respect voor, alle respect wat onze grote leider ook beweert. Hé, Kronor, geef hem geen hand. Hij mag geen handen schudden van zijn goden.’

De deur ging krakend open.  Een gebocheld wezentje keek hem vol ontzag aan. ‘Dat is Kronor,’ zei Offes.  ‘Hij is een kobold dus je begrijpt dat ik helemaal geen moeite heb met andere culturen. Als ik dat kan verdragen… nou ja, kom gauw binnen.’

Prooi 232 liep het duistere gangetje in. Meteen kwam Offes uit de kamer ernaast. Hij bleek een  broodmagere man, die te groot was voor zijn eigen huis. Zijn hals leek zijn opvallende kop met moeite te dragen. Alles aan hem wankelde in zijn slungelige pogingen het plafond te ontwijken. Zijn vale kleding was vlekkerig, zijn lange nagels bruin. ‘Welkom, welkom.’

Kronor bleef hem naar aanstaren. Prooi 232 begon spijt te krijgen van zijn impulsieve actie.

‘Kronor! Staren is onbeleefd,’ zei Offes streng. ‘Nou ja, hier niet, maar waar hij vandaan komt wel, begrijp je? Wijs hem zijn kamer.’

‘Ja, heer.’ De kobold had een opvallend lage stem. Hij wurmde zich langs hen heen de gang in.

‘Onze beste kamer,’ riep Offes hem na.

Met een verbaasde blik draaide de kobold zich om. ‘We hebben er toch maar één?’

Offes barstte in lachen uit. ‘O, die Kronor. Het is zo’n grapjas. Dat heb je met die kobolden. U kent dat wel.’

Prooi 232 schudde zijn hoofd.

‘Of niet, inderdaad,’ zei Offes moeiteloos. ‘Daar waar u vandaan komt zijn natuurlijk geen kobolden. Waar komt u eigenlijk vandaan?’

‘Ngl.’

‘Ah, ja, daar is het heel mooi heb ik gehoord. Kronor, sta daar niet zo te staan.’

De kobold verdween in het duister van de gang. Prooi 232 volgde hem naar de achterkant van het etablissement. Een deur, die half uit zijn sponning hing leidde naar een kamertje zonder raam en met een bed dat eruit zag alsof het maandenlang op zee had gedreven.

‘Mooi, hè?’ riep Offes achter hem.

Prooi 232 slaakte een zucht.

‘Ja, je wordt er stil van. Ik weet het. Wacht maar tot je ons diner hebt geproefd. Vers gevangen uit de goot. Hoewel, gevangen is misschien een groot woord, maar ik heb het wel persoonlijk opgeraapt. Kronor komt het u zo brengen.’ Offes trok de kobold de kamer uit en gooide de deur, die vervaarlijk wankelde bij deze actie, dicht. Prooi 232 zakte op het bed neer. Alleen. Hij staarde naar de muur vol vlekken. Zijn kooi in de stallen van het koninklijk paleis had er veel beter en schoner uitgezien. Hij zou er nooit meer naar terugkeren. Hoe zou het met haar gaan? Even stond hij zichzelf toe aan haar te denken. Aan haar ogen die schitterden als het meer als de gloeiwormen overvlogen, aan haar vingers die door de tralies heen zijn armen aanraakten, nieuwsgierig, gretig. Aan haar zachte stem die haar sterke wil leek te verhullen. In de dagen voor de jacht begon was ze elke nacht bij hem geweest. Ze kon geen afscheid nemen, zich niet voegen naar het onvermijdelijke. Ze kende hem, maar één ding zou ze nooit begrijpen. Hij was een prooi.

Een klopje op de deur deed de herinnering aan haar even vervagen. De kobold kwam binnen met in zijn handen een bord vol bruine drab. ‘Rattenstoofpot, meneer,’ zei de kobold en hij zette het op de enige houten stoel in het vertrek.

‘Ngl.’

Kronor staarde hem aan. ‘Ik weet wel wat jij bent.’

Prooi 232 stond op om te zien of de drab er van dichtbij net zo vreselijk uitzag als van veraf.

‘Jij bent een prooi uit Altar.’

Hij verstijfde.

‘Ik herken de verminkingen.’ Kronor bleef hem maar aankijken. ‘Ze hebben je lippen weggesneden, je tong verwijderd. Wat nog meer?’

