Interview met Floris M. Kleijne

0
103

 Floris M. Kleijne was in 2003 finalist voor de gerenommeerde Writers of the Future-Award, die hij het jaar erna zelfs won. In 2013 bereikte hij als eerste Nederlander ooit het actief lidmaatschap van de Science Fiction and Fantasy Writers of America (SFWA). Sinds 2008 is hij naast zijn schrijfwerk nauw betrokken bij de Paul Harland Prijs als voorselecteur en/of jurylid. We praten met hem over zijn voorliefde voor kortverhalen.

floris1

florisJe vertelde ooit dat je al vanaf je 12e korte verhalen schrijft. Daar waar veel beginnende schrijvers in ‘ons’ genre starten aan een uitgebreide trilogie ben jij met deze vorm verder gegaan. Wat spreekt jou zo aan in het korte werk?

Een van de beste (want griezeligste) horrorverhalen die ik heb gelezen is een cartoon van vijf plaatjes (en bedankt, Chantal Noordeloos, voor de angsten die hij heeft opgeleverd). Papa komt ’s nachts de kamer van zijn dochter binnen. Ze zit rechtop in bed en zegt dat er een monster in de kast zit. Terwijl hij haar verbaal geruststelt dat er geen monsters bestaan, doet hij de kast open. In de kast zit zijn dochter. Ze zegt: “Papa, er zit iemand in mijn bed.”

Wat geldt voor horror (en trouwens ook voor erotiek) geldt voor het korte verhaal evenzeer: impliceren en suggereren is bijna altijd mooier en altijd veel spannender dan alles in beeld brengen. In een kort verhaal heb ik als schrijver de gelegenheid om alles wat de plot niet direct raakt louter met kleine tipjes van de sluier te laten zien: van achtergrond van de hoofdpersoon tot complete wereldbouw.

In Ontmoeting met Vormgever bijvoorbeeld is hoofdpersoon Mark een sexistische dertiger met een alcoholprobleem, en zijn antagonist Jolo een amorele estheet uit de toekomst die met Marks leven speelt voor zijn eigen artistieke doeleinden. In een roman zouden de persoonlijke geschiedenissen van hun beiden de ruimte krijgen; in dit korte verhaal zijn eigenlijk maar twee tijdstippen relevant en wordt de rest allemaal gehint, gesuggereerd, of tussen neus en lippen door in narratief en dialoog verwerkt. Ik vind dat als schrijver én als lezer erg bevredigend: ik geef/krijg op die manier veel ruimte om zelf in te vullen, mijn verbeelding wordt maximaal geprikkeld.

En een kort verhaal is snel af; dat is ook handig voor iemand met mijn geduld en spanningsboog… 😀

 

Je ging al snel in het Engels schrijven omdat er te weinig markt was voor kortverhalen in het Nederlands. Nu zijn enkele van je kortverhalen alsnog uitgekomen bij Uitgeverij Link, zoals Mashup en Ontmoeting met Vormgever. Is de situatie wat dat betreft verbeterd?

OntmoetingmetVormgever-LinkZeker. Het Short Ficion-fonds van LINK is een enorme stap voorwaarts: een mooie en inhoudelijk sterke reeks korte verhalen en novelles in een breed scala van genres, van crime tot fantasy tot science fiction, als e-book of paperback beschikbaar. Als liefhebber van korte verhalen word ik heel hebberig van die reeks, nog los van het feit dat twee van mijn verhalen ertussen zitten.

Voor schrijvers is het ook een belangrijk initiatief: een professionele, commerciële uitgever, die marktconforme royalties en een realistisch voorschot betaalt en de verhalen aan een professioneel, kritisch redactioneel proces onderwerpt.

Maar LINK is maar één uitgever (al heb ik geruchten gehoord dat Boekerij ook plannen in een dergelijke richting smeedt). Ganymedes is al 28 jaar ter ziele. Er is maar een handjevol (semi-) professionele wedstrijden voor korte genreverhalen, zoals Fantastels en natuurlijk de Paul Harland Prijs. Kortom: als je als Nederlandse genreschrijver een professionele toetssteen zoekt voor je korte werk, dan is er nog steeds weinig keus. Het is niet voor niets dat schrijvers met ambitie vaak over de landsgrenzen kijken; ons taalgebied is piepklein, het afzetgebied voor korte genreverhalen nog veel kleiner, en dat weten uitgevers maar al te goed.

