Diamanthaaien – Floris M. Kleijne

0
70

Floris M. Kleijne was in 2003 finalist voor de gerenommeerde Writers of the Future-Award, die hij in 2004 zelfs won. In 2013 bereikte hij als eerste Nederlander ooit het actief lidmaatschap van de Science Fiction and Fantasy Writers of America (SFWA).

Sinds 2008 is hij naast zijn schrijfwerk nauw betrokken bij de Paul Harland Prijs als voorselecteur en/of jurylid. In 2010 was hij redacteur/samensteller van de Millennium-verhalenbundel van die wedstrijd (Mynx 2010). Momenteel verdeelt hij zijn schaarse schrijftijd zo goed mogelijk tussen korte verhalen in het Nederlands en Engels, het jureren van de Paul Harland Prijs, en zijn eerste grote fantasy-roman.

Diamanthaaien is een vertaling van het in het Engels verschenen Diamond Sharks, dat werd gepubliceerd in Leading Edge Magazine, nummer 55. De vertaling werd gedaan door Paul Buitenhuis.

 

Diamanthaaien
Floris M. Kleijne

 

“Heeft iemand de anatomische details al aan u uitgelegd?” zei de chirurg, terwijl de twee gemaskerde assistenten in hun lange jassen mijn hele lichaam schoren en desinfecteerden. Toen ik mijn hoofd naar rechts draaide, zag ik hem door het versterkte glas, maar zijn mond stond open in het water aan de andere kant van het glas en zijn lippen bewogen niet. In plaats daarvan kwam zijn stem—of beter, een synthetische benadering ervan—van de transponder die boven het glas was geplaatst. Hij dreef in verticale positie, en zijn plichtmatige witte jas golfde bij elke stroom uitgeademd water heen en weer. Omdat ik op mijn rug lag en naar rechts keek, werd mijn hele perspectief 90 graden gekanteld, en leek zijn stem van de zender te komen die links van hem was geïnstalleerd. Het effect was desoriënterend.

Ik schudde mijn hoofd. De details konden me niet schelen, al waren ze me uitvoerig uitgelegd bij de toelatingsprocedure. Het enige wat ik wist was dat ik deze transitie wilde; ik wilde dit heerlijke nieuwe leven voor mezelf.

Of voor haar.

De chirurg vatte mijn hoofdschudden op als een uitnodiging om het nog een keer uit te leggen.

“We gaan je uitrusten met een stel op maat gekweekte kraakbeenkieuwen,” zei hij. “In de natuur vinden we een aantal basisontwerpen. We hebben ontdekt dat het kraakbeenontwerp het meest geschikt is voor de menselijke ribbenkast; de ribben en de intercostale ruimtes sluiten naadloos aan bij de structuren die de kieuwen bij aardse haaien ondersteunen, en we hoeven zo geen operculum te creëren. Het is ook een ontwerp dat betrekkelijk makkelijk is aan te sluiten op de longvaten. Sterker nog, ik heb zelf zo’n ontwerp.”

Ik denk niet dat de chirurg besefte dat ik totaal niet begreep wat hij me net had verteld. Zoals de meeste wetenschappers en medici hoorde hij zichzelf gewoon graag praten over zijn specialisme. De details deden er wat mij betreft ook niet toe. Ik snapte wat het resultaat zou zijn; ik wist waar ik aan begon. Ik sloot me af voor zijn uitleg terwijl een van de assistenten mijn infuus aansloot en de ander de EEG- en ECG-elektroden bevestigde.

Ik begon weer naar de stem van de chirurg te luisteren toen zijn toon van pedant in ernstig veranderde.

“Nu is er een laatste officiële formaliteit, meneer Vermeer. U hebt alle noodzakelijke formulieren gelezen en getekend, maar omdat het proces onomkeerbaar is, schrijft de wet voor dat we u een laatste kans geven om van gedachten te veranderen.”

“Ik ga nu niet alsnog terugkrabbelen,” zei ik.

“Natuurlijk, maar toch…” Zijn toon werd nog formeler. “Meneer Vermeer, weet u absoluut zeker dat u de procedure wilt ondergaan?”

Ik zuchtte.

“Ja.”

“Prima. Susan, Achmed, laatste voorbereidingen.”

De blonde assistente begaf zich naar een paneel kleppen en schakelaars in het hoekje van de operatiekamer, terwijl de donkergekleurde zich over me heen boog.

“Hallo, meneer Vermeer,” zei hij door zijn masker. “U hebt ervaring als scubaduiker, he?” Ik knikte. “Mooi. Doet u uw mond maar wijd open en bijt u maar op deze automaat. Daar ademt u door tot de intraveneuze zuurstof gaat stromen.”

Ik liet het mondstuk in mijn mond stoppen en sloot mijn lippen eromheen. Achmed mompelde “Succes” en trok zich terug. Ik hoorde de waterdichte dubbele deuren zachtjes dichtsissen.

“Daar gaat ie dan,” zei Susan met pijnlijke vrolijkheid. Een schakelaar klikte, ze draaide aan een wiel op het paneel. Het sissen van de deur die achter haar dichtging verdronk in het bubbelende geruis van water dat de operatiekamer overstroomde.

