Leesfragment van de nieuwe Robert Jordan: Krijger van de Altaii

0
120

Robert Jordan, pseudoniem van James Oliver Rigney, kennen we allemaal van zijn epische Rad des Tijds serie, dat in de nabije toekomst ook een tv-serie zal krijgen op Amazon. Jordan overleed voor het afronden van de serie en Brandon Sanderson schreef op basis van al geschreven hoofdstukken en aantekeningen de laatste drie delen.

Voordat hij begon aan het eerste deel van het Rad des Tijds had hij echter al een ander manuscript afgerond dat al twee keer was verkocht aan een uitgever, maar vanwege verschillende redenen nooit was gepubliceerd. Harriet McDougal, de redacteur en weduwe van Jordan, heeft het nu alsnog uit laten brengen (de Nederlandse versie verschijnt hier 14 november, uitgegeven door Luitingh-Sijthoff). Hoewel het verhaal zich niet afspeelt in dezelfde wereld, zullen fans van Het Rad des Tijds kleine verwijzingen vinden naar ideeën die later werden uitgewerkt in de serie of namen die bekend aanvoelen. Een van de opvallendste is de naam van de grootste bergketen: de Ruggengraat van de Wereld. In het Rad is het de Rug van de Wereld.

Op FantasyWereld.nl mochten we het eerste hoofdstuk alvast plaatsen. Veel leesplezier!

Krijger van de Altaii – Robert Jordan

Ik ben Wulfgar, heer van Twee Paardenstaarten, krijger van het Altaiivolk.

Kom dichterbij en ik zal je vertellen over Lanta, de Stad van Twaalf Poorten, de Onneembare, de Parel van de Vlakte.

Ik zal je vertellen over de Tweelingtronen van Lanta en over de tweelingkoninginnen die vanaf die tronen regeerden.

Ik zal je vertellen over de Morassa en over Brecon en Ivo, die hen naar een oorlog leidden.

Ik zal je vertellen over de Allerhoogsten en over de krachten die in het Jaar van de Stenen Hagedis over de Vlakte werden uitgestort. Kom dichterbij en luister.

~ Hoofdstuk 1: Sporen van Morassa ~

Het was de vijfde maand van het Jaar van de Stenen Hagedis, en de Kafharawind waaide. Ik zat te paard op een heuveltje niet ver bij de grote stad Lanta vandaan. Ze, de Lantanen, noemden dit hier de Vlakte, deze plek waar overal groene dingen groeiden. Slechts een korte rit buiten de stad stonden bomen die hoger waren dan een man te paard. Maar de zachte lieden uit de stad zouden dit misschien voor de Vlakte aanzien.

In het noorden cirkelde traag een zwerm drills door de lucht. Het zonlicht glinsterde op hun vleugelschubben. Er lag daar iets doods of bijna doods.

Het was er een tijd voor, een tijd om te sterven. Boven me ijlde Loewin door de hemel, voortgedreven in zijn strijd met de andere manen Ban en Wilaf, met t’Fie en Mondra. Op zich al een berucht voorteken. Daarnaast was de Kafharawind dit jaar vroeg gekomen. Een vroege wind én Loewin aan de hemel, dat is een zeldzaam omen, en er worden extra zegeningen uitgedeeld wanneer het gebeurt.

Maar mijn doel hier was niet om voortekenen te duiden. Ik schikte mijn gelaatsdoek tegen het stof in de wind, zelfs hier waar groene dingen groeiden, en wachtte op degene van wie ik wist dat hij zou komen. De wind tilde een scherm van stof voor me op. Toen dat neerdaalde, zag ik hen aankomen.

Twintig mannen, rijdend in twee rijen. Hun lanspunten waren zwart gemaakt zodat ze geen licht weerspiegelden en hun armen waren bloot. Dit waren geen mannen die hun armen inpakten in pantsers, of zelfs maar in textiel tegen de wind. Ze hadden eer. Hun leider was degene voor wie ik hier was.