Prooi 232 haalde zijn schouders op. Op die gruwelijke dag vol pijn vele jaren geleden telde maar één ding: overleven. Wat er precies met hem was gebeurd wist hij niet meer. Het was gewoon één van de rituelen waar je als prooi doorheen moest. Je stelde er geen vragen over, je kreeg toch geen antwoord. En na dit ritueel was zijn stem voorgoed verloren gegaan. Misschien wel om te voorkomen dat hij vragen stelde.

‘Waarom sta je dit toe?’ vroeg Kronor. ‘Is het nooit in je opgekomen dat de koning ook gewoon op wat zwijnen zou kunnen jagen?’

Prooi 232 knipperde met zijn ogen. Zwijnen?

‘Tsk,’ zei Kronor. ‘Doe jezelf een lol. Verdwijn. Deze stad is groot genoeg. Geloof me, ik kan het weten.’

Zijn woorden waren een echo van die van haar. Hij schudde zijn hoofd zoals hij ook bij haar talrijke malen had gedaan.

‘Denk erover na. Eet smakelijk.’ Kronor liep de kamer uit.

Prooi 232 roerde met de houten vork in het eten. Alleen de geur al maakte hem misselijk. Hij verschilde niet veel van de stank die in deze stad permanent in de straten hing. Voorzichtig nam hij een hap. Het leek alsof hij een bal slijmerig vet in zijn mond had. Moeizaam zoog hij kleine stukjes verder zijn keel in. Eten duurde lang en kostte veel energie. Toch leek deze drab voedzaam en hij kon zijn krachten morgen goed gebruiken. Eindelijk strekte hij zich op het bed uit.

Het hoorngeschal weerkaatste tegen de vele muren van de stad. Prooi 232 schoot overeind. Had hij geslapen? Hoe lang? Het was stikdonker in de kamer. Onrustig tastte hij rond. Weer schalde een hoorn.

‘Bij alle gobelins! Stelletje idioten!’ klonk een stem op straat.

‘Mag onze eeuwige leider jullie vierendelen!’ riep een ander. Zijn opmerking werd gevolgd door een stortvloed aan woorden die Prooi 232 nog nooit van zijn leven had gehoord. Hij sprong op en trok de deur open. Kronor stond voor hem met geheven hand alsof hij juist had willen aankloppen. ‘Het is de koning van Altar,’ zei hij.

Gevonden. Prooi 232 balde zijn vuisten. Nu kwam het erop aan. Nu zou blijken wat hij echt waard was. Hij dacht even aan Prooi 24. Elke prooi kende de verhalen over hoe hij telkens weer op het laatste moment wist te ontsnappen. Hij was zijn voorbeeld. Dat kon hij ook.

‘Hé, heb je dat gezien.’ Offes kwam tevoorschijn met op zijn hoofd een slaapmuts zo lang dat hij er geheel in zou kunnen verdwijnen. ‘Het is een jachtpartij! Met witte vuurpaarden en honden. In de stad! Compleet van de brug gevallen die lui.’

‘Ja, heer,’ zei Kronor terwijl hij Prooi 232 waarschuwend aankeek.

‘Waar zouden ze op jagen? Ratten?’ Offes grinnikte om zijn eigen geintje.

‘Ze zijn vast verdwaald, heer,’ zei Kronor.

‘Haha, ja, natuurlijk. Dat is het.’ Offes geeuwde. ‘Ik wilde dat ze ophielden met die vreselijke herrie. Nu hoor ik de doodskreten van de slachtoffers van deze nacht niet en daar val ik altijd zo lekker bij in slaap.’

‘Ik zal u zo wat warm bloed met een vleugje anijs brengen. Dat helpt vast wel,’ bood Kronor aan.

‘Goed idee, goed idee,’ mompelde Offes en hij wankelde de gang in.

‘Kom mee.’ Kronor trok Prooi 232 naar de achterkant van het huis. Het hoorngeschal vulde zijn oren. Het hoefgetrappel leek stil te vallen voor de voordeur. ‘Hier.’ Kronor schopte tegen een andere deur die naar een schemerige binnenplaats leidde. ‘Klim over de muur. Daar is een straat.’

Prooi 232 bleef even staan. ‘Ngl?’

‘Waarom?’ Kronor lachte vreugdeloos. ‘Ik weet wat het is om te moeten vluchten voor je leven. Ik ben een etnische minderheid, zie je.’ Hij dacht even na. ‘Ik geloof dat ik momenteel de enige kobold ben in deze stad want ze hebben Zerp vorige week aan de huisdieren van de leider gevoerd. Deze stad is niet dol op etnische minderheden, begrijp je? Zeker niet als het kobolden zijn. Dat heeft iets te maken met een akkefietje in het verleden, zo’n vier weken geleden, toen Zerp en ik een paar leden van het koningshuis hebben vermoord.’