#

Zeven maanden eerder, ‘s avonds laat, was Varma dicht tegen me aangekropen, en bij het zachte flakkeren van kaarslicht weerspiegeld in de wijnglazen op de koffietafel had ze ons moment van rust en nabijheid gebruikt om naar Yoko te vragen.

“Ik luister nog, als jij er klaar voor bent,” zei ze. De aarzeling in haar stem was onmiskenbaar, net als de spanning die ik onder mijn hand in haar heupen voelde. Ik wist dat zij bang was dat ik er nooit mee voor de dag zou komen, haar daar nooit genoeg voor zou vertrouwen. Maar ik dacht dat ik er nu wel klaar voor was. Ik kuste haar, staarde omhoog naar het plafond, en voelde het gewicht van haar aandacht als een warme maar ruwe deken.

“Oké,” zei ik, en ik merkte dat ze een beetje ontspande. “Ik zal het proberen. Vraag het me nog eens.”

Ik bekeek haar gezicht en zag even verwarring. Toen glimlachte ze en herhaalde de vraag die ze me drie maanden geleden voor het eerst had gesteld, te snel nadat we iets kregen.

“Wat is er gebeurd? Waarom heeft ze je verlaten?”

Ik knikte voordat ik wat zei.

“Het was niet zo ingewikkeld, denk ik. Maar misschien ook wel. Want we waren gelukkig. Echt gelukkig. We gingen na de oorlog trouwen, als ik mijn tijd bij het leger erop had zitten. We zouden ergens een rustige kolonie uitzoeken, een huis bouwen, kinderen opvoeden. Oh, shit. Dit is moeilijker dan ik dacht.” Ik kneep mijn ogen dicht terwijl Varma me stevig omhelsde.

“Neem je tijd,” fluisterde ze. “We hebben geen haast.”

Ik kuste haar haar.

“Bedankt. Blijkbaar ben ik niet zo stoer als ik dacht. Laat me even een omtrekkende beweging proberen.

“Ik was op missie naar het front op Wahwan. Er werd een fout gemaakt, de orbitale aanval werd te vroeg ingezet.” Ik wilde haar alleen de feiten geven, maar kon de bitterheid in mijn stem horen. “Mijn sectie was nog beneden toen de bestraling begon.”

Varma hield van schrik de adem in terwijl haar hand onwillekeurig in mijn borstkas kneep.

“O liefje…”

Ik schoof mijn arm nog steviger om haar heen. Mijn maag kromp ineen bij de herinnering.

“Ik bracht vijf weken door in het ziekenhuis. Ze stuurden me 100% arbeidsongeschikt naar huis. Dat leek zo gek nog niet: met een fors inkomen voor de rest van mijn leven zaten we gebeiteld, dachten we. We hoefden alleen nog maar de perfecte kolonie te kiezen.

“Toen leerden mijn dokters me de woorden ‘gameet’ en ‘meiose’.”

Ik merkte dat Varma schrok. En ik voelde de knoop in mijn maag. Dit was het moeilijke deel, het stukje dat me bang had gemaakt om het aan Varma te vertellen.

“Je bent…? Ze konden niet…?”

Ik schudde mijn hoofd.

“De regeneratiemiddelen hebben geen enkel effect op het meiotische proces, zeiden ze. Ik zal nooit eigen kinderen hebben. Toen Yoko dat hoorde, liet ze me in de steek.”

“Nee!”

“Ik denk dat ik zelfs al verwachtte. Maar evengoed werd ik erdoor verscheurd. Zelfs nu doet het nog pijn.”

Maar niet zo erg als ik dacht. En dit vertellen was makkelijker geweest dan ik had gevreesd.

“Dank je, schat. Bedankt dat je dit hebt gedeeld.”

Toen hielden we elkaar stevig vast, en ik had het gevoel dat het allemaal goed zou komen.

#

Het water was overal. Mijn mond zat vol met water. Water stroomde koud en penetrant mijn keel in. Ademen was onmogelijk. Water drukte tegen mijn pupillen, vulde mijn oren. Water lekte tussen mijn ribben, warm water vermengd met het koudere water rondom me. Ik zou moeten verdrinken.

Ik snakte naar adem, maar alles voelde anders, werkte anders. Ik ademde water in. Doodsangst verdreef alle gedachten uit mijn brein. Ik ademde sneller en sneller in. Meer warm water schoot uit mijn ribben. Duizeligheid beving me.

Een geruststellende stem sprak in mijn hoofd.

“Ontspan u, meneer Vermeer. U mankeert niks. Voordat u wakker werd hebt u urenlang water geademd.” De stem had geen geluid, maar op een of andere manier herkende ik de chirurg. En de gedachte aan de chirurg bracht me terug naar waar ik was. Ik kalmeerde genoeg om mijn ademreflex zijn werk te laten doen.

Ik lag op mijn rug op een bed dat ik amper voelde. Of ik zweefde boven een bed dat mijn rug maar net raakte. Overal om me heen was helder lauw water. Met elke inademing snelde water mijn open mond in; met elke uitademing voelde ik water vanuit mijn ribben stromen. Daartussenin onttrok mijn lijf op een of andere manier zuurstof aan het water.