‘Kom,’ zei ik. Na wat druk van mijn knieën liep mijn paard de heuvel af, en twintig van mijn eigen lansen volgden.

De andere ruiters hielden halt om op ons te wachten. De man voor wie ik was gekomen stopte een stukje voor hen. Hij was nog langer dan ik, en ik ben al lang voor een Altaii.

Ik gebaarde dat mijn volgers moesten blijven staan en reed alleen door. Hij trok zijn zanddoek omlaag en keek me zonder te glimlachen aan. Na een poosje stak ik mijn linkerhand uit. Sommige volkeren bieden hun wapenhand aan, de rechterhand, als gebaar van vertrouwen. Dat is niet gebruikelijk bij de Altaii.

Hij greep mijn linkerhand stevig vast. ‘Lang geleden.’

Ik kon mijn glimlach niet langer bedwingen. ‘Heel lang geleden, Harald, en ik ben blij om je weer te zien.’

‘Ik ben ook blij om jou te zien, Wulfgar. Het afgelopen jaar heb ik een keer of twee gedacht dat het niet meer zou gebeuren.’

Harald, zoon van Bohemund, koning en krijgsheer van de Altaiinatie, was me dierbaarder dan enig man ooit was geweest of ooit zou zijn. Als ik geen bloedbroeder meer over heb, als allen zijn gevallen voor staal of de Vlakte, dan is deze man mijn broer.

Toen mijn vader sneuvelde, in de grote zege tegen keizer Basrath op de Hoogvlakte van Tybal, was Bohemund degene die me in huis nam. Ik werd grootgebracht als zijn zoon, als broer van Harald. Wij hadden meer van die hechte band vastgehouden dan de meeste echte broers.

‘Mayra had gezien dat je via deze kant naar Lanta zou komen,’ zei ik. ‘Zijn de strooptochten goed verlopen?’

‘De afgelopen vier tiendagers hebben niet minder dan drie karavanen mijn pad gekruist.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘De karavaanmeesters vervloeken het lot, zoals gewoonlijk. Maar als ze de Vlakte willen oversteken, moeten ze ermee leren leven dat er af en toe een paar aan ons ten prooi vallen. Ze moeten het maar beschouwen als een soort belasting. En hoe is het jou vergaan?’

De glimlach verdween van mijn gezicht en ik haalde diep adem. ‘Ik heb in de afgelopen zes tiendagers één karavaan gezien, en slechts één andere in de zeven daarvoor. In die tijd zijn de kuddes negen keer door tandhoorns aangevallen. Twee keer heb ik verwoeste, droge waterplaatsen aangetroffen, en nog maar vier dagen geleden zijn dertig van mijn lansen door Renners aangevallen. Ze wisten er meer dan honderd te doden voordat ze het onderspit delfden, voor zover we ze konden tellen aangezien we niets dan botten vonden.’

‘Scherpe woorden, Wulfgar. Harde woorden.’ Harald aarzelde voordat hij doorging, en toen was de lach uit zijn stem verdwenen. ‘De karavanen waren allemaal klein. Slechts één ervan had slaven bij zich, en dat was de kleinste. Een andere had stoffen en potten en andere dingen van klei. De derde had lege vaten bij zich en was op weg terug naar de wijnmakerij in Thisk. Hij werd geleid door zo’n stel scharminkels dat ik ze heb laten lopen. Als ik ze had gehouden, was ik nooit meer van ze afgekomen. Niemand bij zijn volle verstand zou dat stel zelfs maar als geschenk aanpakken.’

‘En de tandhoorns? De Renners?’

‘Geen Renners, maar er zijn altijd tandhoorns.’

‘Dit jaar meer,’ zei ik. ‘Er zijn er dit jaar meer dan ooit tevoren.’

‘Goed, ja, er zijn er meer. De Vlakte is nooit gemakkelijk geweest. Je woont niet op de Vlakte, je voert er oorlog tegen.’