Dus is de situatie verbeterd: ja. LINK vult een gat, en de wedstrijden worden elk jaar professioneler. Maar tegelijk komt een lezer van korte verhalen nog steeds maar moeilijk en mondjesmaat aan zijn trekken, en zijn de opties voor schrijvers om kort werk gepubliceerd te krijgen nog steeds heel beperkt.

(Ik ben me er overigens van bewust dat ik in dit antwoord de onbetaalde publicaties zoals Wonderwaan en SF Terra volledig buiten beschouwing laat. Die knuppel laat ik graag in het hoenderhok liggen.)

 

Wat biedt de science fiction en de fantasy jou, waardoor jij graag in dit genre schrijft?

Heel kort gezegd: vrijheid en rijkdom. De vrijheid om mezelf over te geven aan mijn eigen fantasie, en de ongebreidelde rijkdom aan mogelijkheden.

“Wat als?” is al mijn hele leven de standaard instelling van mijn brein; ik ben gezegend en vervloekt met een verbeelding met weinig rem (al zijn er talloze schrijvers die ik bewonder met nog veel minder rem op hun verbeelding).

Als ik langs een geautomatiseerde ondergrondse parkeergarage loop, stel ik me meteen voor hoe het daar onderin is. Direct zijn er al talloze mogelijkheden voor een verhaal: de horror van opsluiting en duisternis, de science fiction van extrapoleren van de mogelijkheden van zo’n systeem, en–wat het uiteindelijk werd die keer–de absurde fantasy van een ondergrondse infestatie van kleptomane kobolden in What Happened While Don Was Watching The Game. Ik krijg een kleine knuffel-Nemo als inspiratie in de Writers of the Future-workshop, en ergens achterin mijn hoofd vraag ik me af hoe het zou zijn om zelf kieuwen te hebben; het resultaat was Diamanthaaien (hier te lezen, de vertaalde versie van Diamond Sharks). Ik mijmer over tijdreizen en het veranderen van het verleden, en mijn brein maakt een sprongetje: wat als een tijdreiziger het verleden terug zou willen veranderen naar hoe het was vóór het eerder werd veranderd. Het resultaat, dat nog maar weinig te maken heeft met dat uitgangspunt, was Ontmoeting met Vormgever.

En om het iets dieper te trekken: goede fictie gaat altijd over mensen – of marsmannetjes, of spookverschijningen, of hyperintelligente tinten blauw – en hun strubbelingen. In SFH kan ik die strubbelingen zo groot en moeilijk en bizar maken als ik zelf kan verzinnen, en daarmee de mens in het verhaal het vuur nader aan de schenen leggen dan in mainstream fictie mogelijk is. (En daarmee laten zien dat mensen toch altijd gewoon mensen blijven…)

 

Heb je zelf als lezer voorbeelden van auteurs die je graag leest en waar je je graag mee zou willen meten?

Use of WeaponsIk ga nog een stapje verder: wie wil ik worden als ik later groot ben?

Iain M. Banks.

Ik wil nog twee andere schrijvers noemen, maar Banks komt op de eerste plaats. Zijn ontzagwekkende talent voor wereld – nee, universumbouw, zijn kunstig geconstrueerde plots, zijn karakters en de manier waarop hun verleden onverbrekelijk deel uit maakt van wie ze nu zijn, zijn humor en brute geweld, zijn veelal non-lineaire verteltrant; allemaal zaken die ik eindeloos bewonder en dolgraag ook zo goed zou kunnen. Als ik ooit nog één boek weet te schrijven met de gruwelijke emotionele lading van Use Of Weapons, zal ik tevreden sterven.

Naast Banks moet ik Tim Powers noemen, en dan vooral zijn Fault Lines-trilogie: Last Call, Expiration Date en Earthquake Weather. In de Writers of the Future-workshop legde hij uit hoe hij eigenlijk geen genoeg kan krijgen van research, hoe hij maandenlang blijft zoeken naar dingen die hij “too cool not to use” noemt, om uiteindelijk bijna met tegenzin aan het eigenlijke schrijven te beginnen. Dat verklaart wel de wilde rijkdom aan ideeën, personages, locaties en culturele verwijzingen in zijn boeken.