Ik had kieuwen.

#

“Ik ga naar Oceana,” zei Varma. Ze keek me schijnbaar schuldig aan, maar ik zag de stralende vreugde in haar ogen. Dus dit was het nieuws dat ze me wilde vertellen; dit was de reden dat ze me had meegenomen naar ons favoriete Japanse eethuisje, vier maanden nadat ik haar over Wahwan en Yoko had verteld, vier maanden waarin onze relatie zich verdiepte, we gingen samenwonen, en het L-woord begonnen te gebruiken. Ze ging me verlaten, de halve Melkweg doorkruisen om zich in een vis te laten veranderen.

“Ben je geslaagd?” was het enige wat ik kon uitbrengen.

“Ja! Eindelijk ben ik door hun tests heen gekomen. Ik ben fysiek en psychisch goedgekeurd. Ze nemen me! Ben je niet blij voor me?”

“Dat is prachtig, Varma.” Ik keek om ons heen naar het traditionele interieur van oud palissanderhout en rijstpapier, en probeerde wat empathie en enthousiasme op te brengen. Wat niet lukte. “Dit is wat je wilde. Ik ben zeker blij voor je, maar… Staat het al vast? Heb je een contract getekend?”

Natuurlijk hoorde ze de hoop in mijn vragen. Ergens wist ik dat ik blij voor haar moest zijn. Dat ze iets probeerde te delen dat belangrijk voor haar was. Ik wist dat ik haar wegduwde door de manier waarop ik reageerde. Maar het was sterker dan mezelf. Ik kon alleen maar denken aan het feit dat ik haar kwijtraakte. Ik zag het al gebeuren.

“Nog niet,” zei ze. Ik hoorde aan haar stem dat ze zich al van mij had teruggetrokken. En dat was mijn schuld. “Dat gaat in de komende weken gebeuren. Maar ik vertrek misschien al over twee maanden.”

Ze zag mijn gezicht betrekken.

“Boris, alsjeblieft! Je kunt tenminste proberen blij voor me te zijn!”

En ik wist dat ze gelijk had. Ik wist dat werken op Oceana haar grote droom was, iets wat ze als klein meisje al had gewild; ze had het ontelbare keren gehad over Oceana, over het werken als diamanthaai. Ze probeerde er al jaren bij te komen. Ik had haar in haar laatste poging gesteund, maar ergens had ik gehoopt dat ze niet zou worden aangenomen. Dat hadden ze nu dus wel gedaan.

Oceana was een planeet met hoge zwaartekracht die zo’n 50 lichtjaren van de aarde rond zijn zon wentelde. Bijna alle dieren daar leefden in de gigantische watermassa die 90% van het oppervlak omvatte. De mantawalvissen schenen ongelooflijk te zijn, en leken op de aardse mantaroggen, zij het niet qua omvang. Niet alleen waren ze de grootste bij de mens bekende levende wezens, hun levenscyclus bracht ze ook in de diepste troggen van de planeet.

De diamantpokken—waarvan de naam net zo willekeurig en onnauwkeurig was gekozen als van de mantawalvissen zelf—hielden het midden tussen plant en schaaldier en voelden zich thuis op de immense buitenkant van de mantawalvissen. In de torenhoge druk in de diepste troggen ontstonden in de diamantpokken soms blauwe diamanten van ongewone zuiverheid.

Zodra door genetische manipulatie en gespecialiseerde plastische chirurgie kieuwen beschikbaar kwamen voor mensen, was er onder water een kolonie ontstaan op Oceana, Toba genaamd naar het parelduikerseiland voor de kust van het oude Japan. De kolonie werd beheerd door Toba B.V., het bedrijf dat het geluk of de vooruitziende blik had gehad om een exclusief exploitatiecontract voor Oceana in de wacht te slepen.

Toba had honderden zogenaamde diamanthaaien in dienst, gemodificeerde mensen die in vijfjarencontracten de kosten van hun aanpassingsoperatie terugbetaalden. De diamanthaaien hadden als taak het handmatig verzamelen van de diamantpokken van de huid van de monsterlijk grote mantawalvissen. Hoewel hun handen en voeten houvast hadden aan de enorme netten die ze over de ruggen van de beesten uitspreidden, en daarmee enige veiligheid, bleef het een moeilijk en riskant werk. Zelfs met hun kunstmatige kieuwen waren een paar diamanthaaien verdronken in de complex wervelende stroompatronen en draaikolken rond de mantawalvissen en in hun kielzog. Bovendien stonden de beesten erom bekend dat ze opeens naar de diepten van Oceana’s wateren konden duiken, en dit diep-duiken kostte nog meer levens. Alleen al de gevarentoeslag maakte het werk als diamanthaai uiterst lucratief, zelfs met de operatiekosten meegerekend.