‘Kom bij mij niet met van die clichés, Harald. Ik weet dat je oorlog moet voeren tegen de Vlakte, maar ik heb nooit eerder gedacht dat de Vlakte aan de winnende hand was.’

Hij verplaatste onbehaaglijk zijn gewicht. Ongetwijfeld dacht hij aan weer een ander cliché, iets over standhouden. Plotseling fronste hij zijn voorhoofd. ‘Je had het over verwoeste waterplaatsen. Ik ben er zelf ook drie tegengekomen. En bij een ervan’ – hij stak zijn hand onder zijn tuniek – ‘vond ik dit in de gedroogde modder.’

Hij overhandigde me een sjaal. Een kleine, ruw geweven sjaal met een eenvoudig driehoekig patroon dat steeds werd herhaald.

‘Morassa,’ zei ik. ‘Niemand anders zou zo’n armzalig ding willen hebben, dus was het geen handelswaar. Morassa bij de waterplaats toen hij verwoest werd?’ ‘Dat moet wel. Dit ding zat in de opgedroogde modder, en op dat deel van de Vlakte droogt de modder heel snel.’ ‘Morassa,’ fluisterde ik. Morassa waren aasgieren die de restjes oppikten van de strooptochten van andere mannen. Als ze ooit al zelf op strooptocht gingen, was dat alleen tegen iemand van wie ze zeker wisten dat die zwakker was. Maar zelfs met het bewijs in mijn handen kon ik dit moeilijk geloven.

Water is leven op de Vlakte. Een waterplaats is leven. De afwezigheid van water is de dood. Zo simpel is het. Dat feit roept respect op. Een man die een waterplaats vergiftigde of verwoestte, werd onmiddellijk ter dood gebracht. Zelfs al deed hij het om een vijand het water te ontzeggen, dat maakte niet uit. Er zou zeker een dag komen – heel zeker – dat zijn eigen mensen dat water nodig zouden hebben. Zelfs de Morassa zouden geen waterplaatsen verwoesten.

‘Heb je een Wijze Zuster gevraagd om bij de waterplaats te gaan kijken?’

Harald knikte. ‘Ze vond er niets. Er was een tijdje een betovering over de waterplaats geweest. Voor die tijd was hij intact. Erna was hij verwoest. Tijdens was hij troebel. Bij de volgende verstoorde waterplaats heb ik haar nog een keer laten kijken, en weer vond ze die vertroebeling.’

‘Dus iemand is erop uit om wat? Al het water op de Vlakte te vernietigen? Waarom?’

De wind stak op en Harald trok zijn mantel dichter om zich heen. ‘Ik weet het niet, Wulfgar, en ik ben niet van plan om er hier over te blijven nadenken. Ik bevries bijna.’

‘Goed dan. Naar Lanta. Naar de Parel van de Vlakte. We laten ze weten dat we hier met vreedzame bedoelingen zijn, en misschien zullen er een paar de moed bij elkaar schrapen om naar buiten te komen en van ons te kopen. Kunnen er goederen tussen je buit zitten die ze mogelijk herkennen? Vrienden die ze mogelijk op het verkoopblok zien staan?’

‘Heeft dat ze ooit eerder tegengehouden?’

‘Nee. Kom, we gaan.’ Ik spoorde mijn paard aan en Harald kwam snel achter me aan, en onze lansen volgden op een afstandje.

Ik zei niets meer over de waterplaatsen, maar ik bleef eraan denken. De vernietiging van water moest het werk zijn van waanzinnigen, maar geen enkele waanzinnige kon zich de prijs veroorloven die een Wijze Zuster zou rekenen voor zoveel verhullende toverij. Een rijk iemand verwoestte water, maar wie? En waarom? De vragen bleven door mijn hoofd gaan, maar er kwamen geen antwoorden, geen glimmertje van een idee. En toen was er geen tijd meer voor speculatie. We reden een heuvel over en Lanta lag voor ons.