Prooi 232 vond het tijd om te vertrekken.

‘Dus jij en ik hebben een band,’ zei Kronor. Hij glimlachte.

Prooi 232 rilde. ‘Ngl.’

‘Graag gedaan.’

Prooi 232 klom lenig over de muur en sprong op straat.

‘Hé, Kronor?’ klonk Offes’ stem. ‘Ging onze gast nu weg zonder te betalen?’

‘Eh, ja heer. Hij had plotseling erg veel haast.’

‘Was het bed niet goed?’

‘O ja, dat was uitstekend, heer.’

‘Hm, nou dan hoop ik maar dat hij goede mond op mond reclame voor ons maakt.’

‘Vast wel, heer.’

‘Denk je dat het een idee is om gasten voortaan vooruit te laten betalen, Kronor?’

Prooi 232 liep verder de straat in. Over de daken klonk hoorngeschal. Het leek van alle kanten te komen. Waar moest hij heen? Hij drukte zich tegen een muur. Aan de overkant was een smalle steeg. Met enkele grote passen stak hij de straat over.

‘Hoogheid! Daar!’

Adrenaline schoot door Prooi 232. Een blinde vreugde maakte zich van hem meester gemengd met een vleugje angst. De jacht was geopend. Nu kon hij zijn kunde laten zien. Achter hem klonk hoefgetrappel. Zijn getrainde lijf barstte uit elkaar van de energie die door zijn aderen gierde. Kon de opzichter hem nu maar zien. Hij zou trots zijn. Prooi 232 rende de steeg in, sprong naar één van de dakgoten en hees zich op het dak. Voor hem strekte een gevaarlijk moeras van hout, metaalplaten en beton zich uit. Op straat leken de meeste huizen aardig op weg naar de status van ruïne dus hij wist dat hij uiterst voorzichtig moest zijn. Gebogen sloop hij weg van de straat. Het vaak dunne materiaal onder zijn voeten maakte het onmogelijk ongemerkt weg te komen.

‘Rirk, er staat iemand op ons dak!’

‘Ga slapen, Neel. Het zal de ooievaar wel zijn.’

‘O, goden niet weer! Pak het geweer, Rirk.’

‘Waarom? Ik wil slapen.’

’22 is genoeg. Pak het geweer!’

Prooi 232 kroop haastig verder. Achter hem klonk een bons. Over zijn schouder naderde één van de jagers. Prooi 232 knarste zijn tanden. Stiekem had hij gehoopt dat de koning hem zelf achterna zou komen. Natuurlijk was dat een eer die hij moest verdienen, maar hij was al een maand los. Onder hem kraakte de dakgoot. Hij keek naar beneden, een smal steegje kronkelde onder hem door. Zijn voeten landde hard in de modder. Zijn enkel kraakte, hij verbeet de pijn. Stom. Eén ogenblik van misplaatste trots had hem verwond. Hij was geraakt in datgene wat hem roem moest brengen: zijn snelheid. Strompelend bewoog hij zich langs de muren. Boven hem klonken stemmen. Voor hem ook. Hij bleef staan. Was het dan nu al voorbij? Hij balde zijn vuisten. Nee. Niet nu, niet hier. Niet na een leven lang trainen geveld worden na een maand. Dat idee was onverdraaglijk ook al was vier weken los in de wereld niets waarvoor hij zich hoefde te schamen. Talrijke prooien voor hem waren al veel eerder doorboord met een pijl van de koning. Hij duwde zichzelf moeizaam in het duister van een laag portiekje. In de steeg bewogen schaduwen.

‘Ranaël?’

Hij verstarde. Dit kon niet waar zijn.

‘Ranaël?’

Hij gluurde om een hoek. In de steeg stond zij. O, bij alle pijlen des Konings, ze was nog mooier dan hij zich herinnerde. Haar haren leken hem als de kalk waarmee zijn cel was ingesmeerd, haar lichaam deed hem denken aan het portret van Prooi 24 alleen boeide hem dat op een heel andere manier. Haar ogen waren als het koperen zwaard van de opzichter. Net zo snijdend. Hij stapte de steeg in.

‘Ranaël!’ Ze rende op hem toe en duwde hem resoluut terug in het portiek. Nog steeds begreep hij niet waarom ze hem Ranaël noemde. De klank van deze naam was hem vreemd, zij vond het echter koninklijk en sierlijk.