Maar het was Varma niet te doen om het financiële gewin dat een baan bij Toba beloofde, of de adrenaline. Net als ik was ze een fanatiek scubaduiker, en de vreugde die ze putte uit de diepzeewereld was nog groter dan de mijne; voor haar was het bijna mystiek. Ik was erbij geweest toen ze op Aarde, in de Indische Oceaan, haar eerste mantarog had gezien. Ik had haar nog nooit zo ontroerd en vol ontzag van iets gezien. Eerlijk gezegd was ik zelf ook verbouwereerd geweest. Het was haar droom om te ontsnappen aan de beperkingen van uitrusting en menselijke fysiologie. En Toba bood de kans om die droom te verwezenlijken.

Toba B.V. had een serie zware en veeleisende psychologische en fysieke tests bedacht die effectief waren gebleken bij het vaststellen van de geschiktheid van hun sollicitanten voor het diepzeeleven onder hoge druk. En Varma had me net verteld dat ze door deze tests heen was gekomen, en mij over twee maanden zou verlaten om een diamanthaai te worden.

#

Ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Nog nooit. Ik zwom door het blauwgroen van Oceana’s ondieptes met water dat door mijn kieuwen spoot; al mijn zintuigen leken voor het eerst in mijn leven helemaal te ontwaken en een symfonie van puur genot te componeren.

Scubaduiken geeft een diepe rust. Zonder hulpmiddelen kan een mens niet dichter bij vliegen komen dan met die gewichtloosheid en vrijheid om in elke richting te bewegen. De enige geluiden zijn het lichte geruis van water en de bubbels bij het uitademen. Om zuurstof te sparen zwemt de scubaduiker langzaam, beweegt langzaam; de zwemvliezen golven in een lui ritme, de handen zijn sereen onder het lichaam gevouwen. Het is een kalme, prachtige ervaring.

Maar als scubaduiker had ik me altijd een vreemde gevoeld in het water. De uitrusting op mijn rug, de automaat in mijn mond, de bellen die langs mijn hoofd opstegen, de vinnen aan mijn voeten, maakten van mij een onderwaterastronaut, een bezoeker van een wereld waar ik nooit deel van kon uitmaken.

Maar nu! Geen zwemvliezen, maar weefsel tussen mijn operatief verlengde tenen. Geen fles gecomprimeerde lucht op mijn rug. En in plaats van een mondstuk dat ademlucht toevoerde, hoefde ik alleen maar mijn mond open te laten vallen en het oceaanwater door mij heen te laten stromen tegen de bloedstroom in mijn kieuwen in, zodat het water de opgeloste zuurstof in mijn bloed afleverde voor het tussen mijn ribben mijn lichaam verliet. Mijn verstevigde huid en onderhuidse vet waren gemaakt om de kou van het water en Oceana’s heldere kosmische straling te weerstaan; een derde doorzichtig ooglid beschermde mijn hoornvlies. Ik kon naar believen door de oceaan zwerven, snel en stil, en de symfonie van onderzeegeluiden horen die scubaduikers missen.

En het zicht! In de wateren op aarde had ik me verzoend met de donkerte die zelfs in het Caribisch gebied het zicht beperkte. Maar Oceana’s heldere zonlicht drong veel dieper door dan de aardse zon. Wat op Oceana doorging voor plankton leefde op grotere dieptes dan waar ik hoefde te zijn. En er was heel weinig zand en stof. Onder water was Oceana een land van schitterende kleuren en weidse vergezichten.

Ik vond scubaduiken altijd al rustgevend; maar ik had me niet kunnen voorstellen hoe diep en vanzelfsprekend de rust van een diamanthaai op Toba zou zijn.

#

“Boris?” Varma dreef in de ovale opening in de steile rotswand die de buitenkant van haar grot vormde, en keek me niet-begrijpend aan. “Boris?” Haar gedachte-afdruk was precies zoals ik me die had voorgesteld.

“Hé Varma,” zond ik. Het telepathische orgaan leren gebruiken was lastiger geweest dan de kieuwen, maar langzamerhand beheerste ik het vloeiend, als je dat kunt zeggen van telepathische conversatie. “Wat vind je van mijn nieuwe kieuwen?”

Ze lachte niet. Ze schudde het hoofd als om helderheid te krijgen en ging opzij om mij binnen te laten. Ik zwom langs haar heen met een lichte voetbeweging. Ze hield het water in haar grot iets te koel naar mijn smaak. Ik zweefde door de gang naar haar woonruimte en liet mezelf zakken in een van de elastische netten die dreven in een kunstmatige stroom van licht verwarmd water, Oceana’s versie van centrale verwarming. Varma nam het andere net. Ik gaf haar mijn meest innemende glimlach, maar er kwam niks terug.

“Het is goed om je te zien, Varma.”

“God, Boris.” Ze schudde haar hoofd.

“Hoe is het met je?”

Er was zoveel wat ik haar wilde zeggen, en ik had een hele lijst met vragen, maar dit was er niet een van. Toch moest ik iets zeggen, wat dan ook, terwijl ik moed verzamelde om te zeggen wat ik wilde.

“Goed,” zei ze. “Boris, wat doe je hier?” Ze moet zich hebben gerealiseerd wat voor dwaze vraag dat was; de procedure was onomkeerbaar, dus wist ze dat ik niet meer van Oceana zou weggaan.