Lanta de Onneembare, de Parel van de Vlakte. Overwinnaar van Basrath noemden ze zichzelf, maar eigenlijk had Basrath zijn legers teruggetrokken zodra hij besefte dat deze stad niet te belegeren was. Ze hadden hem nooit verslagen of zelfs maar in de strijd ontmoet. Hij was het eindeloze wachten gewoon beu geraakt.

Maar ze hadden wel reden voor hun trots. Van alle steden die ik had gezien, was alleen Caselle even groot. Men zegt dat er drie of vier even grote of nog grotere steden bestaan in de landen van de Liau, maar ik heb ze nooit gezien. Misschien is het alleen maar geklets van reizigers.

Alleen al de muren van Lanta waren wonderen, en mannen die belangstelling hadden voor dergelijke dingen reisden over grote afstanden om ze te komen bekijken. De Buitenmuur was tien keer manshoog, met bovenop een weg voor het verplaatsen van soldaten. De Binnenmuur was nog hoger, bijna twee keer zo hoog, en ook daarop lag een weg. De mannen die de muren kwamen bekijken, zeiden dat de bouw ervan een wonder was, dat ze door hun afmetingen en lengte wonderbaarlijk waren. Het enige wat ze voor mij interessant maakte, was het feit dat ze nog nooit waren bedwongen. Nog nooit, zelfs niet door Basrath.

We reden openlijk naar de Barbarenpoort, zonder angst om te worden aangevallen. Hij heet zo, die poort, omdat hij de enige van de Twaalf Poorten is die rechtstreeks op de Vlakte uitkomt. Karavanen die door deze poort vertrokken, hadden de grootste kans om op de Altaiilansen te stuiten, of op Eikonan of zelfs Morassa. Maar ze deden het wel. Ze deden het omdat de verliezen aan de volkeren van de Vlakte opwogen tegen de winst als af en toe een karavaan het naar de bergen redde om te handelen in edelstenen en kostbare metalen, bont en parfum en vreemde dingen uit de landen voorbij de bergen. En elke koopman zou met alle plezier de goederen van zijn rivaal van ons kopen, en soms zijn rivaal zelf.

Bij de poort stapte een officier van de Stadswacht voor ons. We hielden wat in en wachtten tot hij ons zou doorwuiven. Dat deed hij niet. Hij keek nerveus aan zijn baard trekkend van Harald naar mij en weer terug. Toen we tot stilstand kwamen, rechtte hij zijn rug. ‘Wie zijn jullie? Wat doen jullie hier?’

Een paar van mijn mannen lachten. Ze dachten dat hij een grapje maakte of naar een belediging toewerkte. Ik dacht aan de wind en Loewin aan de hemel en was er niet zo zeker van. Daarnaast had ik drie dagen geleden een tweetenige gromit in mijn tent gezien. De duisternis pakte zich samen, maar was het gewoon weer een voorteken, of was dit een plek waar dingen zouden eindigen? Plotseling besefte ik dat iedereen zwijgend wachtte tot ik zou antwoorden. Harald had een verwachtingsvolle glimlach op zijn gezicht.

Ik boog me uit mijn zadel en lachte misschien wat grimmiger dan ik had bedoeld. ‘Heb je geen ogen in je hoofd? Het is toch duidelijk dat ik een koopman uit Devia ben, en dit is een groep Cerduaanse dansmeisjes.’

De lansen gierden het uit en sloegen op hun dijen. Zelfs een paar Lantanen lachten besmuikt.

De officier niet. ‘Ik moet weten wat jullie hier doen. Tot die tijd worden jullie de stad niet in gelaten.’

Harald besefte eindelijk dat dit niet het gebruikelijke geplaag bij de poorten was. ‘Waarom stel je zoveel vragen?’ gromde hij. ‘Ben je bang dat veertig Altaiilansen je stad zullen innemen?’