‘Wat doe je hier?’ gebaarde hij haar.

‘Ik zocht jou,’ zei ze op die zangerige toon die dag en nacht zijn hoofd vulde ook al had hij nog zo hard geprobeerd die muziek te verdrijven.

‘Ga weg!’

‘Nee.’

Zijn handen vormden al een nieuwe zin, maar hij bedacht zich. Dit was wat zij wilde; praten. Daarom had ze hem een gebarentaal geleerd. Het was een taal waarvoor hij zich schaamde. Een prooi praatte niet, een prooi had geen gevoel, geen mening, geen gedachten. Een prooi vluchtte. Dat was zijn enige taak.

‘Dit is belachelijk! Mijn vader is zo ouderwets. We vluchtten samen, Ranaël. Hij kan ons niets maken. Dit is mishandeling.’

Het was een variatie op een verhaal dat hij al zo vaak had gehoord. Nog steeds begreep hij niet waar ze op doelde. Wat was ouderwets? Wat was mishandeling? Ze kon hem soms bekijken alsof hem iets vreselijks was aangedaan.

‘I-D-O-N-A.’ Langzaam spelde hij haar naam met zijn vingers.

‘Wat?’

‘Laat me gaan.’

Ze staarde hem aan. ‘Dat kan ik niet.’

‘Je moet. Ik heb een taak te vervullen.’

Haar zucht moest door de hele steeg te horen zijn. ‘Dit is geen taak, Ranaël. Dit is mishandeling, marteling van een onschuldig mens.’

Mens. Hij keek naar zijn handen. Was hij een mens? Was hij zoals zij? Toegegeven, in die lange nachten in de kooi had hij vaak aan haar woorden gedacht. Dan herinnerde hij zich een leven waarin hij zeker geen prooi was. Het waren vage schimmen uit het verleden waaraan hij steeds meer geloof begon te hechten. De enkele seconden waarin hij geloofde dat hij een mens was, werden minuten.

Boven hem klonken voetstappen.

Idona liet haar gewicht tegen de deur vallen. Ze viel meteen een gang binnen, de deur kletterde naast haar. Ongeduldig krabbelde ze overeind en trok hem mee.

‘Hé, wat moet dat!’ Een klein mannetje dook voor hen op.

‘Kop houden. Ik ben Idona, prinses van Altar.’

‘Ja, hoor en ik ben de koning der dwergen. En nu oprotten.’ Het mannetje stak een hand uit die opeens was voorzien van een pikhouweel.

‘In mijn land buigen ze voor me,’ zei Idona.

‘Het enige buigen dat in deze stad wordt gedaan is als iemand zijn hoofd op het schavot legt, begrepen?’ De dwerg deed een stap naar voren. Prooi 232 trok de prinses naar achteren.

‘Respectloos,’ siste Idona.

‘En dat zegt degene die zonder kloppen binnen is gekomen,’ zei de dwerg. ‘Ga weg en neem dat monster wat je bij je hebt mee.’

‘Ranaël is geen monster.’

‘Nou, ik heb toevallig trollen gezien die er minder eng uitzien als hij dus dat wil heel wat zeggen.’

‘We gaan,’ gebaarde Prooi 232.

Idona wierp nog een vernietigende blik op de dwerg en liep met haar neus in de lucht naar buiten.

‘O, en wie gaat er betalen voor die deur?’ vroeg de dwerg.

‘Schrijf maar een brief aan mijn vader.’

‘Dame, in deze stad hebben de posterijen al moeite een brief aan mijn buurman goed te bezorgen. Ik denk dat ze Altar niet eens kunnen vinden.’

Prooi 232 pakte de deur op en hing hem terug in zijn hengsels.

‘Mooi, dank je wel. Nou, dáág.’ De dwerg smeet de deur achter hen dicht.

‘Hoe onbeschoft.’

Prooi 232 keek de steeg in. De discussie met de dwerg had lang genoeg geduurd om de koning en zijn jagers van hem af te schudden. Hij draaide zich om naar Idona. ‘Alsjeblieft, laat me met rust.’

‘En dan, Ranaël? Uiteindelijk zal mijn vader je vinden. En dan?’

‘Dat weet je.’

‘Hoe kun je zo berustend zijn?’

Was het berusting? Of was het weten? Net zoals bij elke andere prooi zou zijn leven eindigen door de hand van de koning. Dat was toch heel normaal? Of niet?