“Ik ben een haai als jij, Varma. Een kilometer verderop langs het rif is mijn grot. Over een paar weken ga ik op diamantjacht.”

Ze schudde opnieuw haar hoofd. Nog voor ze sprak werd mijn hart door een pijnlijke angst bevangen.

“Wat doe je hier, Boris? Na alle… Na alles wat je tegen me zei toen ik je vertelde dat ik bij Toba was toegelaten. Wat doe je? Ben je… God, Boris. Ik moet het vragen. Ben je hier voor mij gekomen?”

Wat kon ik tegen haar zeggen? Wat ik ook wilde vertellen, wat ik haar ook wilde vragen, haar antwoord was duidelijk.

“Je weet dat ik van duiken hou, Varma, ik ben gek op het water. Ik begrijp het onweerstaanbare van…”

“Boris! Hou op. Ik kan niet geloven dat je hier bent, dat je dit hebt gedaan. Besef je wat je jezelf hebt aangedaan? Dit is geen bevlieging, niet iets wat je impulsief doet. Boris, je zit hier vast. Ben je voor mij gekomen?”

Wat kon ik zeggen? Wat kon ik haar vertellen? Mijn beweegredenen, die ik eigenlijk sowieso nooit goed had begrepen, leken nu absurd. Hoe kon ik haar in vredesnaam vertellen dat ik het verlies niet kon verdragen van de eerste vrouw van wie ik na Yoko had durven houden? Hoe kon ik nu toegeven dat ik ergens had geloofd dat Varma en ik weer bij elkaar zouden komen als ze zag wat ik voor haar over had? Was dat echt mijn reden geweest om te solliciteren bij Toba, en naar Oceana te komen? Echt?

Varma vatte mijn verwarde stilte op als instemming.

“Boris, ik hou van je, echt waar. We hadden iets moois. Maar het kon niet eeuwig duren, en ik dacht dat je dat begreep. We gingen vreedzaam uit elkaar, dacht ik, als vrienden. Ik dacht dat je snapte dat ik mijn droom wilde najagen. Dit is… God, Boris, ik weet niet wat het is. Maar het is verkeerd.”

En toen snapte ik het opeens wel. Opeens zag ik heel duidelijk hoe dwaas het was geweest om in een hereniging te geloven. Ik zag wat voor grote vergissing het zou zijn als ik alleen maar naar Oceana was gekomen, een diamanthaai was geworden, voor Varma. Ik was onherroepelijk veranderd; ik zat voorgoed vast aan deze ontoegankelijke, aquatische wereld met haar enorme zwaartekracht, was voor altijd gebonden aan het water. Er was geen weg terug. En de vrouw die ik had willen terugkrijgen was even onbereikbaar voor me als mijn leven voordat ik naar Oceana kwam.

Ik duwde me van het net af, en dreef doelloos naar het midden van haar woning.

“Ik… Ik moet weer… Ik zie je nog wel, Varma. Pas goed op jezelf.”

Met een onwillekeurige maar goed gemikte beweging van mijn benen lanceerde ik mezelf door haar gang naar buiten, de wijde eindeloze oceaan in.

“Boris!” hoorde ik haar zenden, maar ik sloot me ervoor af. Mijn keel werd dichtgeknepen en ik wenste dat ik nog in staat was om te huilen.

#

De twee weken voor mijn eerste diamantexpeditie gingen voorbij in een troosteloos waas. De eerste dagen na onze confrontatie trachtte Varma een paar keer contact met me te krijgen, maar ik sloot mijn geest af tot ze het opgaf. Daarna bleef ik hopen op nieuwe pogingen van haar kant, maar die bleven natuurlijk uit, wat nog erger was.

Ik doorliep de voorgeschreven procedures van het trainen van mijn zwem- en ademvaardigheden, mijn ooglidreflexen, de regulering van mijn lichaamswarmte, maar het was allemaal plichtmatig, betekenisloos. Op een bepaald niveau kon ik nog steeds het serene en potentieel vreugdevolle in het zwemmen ontdekken, maar wanhopig als ik was deed het me niets. Ik was aangespoeld op een vreemde planeet, had alle banden met mijn vroegere leven doorgesneden, en alles schijnbaar voor niets.

Op de dag van mijn eerste diamantexpeditie kwamen twee functionarissen van Toba mij in mijn grot ophalen. Een van hen, Ngala, kende ik; hij was een van de trainers geweest die me de signalen en procedures van Toba had bijgebracht. De ander stelde zichzelf voor als Sah.

Terwijl we in de richting van de sleuf zwommen, feliciteerde Ngala mij met het begin van mijn eerste werkdag, en Sah voegde eraan toe dat ik vast erg opgewonden was. Ze gedroegen zich een beetje vreemd; ze leken iets heel vermakelijk te vinden, een binnenpretje te delen dat mij buitensloot. Ze merkten niet hoe terneergeslagen ik was, en daar wilde ik ze ook liever niet op wijzen.