De officier slikte moeizaam en verbleekte. Hij stapte wankel achteruit en hief zijn hand. Plotseling stonden we tegenover tien kruisboogschutters die zich in een waaier voor de poort opstelden. Ik hoorde geschuifel achter me, van mannen die zwaarden losser in de schede legden en lansen losmaakten.

Ik bekeek de soldaten voor me en wist dat dit niet voorbereid was. Zij waren net zo onzeker en nerveus als hun officier. Als het hun bedoeling was geweest om ons te doden, als ze daar bevel toe hadden gekregen, zouden ze met meer mannen zijn gekomen. Zelfs al zou elke kruisboogschutter hier zijn doelwit raken, dan nog zouden er altijd nog meer dan twee keer dat aantal lansen overblijven om hen neer te sabelen en weg te rijden.

‘Genoeg,’ zei ik. ‘Het is al eeuwenlang gebruik bij ons volk om naar de Tweelingtronen te gaan als we jullie stad aandoen, om jullie volk te laten weten dat we hier zijn om te handelen, niet om te vechten. Dat weet jij even goed als ik. Nu heb je twee keuzes. De eerste is dat je je mannen opdracht geeft om te schieten. Je zult ons niet allemaal doden. Een aantal zal overleven en terugrijden naar onze tenten met nieuws over wat hier is gebeurd. En dan zullen mijn geest’ – ik maakte mijn lans los uit de houder in mijn stijgbeugel – ‘en jouw geest zien hoeveel Altaiilansen het kost om de muren van Lanta omver te halen. Of stap anders opzij. Wij gaan nu naar binnen.’ Ik spoorde mijn paard aan.

Heel even aarzelde hij nog, maar toen brak hij. ‘Ga opzij,’ riep hij zijn mannen toe. Toen we op hem af reden vergat hij zijn waardigheid, haastte zich weg en belandde plat in het zand.

De kruisboogschutters weken uiteen en gingen verward langs de weg staan. We versnelden tot draf en reden in een stofwolk tussen hen door.

Eenmaal voorbij hen stak ik mijn vuist op en vertraagden we weer tot stapvoets. De boogschutters maakten geen aanstalten om ons tegen te houden. Ze keken ons na terwijl onze stofwolken nog rondom hen neerdaalden.

Tussen de Buitenmuur en de Binnenmuur lag een terrein van ongeveer tweehonderdvijftig passen lang. Deze wirwar van krotten, taveernes en dievenmarkten werd de Laagstad genoemd. Het was er altijd lawaaiig door de kreten van venters en dronken gebral. Een man kon drie keer zijn beurs kwijtraken en zeven voorstellen krijgen voor handelingen waar hij nooit eerder van had gehoord, allemaal op dat korte afstandje. Nu reden we naar de binnenpoort door een lege, stille wijk. Gehoor gevend aan een of ander instinct dat bewoners van dergelijke plekken hebben, hadden ze iets van de onrust bij de buitenpoort bespeurd en zich verscholen. Zodra wij weg waren, zouden ze weer naar buiten komen.

Bij de binnenpoort leken enkele tientallen venters uit de Laagstad verscheurd tussen gehoor geven aan hun neiging om te vluchten en hier blijven om hun waren te redden. Ze hadden die uitgespreid voor stadsbewoners die wel naar deze poort wilden komen, maar nooit voet zouden zetten in de sloppenwijk. De wachters daar keken argwanend naar ons toen we langsreden. Ze tuurden naar de buitenpoort, maar omdat ze daar geen tekenen van alarm zagen, legden ze alleen hun hand op hun wapens en loerden naar ons terwijl we passeerden.

Harald blies met een zucht zijn adem uit, en ik besefte dat ik zelf ook mijn adem had ingehouden. ‘We zijn binnen, Wulfgar, maar ik zal je eerlijk zeggen dat het me niks bevalt. Helemaal niks. Ik heb wel eerder woorden gehad met de Stadswacht bij de poorten, boze woorden, scheldwoorden, maar nooit zoiets als dit.’