‘Ranaël. Kijk. Er zijn geen tralies meer tussen ons.’ Idona deed een stap in zijn richting. Zo dicht was niemand hem ooit genaderd. Hij hoefde alleen maar een hand uit te steken om haar aan te raken. Zijn lichaam reageerde zo heftig op die gedachte dat hij even vergat te ademen. Deze sensatie was nieuw voor hem. Wat gebeurde er?

‘Voel je het?’ Haar stem tintelde tegen zijn oor. ‘Dat zijn niet de gevoelens van een prooi, Ranaël. Liefde, verlangen. Je bent een mens. Raak me aan.’

Hij spande zijn armen strak tegen zijn lijf. Was ze gek geworden? Hij kon haar niet aanraken. Haar vingers raakten de littekens op zijn wang. Hij deinsde naar achteren.

‘O, goden. Je bent bang.’ Idona keek hem geschokt aan. ‘Ze hebben meer kapot gemaakt dan alleen je gezicht, hè?’

Hij begreep haar niet. Geïrriteerd duwde hij haar weg. ‘Laat me gaan.’

‘Je begrijpt me niet omdat je het niet weet. Hoe kun je ook? Niemand heeft het je verteld. Voor jou is dit alles.’

Machteloos bleef hij voor haar staan. Hoewel hij elk woord kende, zag hij het verhaal niet. Hoe kon hij haar ooit uitleggen dat niet hij degene was die werd misleid, maar zij. Hoe kon zij denken dat hij ooit iets anders kon zijn dan een prooi. Misschien was hij ooit mens geweest. Het moest zijn geweest voor het mes zijn gezicht bewerkte. De littekens vertelde zijn verhaal. Ze waren onuitwisbaar en vormden de kern van zijn bestaan. Waarom accepteerde ze dat niet? Jaren achtereen was ze elke avond bij hem gekomen. Ze had verteld over haar leven, over de wereld buiten de stallen. Ze had getracht uit te leggen waar prooien vandaan kwamen.  Haar stem had getrild alsof het een gruweldaad was dat in de wet was vastgelegd dat elk echtpaar hun tweede zoon na de geboorte moest afstaan voor ’s Koonings Jaght. Ze had zich hardop afgevraagd wie zijn ouders waren en of ze die nog kon vinden. Hij kon zich geen voorstelling maken van ouders. Was het die vrouw die hem zo vol liefde had toegesproken toe ze hem instopte lang geleden? Hij wist het niet meer. Zijn enige concrete herinneringen waren de kooi en de opzichter. Zijn enige doel was de beste prooi worden. Beter nog dan Prooi 24 zodat de tijd die de opzichter in hem had gestoken niet voor niets was geweest.

‘Mijn vader is weg,’ zei Idona. ‘Geef me één nacht om je te laten zien wat het is om een mens te zijn. Daarna mag je weer vluchten. Als je dat dan nog wil.’

Hij aarzelde. Al te lang was hij in deze stad. Een prooi mocht nooit stilstaan. Een prooi was op de vlucht. Altijd. Hoe harder hij rende, hoe langer de jacht zou duren. En toch? Had Idona gelijk? Was hij meer dan een prooi? Was hij zoals zij? Al haar verhalen, haar weerstand tegen de gebruiken van haar vader, haar felheid waarmee ze voor hem vocht hadden hem nieuwsgierig gemaakt. In de afgelopen maand had hij voor het eerst kennis gemaakt met de wereld buiten zijn kooi. Het had hem verbaasd en verrast. De dag, de nacht, de natuur om hem heen, de talloze wezens die hij had ontmoet. Heel soms, in lange nachten verborgen onder het struikgewas had hij gewenst dat hij zo jaren kon zwerven. Om alles te zien, te ervaren, te voelen. Was dat wat Prooi 24 had voortgedreven? Nee, onzin. Elke prooi wist hoe zuiver Prooi 24 was geweest. Zijn enige doel was het plezieren van de koning. Toch? Anderhalf jaar. Wat had Prooi 24 veel gezien. De koning had de hele wereld moeten doortrekken om hem tenslotte in het Feeënrijk neer te halen. Volgens de legende had de koning hem daar totaal onverwachts gevonden, zittend op een rots, uitkijkend over één van de natuurwonderen van deze wereld: de stad van licht. Prooi 232 had dit moment in het verhaal nooit echt goed begrepen. Tot nu.

‘Doe je het?’ Smekend keek Idona hem aan.

Eén nacht. Zijn scherpe zintuigen tastten de steeg af. Stilte. De jachtpartij was verder getrokken. Hij knikte.

Haar stralende lach deed hem even zijn missie vergeten. Verwonderd voelde hij een intense warmte door zijn lijf trekken.