We zwommen met een beheerste snelheid op een diepte van zo’n tien meter, met de rotsachtige oceaanbodem nog vijf meter dieper. Het was de eerste keer in twee weken dat ik buiten mijn grot een afstand van enige betekenis had gezwommen, en ondanks mezelf ging er een vage tinteling van plezier door me heen bij het gevoel van de watervloed, het spektakel van scholen vissen die om ons heen draaiden, waterplanten die golfden in de stroom.

Gek genoeg raakte ik steeds opgewondener naarmate we dichter bij de rand van de trog kwamen. Niet alleen kon ik zien hoe de oceaanbodem zich een eindje van ons vandaan opende, ik voelde het ook; een belofte van wijd open ruimte om te verkennen, wemelend van leven en mogelijkheden.

Toen zwommen we over de rand van de trog, en vergat ik de rest.

Ik vergat Ngala en Sah, die een beetje achterbleven; ik bevrijdde me van de depressie die me weken terneer had gedrukt; mijn liefdesverdriet loste op en daarvoor in de plaats kwam een enorm ontzag voor het immense schouwspel dat zich beneden mij ontvouwde.

De oceaanbodem viel bijna verticaal naar beneden in honderden meters steile helling, geaccentueerd door scherpe rotspunten in woeste en wonderlijke vormen, versierd met waterplanten. Sommige waren meer dan tien meter hoog en golfden lui in de veranderlijke stromingen, andere leken op trossen ballonnen, weer andere groeiden dicht tegen de wand van de trog en leken groene bloemblaadjes te hebben of vormden boogjes en zakjes van glinsterende bladeren. De tegenovergelegen kant van de trog, op gelijke wijze bedekt, bevond zich minstens 300 meter verder.

En tussen de twee trogwanden zwom een eindeloze variatie aan vis, of wat in Oceana’s oceanen voor vis moest doorgaan: gigantische scholen kleine zilverachtige torpedo’s die alle kanten op bewogen als werden ze gecontroleerd door verborgen signalen; gevleugelde zeeslangen als wendbare zweefvliegtuigen die naar prooi zochten; een soort schaaldieren met vier klauwen die zich voortbewogen met hun vibrerende staarten; bolvormige tentakelrijke reuzen die me aan kwallen deden denken; talloze wezens in een zeldzame schakering van afmetingen en wonderlijke vormen die ik niet kon vergelijken met iets dat ik van planeet Aarde kende.

Een eindje verderop in de trog zag ik twee lange, smalle visachtige wezens vechten, of een ingewikkelde paringsdans uitvoeren, terwijl ze zich tegen de overheersende stroming stationair hielden met simpele vinbewegingen. Ik observeerde ze gefascineerd, terwijl ze om elkaar heen draaiden, en pas minuten later besefte ik dat ze beiden het formaat hadden van een volwassen potvis, zij het niet de vorm. Opeens werd de schaal van het hele panorama me duidelijk, en ik wilde enkel nog naar al deze ongelooflijke wezens toe zwemmen en mezelf verliezen in hun onvoorstelbare veelheid.

Toen zonden Ngala en Sah een onwillekeurige ademtocht van verwachting uit, en ik keek in de richting die hun ongecontroleerde zending had gesuggereerd.

Ondanks het blauwe waas dat haar randen onscherp maakte, en haar enorme omvang waardoor je haar onmogelijk helemaal kon zien, besefte ik meteen dat ik nooit een mooier wezen in mijn leven was tegengekomen dan deze mantawalvis.

De gigantische golvende diamantvorm van de mantawalvis dreef langzaam mijn gezichtsveld binnen. Haar lijf had de vorm van een zeppelin, met twee gelijkzijdig driehoekige vleugels die naar beide zijden uitstaken en golfden om zichzelf voort te bewegen. Haar staart droeg twee walvisachtige staartvinnen die kennelijk dienden om te sturen, en ze had twee rijen lange lage rugvinnen waarvan ik het doel niet snapte. Er was een soort beweeglijk rasterpatroon op haar rug getekend, en kleine wezentjes krioelden chaotisch langs dit raster terwijl de mantawalvis langzaam tegen de stroming in door de trog zwom.

Pas toen de mantawalvis onder het parende koppel van zo-even doorzwom, besefte ik hoe groot ze was. De twee potvisachtigen pasten makkelijk op de rug van de mantawalvis. Toen kreeg ik de mantawalvis pas echt goed in het vizier en ik herkende het rasterpatroon. Het was een van de gigantische netten die ik in de centrale bedrijfsgrot had gezien. De netten waren vastgemaakt aan de rugvinnen en gaven houvast voor de handen en voeten van de diamanthaaien. Maar dat betekende dat de nietige wezens die ik had gezien collega-diamanthaaien moesten zijn.

Het prachtige, majestueuze zeemonster dat ik beneden mij zag drijven was groter dan het ruimteschip dat me naar Oceana had gebracht.

“Je raakt wel aan ze gewend,” zond Sah.

“Min of meer,” voegde Ngala eraan toe met het telepathisch equivalent van een grijns. “Wil je hem ontmoeten?”