En ten slotte iemand van eigen bodem: Paul Evanby. Hij laat in de twee boeken van Het Levend Zwart (De Scrypturist en De Vloedvormer) en in Een Rivier Van Goden zien dat ook in Nederland topkwaliteit fantasy wordt geschreven. Zijn drie romans zijn spannend, meeslepend en uniek; zijn wereldbouw is volkomen eigen; zijn taal prachtig. En daarbij lukt het hem ook nog om zijn fantasy te doordesemen met intelligente vraagstukken die direct relevant zijn voor de wereld zoals we die kennen, zonder dat het opdringerig of prekerig wordt; metaforen en zelfs parabels die subtiel verweven zijn in ijzersterke, volwassen fictie. In de zee aan uniforme epische fantasyreeksen is het werk van Evanby een verademing.

 

floris2

Je bent winnaar van de Writers of the Future Award, een SF-schrijfwedstrijd in Amerika, ooit door sciencefictionlegende L. Ron Hubbard in het leven geroepen. Ook ben je als eerste Nederlander lid van het SFWA (Science Fiction & Fantasy Writers of America), de Amerikaanse organisatie voor professionele schrijvers in ‘ons’ genre. Heeft dit bepaalde deuren voor je geopend?

Eerlijk gezegd heeft het lidmaatschap van de SFWA me precies dát opgeleverd: het lidmaatschap van de SFWA, en meer niet. (Al moet je me die vraag misschien na LonCon3 deze zomer nogmaals stellen, als ik heb kunnen ervaren wat het me brengt dat ik kan aanhaken bij en netwerken met de overige aanwezige leden, en vrijwilliger zijn bij de SFWA-kraam.) Ik beschouw het lidmaatschap ook vooral als een soort lintje, ook al omdat de schrijvers die ik vroeger las en bewonderde ook allemaal lid waren.

Writers of the Future daarentegen… Ik kan zonder overdrijven stellen dat alles wat ik sindsdien als schrijver heb bereikt mede te danken is aan mijn twee Writers of the Future-verhalen, en die eerste prijs voor Meeting the Sculptor (de oorspronkelijke versie van Ontmoeting met Vormgever). Kijk, met een WotF-award—of met een PHP—moet je nog steeds de slush pile door; uitgevers komen je echt niet zoeken. Maar met zo’n prijs op je literair cv zijn uitgevers en redacteurs wel eerder geneigd je inzendingen serieus te nemen. Bij veel tijdschriften is een dergelijke credit de garantie dat je volgende verhaal de slush pile omzeilt.

ceremonieflorisDaar komt nog bij dat het heel goed is geweest voor mijn zelfvertrouwen als schrijver, en vooral als Engelstalig schrijver, om zo snel al een belangrijke prijs te winnen. Daarvoor had ik alleen nog maar een suspense-verhaal verkocht, voor een tientje, maar plotseling werd ik naar de VS gevlogen, een week in de watten gelegd, kreeg ik een workshop van schrijvers die ik verder alleen uit mijn boekenkast kende (zie hiervoor: Tim Powers), en mocht ik in smoking een podium op om mijn trofee in ontvangst te nemen uit handen van Jerry Pournelle en Frederick Pohl. Plotseling stonden mijn verhalen in het soort internationaal gerenommeerde bundels dat ik zelf al mijn hele leven verslind. Voor mij als chronisch aan zichzelf twijfelende schrijver was dat een enorme opsteker. Kennelijk kon ik wel iets.

En ook mijn plek in de Nederlandse genrewereld dank ik gek genoeg aan Writers of the Future, simpelweg omdat de organisatie achter die prijs hun winnaars ook ondersteunt bij het netwerken. Heel concreet hebben ze me voorgesteld aan uitgever Jürgen Snoeren, die inmiddels bij Uitgeverij LINK mijn korte verhalen in het Nederlands uitgeeft. Via hem ben ik met de Paul Harland Prijs in aanraking gekomen, en langs die weg heb ik talloze andere Nederlandse en Belgische schrijvers leren kennen.

Dat is ook de voornaamste meerwaarde van het winnen van een prijs, of het nu een grote internationale prijs als de WotF is, Fantastels of de Paul Harland Prijs. Het geld boeit niet. Als er een publicatie uit volgt is dat geweldig, maar ook niet primair. Wat je eraan hebt is dat hij op je literair CV prijkt, en dat je via zo’n prijs in contact komt met gelijkgestemden van vergelijkbaar niveau. En vooral dát is onmisbaar als je wilt groeien als schrijver.

 

Vandaar dat ik lees op je blog dat je betrokken bent bij enkele schrijfgroepen en workshops. Wat bieden deze initiatieven jou als schrijver om jezelf te verbeteren?