‘Kom mee.’ Zonder zelfs maar om zich heen te kijken trok Idona hem de steeg in. Hij onderdrukte de neiging zich tegen een muur te duwen en zo verder te sluipen. De onrust, het gevoel te moeten vluchten verliet hem echter niet helemaal. Een instinct dat er ingestampt was nam het over. Hij was zich nog steeds erg bewust van zijn omgeving. Van de vampier die langsliep en hem nieuwsgierig aanstaarde, van een paar priemende ogen achter een ingegooid raam, van de enorme vogel met leeuwenkop die rakelings over zijn hoofd vloog. Elk van deze wezens kom hem verraden aan de koning. Hij wilde verder, weg van hier. Zijn lichaam smeekte hem te rennen uit lijfsbehoud. Begreep ze niet dat vluchten ook leven was? Vluchten was een bestaan. Voor dat bestaan had hij jaren getraind. Hij was niet gewend de vraag van zijn lichaam te negeren. Het voelde onnatuurlijk en het maakte hem bang.

De straten veranderden. Hier waren de huizen niet meer zo vervallen. In de verte staken talloze torens van een groot paleis de lucht in. Idona bleef staan voor een poort van ijzer. Ze pakte de klopper en sloeg driemaal tegen een drakenkop. Geluidloos schoof de deur open om een grote binnenplaats omzoomd door bomen te onthullen. Prooi 232 bleef staan. Hij zag zo gauw geen uitweg behalve deze poort. Dit was een gevaarlijke plek.

‘O, kom op. Het is hier veilig. Mijn vader is hier echt niet.’

‘Hoogheid.’ Een vampier die zijn neus zowat op de grond had kwam achter één van de bomen tevoorschijn.

‘Zédur. Staat alles klaar?’

‘Natuurlijk, hoogheid.’ De vampier nam hem langzaam op. Iets in zijn ogen verontrustte Prooi 232. Zijn instinct waarschuwde hem weg te rennen. Idona’s stevige hand om de zijne weerhield hem daarvan. ‘Volgt u mij.’

Zédur liep naar een deur die wijd openstond en die uitkwam in een brede gang. Tegen het plafond waren lange rijen waterspuwers geplakt. Elke kop was anders, maar de één was nog gruwelijker dan de andere. Tongen die ver uit de kop uitstaken, ogen die naast de oogkas hingen. Elk hoofd had een verstilde, dodelijke grijns en lege, starende ogen. Prooi 232 rilde. Bij nader inzien waren de wrakkige huizen in de andere delen van de stad zo slecht nog niet. Idona leek het allemaal niet te zien. Steeds verder sleepte ze hem het gebouw in. Hij schatte zijn ontsnappingskansen in. Was die poort de enige uitgang? Waar kwamen de andere deuren op uit? Vragen waarop hij dringend een antwoord wenste. “Ken de uitgangen” was zo ongeveer de eerste regel die elke prooi had geleerd. Voordat je ergens voet over de drempel zette moest je al weten hoe je eruit kwam. Hier wist hij het niet. Zijn hoofd schoot heen en weer, Zédur bleef hem maar aanstaren, de waterspuwers leken hun koppen te draaien.

‘Hoogheid.’ Bij één van de deuren bleef de vampier staan.

‘Dank je.’

‘Kan ik nog iets voor u doen?’

‘Later,’ zei Idona vaag.

Zédur kwakte wederom met zijn neus tegen de grond en verdween.

Idona leunde tegen de deur. ‘Al vanaf dat ik een kind was had ik jou op het oog, Ranaël.’

Hij stond voor haar, twijfelend, onrustig. Hij dacht aan die ontelbare uren die ze voor zijn kooi had gezeten. Hij had haar zien opgroeien tot een bloedmooie vrouw. Hoewel hij tot nu toe nooit aan haar had gedacht als mooi. Een prooi had geen mening. Waarom hij? Ook daar had hij nooit bij stilgestaan. Het was zoals het was en haar gezelschap had hem iets gegeven wat hij niet kon benoemen. Iets wat hij anders waarschijnlijk nooit had gehad. Hij was haar daar dankbaar voor.