We kozen een vector die ons een paar honderd meter verder dan de huidige positie van de mantawalvis zou brengen, en boven haar. We zwommen met aanzienlijke snelheid en bereikten we onze positie: ruim voor het dier en iets boven haar koers. We dreven daar en keerden om haar te zien aankomen.

Nu wist ik hoe plankton zich voelt als het een walvis ziet naderen. Het dier leek recht op ons af te komen. Haar wijd open bek scheen groot genoeg om een passagiersvliegtuig in te parkeren. Instinctief wilde ik omhoog- en wegzwemmen, maar Ngala hield me tegen.

“We zitten hier goed. Kijk maar.”

Dat deed ik, en hij had gelijk. Toen de mantawalvis nog minder dan 50 meter van ons vandaan was, zag ik dat die gigantische open hangardeur onder ons door zou glijden. Ik voelde een drukgolf aan het dier voorafgaan en toen zaten we erboven. Zo’n 10 meter achter haar neus was de voorste hoek van het net, en ik zag een paar diamanthaaien over haar brede, gekromde rug rond klauteren, tussen de twee rijen huizenhoge rugvinnen.

“Begin maar te zwemmen,” zei Sah. Ik wist wat ze bedoelde, draaide me om en bewoog me in de richting die de mantawalvis opging. Ze zwom bedrieglijk vlug, en we moesten aan snelheid winnen voordat we ons veilig aan de netten konden vastklampen.

Dat lukte, en onder Sahs supervisie liet ik mezelf langzaam naar de kromme rug zakken tot ik een van de dwarskabels van het haaiennet te pakken wist te krijgen. Ik werd meteen met een ruk naar voren getrokken; het ruwe oppervlak van de slierten zeewier boorde zich in mijn handpalmen.

“Je hebt talent,” zei Ngala van ergens achter mij.

“Goed gedaan,” zei ook Sah. “En kijk nu of je wat diamantpokken kunt vinden.”

Een paar minuten lang hield ik me vast aan het net en genoot van de vaart, de aanblik van de twee enorme vleugels die het immense wezen voortstuwden. Toen liet ik mijn kabel los, gleed omlaag naar de volgende, en speurde naar diamantpokken terwijl ik in rap tempo over de brede rug dreef.

Diamantpokken lijken nauwelijks op de zeepokken die ik van de aarde kende. Net als de walvissen, kwallen en andere oceaandieren was die naam gewoon een kapstok. De pokken hadden een zachte schaal en hechtten zich aan de gladde huid van de walvissen. Met de opening bovenop hun lichaam zogen ze grote hoeveelheden oceaanwater op, dat ze filterden voor nutriënten en zuurstof. Zolang de bek onbedekt was, was het vrij simpel een pok van onderen te pakken en zijn greep op de walvishuid te laten verslappen. Maar ik mocht nooit aan de bek komen, had Ngala me gewaarschuwd. Als een diamanthaai zo dom was om zijn hand op een pokbek te leggen, zou de sterke zuiging de pok zo’n beetje vastlassen aan zowel zijn hand als de walvishuid.

Terwijl ik met een hand de volgende kabel greep, plukte ik voorzichtig een pok met de ander. Die was leeg.

“Beginnersgeluk bestaat niet,” zei de diamanthaai rechts van mij.

Vijftien of twintig minuten lang klom ik stroomopwaarts en liet mezelf stroomafwaarts langs de reuzenrug vallen, kwam mijn nieuwe collega’s tegen, en plukte pokken. Het leek op niets dat ik ooit had gedaan, ik had nog nooit iets dergelijks beleefd. Het was uitputtend en inspirerend.

#

Zo begon mijn carrière als haai. De daaropvolgende weken werd snel duidelijk dat Sah dichter bij de waarheid had gezeten dan Ngala. Hoewel het vlug routine werd om zwemmend het pad van een mantawalvis te kruisen, het net te grijpen en snel rond te bewegen, bleven mijn ontzag en bewondering onverminderd groot.

Het was moeilijk te zeggen wat het favoriete onderdeel van mijn werk was: een naderende mantawalvis spotten ver weg in de trog, handig over haar kop zwemmen en het net in een elegante beweging grijpen, de kick van een zwakke blauwe glans in een geoogste pok ontdekken, de trots die ik voelde bij het vlotte teamwork als we een diep-duikende walvis moesten loslaten, of de eenvoudige kameraadschap van proosten met medehaaien en onze passie delen voor de ontzagwekkende wezens die ons werkterrein vormden. Het beste deel van de dag was misschien wel het naderen van de trog en het vooruitzicht van dat adembenemende schouwspel.

Drie weken na mijn eerste expeditie bereed ik het netwerk op een groot uitgevallen walvisvrouwtje. Ik had juist een veelbelovende pok gespot toen ik een vertrouwd gedachtepatroon hoorde.

“Hoi, Boris.”

Het was Varma. Ik was zo verrast dat ik mijn vlakke hand op de begeerde pok liet neerkomen.