Over in contact komen met gelijkgestemden gesproken!

In Los Angeles, bij de Writers of the Future Workshop 2004, deelde ik een kamer met Luc Reid, die kort daarvoor de Codex Writers Group had opgericht, een online forum voor neo-pro schrijvers van speculatieve fictie. Codex biedt uitwisseling tussen schrijvers op allerlei gebied, van het uitwisselen van verhaalkritieken tot tips over uitgevers en tijdschriften, van hulp bij research tot schrijftheoretische discussies, van inspiratiebronnen tot informele wedstrijden. Toen ik thuiskwam van de workshop, was Codex een belangrijke plek voor me geworden waar ik kon leren, samenwerken en ouwehoeren met peers.

Korte tijd later nam Ruth Nestvold (schrijfster van o.a. de Arthuriaanse fantasyroman Yseult) contact met me op. Zij woont in Duitsland en had met een groep andere Engelstalige schrijvers in Europa de Villa Diodati Expat Writers Workshop opgericht. Deze groep komt twee keer per jaar in een mooi vakantiehuis ergens in Europa bij elkaar om elkaars verhalen van kritiek te voorzien, samen schrijfoefeningen te doen en ideeën uit te wisselen, over schrijven te ouwehoeren, lekker te eten en vooral heel veel te lachen.  Het is een soort van thuiskomen om die weekeindes mee te maken, vier dagen door te brengen met mensen die de passie voor schrijven delen, dezelfde vreemde kronkels hebben, een bizar gevoel voor humor delen. En de onderlinge kritieksessies, waarin onze verhalen genadeloos, maar opbouwend door iedereen worden gefileerd, hebben me meer over schrijven geleerd dan welke andere bron dan ook.

Mede dankzij Codex, Villa Diodati en ook de WotF-workshops geloof ik dat er geen betere manier is om als schrijver te groeien dan je verhalen voor de leeuwen te gooien voor een groep schrijvers van vergelijkbaar niveau, die keihard, maar met liefde, aan je vertellen wat er allemaal mankeert aan je eerste—of tweede, of vijfde—versie.

 

Naast korte verhalen ben je nu ook bezig met een (fantasy)roman, hoe is het om aan een werk van grotere omvang te schrijven?

Intimiderend en bevrijdend.

Intimiderend omdat het verschil tussen 5.000 woorden (een gemiddeld kort verhaal) en 80.000 woorden geen factor 16 maar een factor 100 of 200 is. Mijn Nederlandse uitgever gaat dit boek niet uitgeven, omdat ik het in het Engels schrijf, maar hij dient me wel van advies, en blijft erop hameren dat een roman veel meer is dan een lang verhaal. Complexiteit en diepgang zijn veel groter, plotlijnen talrijker en ingewikkelder, karakters talrijker en verder uitgewerkt, en die ene spanningsboog van een kort verhaal wordt een welhaast Gotische constructie van bogen-in-bogen.

Het is maar goed dat schrijvers niet weten waar ze aan beginnen als ze aan hun eerste roman beginnen, zei iemand ooit. Een kort verhaal is met een paar dagen wel klaar en met nog een maand of twee tot in de puntjes gepolijst; een roman duurt zeker in mijn drukke leven zo twee jaar om te schrijven, en dan heb ik het nog niet gehad over de revisierondes (en de schriftelijke interviews die mijn schrijftijd opslokken :-D). Een kort verhaal heb ik gemiddeld binnen drie maanden aan een tijdschrift gesleten; het verkoop- en publicatieproces van een roman kan ook weer jaren duren. Dat is zelfs voor mensen die wél geduld hebben erg lang.

Maar het gevoel van bevrijding en ontdekking maakt het wel totaal de moeite waard. De tijd kunnen nemen voor zorgvuldige, gedetailleerde wereldbouw; diep in mijn karakters duiken en veel van ze laten zien zonder dat alles direct de primaire plot moet dienen; en vooral steeds weer verrast worden. Ik heb de wereld, het verhaal en de karakters weliswaar zelf ontdekt, maar desondanks voelt het schrijven echt als een ontdekkingstocht. Hoe steekt dat karakter echt in elkaar? Hoe ziet die eilandengroep er eigenlijk precies uit? Hoe is het om in een houten ruimteschip over een lavazee te vliegen? Wat gaat er eigenlijk gebeuren als ze de overkant bereiken? Ik heb bij het schrijven mijn hoofdpersoon een bloedstollende klimpartij laten doen die ik niet had voorzien of gepland en waar ik zelf hoogtevrees van kreeg. En tot mijn schrik blijkt een flink deel van mijn karakters heel binnenkort het loodje te gaan leggen. Die ontdekkingsreis maakt het schrijven voor mij ook een avontuur.