Idona opende de deur. In het vertrek stond een bed. ‘Jij bent van mij,’ fluisterde ze. Ze trok hem naar binnen, gooide de deur dicht en maakte langzaam de knoopjes van haar jurk los. Hij staarde haar aan. Vluchten, hij moest vluchten. Iets aan haar woorden beviel hem niet. Toch kon hij zich niet losrukken van het beeld dat zich voor hem ontvouwde. Haar jurk viel op de grond, zijn lichaam gaf elk idee om te vluchten op. Het wilde zich op haar storten. Zijn oren waren tot het uiterste gespitst. In het gebouw was het doodstil. De koninklijke jachtpartij was hier niet. Misschien waren ze zelfs de stad al uit. Het was veilig, prentte hij zich in. Het was veilig.

‘Kom dan,’ zei Idona. ‘Kom.’

Hij had al een stap in haar richting gedaan voor hij er zelfs maar over kon nadenken. Voor het eerst in zijn leven had hij zijn lichaam niet meer onder controle. Het leek een eigen leven te leiden en er schoten sensaties doorheen die hij nooit eerder had ervaren. Heftig en intens, gevaarlijk en heerlijk.

‘Dit doen mensen,’ zei Idona. Ze stak een hand uit. Haar vingers gleden over zijn tuniek. Hij huiverde. ‘Dit voelen mensen.’

Prooi. Hij was een prooi. En hij had zich nog nooit meer prooi gevoeld dan nu al begreep hij niet waarom. Ze trok hem naar zich toe. ‘Mens. Leef. Leef één keer.’ Ze rukte hem zijn kleding uit en duwde hem op bed. Haar lach vulde de kamer. Vlucht, vlucht. Hij kon geen kant op. Ze pinde hem vast met haar lichaam en hij vond het niet erg. Haar lippen beroerden zijn ruwe huid, jaren bewerkt door de zweep van de opzichter, nu bemind. Prooi 232 kreunde uit frustratie, uit genot. Hij wist het niet. Ze stopte niet, gelukkig. Ze leidde hem, nam bezit van hem, brak zijn weerstand. Hij was haar gevangene. Hij was haar prooi. Zijn kreet omringde zijn sidderende lichaam. In het gebouw klonk hoorngeschal. Ruw duwde hij haar weg. Met één sprong was hij bij de deur. Achter hem giechelde Idona. De gang was verlaten op Zédur na. De vampier grijnsde en stond met gespreide armen voor hem. Hij rende de andere kant op. Nogmaals klonken de horens. De koning had hem gevonden. Hoe kon dat? Had Zédur hem verraden? Blindelings vluchtte hij. De uitgang. Waar was de uitgang? Al die deuren, die gruwelijke koppen boven hem. Had hij maar beter opgelet. Zijn instinct, ervaren door jarenlange training, had hem gewaarschuwd. Hij had het genegeerd. Maar de jacht was nog niet voorbij. Dat was het pas op het moment dat er een pijl door zijn hart boorde.

Hij ramde een deur en kwam in een klein vertrek met een smal raam. Zonder aarzelen hees hij zich op de vensterbank en met zijn vuist sloeg hij het glas kapot. De pijn voelde hij niet. Druppels bloed vielen voor hem neer. Hij wurmde zich door de opening, zijn huid scheurde open. Hard landde hij op de grond. Een scherpe pijn trok door zijn toch al gehavende enkel. Een kreet bereikte zijn verminkte lippen. Schichtig nam hij zijn omgeving in zich op. Hij was beland in wat in deze stad waarschijnlijk door moest gaan voor een stadspark. Zieke bomen stonden op verdord gras. Overal lag vuil en er snuffelden ratten, waarschijnlijk de enige levende wezens die hier hun recreatie vonden, rond. Weer klonk de hoorn. Het geluid, dat Prooi 232 had leren vrezen, weerkaatste tegen de muren. Hij kon niet zeggen waar het precies vandaan kwam. Zichzelf vervloekend stak hij het gras over naar een andere muur. Moeizaam hees hij zich omhoog. In de straten hoorde hij hoefgetrappel. De koning was niet ver weg. Als hij nu gepakt werd kon hij dat alleen zichzelf verwijten. Hij had alles verloochend waar hij in geloofde. Hij had mens willen zijn, heel even maar vergetend wat hij werkelijk was: een prooi. Hij betastte zijn mismaakte gezicht. Een prooi. Snel beklom hij een dak dat hier gelukkig steviger was dan elders in de stad. In het duister was het moeilijk iets te ontwaren. Zag hij daar gedaantes door de straat sluipen? Was het de koning? Iemand van zijn jachtpartij? Hij dook ineen. De stad met zijn vele inwoners was niet langer veilig. Opgaan in de massa was geen optie meer. Te veel wezens hadden al begrepen wat hij was. Lenig sprong hij naar het volgende dak. Een kreet klonk door de nacht. ‘Hoogheid! Daar!’