Ngala had gelijk gehad. Vanaf het moment dat ik mijn hand op de pok legde, voelde ik de verontrustende kracht waarmee hij aan de walvishuid werd vastgezogen. Ik wist van Ngala’s lessen dat mijn mes de enige methode was om de pok los te krijgen. Ik liet mijn greep op de kabel verslappen, reikte naar mijn enkelmes en stak op de pok in. Een plotselinge rimpeling door de walvisrug maakte dat ik miste. Het lemmet boorde zich tot het gevest in haar huid, en brak af toen de spieren zich in een pijnreflex samentrokken. Nog voordat ik de specifieke richting van de rugrimpeling zag, hoorde ik de paniekerige zending van een medehaai: “Ze duikt! Ze duikt!”

Ik wist wat er gebeurde. Ik wist dat het netteam koortsachtig probeerde de netten los te maken. Ik wist dat de andere diamanthaaien de laatste paar pokken mee gristen waar ze bij konden, hun nethouvast loslieten, en als de wiedeweerga verticaal van de walvis wegzwommen. Ik wist dat de walvis op het punt stond een duik van minstens duizend meter in de trog te maken.

En mijn hand zat nog steeds vastgelijmd aan haar huid.

De walvis dook. De verandering in snelheid en richting veroorzaakte een verscheurende pijn in mijn vastgezogen hand. Ik zette me schrap voor de netten die spoedig langs me heen zouden schieten, maar dat gebeurde niet. Blijkbaar had men ze niet weten los te maken. Intussen werd ik in hoog tempo de almaar dichtere duisternis van de lagere trog ingetrokken. Niemand wist precies tot welke diepte een gemodificeerd Oceanamens het kon uithouden, maar ik twijfelde er niet aan dat de diepte en druk waar de walvis naartoe ging voor mij teveel zouden zijn.

Het was eigenlijk ironisch. Hetzelfde schepsel dat me uit mijn depressie had gehaald dreigde nu mijn Waterloo te worden.

Toen voelde ik een hand om mijn enkel; ik hoorde Varma zeggen dat ik de netten moest grijpen; ik zag haar slanke figuur naast me verschijnen; zag hoe haar lemmet tussen mijn hand en de walvishuid gleed. De bevrijding van de zuiging verminderde het vreselijke brandende gevoel niet, maar ik was vrij. Mijn hand was verkrampt, de vingers sloten zich als een klauw rond een kleinood dat uit de opengereten pok viel.

“Bedankt,” vormde ik met mijn lippen.

“Laten we teruggaan,” zond ze.

#

Ik wist dat mijn rillingen meer van de shock kwamen dan van de kou, maar ik bleef het gevoel houden dat ik niet meer weg wilde van de zegening van Varma’s centrale verwarmingsstroom. Ze reikte me een knijpfles aan met warm zeewierextract. Dankbaar nam ik er slokjes van.

“Dank je,” zei ik nog maar eens. We waren langzaam en zwijgend terug gezwommen naar de ondieptes; nu pas voelde ik me weer in staat om te spreken. “Ik dacht dat ik er geweest was. Bedankt.”

“Graag gedaan,” antwoordde ze. “Ik dacht hetzelfde.” Toen leunden we achterover, en nipten aan onze thee. De shock loste langzaam op in het lauwe water, en maakte plaats voor genegenheid, affectie en erkentelijkheid.

Maar niets meer dan dat, besefte ik met een rustige glimlach.

Ik bleef naar haar glimlachen tot ze wegkeek.

“Weet je…,” begon ze.

“Ik weet het.” En dat was ook zo. Mijn glimlach werd breder. Ik wist wat ze ging zeggen, en ik wist wat ik zou antwoorden. Het maakte niet uit, omdat ik eindelijk begreep wat me hier gebracht had. Niet de bijzondere vrouw die tegenover me zat.

“Dit verandert niets,” zei ze, met een frons.

“Voor mij wel,” zei ik. Het verandert alles.”

Haar verraste blik was genoeg om een lachgolf haar kant op te sturen.

“Ja, ik zat fout,” zei ik, de waarheid aanvoelend, de juistheid van wat ik probeerde te zeggen. “Natuurlijk. Hoe had ik anders voor die tests kunnen slagen? Ik ben hier niet voor jou gekomen. Die mantawalvissen zijn de prachtigste dingen die ik ooit heb aanschouwd, ook al heeft eentje me vandaag bijna het leven gekost. Ik wil nooit meer ergens anders zijn. Dit is mijn leven, net als het jouw leven is.”

Langzaam kwam verbaasde opluchting over Varma’s gezicht.

“Bedoel je…?”

“Ik bedoel dat ik verliefd ben op Oceana, en de mantawalvissen, en het haaien. Maar niet op jou. Niet meer.”

“Dus… Dus we zijn nu gewoon vrienden?”

“Ja, vrienden.”

Een prachtige glimlach sierde haar lippen. Ze duwde zich van haar net af in mijn richting en nam me in een kieuwbenemende omhelzing.

“Laat me dan eens naar die hand kijken,” zei ze, terwijl ze zich van mij losmaakte.

“Zeker,” zei ik. Behoedzaam opende ik mijn geblesseerde hand en toonde haar de blauwe diamant die ik vasthield. “Ik denk sowieso dat deze van jou is.”

 

einde

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here