 

Veel fantasylezers zijn bekend met de uitgebreide boekenreeksen van Jordan, Brooks en Heitz, waarvan het aantal boeken niet eens meer met twee handen te tellen zijn. Hoe zou je deze mensen kunnen overhalen om ook eens aan korter werk te beginnen?

Het is als een lange vakantie vergelijken met een dagtocht, of een vijfgangendiner met een fris appeltje, of de Nachtwacht met een prent van Escher. Die vakantie, dat diner, dat enorme doek zijn natuurlijk rijker, complexer en langduriger, en blijven je waarschijnlijk langer bij. Maar het is ook heerlijk om er even een dag over de Veluwe te wandelen, om jezelf een kleine pauze te gunnen met een heerlijk rijpe Braeburn, of vijf minuten Lucht En Water te bestuderen. Een kort verhaal kan altijd even tussendoor.

dsflogoZelf heb ik een (gratis!) abonnement op Daily Science Fiction, zodat ik elke ochtend een vers kort verhaal in mijn Inbox krijg. En op mijn Kindle staat de (eveneens gratis) bundeling van de eerste vijf jaar Tor.com: 4.000 pagina’s met de beste recente speculatieve korte verhalen. Als je als lezer van science fiction en fantasy houdt, moet je minstens die twee bronnen nu meteen aanboren!

 

Ik moet helaas bekennen dat ik (als lezer die vooral veel Nederlandse boeken/verhalen leest) nog maar weinig verhalen van je heb gelezen. Is er een kenmerk te noemen die een verhaal ‘typisch’ van Floris Kleijne maakt?

Briljant geschreven, griezelig origineel en hartverscheurend mooi, dat zijn denk ik wel de belangrijkste kenmerken van mijn verhalen.

Maar nu even serieus. Het is geen makkelijke vraag om dezelfde reden waarom het bijna onmogelijk is om als schrijver je eigen werk te redigeren: wat je zelf schrijft wordt juist door de intieme vertrouwdheid onzichtbaar. Maar als je me het mes op de keel zet…

Au! Iets zachter graag, anders kan ik niet meer praten.

Nancy Fulda, Hugo-genomineerde schrijfster, medelid van Villa Diodati, en geestelijk moeder en uitbater van AnthologyBuilder.com, waar al mijn gepubliceerde fictie verkrijgbaar is, heeft mijn verhalen ooit omschreven als “both energetic and thought-provoking”. Zelf zou ik het iets anders stellen, maar ik begrijp wel wat ze bedoelde.

Hoewel plot-driven in kritieken zelden als compliment wordt bedoeld, hebben mijn verhalen gemeen dat ze altijd rondom een stevige plot zijn opgebouwd, bij voorkeur ook nog met een (voor ervaren lezers soms niet zo) verrassende wending aan het eind. Van de meeste verhalen die van mij zijn verschenen had ik de plot eerder in het hoofd dan de rest. Maar binnen de kaders van die plot gaat het me altijd om de mensen in het verhaal. Wat gaat er in ze om; wat is dit voor persoon dat hij/zij dit meemaakt, deze keuzes maakt? Hoe is Mark aan het eind van Ontmoeting met Vormgever veranderd? Ik heb ook een paar luchtige niemendalletjes geschreven, maar de verhalen waar ik het meest trots op ben gaan niet over die tijdreiziger, die onderwaterwereld, die zwaarden en die tovenarij, maar om de mensen die het verhaal bevolken.

O ja, en ik heb nog een handicap: ik ben amper in staat om een verhaal in chronologische volgorde te vertellen. Dus als je er een van mij leest, is de kans groot dat er tijdsprongen, flashbacks, door elkaar verweven plot- en tijdlijnen en andere asynchrone fratsen in zitten. Ik lees verhalen en romans die op die manier worden verteld ook het liefst; geen wonder dat ik het zelf ook graag op die manier schrijf.

 

Floris, bedankt voor het interview, we wensen je veel succes en plezier bij het organiseren van de Paul Harland Prijs 2014!

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here