Hij rende over de stalen platen. De afgelopen uren hadden hem uitgeput. Weer een sprong en een scherpe pijn in zijn enkel. Zijn handen gleden weg. Hij graaide naar de goot, zijn vingers klauwden tegen de muur en reten open. Een lijn van bloed werd zichtbaar op de bakstenen. Zijn lichaam knalde op de grond. Haastig krabbelde hij overeind. Witte vuurpaarden doken op in de straat. De andere kant was nog vrij. Zijn benen voelden zwaar in de vlucht die hem steeds zinlozer leek. De koning was te dichtbij. Het einde naderde. Die waarheid raakte hem nog harder dan de muur. Pas nu drong tot hem door wat dat betekende. Altijd was er nog de jacht geweest, het ultieme doel waarvoor hij was geschapen. Maar wat als de jacht voorbij was? Wat als hij gepakt werd? Dan was er niets meer. Niets. Vreemd, juist in de afgelopen dagen had hij ontdekt dat er veel meer was in het leven dan zijn kooi en de jacht. Had Idona dan toch gelijk? Had hij recht op een ander bestaan? Was dit een vraag die hij zichzelf mocht stellen? Deed het er eigenlijk nog wel toe? Achter hem klonken de hoeven. Het geluid kwam steeds dichterbij. De koude mist van de manen van de paarden drong zijn neus binnen.

‘We hebben hem!’

Een prooi gaf nooit op. De jacht was pas voorbij als hij dood aan de voeten van de koning lag. Voor vragen was geen tijd meer. Met zijn laatste krachten hees hij zich aan de goot naar het dak. Een pijl suisde langs hem heen. Op handen en voeten kroop hij over het dak zonder om te kijken. Iemand kwam hem achterna. Vlinderlichte voeten op het metaal, maar zijn scherpe oren hoorden alles. Een volgende pijl kletterde tegen het dak. Hij viel op zijn knieën, uitgeput. Toch ging hij door. Een hand werd op zijn schouder gelegd. Hij zakte op de grond. Het was voorbij. Een wilde angst schoot door zijn lichaam. Manmoedig slikte hij dat weg. Een prooi was niet bang. De dood was slechts het einde van zijn taak. Hij draaide zich om. Een prooi keek de jager recht in de ogen als hij stierf. Het was de eerste en de laatste keer dat hij de koning zou zien. De koning moest weten waarop hij gejaagd had. En elke prooi hoopte op die glimp van goedkeuring in zijn ogen. Het was de ultieme beloning. Nou ja, los van dat portret dan. Maar dat kon hij wel vergeten. Hij keek op. ‘Ngl?’

‘Dag Ranaël.’

Idona stond voor hem met een gespannen boog in haar handen.

‘Wat…?’ zijn handen vielen krachteloos terug.

Ze glimlachte. ‘De jacht komt eindelijk tot een eind.’

Hij staarde haar aan.

‘Wanneer was de eerste keer dat ik je zag, Ranaël?’

‘Lang geleden,’ gebaarde hij.

‘Lang geleden, ja. En op dat moment was de jacht geopend.’

Hij dacht aan dat jonge meisje dat destijds de stallen was ingestapt. Zo lief, zo onschuldig.

‘De jager was niet mijn vader. De jager ben ik. Maar jij bent de prooi en dat ben je altijd geweest.’

‘Prooi? Ik dacht dat ik een mens voor je was.’

Haar tintelende lach gleed over de daken. ‘Jagen is een spel. Heeft de opzichter je dat nooit uitgelegd?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik dacht dat je me door zou hebben. Ik hoopte dat je intelligent was. Maar ach, hoe kan het ook anders?’ Ze hief haar boog. ‘Het was leuk, Ranaël. Dank je wel.’

In die ene seconde die de pijl nodig had om zijn hart te bereiken, realiseerde Prooi 232 zich één ding. Hij had gefaald, hij was het lachertje van de stal. Geen één ogenblik had hij zijn jager herkend en dat terwijl ze al jaren jacht op hem maakte. Ze had hem steeds onder controle gehad. Hij was nooit echt van haar weggekomen. Wat een schande. Zijn leven, zijn bestaan. Het was voor niets geweest. Aan de tafel van de koning zou men om hem lachen. Even voelde hij een felle pijn. De laatste geluiden die hij hoorde waren voeten die zich omdraaide en een onverschillige stem die zei: ‘Ik hoop dat Prooi 233 wat meer spanning in de jacht brengt.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here