‘We moeten maar hopen dat naar buiten komen niet meer moeite kost dan binnenkomen.’

Hij keek me aan alsof hij nog niet aan die mogelijkheid had gedacht. ‘Denk je dat het zo zal gaan?’

‘Loewin is bij dag aan de hemel te zien. De wind is vroeg dit jaar. Ik heb drie dagen geleden een tweetenige gromit in mijn tent gezien.’

‘Ben jij even van de goede voortekenen vandaag. Heb je bloed in de wijn gezien? Is er een drill je tent binnengekomen?’

‘Weet ik niet,’ zei ik rustig. ‘Ik zal kijken als ik terug ben.’

‘Nou, in elk geval ga je er nog van uit dat we terug zullen komen. Ik begon al te denken, met al die kwade voortekenen, dat we beter onze polsen konden doorsnijden om het maar achter de rug te hebben.’

‘Nog niet. Orne!’ riep ik, me omdraaiend naar de lansen. ‘Bartu.’

De twee mannen kwamen naar me toe. Ze zagen er geen van beiden uit als Altaii, hoewel ze allebei in de tenten waren geboren. Bartu was klein, met kromme benen en donkere ogen. Orne was nog langer dan Harald en zijn haar was zo rood als dat van een zeerover.

‘Geef dit aan de anderen door,’ zei ik. ‘Wees voorbereid op problemen, problemen buiten het normale, maar ga geen gevechten aan behalve als je wordt aangevallen. Is dat begrepen?’

‘Begrepen, Wulfgar,’ zei Orne. Bartu keek teleurgesteld.

‘En blijf bij de vrouwen weg.’

Bartu maakte een protesterend geluid. Het was nog de vraag waar hij meer van hield: van vrouwen of van vechten. Dat hem dat nu allebei werden ontzegd, viel hem zwaar.

Orne knikte en ze hielden allebei in om weer tussen de rest van de lansen te gaan rijden.

‘Verwacht je hier echt problemen?’ vroeg Harald.

Eigenlijk was dit geen plek waar je normaal gesproken een aanval zou verwachten. Het was druk op de straten. Op het marktplein voor de Mar’yan Arena stonden kooplieden die handelden in goederen ter waarde van duizenden gouden imperialen naast bedelaars die snoepjes verkochten voor een koperstuk.

Een paar van hen, mogelijk lieden die op het punt stonden te vertrekken met karavanen die zouden proberen de Vlakte over te steken, keken ongerust naar ons. De meesten negeerden ons. In deze stad konden een paar ruiters van de Vlakte geen ophef veroorzaken. We waren niet te vergelijken met de reizigers uit verre landen die de straten bevolkten. Meer dan de helft van alle mensen die ik zag, leek van een of andere verre plek afkomstig.

Een handelaar in edelstenen, gekleed in het paars en rood van Tyria en met zijn gevolg achter zich aan, drong zich langs een groep Hykso’s uit het zuiden. Kooplieden uit Tallis en Asyat discussieerden luidkeels boven balen sneeuwkruiperpelzen. Twee zeerovers uit Telmark of Varangia onderhandelden over de prijs van vis. Een Tafawrikrijger in een mantel met kap zat buiten voor een taveerne thee te drinken, omdat hij neerkeek op de ongelovigen binnen, zonder zich iets aan te trekken van de drukte om hem heen.

Nee, een paar mannen van de Vlakte waren niets bijzonders. Of dat zouden ze althans niet moeten zijn. Maar waarom had ik dan het gevoel dat er ogen op ons gericht waren, zoals ik zelf naar de stukken op het bord van het Oorlogsspel zou kijken?

En toen waren we op het enorme plein in het centrum van de stad. Op die uitgestrekte vlakte van gladde stenen waren geen mensenmenigten, geen handelaren, geen lawaai. Er was niets, behalve het grote, verlaten plein en de plek waar we heen wilden. Het Paleis van de Tweelingtronen, het paleis van de koninginnen van Lanta.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.